Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4227.
HR, 16-05-2025, nr. 24/04666
ECLI:NL:HR:2025:753
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-05-2025
- Zaaknummer
24/04666
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:753, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑05‑2025; (Cassatie)
Nationale procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHSHE:2025:2297
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:191
ECLI:NL:PHR:2025:191, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:753
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑12‑2024
- Vindplaatsen
NJ 2025/245 met annotatie van F.M.J. Verstijlen
Uitspraak 16‑05‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04666
Datum 16 mei 2025
ARREST
In de zaak van
SWANENBERG BEHEER B.V.,
gevestigd te Schaijk,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: Swanenberg,
advocaat: J. den Hoed,
tegen
1. [verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verweerster] ,
2. [de bewindvoerder] ,
kantoorhoudende te [plaats] ,
hierna: de bewindvoerder,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/18/24/83 R van de rechtbank Noord-Nederland van 25 oktober 2024;
b. het arrest in de zaak 200.347.788/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2024.
Swanenberg heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] en de bewindvoerder hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest van 12 december 2024 en tot verwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1 tot en met 2.16. Die feiten komen op het volgende neer.
(i) De echtgenoot van [verweerster] , [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) hebben via hun vennootschap 2SQR Holding B.V. (hierna: 2SQR ) geïnvesteerd in een vastgoedportefeuille.
(ii) Ter gedeeltelijke financiering daarvan heeft een derde in 2009 aan Heusden Veste B.V. (hierna: Heusden Veste ), een vennootschap waarvan [betrokkene 2] bestuurder was, een lening verstrekt van € 1,5 miljoen en heeft Heusden Veste een gedeelte ter grootte van € 1,25 miljoen doorgeleend aan 2SQR . [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben zich als hoofdelijk medeschuldenaren (naast Heusden Veste ) jegens de derde verbonden tot nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van geldlening. [verweerster] heeft op de voet van art. 1:88 BW toestemming verleend voor het aangaan van deze hoofdelijke aansprakelijkheid.
(iii) In juni 2011 zijn [verweerster] en [betrokkene 1] – die aanvankelijk gehuwd waren in gemeenschap van goederen – huwelijkse voorwaarden overeengekomen. De huwelijkse voorwaarden bevatten een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en een zogenoemde Dozy-clausule, inhoudende dat ieder van de echtgenoten zich ten behoeve van de schuldeisers hoofdelijk aansprakelijk stelt voor alle schulden die op de huwelijksgemeenschap konden worden verhaald. [verweerster] en [betrokkene 1] hebben de tot de gemeenschap behorende goederen verdeeld.
(iv) Op 23 januari 2012 is [verweerster] in kort geding veroordeeld (als hoofdelijk schuldenaar) tot betaling van het openstaande bedrag uit de aan Heusden Veste verstrekte geldlening, met rente en kosten.
(v) Op 30 januari 2013 is [betrokkene 1] failliet verklaard.
(vi) In oktober 2013, oktober 2014 en februari 2016 heeft Swanenberg betalingen gedaan van in totaal ruim € 990.000,-- ter gedeeltelijke aflossing van de aan Heusden Veste verstrekte geldlening. Swanenberg verkreeg aldus door subrogatie op de voet van art. 6:150, aanhef en onder c, BW een vordering op (onder meer) [verweerster] .
(vii) In maart 2017 heeft Swanenberg een vordering tegen [verweerster] ingesteld tot verkrijging van betaling van, na eisvermindering, € 740.909,--. De vordering is uiteindelijk, na cassatie en verwijzing toegewezen bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023.1.
(viii) In februari 2024 heeft [verweerster] een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij heeft daarbij een schuld aan Swanenberg van € 782.979,94 vermeld, onder verwijzing naar het hiervoor onder (vii) genoemde arrest, waarvan een kopie was bijgevoegd. [verweerster] is op 20 maart 2024 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
2.2
Swanenberg verzoekt de schuldsaneringsregeling van [verweerster] tussentijds te beëindigen. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [verweerster] bij haar toelatingsverzoek feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die onjuist zijn, althans onverenigbaar zijn met verweren die zij in de hiervoor in 2.1 onder (vii) genoemde procedure heeft gevoerd en dat daarom niet is voldaan aan de eis dat aannemelijk is dat [verweerster] bij het aangaan en onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest.
2.3
De rechtbank heeft het beëindigingsverzoek afgewezen.
2.4
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.2.Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
Er is niet gebleken van omstandigheden die destijds bij de rechter niet bekend waren, en die reden zouden zijn geweest het toelatingsverzoek af te wijzen op de grond dat de goede trouw niet voldoende aannemelijk was. De ‘niet bekende’ feiten en omstandigheden waar Swanenberg zich op beroept, vallen merendeels buiten de termijn van drie jaar als bedoeld in art. 288 lid 1, onder b, Fw. De enige door Swanenberg genoemde feiten en omstandigheden die wel binnen die termijn vallen, zijn het niet voldoen van de schuld aan Swanenberg en het voeren van bepaalde verweren in de bodemprocedure. Het gaat daarbij, aldus Swanenberg, om verweren die het hof ’s-Hertogenbosch in het eindarrest van 19 december 2023 verworpen heeft. (rov. 4.3)
De schuld aan Swanenberg en de bodemprocedure daarover zijn in het toelatingsverzoek van [verweerster] uitdrukkelijk onder de aandacht gebracht. Bij de behandeling van het toelatingsverzoek op de zitting van 14 maart 2024 heeft de rechtbank de schuld en de bodemprocedure bovendien uitdrukkelijk met (onder meer) [verweerster] besproken (rov. 4.4).
De schuld van [verweerster] aan Swanenberg, de bodemprocedure en de in die procedure gevoerde verweren waren bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling bekend. De feiten en omstandigheden die Swanenberg aan haar beëindigingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, zijn dan ook geen ‘niet bekende’ feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 350 lid 3, onder f, Fw. (rov. 4.5)
Ook als de door Swanenberg aangevoerde feiten en omstandigheden bij de toelating tot de schuldsanering niet bekend waren, is het verzoek tot tussentijdse beëindiging niet toewijsbaar. Voldoende aannemelijk is namelijk dat [verweerster] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek te goeder trouw is geweest. Swanenberg heeft niet voldoende duidelijk en concreet naar voren gebracht dat [verweerster] in de drie jaren voor de indiening van het toelatingsverzoek nog verweren heeft gevoerd of gehandhaafd die niet alleen onjuist zijn, maar die ook opzettelijk onwaar en/of leugenachtig zijn. Het hof ziet daarvoor in de overgelegde stukken ook geen afdoende aanwijzing. Ook is niet in te zien dat bij het voeren van verweer in de bodemprocedure sprake was van misbruik van recht. (rov. 4.6)
Niet valt in te zien dat de toelatingsrechter onvoldoende geïnformeerd was over de proceskostenveroordeling in het arrest van 19 december 2023. (rov. 4.7)
Ook als [verweerster] in het toelatingsverzoek een onjuiste waarde van de woning van haar en haar echtgenoot heeft opgegeven, doet dit er niet aan af dat zij in de drie jaren voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van haar schulden. Voorts is er onvoldoende grond om te veronderstellen dat de rechter bij de beoordeling van het toelatingsverzoek op dit punt onjuist geïnformeerd was. [verweerster] had de door haar vermelde woningwaarde onderbouwd met een taxatierapport en er is onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van die taxatie te twijfelen. (rov. 4.8)
Er zijn geen omstandigheden die maken dat een ‘terugkijktermijn’ van meer dan drie jaar gehanteerd moet worden, of dat uitgegaan zou moeten worden van een ander ontstaansmoment van de vordering van Swanenberg. Dit geldt ook als acht wordt geslagen op de positie van de echtgenoot van [verweerster] , die inkomen geniet uit arbeid. (rov. 4.11)
De slotsom is dat er geen grond is voor tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, ook niet als de stellingen van Swanenberg en alle feiten en omstandigheden tezamen worden bezien. (rov. 4.12)
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
De onderdelen 1 en 2 van het middel klagen in de kern erover dat het hof niet is ingegaan op de stelling van Swanenberg dat [verweerster] in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 19 december 2023 (hierna: de bodemprocedure) heeft gesteld dat aan haar bij de wijziging van het huwelijksgoederenregime in 2011 geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toebedeeld, terwijl zij in het toelatingsverzoek heeft vermeld dat haar echtgenoot in verband met overbedeling een vordering op haar heeft van € 438.061,10.
Als het hof in rov. 4.3 heeft geoordeeld dat deze stelling van Swanenberg betrekking heeft op een omstandigheid gelegen buiten de termijn van drie jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek, geeft dat volgens onderdeel 1 blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de procedure na cassatie en verwijzing en is dat volgens onderdeel 2 onbegrijpelijk omdat het hof heeft miskend dat [verweerster] de genoemde stelling heeft gehandhaafd in de procedure na cassatie en verwijzing.
Ook onderdeel 3 klaagt onder meer dat het hof voorbij is gegaan aan de door Swanenberg gestelde tegenstrijdigheid tussen het genoemde verweer van [verweerster] in de bodemprocedure en de in het toelatingsverzoek gestelde schuld aan haar echtgenoot uit overbedeling van € 438.061,10.
3.1.2
De toepassing van de schuldsaneringsregeling kan tussentijds worden beëindigd, onder meer op verzoek van een schuldeiser, op de in art. 350 lid 3 Fw genoemde gronden. Een van die gronden is dat feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen op de grond dat niet voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend (art. 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw, in verbinding met art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw). Feiten en omstandigheden die aan de rechter bekend waren ten tijde van zijn uitspraak tot toelating tot de schuldsaneringsregeling worden geacht bij die uitspraak in aanmerking te zijn genomen en een herbeoordeling van de toen verrichte beoordeling is in strijd met de uitsluiting van rechtsmiddelen tegen die uitspraak (art. 292 lid 2 Fw)3..
Goede trouw in de zin van art. 288 lid 1, onder b, Fw is een gedragsmaatstaf. Bij de beoordeling of aan die maatstaf is voldaan, kan de rechter alle omstandigheden betrekken, waaronder de mate waarin de schuldenaar er een verwijt van gemaakt kan worden dat de schulden geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, bijvoorbeeld als gevolg van (pogingen tot) het frustreren van verhaalsacties van de schuldseisers.4.
Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling kan, als goede trouw van de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet voldoende aannemelijk is, toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (art. 288 lid 3 Fw).
3.1.3
Er bestaat volgens de stellingen van Swanenberg een tegenstrijdigheid tussen het verweer van [verweerster] in de bodemprocedure dat aan haar bij de wijziging van het huwelijksgoederenregime in 2011 geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toebedeeld en haar stelling in het toelatingsverzoek dat haar echtgenoot op haar een vordering wegens overbedeling heeft van € 438.061,10. Die tegenstrijdigheid is van belang bij de beoordeling of [verweerster] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schuld aan Swanenberg, als [verweerster] , zoals Swanenberg in hoger beroep heeft gesteld, het genoemde verweer heeft gehandhaafd in de periode van drie jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek.
Het hof heeft geen kenbare aandacht besteed aan deze stellingen van Swanenberg. De hiervoor in 3.1.1 genoemde klachten slagen dus.
3.2.1
De onderdelen 6 en 8 zijn ook gericht tegen het oordeel van het hof dat voldoende aannemelijk is dat [verweerster] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek te goeder trouw is geweest.
De onderdelen klagen dat het hof daartoe in rov. 4.6 ten onrechte heeft overwogen dat Swanenberg niet voldoende duidelijk heeft gesteld dat [verweerster] in de drie jaren voor de indiening van het toelatingsverzoek nog verweren heeft gevoerd of gehandhaafd die niet alleen onjuist zijn, maar die ook opzettelijk onwaar en/of leugenachtig zijn. Het hof heeft daarmee een te strenge maatstaf aangelegd, omdat goede trouw in de zin van art. 288 Fw niet slechts ontbreekt bij opzettelijke onwaarheden of leugenachtigheid en het ontbreken van goede trouw niet samenvalt met misbruik van recht, aldus de onderdelen 6 en 8. Voorts is de overweging onbegrijpelijk omdat Swanenberg nu juist wel heeft gesteld dat [verweerster] opzettelijk onware verweren heeft gevoerd, aldus onderdeel 6.
3.2.2
De rechtsklachten van de onderdelen 6 en 8 slagen omdat het hof heeft miskend dat goede trouw in de zin van art. 288 lid 1, onder b, Fw ook kan ontbreken zonder dat de schuldenaar zich heeft schuldig gemaakt aan misbruik van recht of het innemen van leugenachtige stellingen. In zoverre berust het bestreden oordeel op een onjuiste rechtsopvatting.
Ook de motiveringsklacht van onderdeel 6 slaagt. Swanenberg heeft aan haar verzoek tot tussentijdse beëindiging mede ten grondslag gelegd dat [verweerster] in haar toelatingsverzoek stellingen heeft ingenomen die onverenigbaar zijn met verweren die zij heeft gevoerd in de procedure tegen Swanenberg. Volgens Swanenberg volgt daaruit dat [verweerster] hetzij in haar toelatingsverzoek hetzij in de bodemprocedure opzettelijk onware stellingen heeft ingenomen. Daarom is zonder toelichting onbegrijpelijk de overweging van het hof dat Swanenberg niet voldoende duidelijk heeft gesteld dat [verweerster] in de drie jaren voor de indiening van het toelatingsverzoek nog verweren heeft gevoerd of gehandhaafd die leugenachtig zijn.
3.3
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 mei 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑05‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7687.
HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:111, rov. 3.5.
Kamerstukken II 1992/93, 22969, nr. 3, p. 13 en 37.
Conclusie 12‑02‑2025
Inhoudsindicatie
WSNP. Verzoek tussentijdse beëindiging. Goede trouw-toets schuldenaar. Innemen tegenstrijdige stellingen door schuldenaar. Mogelijk onjuiste informatie toelatingsverzoek.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04666
Zitting 12 februari 2025
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
Swanenberg Beheer B.V.
advocaat: mr. J. den Hoed
tegen
1. [verweerster 1]
2. [verweerder 2] (bewindvoerder)
1. Inleiding en samenvatting
Deze zaak gaat over een verzoek van een schuldeiser om tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op een schuldenaar. Rechtbank en hof hebben dit verzoek afgewezen. M.i. slagen de tegen het oordeel van het hof aangevoerde rechts- en motiveringsklachten.
2. Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
2.1
[verweerster 1] is sinds 1982 gehuwd met [betrokkene 1] . [betrokkene 1] was op enig moment samen met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) actief op de vastgoedmarkt, dit met hun vennootschap 2SQR Holding B.V. (hierna: 2SQR).
2.2
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hadden € 4,2 miljoen geïnvesteerd in de vastgoedportefeuille van de Geeris Groep. Zij wilden hun deelname vergroten en waren bij gebrek aan eigen middelen op zoek naar extra financiering. Hiervoor benaderden zij de burgerlijke maatschap naar Belgisch recht Familie [A] (hierna: [A] ). [A] was niet bereid om aan 2SQR (aanvullend) krediet te verstrekken, dit omdat 2SQR niet in staat was zekerheden te bieden. Heusden Veste B.V. (hierna: Heusden Veste), een vennootschap waarvan [betrokkene 2] bestuurder was, kon wél de door [A] verlangde zekerheden bieden. [A] heeft zodoende een lening van € 1,5 miljoen verstrekt aan Heusden Veste. De lening diende op 15 december 2010 afgelost te worden. Heusden Veste heeft een groot deel van het geleende bedrag – € 1,25 miljoen – doorgeleend aan 2SQR.
2.3
De lening van [A] aan Heusden Veste is vastgelegd in een leningovereenkomst van 3 juli 2009. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn ook partij bij deze overeenkomst, en zij hebben zich daarbij als hoofdelijk medeschuldenaren (naast Heusden Veste) verbonden tot het voldoen aan de betalingsverplichtingen jegens [A] .
2.4
[verweerster 1] heeft op 2 juli 2009 overeenkomstig artikel 1:88 BW toestemming verleend aan [betrokkene 1] voor het aangaan van de genoemde hoofdelijke aansprakelijkheid.
2.5
Begin 2011 heeft [A] haar vordering uit de leningovereenkomst overgedragen aan Havic Holding B.V. (hierna: Havic). Havic heeft vervolgens met Heusden Veste, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] afspraken gemaakt over wijziging en aanvulling van verstrekte zekerheden.
2.6
Op 28 juni 2011 zijn [verweerster 1] en [betrokkene 1] – die aanvankelijk gehuwd waren in wettelijke gemeenschap van goederen – staande huwelijk huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Deze voorwaarden hielden in een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. [verweerster 1] en [betrokkene 1] hebben de tot de gemeenschap behorende goederen verdeeld. In de daartoe opgemaakte notariële akte hebben zij een Dozy-clausule opgenomen. Deze clausule luidt:
“Ieder der echtgenoten stelt zich in verband met deze verdeling ten behoeve van de schuldeisers hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden die op de huwelijksgemeenschap konden worden verhaald, onverminderd onderling verhaal op grond van ieder draagplicht.”
2.7
Op 23 januari 2012 is [verweerster 1] in kort geding veroordeeld om aan Havic te betalen (als hoofdelijk schuldenaar) het openstaande bedrag uit de geldlening, met rente en kosten.
2.8
Op 30 januari 2013 is [betrokkene 1] failliet verklaard.
2.9
Swanenberg2.heeft – omdat Havic dreigde met executie van de zekerheden die Heusden Veste voor de geldlening had verstrekt – diverse betalingen gedaan aan Havic. Swanenberg had eveneens zekerheden verkregen van Heusden Veste en zij had er om die reden belang bij om uitwinning door Havic te voorkomen. De betalingen van Swanenberg aan Havic zijn: een betaling op 7 oktober 2013 van € 379.750,-, een betaling op 10 oktober 2014 van € 300.000,- en een betaling op 4 februari 2016 van € 311.363,-.
2.10
In 2017 hebben Swanenberg en Heusden Veste tegen [verweerster 1] een bodemprocedure aanhangig gemaakt (hierna: de bodemprocedure). Swanenberg vorderde, na eisvermindering, betaling van een bedrag van € 740.909,-, te vermeerderen met rente en kosten. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft bij vonnis van 14 februari 2018 de vorderingen van Swanenberg en Heusden Veste afgewezen. Het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij arrest van 25 februari 2020 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.11
Swanenberg en Heusden Veste hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [verweerster 1] is in cassatie niet verschenen. De Hoge Raad heeft op 15 oktober 2021 geoordeeld dat het cassatieberoep van Swanenberg deels slaagt.3.Het cassatieberoep van Heusden Veste is verworpen. De zaak is ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch.
2.12
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft op 19 december 2023 eindarrest gewezen.4.Het hof heeft [verweerster 1] veroordeeld om aan Swanenberg te betalen € 740.909,-, te vermeerderen met rente en kosten. Verder is [verweerster 1] veroordeeld in de proceskosten van Swanenberg . De voorwaardelijk ingestelde vordering van [verweerster 1] tegen Heusden Veste is afgewezen. Het hof heeft [verweerster 1] ook veroordeeld in de proceskosten van Heusden Veste. Tegen het eindarrest van 19 december 2023 is geen cassatieberoep ingesteld.
2.13
Op 2 februari 2024 heeft [verweerster 1] bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij het verzoek was onder meer gevoegd een overzicht van de schulden van [verweerster 1] . Op dit overzicht staat vermeld dat [verweerster 1] een schuld heeft aan Swanenberg van € 782.979,94, en daarbij wordt verwezen naar het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023. Dat arrest is als bijlage bij het toelatingsverzoek gevoegd.
2.14
Bij het toelatingsverzoek was ook gevoegd een verklaring van [verweerster 1] over het ontstaan van de schulden. In deze verklaring staat onder meer:
“29 januari 2024
Geachte,
Er is mij gevraagd een verklaring op te stellen hoe mijn schulden zijn ontstaan. Ik zal hieronder per schuld een toelichting geven:
(…)
(14) Veroordeling betaling lening Swanenberg - € 935.464,00
Na 7 jaar procederen waarbij ik door de rechtbank en het hof in eerste instantie volledig in mijn gelijk ben gesteld, ben ik op 19 december 2023 veroordeeld om een lening te voldoen waarvoor mijn man zich zakelijk hoofdelijke aansprakelijkheid heeft gesteld in 2009. Hoewel ik het niet eens ben met deze uitspraak omdat ik en mijn man geheel geen voordeel of baat hebben gehad van deze lening en het bedrijf waaraan deze lening is verstrekt hierdoor onrechtmatig wordt verrijkt.”
2.15
Bij het toelatingsverzoek is verder gevoegd een nadere verklaring van [verweerster 1] over het ontstaan van de schulden. Deze verklaring luidt:
“29 januari 2024
Geachte,
Er is mij gevraagd een verklaring op te stellen hoe mijn schulden zijn ontstaan. Mijn man heeft zich persoonlijk aansprakelijk gesteld voor een zakelijke lening in 2009. Mijn man en ik waren tot juli 2011 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Mijn man is persoonlijk failliet verklaard in 2013. De verstrekker van de zakelijke lening heeft in 2016 betaling van de lening bij mij opgeëist. Omdat ik het hier niet mee eens was, is de zaak bij de rechter beland. Door de rechtbank en het hof was ik in eerste instantie in gelijk gesteld, maar uiteindelijk ben ik afgelopen december in hoger beroep veroordeeld tot betaling van de lening. Dit betreft een bedrag van 938.000 euro. Hierdoor ben ik in de financiële problemen geraakt omdat ik dit gigantische bedrag nooit kan betalen met mijn beperkte inkomen en vermogen. Op de woning is in 2017 al beslag gelegd.
Ik heb met alle schuldeisers gesproken. De schuldeisers met betrekking tot de schulden 1 tot en met 11 zijn bereid om de schuld kwijt te schelden als daarmee wordt voorkomen dat mijn woning wordt geveild nu er sprake is van een relatief beperkte overwaarde ten opzichte van de hypothecaire lening.
Ik heb op basis van die informatie, met de hulp [van] derden die bereid zijn een schenking te doen, een aanbod van in totaal € 56.000 kunnen doen aan de schuldeisers met betrekking tot schuld 12 en 13 [Swanenberg en Heusden Veste; toevoeging A-G]. Deze schuldeisers krijgen met dit bedrag naar mijn oordeel een stuk meer dan zij toegekend krijgen vanuit de WSNP-regeling of in het geval ik failliet wordt verklaard. Schuld 14 kan volledig worden voldaan en de maandelijkse lasten waaronder de hypotheek kan ik voldoen met mijn maandelijkse inkomsten en de bijdrage van mijn man. Helaas konden de schuldeisers met betrekking tot schuld 12 en 13 niet instemmen met het aanbod nu zij in de veronderstelling leven dat er bij mij veel meer te halen valt. Ik heb een schuldregeling aangevraagd bij de gemeentelijke kredietbank. Helaas ben ik niet toegelaten tot de schuldhulpverlening en zij hebben mij geadviseerd om de WSNP aan te vragen. Als ik wordt toegelaten tot de WSNP zal ik met de bewindvoerder bekijken of we een akkoord kunnen aanbieden waarbij de schuldeisers meer betaling kunnen verwachten dan het normaal doorlopen van de WSNP. Mocht dit niet lukken, dan zit er niets anders op dan de WSNP regeling door te lopen waarbij ik zal proberen om zoveel mogelijk inkomen te genereren zodat de schuldeisers zoveel als mogelijk kunnen worden voldaan. Hopelijk kan ik dan dit drama dat al meer dan 10 jaar duurt afsluiten.”
2.16
Het toelatingsverzoek van [verweerster 1] is op 14 maart 2024 door de rechtbank behandeld ter zitting. Vervolgens heeft de rechtbank [verweerster 1] bij vonnis van 20 maart 2024 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
3. Procesverloop
3.1
3.2
Daartoe heeft Swanenberg aangevoerd, kort samengevat, dat [verweerster 1] feiten en omstandigheden aan haar toelatingsverzoek ten grondslag heeft gelegd die onjuist zijn, althans onverenigbaar zijn met verweren die zij in de bodemprocedure heeft gevoerd. Hiermee is niet voldaan aan de eis dat een schuldenaar bij het aangaan en onbetaald laten van schulden te goeder trouw moet zijn geweest. Dit betekent dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd moet worden, aldus Swanenberg .
3.3
De rechtbank heeft het beëindigingsverzoek bij vonnis van 25 oktober 2024 afgewezen.5.
3.4
In hoger beroep heeft Swanenberg gevraagd om het verzoek alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [verweerster 1] in de kosten.
3.5
[verweerster 1] heeft verweer gevoerd.
3.6
De bewindvoerder heeft verklaard dat er wat hem betreft geen grond is voor een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
3.7
Het beëindigingsverzoek is op 4 december 2024 ter zitting behandeld. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.
3.8
Bij arrest van 12 december 2024 heeft het hof het verzoek om tussentijdse beëindiging van de toepassing van schuldsaneringsregeling op [verweerster 1] afgewezen. Daartoe overweegt het hof dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die destijds bij de rechter niet bekend waren, en die reden zouden zijn geweest het toelatingsverzoek af te wijzen op de grond dat de goede trouw niet voldoende aannemelijk was. De ‘niet bekende’ feiten en omstandigheden waar Swanenberg zich op beroept, vallen merendeels buiten de termijn van drie jaar (zoals bedoeld in art. 288 lid 1, sub f Fw), zo overweegt het hof (rov. 4.3).
3.9
De enige door Swanenberg genoemde feiten en omstandigheden die wél binnen de hiervoor genoemde driejaarstermijn vallen, betreffen – voor zover een en ander voldoende duidelijk en concreet naar voren is gebracht en aan het verzoek ten grondslag is gelegd – het niet voldoen van de schuld aan Swanenberg en het voeren van bepaalde verweren in de bodemprocedure die het hof ’s-Hertogenbosch in het eindarrest van 19 december 2023 (zie hiervoor onder 2.12) verworpen heeft. Het hof stelt vast dat de onbetaalde schuld aan Swanenberg alsook de bodemprocedure tegen Swanenberg , in het toelatingsverzoek van [verweerster 1] uitdrukkelijk onder de aandacht zijn gebracht. Bij de behandeling van het toelatingsverzoek op de zitting van 14 maart 2024, heeft de rechtbank de schuld en de bodemprocedure bovendien uitdrukkelijk met (onder meer) [verweerster 1] besproken (rov. 4.4). De feiten en omstandigheden die Swanenberg aan haar beëindigingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, zijn dan ook geen (relevante) ‘niet bekende’ feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 350 lid 3 sub f Fw (rov. 4.5).
3.10
Ten overvloede merkt het hof op dat ook als aangenomen wordt dat sprake is van feiten en omstandigheden die bij de toelating tot de schuldsanering niet bekend waren, het verzoek tot tussentijdse beëindiging niet toewijsbaar is. Ook als alle door Swanenberg genoemde informatie in aanmerking wordt genomen, is namelijk voldoende aannemelijk dat [verweerster 1] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek te goeder trouw is geweest. Dat [verweerster 1] in de drie jaren voor de indiening van het toelatingsverzoek nog verweren gevoerd en/of gehandhaafd heeft die niet alleen onjuist zijn, maar die ook opzettelijk onwaar en/of leugenachtig zijn, is door Swanenberg niet voldoende duidelijk en concreet naar voren gebracht. Het hof ziet daarvoor in de overgelegde stukken ook geen afdoende aanwijzing. Dat bij het voeren van verweer in de bodemprocedure in enig opzicht sprake was van misbruik van recht, valt naar het oordeel van het hof evenmin in te zien (rov. 4.6).
3.11
Het betoog van Swanenberg dat [verweerster 1] de toelatingsrechter explicieter had moeten informeren over de proceskostenveroordeling die is opgenomen in het eindarrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2023, wordt verworpen. Dat de rechter op dit punt onvoldoende geïnformeerd was, valt – gelet op de bij het toelatingsverzoek gegeven toelichtingen en gelet op het feit dat het eindarrest uit de bodemprocedure was bijgevoegd – niet in te zien, aldus het hof (rov. 4.7).
3.12
Ook het betoog dat het toelatingsverzoek onjuiste informatie bevat over de waarde van de woning van [verweerster 1] en haar echtgenoot, is naar het oordeel van het hof tevergeefs. Ten eerste is, ook als er sprake zou zijn geweest van een afwijkende woningwaarde, dit als zodanig nog niet een gegeven dat kan afdoen aan het oordeel dat [verweerster 1] in de drie jaren voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van haar schulden. Ten tweede is er onvoldoende grond om te veronderstellen dat de rechter bij de beoordeling van het toelatingsverzoek op dit punt onjuist geïnformeerd was. Daarbij is van belang dat [verweerster 1] de door haar vermelde woningwaarde onderbouwd had door overlegging van een taxatierapport van een makelaar. De algemene cijfers en berekeningen die Swanenberg in deze beëindigingsprocedure naar voren heeft gebracht, geven – gezien ook de reactie daarop van de genoemde makelaar – onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van die taxatie te twijfelen (rov. 4.8).
3.13
Ten aanzien van de door [verweerster 1] verstrekte lening (van € 6.060,-) overweegt het hof dat niet valt niet in te zien waarom een dergelijke lening in dit geval aan het aannemen van goede trouw in de weg zou kunnen staan. De bedoelde lening is kennelijk ruimschoots voor het eindarrest in bodemprocedure van 19 december 2023 aan [verweerster 1] afbetaald, zodat er naar het oordeel van het hof in elk geval geen sprake was van een relevant verband tussen die lening en het onbetaald blijven van de schuld aan Swanenberg (of de goede trouw daarbij). Dat er een relevant verband is met het onbetaald blijven van de andere schulden valt, gelet ook op de relatief beperkte omvang van het genoemde bedrag, evenmin in te zien (rov. 4.9).
3.14
Het hof gaat evenmin mee in het betoog van Swanenberg dat de schuldsanering niet bedoeld zou zijn voor situaties als de onderhavige, en dat [verweerster 1] misbruik van recht zou maken (rov. 4.10). Ook zijn er naar het oordeel van het hof geen sprake van omstandigheden die maken dat een ‘terugkijktermijn’ van meer dan drie jaar gehanteerd zou moeten worden, of dat, voor zover het de toepassing van de schuldsaneringsregeling betreft, uitgegaan zou moeten worden van een ander ontstaansmoment van de vordering van Swanenberg . Voor een dergelijke afwijking van de wettelijke regeling bestaat naar het oordeel van het hof geen grond en geen aanleiding. Dit geldt ook als daarbij acht wordt geslagen op de positie van de echtgenoot van [verweerster 1] , die inkomen geniet uit arbeid (rov. 4.11).
3.15
Swanenberg heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.6.Zowel [verweerster 1] als haar bewindvoerder zijn in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
4. Juridisch kader
Goede trouw
4.1
Art. 288 lid 1 Faillissementswet (Fw) bepaalt dat een verzoek tot toelating tot de Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) slechts wordt toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar:
a. niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
b. ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en
c. de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
4.2
Het derde lid van art. 288 Fw regelt vervolgens dat het verzoek tot toelating tot de Wsnp ook kan worden toegewezen indien goede trouw ontbreekt, wanneer voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.7.In de wetsgeschiedenis is ten aanzien van deze hardheidsclausule het volgende opgemerkt:8.
“Daarbij zal uitgangspunt zijn dat de hardheidsclausule in beginsel niet zal worden toegepast. Om alsnog toegelaten te kunnen worden op basis van de hardheidsclausule, zal de schuldenaar moeten aantonen dat het hem in minder dan drie jaar gelukt is om zijn gedrag wezenlijk te veranderen en om voor zichzelf een stabiele situatie te creëren die heel anders is dan de situatie waarin hij zich bevond op het moment dat hij niet te goeder trouw handelde bij het aangaan of onbetaald laten van schulden. Een dergelijke verandering is moeilijk te realiseren binnen zo een korte periode. Daarom zal de hardheidsclausule ook alleen in duidelijke uitzonderingsgevallen worden toegepast.”
4.3
De goede trouw-toets is mede geïntroduceerd om misbruik van de Wsnp te voorkomen, zo volgt uit de memorie van toelichting:9.
“Zou die toetsing tot de slotsom leiden dat de schuldenaar ter zake niet te goeder trouw is geweest, dan zou het verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling moeten worden afgewezen. Daarmee zou misbruik van de schuldsaneringsregeling kunnen worden tegengegaan, bijvoorbeeld in het geval dat een natuurlijke persoon al dan niet kort voor het tijdstip waarop hij zijn aanvrage indient, onverplicht schulden aangaat, wellicht van grote omvang, om die schulden vervolgens na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet langer afdwingbaar te doen zijn.”
4.4
Aanvankelijk, bij de inwerkingtreding van de Wsnp in 1998, was de goede trouw-toets nog geformuleerd als facultatieve weigeringsgrond.10.In het destijds geldende art. 288 lid 2 aanhef en onder b Fw was bepaald dat het verzoek “kan worden afgewezen (…) indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.” Ook was de goede trouw-toets toen nog niet in tijd beperkt.
4.5
In 2008 is de goede trouw-toets op een aantal punten gewijzigd. Ten eerste is art. 288 lid 1 sub b Fw gewijzigd van een facultatieve in een imperatieve weigeringsgrond, die als gezegd dicteert dat het toelatingsverzoek “slechts” wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.11.Deze wetswijziging was ingegeven vanuit gedachte om de toegang tot de Wsnp te beperken tot diegenen die “er klaar voor zijn”.12.Verder bracht de wetswijziging mee dat de schuldenaar voortaan zelf aannemelijk moest maken dat hij aan de geldende voorwaarden voldoet, en dat de schuldenaar zich rekenschap diende te geven van, en een zekere verantwoording diende af te leggen over het ontstaan van zijn schulden.13.De parlementaire geschiedenis vermeldt voorts dat met deze wijziging van de aard van de goede trouw-toets (van facultatieve weigeringsgrond tot toelatingsvoorwaarde), geen inhoudelijke wijziging is beoogd:14.
“De vaststelling door de rechter of er sprake is van goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de vorderingen zal onder de nieuwe regels niet anders zijn dan onder de huidige wet. Het verschil is alleen dat zodra de goede trouw ontbreekt, de rechter het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling moet afwijzen, terwijl de rechter nu kan afwijzen.”
4.6
Ten tweede is de goede trouw-toets bij de hier besproken wetswijziging in tijd beperkt tot vijf jaar. Schulden te kwader trouw die op de dag van de indiening van het verzoekschrift ouder waren dan vijf jaar (tegenwoordig: drie jaar, zie hierna onder 4.7), vormden voortaan in beginsel geen beletsel om tot de Wsnp te worden toegelaten. Daarmee werd recht gedaan aan het beginsel dat een schuldenaar niet “tot levenslang” veroordeeld dient te worden door hem de toegang tot de schuldsaneringsregeling blijvend te ontzeggen, indien hij in het verleden te kwader trouw schulden heeft gemaakt.15.
4.7
Per 1 juli 2023 is de goede trouw-toets in art. 288 lid 1 sub b Fw als gevolg van de inwerkingtreding van de wet Wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen verkort van vijf tot drie jaar.16.
De beoordeling van goede trouw
4.8
Uit de memorie van toelichting volgt dat de rechter bij de beoordeling of voldaan is aan de goede trouw-toets alle relevante omstandigheden kan betrekken, zoals:17.
“(…) de omvang van de schulden en de mate waarin de schuldenaar er een verwijt van gemaakt kan worden dat die zijn ontstaan en geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. Bij dat laatste kan ook gedacht worden aan de situatie dat de schuldenaar verhaalsacties van schuldeisers heeft gefrustreerd of gepoogd heeft zulks te doen. Voorts kan gezegd worden dat een schuldenaar die reeds in de financiële problemen zit of ziet aan komen daarin - al dan niet door nieuwe schulden - te geraken, het onverplicht aangaan van nieuwe schulden achterwege behoort te laten. Ook het tijdstip waarop en de frequentie waarin de schulden zijn gemaakt alsmede het betalingsgedrag van de schuldenaar nadien en eventuele pogingen zijn schulden te doen verminderen, zullen bij de oordeelsvorming een rol kunnen spelen.”
4.9
Ook in de memorie van antwoord is benadrukt dat art. 288 lid 1 sub b Fw een gedragsmaatstaf omvat, die betrekking heeft op het “te goeder trouw handelen”:18.
“In dit verband zijn onder meer de aard en omvang van de schulden, het tijdstip waarop en de frequentie waarin schulden zijn gemaakt van belang. Zo kan een schuldenaar die willens en wetens de ene schuld na de andere doet ontstaan of die door bijvoorbeeld valsheid in geschrift ernstige fraude heeft gepleegd, de schuldsaneringsregeling dus worden geweigerd.”
4.10
Verder is in de wetsgeschiedenis verduidelijkt dat het begrip “goede trouw” in art. 288 Fw in ieder geval niet samenvalt met het gelijkluidende begrip in art. 3:11 BW, en dat evenmin sprake is van objectief recht zoals de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:2 BW en art. 6:248 BW. Het betreft in art. 288 Fw als gezegd een gedragsmaatstaf om te kunnen beoordelen of de schuldenaar zijn verplichtingen voortvloeiend uit de Wsnp zal nakomen:19.
“Bij die beoordeling kan een rol spelen het (betalings)gedrag dat de schuldenaar vóór de indiening van het verzoek heeft getoond jegens zijn schuldeisers. Denkbaar is bij voorbeeld dat de schuldenaar voortdurend getracht heeft aan zijn betalingsverplichtingen te ontkomen en of getracht heeft executiemaatregelen te ontlopen, dat laatste wellicht door goederen waarop beslag gelegd zou kunnen worden te vervreemden of te verbergen. Onder omstandigheden kan dan worden aangenomen dat de schuldenaar ook onder de toepassing van de schuldsaneringsregeling eenzelfde gedrag zou vertonen.”
4.11
In het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken is nader uitgewerkt hoe rechtbanken verzoeken tot toelating tot de Wsnp beoordelen.20.Bijlage III van dit procesreglement (getiteld “Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling”) vermeldt ten aanzien van de goede trouw-toets het volgende (art. 7.3.4):
“Afwijzing verzoek: schulden niet te goeder trouw (artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw)
Van een situatie als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw is in beginsel geen sprake, indien in de in dit artikel genoemde periode van drie jaar:
• schulden zijn aangegaan terwijl, gelet op het inkomen en/of vermogen van de verzoeker, redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan;
• recent nieuwe schulden van substantiële omvang of substantiële aard zijn aangegaan;
• schulden zijn aangegaan die voortvloeien uit een verslaving aan bijvoorbeeld gokken, alcohol en/of drugs;
• de verzoeker een eigen onderneming (eenmanszaak) heeft gevoerd en (nagenoeg) geen boekhouding heeft bijgehouden en beschikbaar is;
• de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting;
• door de verzoeker genoten uitkeringen wegens fraude zijn teruggevorderd;
• schulden zijn ontstaan uit misdrijf of overtreding;
• (substantiële) geldboetes zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen (Wet Mulder-feiten).”
Art. 285 Fw
4.12
Art. 285 lid 1 Fw bepaalt welke gegevens in het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling of in een daarbij te voegen bijlage moeten worden opgenomen (zie de opsomming onder a tot en met i). De verantwoordelijkheid voor een juiste en complete opgave van alle in art. 285 Fw bedoelde gegevens ligt bij de schuldenaar.21.Blijkens de wetsgeschiedenis is met de toevoeging in de opsomming onder i, dat een opgave moet worden opgenomen “van andere gegevens van belang om een zo getrouw mogelijk beeld te bieden van de vermogens- en inkomenspositie van de schuldenaar en van de mogelijkheden voor schuldsanering”, beoogd aan te geven dat de schuldenaar een algemene informatieplicht heeft.22.Verder is in de wetsgeschiedenis te lezen dat deze algemene informatieplicht uit de art. 285-verklaring naast de bewijslast van de schuldenaar staat om in de art. 288-verklaring (eerste lid, onder c) aan te tonen dat hij de verplichtingen die uit de regeling voortvloeien, naar behoren zal nakomen. De informatie uit de artikel 285-verklaring kan mede de art. 288-verklaring onderbouwen.23.
4.13
Hieruit kan worden afgeleid dat ook bij de beoordeling van de goede trouw van art. 288 Fw, de art. 285-verklaring een belangrijke rol speelt.24.Als deze onjuistheden bevat, onvolledig is of andere gebreken vertoont, kan dit leiden tot het oordeel dat de goede trouw ontbreekt.
De beëindigingsgrond van art. 350 lid 3 sub f Fw
4.14
Art. 350 lid 3 Fw bevat een zevental limitatief geformuleerde gronden waarop de schuldsaneringsregeling tussentijds kan worden beëindigd. Op grond van sub f van deze bepaling is tussentijdse beëindiging mogelijk indien:
“feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid (…).”
4.15
Deze beëindigingsgrond verwijst dus onder meer naar de goede trouw-toets bedoeld in art. 288 lid 1 sub b Fw. De koppeling met de goede trouw-toets in art. 288 Fw is ook terug te vinden in de totstandkomingsgeschiedenis van deze regeling. Zo is in de memorie van toelichting bij de inwerkingtreding van de Wsnp in 1998 het volgende te lezen over art. 350 Fw:25.
“Daarin wordt de rechter de mogelijkheid gegeven de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, onder meer indien de schuldenaar zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt, hij zijn schuldeisers tracht te benadelen of indien hij bovenmatige schulden doet of laat ontstaan. Ook daarbij gaat het in wezen om gedrag van de schuldenaar dat in de gegeven omstandigheden als niet te goeder trouw kan worden gekenschetst.”
4.16
Bij de toepassing van art. 350 lid 3 sub f Fw moet het gaan om feiten en omstandigheden die bij toelating tot de Wsnp wel bestonden, maar nog niet bekend waren. Tussentijdse beëindiging is niet mogelijk op grond van feiten en omstandigheden die bij de uitspraak tot toepassing van de Wsnp bij de rechter reeds bekend waren. Aangenomen moet worden dat die feiten en omstandigheden bij die uitspraak al in aanmerking zijn genomen, zodat een tussentijdse beëindiging op grond van diezelfde feiten en omstandigheden zou neerkomen op een herbeoordeling van de in die eerdere uitspraak verrichte beoordeling. Dit zou in strijd zijn met de in art. 292 Fw neergelegde uitsluiting van rechtsmiddelen tegen de uitspraak waarmee de schuldenaar tot de Wsnp wordt toegelaten.26.
5. Bespreking van het cassatiemiddel
5.1
In het beroepschrift waarmee Swanenberg is opgekomen tegen de afwijzende beslissing van de rechtbank op haar verzoek tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [verweerster 1] , heeft zij aangevoerd dat sprake is van feiten en omstandigheden die, als zij bekend zouden zijn geweest bij de beslissing tot toelating, zouden hebben geleid tot het oordeel dat [verweerster 1] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet te goeder trouw was.
5.2
Ter onderbouwing van die stelling heeft Swanenberg een groot aantal feiten en omstandigheden naar voren gebracht (zie beroepschrift onder 4.3, a tot en met r). Onder meer is aangevoerd dat [verweerster 1] in de bodemprocedure die heeft geleid tot het hofarrest van 19 december 2023 (waarbij zij is veroordeeld tot betaling van € 740.909,- in hoofdsom aan Swanenberg ) heeft gesteld dat haar bij de wijziging van haar huwelijksregime in 2011 geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toebedeeld. In het toelatingsverzoek heeft zij echter vermeld dat haar echtgenoot in verband met overbedeling een vordering op haar heeft van € 438.061,10. Dit is niet met elkaar verenigbaar; of het een of het ander is onwaar. Het hof is aan deze stelling voorbijgegaan (rov. 4.3-4.6).
5.3
Klacht 1 is gericht tegen rov. 4.3, en houdt in dat het hof het karakter van de procedure na cassatie en verwijzing heeft miskend. Die procedure vormt een voortzetting van het geding vóór cassatie en verwijzing, waarin de verwijzingsrechter (mede) beslist op basis van hetgeen partijen aanvoerden in feitelijke instanties voor de gang naar de Hoge Raad en waarin maar beperkt ruimte is voor nieuwe stellingen. [verweerster 1] gaf bovendien na cassatie en verwijzing geen van haar eerdere stellingen prijs, maar greep juist terug op haar eerdere stellingen.
5.4
Klacht 2 houdt in, samengevat, dat als het hof van oordeel is geweest dat de stelling die [verweerster 1] heeft ingenomen in de bodemprocedure, namelijk dat zij bij de wijziging van het huwelijksregime in 2011 geen vermogensbestanddelen van waarde heeft toebedeeld gekregen, buiten de driejaarstermijn valt, dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is. [verweerster 1] heeft dit standpunt namelijk (ook) nadrukkelijk ingenomen in de procedure na cassatie en verwijzing: in de antwoordmemorie na verwijzing heeft zij dit op verschillende plaatsen betoogd.27.Het moment waarop deze antwoordmemorie is genomen is gelegen binnen de driejaarstermijn.28.
5.5
Het eerste deel van klacht 3 (onder 5.17) sluit hierop aan. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het betoog van Swanenberg , dat hetzij [verweerster 1] in haar toelatingsverzoek onjuiste informatie heeft gegeven (namelijk dat zij in verband met overbedeling een schuld van € 438.061,- aan haar echtgenoot zou hebben), hetzij in de eerder genoemde antwoordmemorie na verwijzing onjuiste informatie heeft verschaft (namelijk dat zij bij de wijziging van het huwelijksregime geen vermogensbestanddelen van waarde heeft verkregen). Deze stellingen zijn tegenstrijdig en kunnen niet allebei waar zijn. Het hof heeft zijn beslissing niet naar behoren gemotiveerd, door wat Swanenberg hierover heeft aangevoerd in haar beëindigingsverzoek, onbesproken te laten.
5.6
De genoemde klachten slagen m.i. Het hof heeft ten onrechte de stellingen die Swanenberg op dit punt heeft gevoerd, onbesproken gelaten. Het hof is in het geheel niet ingegaan op de stellingname van Swanenberg , dat [verweerster 1] in haar verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die haaks staan op de feiten en omstandigheden die zij naar voren heeft gebracht in de antwoordmemorie na verwijzing in de procedure waarin zij is veroordeeld tot betaling aan Swanenberg van een bedrag van € 740.909,-. Daarmee is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.
5.7
Voor zover het hof heeft gemeend dat de stellingname van Swanenberg op dit punt niet van belang is, omdat de bedoelde feiten en omstandigheden zich meer dan drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toelating is ingediend hebben voorgedaan, is dat oordeel m.i. onbegrijpelijk. Zowel de stellingen die zijn opgenomen in de antwoordmemorie na verwijzing als die zijn opgenomen in het toelatingsverzoek zijn stellingen die binnen de driejaarstermijn zijn ingenomen.
5.8
Voor zover het hof heeft gemeend dat het innemen van tegenstrijdige stellingen in verschillende processtukken (hoe dan ook) niet kan leiden tot het oordeel dat [verweerster 1] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, niet te goeder trouw is geweest, getuigt dat oordeel m.i. van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals hiervoor is besproken, bevat art. 288 lid 1 sub b Fw een gedragsmaatstaf voor de schuldenaar. Het innemen van tegenstijdige stellingen – waarvan slechts ofwel de ene stelling ofwel de andere stelling juist kan zijn – kan wel degelijk een aanwijzing zijn dat het gedrag van de schuldenaar niet voldoet aan de goede trouw-maatstaf, al was het maar omdat een partij op grond van art. 21 Rv verplicht is de voor de beslissing van belang zijde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Deze bepaling geldt zowel voor het toelatingsverzoek als voor de antwoordmemorie na verwijzing.
5.9
Hierbij komt dat op de schuldenaar op grond van art. 285 Fw een algemene informatieplicht rust. Als de art. 285-verklaring onjuistheden bevat, kan dat reden zijn om aan te nemen dat de schuldenaar niet te goeder trouw is (zie onder 4.12-4.13). Mogelijke onjuistheden in een toelatingsverzoek kunnen dus grond opleveren voor het oordeel dat een schuldenaar niet voldoet aan de goede trouw-eis. De stellingname van Swanenberg dat hiervan in dit geval (op meerdere punten) sprake is, had het hof dan ook inhoudelijk moeten onderzoeken.
5.10
Volgens het tweede deel van klacht 3 (onder 5.18) heeft het hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, omdat het een aantal essentiële stellingen die Swanenberg aan haar verzoek tot tussentijdse beëindiging ten grondslag heeft gelegd, onbesproken heeft gelaten. Bespreking van deze stellingen was van belang, omdat de vraag of een schuldenaar te goede trouw is bij het aangaan en onbetaald laten van zijn schulden, beoordeeld moet worden op basis van alle feiten en omstandigheden van het geval (procesinleiding bovenaan blz. 19). Het gaat om de volgende stellingen:
- anders dan [verweerster 1] in haar toelatingsverzoek heeft vermeld is zij niet pas in 2016 aangesproken tot voldoening van de schuld aan Swanenberg , maar al in 2012 veroordeeld tot betaling daarvan;
- anders dan [verweerster 1] stelt is de leensom niet ten goede gekomen aan Heusden Veste, maar aan 2SQR BV en haarzelf en haar echtgenoot;
- tegen beter weten heeft [verweerster 1] de betrokkenheid van haar echtgenoot bij de geldlening afgezwakt;
- Swanenberg hield [verweerster 1] , anders dan zij haar toelatingsverzoek stelde, niet onverkort aan betaling, maar was bereid tot een schikking en gaf haar zelfs drie maanden de tijd om er onderling uit te komen;
- Heusden Veste had, anders dan [verweerster 1] in haar toelatingsverzoek stelde, geen ondeugdelijke vordering.
5.11
Ook deze klacht slaagt m.i. In rov. 4.2 van het hofarrest wordt weliswaar verwezen naar de feiten en omstandigheden die Swanenberg in haar beroepschrift onder punt 4.3 onder a tot en met r heeft opgesomd, waarin de hiervoor genoemde stellingen zijn te vinden. Het hof is echter niet inhoudelijk ingegaan op deze stellingen, omdat de bedoelde feiten volgens het hof grotendeels buiten de termijn van drie jaar vallen (zie rov. 4.3.) Dat is echter niet juist, zoals volgt uit het slagen van de hiervoor besproken klachten (zie onder 5.3-5.9).
5.12
Ook klacht 4 is gericht tegen het oordeel van het hof dat de feiten en omstandigheden die Swanenberg aan haar verzoek tot tussentijdse beëindiging ten grondslag heeft gelegd grotendeels buiten de driejaarstermijn vallen. De invalshoek is nu, als ik het goed begrijp, dat het hof wellicht heeft aangenomen dat het niet gaat om nieuwe stellingen van [verweerster 1] in de bodemprocedure.
5.13
Ik zie in het arrest geen aanwijzingen dat dit de gedachtegang van het hof is geweest. In zoverre slaagt de klacht niet. Maar zoals gezegd is het oordeel van het hof dat de door Swanenberg aangevoerde feiten en omstandigheden grotendeels buiten de driejaarstermijn vallen, onjuist dan wel onbegrijpelijk. In zoverre slaagt de klacht wel.
5.14
Klacht 5 is gericht tegen rov. 4.5, waarin het hof het volgende overweegt:
“4.5 Naar het oordeel van het hof was het onbetaald blijven van de schuld van [verweerster 1] aan Swanenberg , daarmee bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling bekend. Hetzelfde geldt voor de bodemprocedure en de in die procedure gevoerde verweren. Dat er nog verdere informatie was die voor de beoordeling van het toelatingsverzoek van belang zou kunnen zijn, valt niet in te zien. Zo is niet in te zien waarom voor die beslissing [A-G: de toelatingsbeslissing] van belang zou kunnen zijn dat de toelatingsrechter op de hoogte was van bepaalde specifieke verweren die [verweerster 1] in de bodemprocedure had gevoerd. De belangrijkste verweren die [verweerster 1] had gevoerd, blijken uit het bij het toelatingsverzoek gevoegde eindarrest van 19 december 2023. Dat de toelatingsrechter bij zijn beoordeling acht had moeten slaan op verweren die voor het hof ’s-Hertogenbosch niet het vermelden waard zijn geweest, valt niet in te zien. De feiten en omstandigheden die Swanenberg aan haar beëindigingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, zijn dan ook geen (relevante) ‘niet bekende ’ feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub f Fw.”
5.15
Geklaagd wordt in de eerste plaats (onder 5.24) dat de derde en volgende zinnen in deze overweging onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn, nu art. 350 lid 3 sub f Fw een gedragsmaatstaf behelst met betrekking tot de goede trouw van de schuldenaar bij het aangaan of onbetaald laten van zijn schulden. Bij de beoordeling van de goede trouw van [verweerster 1] bij het onbetaald laten van de schuld aan Swanenberg , kan daarom wel degelijk van belang zijn welke verweren zij in de bodemprocedure heeft gevoerd, zeker nu Swanenberg zeven jaar tegen haar heeft moeten procederen, waarmee haar vordering op [verweerster 1] nog aanzienlijk is opgelopen. Daarbij is niet beslissend of het hof in de bodemzaak (het verwijzingshof) die verweren in zijn arrest heeft vermeld. Mogelijk is immers dat het verwijzingshof niet is toegekomen aan een bespreking van die verweren.
5.16
De klacht slaagt m.i. Niet is in te zien waarom de stellingname van Swanenberg , dat [verweerster 1] in haar verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die haaks staan op verweren die zij naar voren heeft gebracht in de antwoordmemorie na verwijzing in de bodemprocedure, zou stranden op het feit dat het verwijzingshof in zijn arrest (waarin [verweerster 1] is veroordeeld tot betaling aan Swanenberg van een bedrag van € 740.909,-) geen melding heeft gemaakt van de desbetreffende verweren omdat die niet meer relevant waren voor zijn beslissing.
5.17
Een tweede klacht (onder 5.25) wordt opgeworpen voor zover het hof tot zijn oordeel in rov. 4.5 is gekomen omdat het hof het beëindigingsverzoek van Swanenberg zo begrepen heeft, dat zij zich (slechts) beroept op overwegingen in het arrest in de bodemprocedure, waarin bepaalde verweren van [verweerster 1] expliciet zijn verworpen. Die lezing van het beëindigingsverzoek is echter onbegrijpelijk, zo wordt geklaagd.
5.18
De klacht slaagt m.i. niet, omdat er geen aanwijzingen zijn dat het hof de stellingen van Swanenberg aldus heeft opgevat.
5.19
De derde klacht (onder 5.26) van klacht 5 is gericht tegen de eerste twee zinnen van rov. 4.5, waarin het hof overweegt dat het onbetaald blijven van de schuld van [verweerster 1] aan Swanenberg ‘daarmee’ bekend was en dat hetzelfde geldt voor de in de bodemprocedure gevoerde verweren. Met ‘daarmee’ doelt het hof op de laatste zinnen van rov. 4.4, waar is overwogen dat het eindarrest van het hof ’s-Hertogenbosch als bijlage was gehecht aan het toelatingsverzoek, en dat bij de behandeling van het toelatingsverzoek op dit zitting, de rechtbank de schuld en de bodemprocedure bovendien uitdrukkelijk heeft besproken met (onder meer ) [verweerster 1] . Geklaagd wordt dat deze overwegingen onbegrijpelijk zijn, omdat de antwoordmemorie niet aan het toelatingsverzoek was gehecht en het proces-verbaal van de toelatingszitting (vrijwel) niets vermeldt over de door [verweerster 1] in de bodemprocedure gevoerde verweren. Het hof neemt dan ook ten onrechte aan dat de toelatingsrechter bekend was met de in de bodemprocedure gevoerde verweren.
5.20
Ook deze klacht slaagt m.i. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat de antwoordmemorie was gehecht aan het toelatingsverzoek. Het hof kon daarom niet tot de conclusie komen dat de toelatingsrechter bekend was met de verweren die [verweerster 1] in die antwoordmemorie heeft gevoerd. Nu de crux van de stellingname van Swanenberg is dat [verweerster 1] aan haar toelatingsverzoek feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die haaks staan op feiten en omstandigheden die zij heeft aangevoerd in haar antwoordmemorie in de bodemprocedure, kan – zonder kennisneming van die antwoordmemorie – niet worden aangenomen dat de toelatingsrechter bekend was met de desbetreffende stellingen van [verweerster 1] .
5.21
Klacht 6 en klacht 8 zijn gericht tegen rov. 4.6, die als volgt luidt:
“Ten overvloede merkt het hof op dat ook als aangenomen wordt dat sprake is van feiten en omstandigheden die bij de toelating tot de schuldsanering niet bekend waren, het verzoek tot tussentijdse beëindiging niet toewijsbaar is. (…). De door Swanenberg genoemde verweren die [verweerster 1] daarmee in de drie jaren voor het toelatingsverzoek nog gevoerd of gehandhaafd heeft, zijn naar het oordeel van het hof niet dusdanig dat dit - gelet ook op de andere omstandigheden van het geval -tot de conclusie leidt dat niet langer voldoende aannemelijk is dat [verweerster 1] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het toelatingsverzoek, te goeder trouw is geweest. Daarbij is van belang dat [verweerster 1] het recht had om verweer te voeren, en dat dit recht niet beperkt is tot verweren die uiteindelijk door de rechter gegrond worden beoordeeld. Dat [verweerster 1] in de drie jaren voor de indiening van het toelatingsverzoek nog verweren gevoerd en/of gehandhaafd heeft die niet alleen onjuist zijn, maar die ook opzettelijk onwaar en/of leugenachtig zijn, is door Swanenberg niet voldoende duidelijk en concreet naar voren gebracht. Het hof ziet daarvoor in de overgelegde stukken ook geen afdoende aanwijzing. Dat bij het voeren van verweer in de bodemprocedure in enig opzicht sprake was van misbruik van recht, valt naar het oordeel van het hof evenmin in te zien.”
5.22
Klacht 6 houdt in dat dat het hof hier een te strenge toets hanteert: goede trouw in de zin van art. 288 Fw ontbreekt niet slechts bij het voeren van verweren die opzettelijk onwaar en/of leugenachtig zijn. De overweging getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting. Bovendien komt de stellingname van Swanenberg er wel degelijk op neer dat sprake is geweest van het opzettelijk voeren van onware stellingen door [verweerster 1] , waarbij verwezen wordt naar de stellingen die hiervoor onder 5.10 zijn weergegeven. Daarmee is ’s hofs oordeel ook onbegrijpelijk.
5.23
Klacht 8 voegt hier aan toe dat voor zover de gedachtegang van het hof in rov. 4.6 is dat het ontbreken van goede trouw samenvalt met misbruik van recht, die eveneens onjuist is.
5.24
De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Hiervoor (zie onder 4.8-4.10) is besproken dat de goede trouw van art. 288 lid 1 sub b Fw een gedragsmaatstaf omvat, die betrekking heeft op het te goeder trouw handelen van de schuldenaar. Bij de beoordeling daarvan kan ook het (betalings)gedrag dat de schuldenaar vóór de indiening van het verzoek heeft getoond jegens zijn schuldeisers, een rol spelen. De maatstaf valt niet samen met misbruik van recht, en vereist evenmin dat sprake is van het opzettelijk naar voren brengen van onware stellingen en/of leugenachtigheid van de zijde van de schuldenaar. Hiermee slagen de rechtsklachten van klacht 6 en klacht 8.
5.25
Nu de stellingname van Swanenberg erom draait dat [verweerster 1] aan haar toelatingsverzoek feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die haaks staan op feiten en omstandigheden die zij heeft ingenomen in haar antwoordmemorie in de bodemprocedure (en daarmee hetzij in de antwoordmemorie hetzij in het toelatingsverzoek opzettelijk onware stellingen heeft ingenomen), slaagt ook de motiveringsklacht van klacht 6.
5.26
Klacht 7 richt zich ten slotte tegen rov. 4.11, waar het hof het volgende overweegt:
“Er is, anders dan Swanenberg betoogt, geen sprake van omstandigheden die maken dat een ‘terugkijktermijn’ van meer dan drie jaar gehanteerd zou moeten worden, of dat, voor zover het de toepassing van de schuldsaneringsregeling betreft, uitgegaan zou moeten worden van een ander ontstaansmoment van de vordering van Swanenberg . Voor een dergelijke afwijking van de wettelijke regeling bestaat naar het oordeel van het hof geen grond en geen aanleiding. Dit geldt ook als daarbij acht wordt geslagen op de positie van [de echtgenoot] en op de samenleving van [verweerster 1] met [de echtgenoot], die inkomen geniet uit arbeid.”
5.27
Terecht wordt geklaagd (in mijn woorden samengevat) dat dit een onbegrijpelijke respons is op de stelling van Swanenberg dat de vermelding door [verweerster 1] op haar toelatingsverzoek dat haar echtgenoot een inkomen van ‘0’ heeft, onwaar is, althans niet te verenigen is met de mededeling van de echtgenoot zelf dat hij een baan heeft,29.noch met diens eerdere aanbod aan Swanenberg om bij wijze van schikking te participeren in een project van hem, waaruit nog wel een paar miljoen euro winst zou voortvloeien.30.De strekking van deze stelling van Swanenberg is immers dat [verweerster 1] ook op dit punt niet heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplicht, althans onjuiste inlichtingen heeft verschaft in de art. 285-verklaring, en dat dit duidt op het ontbreken van de voor toelating tot de schuldsaneringsregeling vereiste goede trouw.
5.28
Hiermee slaagt het merendeel van de klachten, zodat het arrest niet in stand kan blijven.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van 12 december 2024 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑02‑2025
De feiten zijn grotendeels ontleend aan het hofarrest, zie: Hof Arnhem-Leeuwarden 12 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7687, rov. 2.1-2.16.
De procesinleiding vermeldt (onder 1.3) dat Heusden Veste indirect in handen was van de familie Swanenberg .
HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1527.
Hof 's-Hertogenbosch 19 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4227.
Rb. Noord-Nederland 25 oktober 2024, C/18/24/83 R (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
De procesinleiding is op 20 december 2024 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
Kamerstukken II 2021/22, 35 915, nr. 3 (MvT), p. 9. Zie nader over de hardheidsclausule o.a. A.J. Noordam, Sdu Commentaar Insolventierecht, art. 288 Fw, aant. 7; B.J. Engberts, T&C Insolventierecht, commentaar op art. 288 Fw, aant. 9; B.J. Engberts, GS Faillissementswet, art. 288 Fw, aant. 11.
Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3 (MvT), p. 13-14.
De Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) is in 1998 in de Faillissementswet opgenomen, zie Wet van 25 juni 1998 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen, Stb. 1998, 445 en 447.
Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 19. Vanuit bewindvoerdersorganisaties en de rechterlijke macht waren signalen gekomen dat sprake was van een sterk stijgende werkdruk, doordat mede vanwege het slechtere economische tij het beroep op de Wsnp toenam, en doordat de uitvoering van de regeling bewerkelijker bleek te zijn dan was voorzien. De hier besproken wetswijziging had dan ook ten eerste tot doel de toegang tot de regeling te beperken tot die schuldenaren die “er klaar voor zijn”, en ten tweede om een verlichting van de werklast die de regeling met zich brengt voor de rechterlijke macht en de bewindvoerders, te beperken, zie Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 1-2.
Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 20.
Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 7 (Nota n.a.v. verslag), p. 57.
Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 20.
Stb. 2023, 175 (Besluit van 17 mei 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87). Zie uitvoerig over de achtergrond van deze wetswijziging mijn conclusie van 22 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:562, hoofdstuk 5 (m.n. onder 5.10) en hoofdstuk 6.
Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3 (MvT), p. 13-14.
Kamerstukken II 1995/96, 22 969, nr. 34b (MvA), p. 6.
Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 13.
Voorheen was deze uitwerking te vinden in de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen, zie ter illustratie de versie van 1 januari 2008, o.a. opgenomen in de 6e druk van T&C Insolventierecht (2008), als bijlage 12.
GS Faillissementswet, aant. 16 bij art 285 F (B.J. Engberts); Kamerstukken II 2005/06, 29 942, nr. 7, p. 73 e.v.
Kamerstukken II, 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 15.
Kamerstukken II, 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 15.
B.J. Engberts, T&C Insolventierecht, aant. 5a bij art. 288 Fw (actueel t/m 1 augustus 2024).
Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3 (MvT), p. 13.
HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3425, NJ 2008/479, rov. 3.3.2. Zie nader: B.J. Engberts, GS Faillissementswet, commentaar op art. 350 Fw, aant. 7 en aant. 7.7; B.J. Engberts, T&C Insolventierecht, commentaar op art. 350 Fw, aant. 5 onder j.
Zie voor de vindplaatsen in die antwoordmemorie de procesinleiding op p. 15-16.
Deze memorie dateert van 14 juni 2022.
Zie het proces-verbaal van de toelatingszitting die op 14 juli 2024 plaatsvond bij de rechtbank Noord-Nederland, geciteerd in de procesinleiding onder 3.2. Hier is te lezen dat de echtgenoot zegt: “Ik wil niet in de WSNP. Ik heb een baan (…)”. Het proces-verbaal is als processtuk 2 opgenomen in het procesdossier van Swanenberg .
Verwezen wordt naar het beroepschrift onder 4.14 en onder 4.36.
Beroepschrift 20‑12‑2024
Procesinleiding in een verzoekschriftprocedure in cassatie
Datum indiening 20 december 2024
Verzoekster tot cassatie
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk Swanenberg Beheer B.V., hierna aan te duiden als: ‘Swanenberg’, gevestigd aan de Zeelandsedreef 2, te (5374 RR) Schaijk, die in deze cassatieprocedure woonplaats kiest aan de Dreef 22 (Postbus 5287, 2000 CG) te Haarlem, ten kantore van mr. J. den Hoed, advocaat bij de Hoge Raad, die door Swanenberg is aangewezen om haar in deze cassatieprocedure te vertegenwoordigen en deze procesinleiding in te dienen.
Verweerster in cassatie
Mevrouw [verweerster 1], hierna aan te duiden als: ‘[verweerster 1]’, woonachtig aan het [adres] te ([postcode]) [woonplaats], die in de vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen ten kantore van de advocaat mr. R.G. Holtz, kantoorhoudende te Groningen.
Cassatieberoep
Swanenberg stelt hierbij beroep in cassatie in bij de Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd aan het Korte Voorhout 8 te 2511 EK Den Haag, die bevoegd is van dit cassatieberoep kennis te nemen.
Met dit cassatieberoep wordt opgekomen tegen het arrest van 12 december 2024 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, (met zaaknummer:200.347.788/01), in hoger beroep gewezen tussen Swanenberg als appellant en [verweerster 1] als geïntimeerde.
Bij arrest van 12 december 2024 heeft het Gerechtshof het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen d.d. 25 oktober 2024 met zaaknummer C/18/24/83 R bekrachtigd.
Kern van de zaak
Deze zaak behelst in essentie het navolgende. [verweerster 1] is na circa 8 jaar procederen door het hof 's Hertogenbosch bij arrest van 19 december 2023 veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 740.909,- , vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 december 2016, inmiddels ruim € 1 miljoen. Eerder al in 2012 is [verweerster 1] in een door Havic Holding B.V., hierna: ‘Havic’, als rechtsopvolger van [A], tegen haar geëntameerd kort geding, veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De vordering van Havic is ex art. 6:150, aanhef en onder c, BW bij wijze van subrogatie overgegaan op Swanenberg, als derde, nu zij met betalingen van € 379.750 (in 2013), € 300.000,- (in 2014) en € 311.363,- (in 2016) in zoverre de vordering voldeed om uitwinning te voorkomen van een goed waarmee haar recht daarop verloren zou gaan. De schuld aan, oorspronkelijk [A], vloeit voort uit een in 2009 gesloten overeenkomst van geldlening waarin de echtgenoot van [verweerster 1], met wie zij toen nog in gemeenschap van goederen gehuwd was, met [betrokkene 1], hierna: ‘[betrokkene 1]’, zich hoofdelijk verbond tot terugbetaling. [verweerster 1] stemde op de voet van art. 1:88 BW met deze hoofdelijkheid in. Deze instemmingsverklaring behelst een door de notaris gelegaliseerde en gecontroleerde handtekening.
De overeenkomst van geldlening werd op papier aangegaan door Heusden Veste B.V., hierna: ‘Heusden Veste’ als geldnemer. De door haar van [A] op grond van die overeenkomst geleende som van € 1,5 miljoen, voor de terugbetaling waarvan [betrokkene 1] zich (met toestemming van [verweerster 1] hoofdelijk verbond, alhoewel hij bij die vennootschap geen enkele betrokkenheid had) werd echter vrijwel onmiddellijk voor 5/6e deel doorgeschoven naar een vennootschap waarvan [betrokkene 1] een van de twee aandeelhouders en bestuurders was en waarmee Heusden Veste geen enkele zakelijke banden onderhield, 2SQR B.V1.. Deze vennootschap, 2SQR, loste ook als eerste een (klein) deel van de lening af, waarna ook andere vennootschappen waaraan [betrokkene 1] verbonden was later enige aflossingen zouden verrichten, tot in totaal € 300.000,-2.. Dit deden zij nu de schuld hen aanging.
Kort voor de uiterste aflossingsdatum (nadat reeds twee maal uitstel was verkregen) kwamen [betrokkene 1] en [verweerster 1] na dertig jaar huwelijk in gemeenschap van goederen alsnog huwelijkse voorwaarden overeen (koude uitsluiting), met toedeling aan [verweerster 1] van vermogensbestanddelen ter waarde van € 3 miljoen, een constructie waarvoor in de literatuur wordt gewaarschuwd vanwege het daaraan verbonden risico van benadeling van schuldeisers. Heusden Veste loste evenals Swanenberg een groot deel van de leenschuld af. Haar daarmee verkregen regresvordering op [verweerster 1] — [betrokkene 1] was failliet verklaard en bij de curator werd voor tientallen miljoenen aan vorderingen ingediend3. — stuitte hierop af (nu het ontstaansmoment van de regresvordering lag na de datum van totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden, zulks conform het arrest ASR/Achmea).
Omdat [verweerster 1], door Swanenberg in 2016 tot betaling aangesproken, de vordering weersprak en instemming ex art. 1:88 BW met de hoofdelijke aansprakelijkheid van haar echtgenoot ontkende, zag Swanenberg zich genoodzaakt tot, wat zou blijken, een lange en kostbare procedure, waarin zij uiteindelijk na cassatie en verwijzing volledig in het gelijk zou worden gesteld. Al die tijd loste [verweerster 1] de schuld niet in4..
Toen het verwijzingshof uitspraak had gedaan, gaf Swanenberg [verweerster 1] uit coulance nog drie maanden de tijd om met een redelijk schikkingsvoorstel te komen5.. Swanenberg wachtte uit medeleven tot na de kerst vóór zij zich in verband met deze uitspraak tot [verweerster 1] richtte. Tussen partijen vond vervolgens overleg plaats over een schikking. [verweerster 1] deed een voorstel, betaling van € 56.000,-, waarin Swanenberg zich niet kon vinden. Met haar echtgenoot [betrokkene 1], hierna: ‘[betrokkene 1]’, vonden eveneens onderhandelingen plaats over de betaling van de tegen zijn echtgenote toegewezen vordering op basis van een door hem voorgestelde participatie van Swanenberg in een van zijn projecten, waaruit Swanenberg wellicht op den duur uitbetaald zou kunnen worden. Swanenberg zou eerst zelf een bedrag aan [betrokkene 1] moeten betalen (met alle daaraan verbonden risico's) om mogelijk na verloop van tijd voldoening te krijgen van haar na een lange rechtsstrijd toegewezen vordering op [verweerster 1]. Voor Swanenberg was dit een brug te ver. Ondertussen vroeg [verweerster 1] — buiten medeweten van Swanenberg — om toepassing van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, WSNP. Precies toen de [verweerster 1] voor voldoening van de schuld (of een redelijk voorstel) geboden termijn van drie maanden verstreek, werd dit verzoek gehonoreerd. [verweerster 1] werd per 20 maart 2024 toegelaten tot de WSNP.
Aan haar verzoek om toelating tot de WSNP, hierna: ‘het toelatingsverzoek’, legde zij niet alleen de in rechte vastgestelde vordering van Swanenberg ten grondslag, maar (onder meer) ook de lening van haar echtgenoot aan haar voor de bekostiging van de procedure tegen Swanenberg en een vordering van haar echtgenoot op haar vanwege overbedeling — toen zij na dertig jaar huwelijk alsnog huwelijks voorwaarden (koude uitsluiting) overeenkwamen — ad € 438.061 terwijl zij (ter onderbouwing van haar beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid) in de bodemprocedure ter afwering van de vordering van Swanenberg nog stelde niets van enige waarde toebedeeld te hebben gekregen. Het toelatingsverzoek behelst ook andere onjuistheden. In de optiek van Swanenberg heeft [verweerster 1] de schuld aan haar niet te goeder trouw onbetaald gelaten. Zij diende daarom een verzoek in tot beëindiging van de WSNP, hierna: ‘het beëindigingsverzoek’.
De rechtbank wees bij vonnis van 25 oktober 2025 het beëindigingsverzoek af. Het hof bekrachtigde deze uitspraak.
1. Achtergrond in een notendop6.
1.1
In het kort doet zich het volgende voor. [verweerster 1] is de echtgenote van de heer [betrokkene 1], hierna: ‘[betrokkene 1]’. [betrokkene 1] was samen met [betrokkene 2], hierna: ‘[betrokkene 2]’, actief op de vastgoedmarkt. Zij waren allebei bestuurder tevens groot aandeelhouder in de vennootschap 2SQR Holding B.V., hierna: ‘2SQR’. Via dit vehikel belegden zij in onroerend goed. Deze joint venture was gegoten in een lege vennootschap zonder materiële activa en zonder personeel.
1.2
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] wilden € 1.500.000,- van [A] lenen7. om via hun vehikel 2SQR verder te participeren in een vastgoed- en beleggingsportefeuille van de Geeris Groep8.. Zij streefden een vergroting na van hun deelname in de vastgoedportefeuille van de Geeris Groep, waarin zij eerder reeds een bedrag van € 4,2 miljoen hadden geïnvesteerd, nadat daartoe van [A] een krediet was verkregen9.. Zij hadden daartoe, bij gebreke van eigen financiële middelen, behoefte aan externe financiering. Zij hadden (extra) kapitaal nodig. Hiertoe benaderden zij de burgerlijke maatschap naar Belgisch recht familie [A], hierna: ‘[A]’. [A] weigerde de gevraagde geldlening. [A] had kort daarvoor reeds voormeld krediet van € 4,2 miljoen verschaft ten behoeve van de Geeris Groep. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] konden [A] met 2SQR geen zekerheden bieden. [A] was daarom niet bereid om aan hun verzoek tegemoet te komen.
1.3
[betrokkene 2] was toentertijd bestuurder van Heusden Veste B.V., hierna: ‘Heusden Veste’. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bedachten een manier waarop zij het bezwaar van [A] konden wegnemen. Zij haalden [A] over door voor de bedoelde investering in de Geeris Groep, via 2SQR, Heusden Veste als leningnemer naar voren te schuiven. [betrokkene 2] trad hierbij op als bestuurder van Heusden Veste en ook van 2SQR10.. Heusden Veste werd louter vertegenwoordigd door [betrokkene 2]11.. Heusden Veste werd tussengeschoven12.. Heusden Veste, indirect in handen van de familie Swanenberg was een gegoede partij, in staat om zekerheden te bieden. [A] wist van deze constructie (dus de eindbestemming van het geld via 2SQR) en verlangde daarom van [betrokkene 1] en van [betrokkene 2] om zich nadrukkelijk mede hoofdelijk aansprakelijk te verklaren, naast Heusden Veste. [betrokkene 1] ging — zoals het hof ook vaststelt in rov. 5.9 — de bewuste geldlening aan ‘in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf 2SQR’, zonder toestemming (en buiten medeweten) van de familie Swanenberg. De hiervan onkundig gelaten familie Swanenberg is toen zij lucht kreeg van deze opzet — de geldlening door Heusden Veste ten behoeve van 2SQR13., een vennootschap zonder overig personeel en zonder materiële activa14., waaraan zij niet gelieerd was, waarin zij geen belang had en waarover zij geen zeggenschap had, maar waarvoor zij wel volledig in de wind stond — een OK- procedure tegen [betrokkene 2] gestart.
1.4
Deze overeenkomst van geldlening met Heusden Veste als geldnemer en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als hoofdelijk medeschuldenaar kwam tot stand op 3 juli 2009. [A] leende een bedrag uit van € 1.500.000,-, tegen 8% rente met aflosdatum 15 december 2010.
1.5
Artikel 8 van de overeenkomst van geldlening van 3 juli 2009 (nader weergegeven achter randnummer 11 tot en met 14 van de memorie van grieven, waarnaar hier wordt verwezen) luidt als volgt:
- ‘4.
De Hoofdelijk Schuldenaren verbinden zich tot zekerheid voor de juiste en tijdige nakoming door de Geldnemer van de jegens de Geldgever bestaande verbintenissen als hoofdelijk schuldenaar naast de Geldnemer. Geldnemer en de Hoofdelijk Schuldenaren gelden ten aanzien van de uit deze overeenkomst voor hen voortvloeiende verplichtingen als hoofdelijk schuldenaren. De lening geldt ten aanzien van alle hoofdelijk schuldenaren als een ondeelbare en hoofdelijke verbintenis.’
1.6
[verweerster 1] heeft nadrukkelijk ex art. 1:88 BW met dit hoofdelijk medeschuldenaarschap ingestemd. Haar handtekening is daarbij door een notaris gecontroleerd.
1.7
Van het uitgeleende bedrag van € 1.500.000,- is vrijwel onmiddellijk 5/6e deel doorgeleend (tegen eveneens 8% rente) aan 2SQR, de rest is overgemaakt naar een andere vennootschap van [betrokkene 2].
1.8
Nu de gelden voor 5/6e deel bestemd waren voor een investering van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], via 2SQR, hebben aan hen gelieerde vennootschappen, waaronder 2SQR, tot ruim € 300.000,- op de lening afgelost15.. De eerste aflossing op het krediet voldeed de vennootschap van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], 2SQR16.. Zij loste in zoverre af, nu de lening enkel haar (althans haar enige aandeelhouders en bestuurders, [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) aanging.
1.9
Op verzoek van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] werd de aflosdatum enkele malen opgeschoven. Telkenmale, in totaal derhalve vier maal, verklaarde [betrokkene 1] zich nadrukkelijk tot hoofdelijk schuldenaar17.. [verweerster 1] was ook niet slechts zijdelings betrokken18. en profiteerde zij van de lening.
1.10
Kort voordat na enkele verlengingen van de uitleentermijn aflossing daadwerkelijk onafwendbaar werd, wijzigden [betrokkene 1] en [verweerster 1] na circa 30 jaar hun huwelijksvoorwaarden van gemeenschap van goederen in koude uitsluiting met toebedeling van vermogensbestanddelen aan [verweerster 1] voor circa € 3 miljoen. Zij namen in de daarvan opgemaakte notariële akte een zogeheten Dozy-clausule op, waarmee [verweerster 1] zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor de schulden van de gemeenschap.
1.11
[A] had de vordering inmiddels gecedeerd aan Havic.
1.12
Op 5 oktober 2011 schreef Havic [betrokkene 1] tevergeefs aan tot betaling van achterstallige termijnen. Bij exploot van 11 oktober 2011 eiste zij vervolgens het restantbedrag van de lening op ad (toen) € 1.208.100,-, te vermeerderen met rente en kosten. Havic vorderde dit bedrag ook van [verweerster 1]. Sinds die datum is eerst door Havic, later door Heusden Veste en Swanenberg getracht van [verweerster 1] betaling te verkrijgen van het (met rente steeds verder opgelopen) bedrag, voor zover het laatste twee partijen betreft overigens slechts voor één derde van de totale som, € 740.909,-- (vermeerderd met rente).
1.13
Kort daarop, per 3 januari 2012, failleerde 2SQR. De schuldeisers (voor vele miljoenen) ontvingen nagenoeg niets.
1.14
Bij vonnis van 23 januari 2012 is [verweerster 1] in kort geding op vordering van Havic als hoofdelijk schuldenaar veroordeeld tot (terug)betaling van het geleende bedrag met rente en kosten.
1.15
De zakelijke loopbaan van [betrokkene 1] verliep niet zonder kleerscheuren; diverse schuldeisers bleven berooid achter19.. Niet alleen 2SQR, ook [betrokkene 1] is persoonlijk failliet verklaard. Hierin werd voor meer dan € 15 miljoen aan vorderingen ingediend. Mr. Weermeijer merkte hierover ter zitting van 13 december 2019 op (zoals opgetekend in het proces-verbaal van de zitting van 13 december 2019, op pagina 2):
‘2SQR had geld nodig. Ik verwijs naar productie 27 bij de akte van 15 december 2015, het faillissementsverslag van 3 januari 2012. 2SQR zat in grote financiële problemen. Uit het faillissementsverslag blijkt ook dat het water aan de financiële lippen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] stond. In dat faillissementsverslag staat dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in een vonnis van 2010 zijn veroordeeld om € 10 miljoen aan [B] te betalen. In een andere zaak ging de Rabobank achter de heren 2SQR aan. Bij vonnis van een rechtbank zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 1] veroordeeld tot betaling van € 5 miljoen. Er is links en rechts geleend door [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. In de vennootschap zat geen personeel. Die vennootschap bestond alleen om hun eigen belang te dienen. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] konden daarom de lening van [A] via Heusden Veste heel goed gebruiken. De enige reden dat Heusden Veste ertussen zat was dat [A] niet meer geld wilde uitlenen aan de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. [A] kreeg zakelijke zekerheden van Heusden Veste in Duitsland. Ook kreeg hij persoonlijke zekerheden in de vorm van het hoofdelijke schuldenaarschap van [betrokkene 1] en [betrokkene 2].’
1.16
Mr. Weermeijer voegde hier nog aan toe (zoals opgetekend in het proces-verbaal van de zitting van 13 december 2019, op pagina 2, 3):
‘Zowel [A] als Heusden Veste waren grote crediteuren van 2SQR. 2SQR had in maart 2009 zogenaamde gezonde onderdelen via haar dochteronderneming overgenomen. Daar zat in een lening van [A]. [A] was bekend bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Vandaar dat zij opnieuw geld leenden in de hoop dat de deelneming van 2SQR in waarde zouden stijgen, en dat zij door vastgoed te verkopen de lening af konden betalen. Dit is niet gebeurd. Op het moment dat beide schuldeisers Swanenberg en [A] voor hun vorderingen verhaal zochten, kwamen zij elkaar tegen bij de uitwinning van de goederen in Duitsland.’
1.17
In het voorlopig financieel eindverslag van curator mr. R.G. Holtz, de latere advocaat van [verweerster 1], wordt melding gemaakt van een bedrag van € 17.815.554,23 aan concurrente crediteuren (productie 5). Het saldo van de boedelrekening betrof € 52.570,14. Het faillissementsverslag maakt melding van luxegoederen, zoals een zeiljacht (op naam van een besloten vennootschap van [betrokkene 1]) waarop een hypotheek rustte van € 1.662.000,-, een geleasde sportwagen van een duur merk, en onder meer allerlei (aan [verweerster 1] toebedeeld) onroerend goed.
1.18
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] lieten, zoals de advocaat van Heusden Veste, mr. Weermeijer aanvoerde, voor miljoenen euro's een spoor van onbetaald gelaten en onverhaalbaar gebleken schulden achter zich.
Zo zijn zij tegenover [B] veroordeeld tot betaling van € 10.000.000,- en tegenover weer aan andere partij, Rabobank, tot € 5.000.000,-20..
1.19
Op 14 december 2016 eindigde dit faillissement met een gehomologeerd akkoord. De schuldeisers ontvingen een fractie van hun vordering, zij bleven berooid achter.
1.20
2SQR verkeerde reeds in grote financiële problemen toen [betrokkene 1] en [verweerster 1] op 28 juni 2011 voormelde uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen overeenkwamen21..
1.21
Swanenberg en Heusden Veste spraken [verweerster 1] aan tot betaling van hetgeen zij hadden voldaan ter aflossing van de schuld, waarbij zij uitgingen van een onderlinge verhouding van 1/3, derhalve voor ene bedrag van (exclusief rente): € 740.909,-.
1.22
Swanenberg werd door betaling gesubrogeerd in de rechten van (aanvankelijk [A], later) Havic. Swanenberg financierde Heusden Veste22.. Swanenberg loste een deel van de oorspronkelijke geldlening door [A] af, nu zij — als zij dit niet zou doen — een Duits hypotheekrecht van lagere rang dreigde te verliezen als Havic, de rechtsopvolger van [A], tot executie zou overgaan. Swanenberg subrogeerde daarmee ex art. 6:150, aanhef en onder c, BW in de rechtspositie van [A], althans haar rechtsopvolger, Havic, tegenover de schuldenaren, Heusden Veste, [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Tegenover [A], althans Havic, nam [betrokkene 1] nadrukkelijk de positie van hoofdelijk schuldenaar in, zoals het hof van oordeel is, vgl. rov. 5.8. Swanenberg verwijst hier naar hetgeen zij hierover opmerkte achter randnummer 51 tot en met 61 van haar memorie van grieven
1.23
Heusden Veste loste eveneens een deel van de leenschuld af. Zij beriep zich tegenover [verweerster 1] voor haar betalingen op een regresrecht. Daarmee stuitte zij af op de omzetting van het huwelijksgoederenregime na 30 jaar in koude uitsluiting. Haar vordering dateerde (nu het regresrecht ontstond met de betaling) immers van een moment na omzetting van het huwelijksgoederenregime door [betrokkene 1] en [verweerster 1], nog net vóór het laatste uitstel voor de aflossing eindige. De in cassatie bestreden toepassing van de uitspraak HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea) inzake het ontstaansmoment van regresvorderingen bleef in stand. Het cassatieberoep tegen de uitspraak van het Hof waarin haar vordering waren verworpen, bleef in zoverre in stand. De Hoge Raad vernietigde op 15 oktober 2021 het arrest van het hof evenwel voor zover het tevens de vordering van Swanenberg had af gewezen.
1.24
Na cassatie en verwijzing wees het gerechtshof 's‑Hertogenbosch de vordering van Swanenberg alsnog toe.
1.25
Swanenberg gaf [verweerster 1] vervolgens, ofschoon het hof zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad had verklaard en zij reeds circa 8 jaar tegen haar procedeerde, uit welwillendheid tot het einde van de cassatietermijn de tijd voor aflossing of een redelijk voorstel op basis waarvan partijen alsnog een streep zouden kunnen zetten onder deze lange rechtsstrijd.
1.26
Terwijl Swanenberg haar ruimte gaf voor een compromis ontving zij uit het niets ineens een afschrift van voormeld vonnis van 20 maart 2014 waarbij ten aanzien van [verweerster 1] toepassing van de schuldsanering was uitgesproken, en dan nog wel, zo zou Swanenberg later bij kennisneming van het verzoek blijken, nu zij onverkort zou hebben vastgehouden aan volledige betaling van haar vordering onder opvoering van juist de werkelijke door haar gemaakte van haar echtgenoot [betrokkene 1] geleende kosten voor de procedure waartoe zij Swanenberg had genoopt met haar weigering om te voldoen aan de vordering.
1.27
Om nodeloze herhaling te voorkomen verwees Swanenberg voor een nadere weergave van het geschil, de gevoerde procedures en de daarin door [verweerster 1] ingenomen standpunten naar hetgeen zij daarover aanvoerde in haar verzoekschrift van 5 juni 2024 en verzocht zij het hof hetgeen zij daar aanvoerde (achter randnummer 2.1 tot en met 2.46 aangaande de achtergrond van het geschil en het verloop van de lange procedure en randnummer en met en 2.70 tot en met 2.91 aangaande de gronden van het beëindigingsverzoek) als hier in haar beroepschrift herhaald en ingelast te beschouwen.
2. Verzoekschrift tot toelating
2.1
Aan haar verzoek legde [verweerster 1] ten grondslag:
‘de problemen zijn voornamelijk ontstaan door toedoen van een jarenlange procedure tegen de voornaamste schuldeiser’.
2.2
Achter ‘inkomsten uit arbeid partner’ vulde zij in: ‘0’.
2.3
Op de crediteurenlijst zijn vorderingen van haar echtgenoot, [betrokkene 1], opgenomen van in totaal (€ 69.000,- + 28.090,- + 20.000,- +15.373,- + 438.061,- =) € 570.524,-.
2.4
Laatstgenoemde vordering (€ 438.061,-) is opgevoerd met de omschrijving ‘overbedeling ivm huwelijkse voorwaarden’. De overige bedragen leende zij van haar echtgenoot voor de procedure tegen Swanenberg en Heusden Veste (en voor de hypothecaire geldschuld).
2.5
Voor deze procedure zijn ook de facturen van Bout advocaten opgevoerd tot een bedrag van € 9.849,12.
3. Oordeel rechtbank en proces-verbaal
3.1
De rechtbank overwoog in haar uitspraak van 25 oktober 2024 als volgt:
‘Aan de orde is de vraag of er sprake is van feiten en omstandigheden die ten tijde van de toelating tot d de schuldsaneringsregeling bestonden en die als zij de rechtbank bekend waren geweest aan toelating in de weg hadden gestaan. Eén en ander zoals bedoeld in art. 350 lid 3 onder f Fw. De rechtbank constateert dat de vordering van Swanenberg vermeld staat op de schuldenlijst die bij het toelatingsverzoek was gevoegd en dat het arrest waarbij [verweerster 1] tot betaling aan Swanenberg is veroordeeld ook als bijlage bij het verzoek is overgelegd. Tijdens de toelatingszitting is verder uitvoerig gesproken over deze kwestie. De vordering van Swanenberg op [verweerster 1] was bij toelating van [verweerster 1] derhalve bekend en is in de beoordeling van de rechtbank meegenomen.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat van een situatie als bedoeld in art. 350 lid 3 onder f Fw onvoldoende is gebleken. De rechtbank zal het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling dan ook afwijzen. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarbij dat de goede trouw van [verweerster 1] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van haar schulden bij toelating is getoetst en dat van kwade trouw niets is gebleken. Voor een heroverweging van deze beslissing is in het kader van het onderhavige verzoek geen ruimte.’
3.2
Het proces-verbaal van de toelatingszitting vermeldt onder meer:
‘mr. R.H. Holtz
Ik was curator in het faillissement van de heer [betrokkene 1] en heb mevrouw [verweerster 1] bijgestaan. Swanenberg Beheer B.V. was van plan om te gaan executeren. Aan de hand van de overwaarde van de woning is getracht om een regeling te treffen met Swanenberg Beheer om een gedwongen executoriale verkoop van de woning te voorkomen. Er is een bedrag van €56.000,00 aangeboden. Dit is grofweg de overwaarde van de woning. Swanenberg Beheer B.V. wil echter dit bedrag plus de betaling van het restant van de vordering. [betrokkene 1] had een vordering op zijn echtgenote. De woning stond destijds onder water. Dat is nu niet meer zo.(…)’
(…)
[betrokkene 1]
(…)
Ik wil niet in de WSNP. Ik heb een baan. (…)
Mr. R.G. Holtz
(…)
‘geen enkele schuld is te kwader trouw aangegaan. De schuld aan Swanenberg Beheer B.V, is te goeder trouw aangegaan.(…). Er is aan Swanenberg Beheer B.V. een bedrag aangeboden van € 56.000. Er was geen enkele onderhandelingsruimte en er bestaat veel wantrouwen’
4. Middel van cassatie
4.1
Verzoekster tot cassatie voert tegen het bestreden arrest van 12 december 2024 met zaaknummer 200.347.788/01, gewezen tussen Swanenberg en [verweerster 1], het navolgende cassatiemiddel aan:
4.2
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het hof heeft geoordeeld als vermeld in het bestreden arrest, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen, redenen:
5. Klachten
Enkele inleidende aantekeningen
5.1
Het beëindigingsverzoek stoelt op art. 350 lid 1 juncto lid 3, aanhef en onder f, Fw juncto art. 288 lid 1, aanhef en sub b Fw. Ingevolge het derde lid van art. 350 onder f, wordt een beëindiging uitgesproken indien:
‘Feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid.’
5.2
Aan de hand van de bedoelde nieuwe feiten moet worden onderzocht of de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest.
5.3
Anders dan het woord ‘of’ in art. 288 Fw wellicht doet vermoeden, moet goede trouw bestaan ten aanzien van zowel het ontstaan als het onbetaald laten van schulden. Met dit (cumulatieve) imperatieve toelatingsvereiste wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan23.. De bewijslast van de vervulling van dit imperatieve toelatingsvereiste rust bij de verzoeker, [verweerster 1]. Het begrip ‘goede trouw’ is een gedragsmaatstaf waaraan concrete gedragingen van de schuldenaar getoetst moeten worden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. ‘Het is de bedoeling dat de rechter het begrip ‘te goeder trouw’ breed interpreteert als gedragsmaatstaf (…)’, MvT, Kamerstukken II, 2021– 2022, 35 915, nr. 3, p. 7. Daarbij spelen onder meer een rol de aard en de omvang van de vorderingen en ook wat de schuldenaar onderneemt om het zijn schuldeisers moeilijk te maken, MvT, Kamerstukken II 1993/94, 22 969, nr. 6, p. 19 e.v. Zie ook: HR 12 mei 2000, LJN AA5776; NJ 2000/567, nt. Van Schilfgaarde, en HR 26 januari 2001, LJN AA9668; NJ 2001/178. Ook van belang is of de schuldenaar wist of redelijkerwijs bij aangaan kon weten de schuld niet te zullen kunnen aflossen, vgl. ook Wessels, Insolventierecht, deel IX, 9066w. De schuld zelf hoeft niet binnen de driejaarstermijn te zijn ontstaan om de toelating tot de WSNP bij gebreke van goede trouw bij het onbetaald laten, te kunnen beëindigen (Wessels, Insolventierecht, deel IX, 9066y).
5.4
De verklaring ex art. 285 Fw moet juist en volledig zijn, vgl. conclusie A-G ECLI:NL:HR:2013:BZ3671. Dit geldt evenzeer voor het toelatingsverzoek zelf. Dit kan worden opgemaakt uit HR 17 juni 2011, NJ 2012/22724.,25.. Het komt bij een toetsing ex art. 350 lid 3 sub f Fw aan op een beoordeling van feiten en omstandigheden die op het moment van toelating tot de regeling — en dus niet slechts ten tijde van indiening verzoekschrift — al bestonden maar pas tijdens de schuldsaneringsregeling bekend worden, waaronder ook het toelatingsverzoek zelf. Het toelatingsverzoek zelf valt niet buiten de toetsing.
5.5
Met de WSNP worden schuldenaren te hulp geschoten wanneer zij ‘tot in lengte van jaren worden achtervolgd met schulden’ (vgl. MvT, Kamerstuk II, 1992–1993, 22 969, nr. 3, p. 6, p. 7, alwaar (voor de ratio van de vijfjaarstermijn) wordt verwezen naar onder meer: Kamerstukken II, 2004 – 2005, 29 942, p. 20–21 en Kamerstukken 2005 – 2006, 29 942, nr. 7, p. 59).
5.6
Goede trouw (in voormelde zin) moet aannemelijk worden gemaakt ten aanzien van elk van de schulden. Reeds als de goede trouw bij één van de schulden ontbreekt, kan dit in de weg staan aan vervulling van de toelatingsvoorwaarden26.. De schuldenaar, de verzoeker, draagt te dier zake de bewijslast27.. A-G Van Peursem schrijft dienaangaande:
‘Het is niet langer primair de taak van de rechter de aannemelijkheid van de goede trouw ambtshalve te onderzoeken, maar het is aan de schuldenaar om aannemelijk te maken dat hij aan dit toelatingsvereiste voldoet, hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting moet blijken. Meer toegespitst valt nog uit de parlementaire stukken te halen dat de onderbouwing van de goede trouw voor een belangrijk deel is gelegen in de lijst van schulden die bij het verzoekschrift moet worden gevoegd. Uit de aard en het ontstaan van die schulden zal veel over de goede trouw kunnen worden afgeleid’,
waarbij hij verwijst naar diverse bronnen28..
5.7
5.8
‘Goede trouw’ in de zin van deze bepaling is een begrip met een eigen betekenis, niet gelijk te stellen aan dit van de goede trouw van art. 3:11 BW en ook niet aan het begrip redelijkheid en billijkheid uit art. 6:2 en 6:248 BW32.. Bij zijn toetsing van de goede trouw houdt de rechter rekening met alle omstandigheden van het geval33., waaronder de aard en omvang van de schuld en de mate waarin de schuldenaar daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Deze toets betreft het ontstaan én het onbetaald laten van de schuld(en)34.. Het is een gedragsmaatstaf waaraan concrete gedragingen van de schuldenaar worden getoetst35..
5.9
Het begrip ‘goede trouw’ moet, zo benadrukte de minister, ‘breed worden geïnterpreteerd’ (MvT, Kamerstukken II, 2021 – 2022, 35 915, nr. 3, p. 7). Het betreft een open norm.
5.10
Goede trouw wordt wel afwezig geacht als de schuldenaar toen hij de schuld aanging al had moeten weten die niet te kunnen dragen (MvT, Kamerstukken II, 2021 – 2022, 35 915, nr. 3, p. 8).
Klacht 1
5.11
Deze klacht richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.6.
5.12
Aldus het hof vallen de door Swanenberg aangedragen, destijds bij de rechter ‘niet bekende’, feiten ‘merendeels buiten de termijn van drie jaar’ (rov. 4.3). Dit is, aldus het hof, slechts anders, voor zover het betreft ‘het niet voldoen van de schuld aan Swanenberg en het voeren van bepaalde verweren in de bodemprocedure’, waarbij het, zo voegt het hof hieraan toe:
‘aldus Swanenberg [gaat] om verweren die het hof 's Hertogenbosch in het eindarrest van 19 december 2023 verworpen heeft’
(rov. 4.3).
5.13
Waar, aldus het hof, de niet bekende feiten en omstandigheden — met uitzondering van het onbetaald laten van de schuld en van bepaalde verweren — (merendeels) buiten de vanaf 2 februari 2024 teruggerekende termijn van drie jaar vallen, miskent het hof het karakter van de procedure na cassatie en verwijzing, die een voortzetting vormt van het geding vóór cassatie en verwijzing, waarin de verwijzingsrechter (mede) beslist op basis van hetgeen partijen aanvoerden in feitelijke instanties vóór de gang naar de Hoge Raad36. en waarin maar beperkt ruimte is voor nieuwe stellingen. [verweerster 1] gaf bovendien na cassatie en verwijzing geen van haar eerdere stellingen prijs. Zij greep (evenals Swanenberg overigens) na cassatie en verwijzing zelfs expliciet terug op stellingen uit het geding vóór cassatie37. (en wierp Swanenberg ook deze afbakening van het debat in het geding na cassatie en verwijzing tegen38.).
Klacht 2
5.14
Deze klacht richt zich tegen rov. 4.3 tot en met 4.6.
5.15
Als naar het oordeel van het hof de ‘‘niet bekende’ feiten en omstandigheden waar Swanenberg zich op beroept (…) merendeels buiten de termijn van drie jaar [vallen]’, is dit rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, voor zover het door [verweerster 1] ingenomen (en door Swanenberg aan zijn beëindigingsverzoek ten grondslag gelegde) stellingen betreft, waarmee zij zich weliswaar al vóór cassatie en verwijzing tegen de vordering teweerstelde, maar waarop zij vervolgens in het geding na cassatie expliciet teruggreep, en waarvan zij het hof zelf verzocht die in zijn beoordeling te betrekken39.. Die stellingen vallen niet buiten de terugteltermijn van drie jaar enkel nu [verweerster 1] die ook eerder al opvoerde. [verweerster 1] legde die nadrukkelijk (tevens) na cassatie en verwijzing ten grondslag aan haar verweer, dus binnen de terugteltermijn van drie jaar, toen het debat zich (in elk geval in haar optiek40.) toespitste op haar beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit wordt niet anders wanneer [verweerster 1] ook vóór de driejaarstermijn de bewuste stellingen zou hebben ingenomen. Swanenberg doelt hierbij in de eerste plaats op de eerder al geponeerde stelling op 28 juni 2011 — toen zij met [betrokkene 1], toen de lening moest worden afgelost, na dertig jaar huwelijk in gemeenschap van goederen huwelijkse voorwaarden (koude uitsluiting) overeenkwam41. — niets van enige waarde toebedeeld te hebben gekregen42., de voornaamste pijler van haar verweer na cassatie en verwijzing. Zij stelt onder meer:
- —
in haar antwoordmemorie na cassatieverwijzing, in hoofdstuk 3, onder de kop ‘3.1 redelijkheid en billijkheid’ achter randnummer 3.1.7 bijvoorbeeld:
‘zoals door [verweerster 1] in de procedure [waarmee zij doelt op het geding in feitelijke instanties vóór de gang naar de Hoge Raad, toevoeging van JdH] uiteengezet, bestond haar vermogen enkel op papier. Die vermogensbestanddelen vertegenwoordig(d)en geen enkele reële waarde (…). Zoals de A-G (terecht) overweegt, heeft de curator onderzocht of en zo ja, welke vermogensbestanddelen [verweerster 1] had verkregen als gevolg van de wijziging van de huwelijksvoorwaarden, waarbij hij tot de conclusie is gekomen dat deze slechts een negatieve waarde vertegenwoordigden. Nu dit specifieke verweer nog ter beoordeling openstaat, biedt [verweerster 1] uitdrukkelijk aan (…) om bij akte ter zake nadere bescheiden in het geding te brengen ter adstructie (…)’.
- —
[verweerster 1] voerde dit in andere bewoordingen ook reeds aan achter randnummer 2.5 van haar antwoordmemorie na cassatieverwijzing, waar zij onder meer betoogde:
‘na het faillissement van [betrokkene 1] heeft de curator van [betrokkene 1] [dezelfde mr. Holtz, de advocaat van [verweerster 1], toevoeging van JdH] onderzocht, of het zinvol zou zijn om deze wijziging van de huwelijksvoorwaarden aan te tasten. De curator heeft hiervan afgezien, omdat de aan [verweerster 1] toegedeelde vermogensbestanddelen geen reële waarde hadden. (…) Dat [verweerster 1] geen vermogen heeft/had, is in de procedure [waarmee wordt gedoeld op het geding vóór cassatie, toevoeging van JdH] aan de orde geweest’.
Daarbij verwees [verweerster 1] in voetnoot 7 ook expliciet naar een vindplaats in de gedingstukken van vóór de gang naar de Hoge Raad.
- —
[verweerster 1] uit zich in gelijke zin in (randnummer 3.1, aan het slot, van haar) antwoordakte na cassatieverwijzing, waar zij — sub 3 onder de kop ‘redelijkheid en billijkheid’ — aanvoert:
‘deze toedeling [waarmee, zie de zin daarboven, wordt gedoeld op die bij beëindiging van de gemeenschap van goederen, toevoeging van JdH] zou enkel relevant kunnen zijn, indien er sprake was geweest van een daadwerkelijk (positief) vermogen, hetgeen echter nimmer het geval is geweest’.
- —
Deze stellingname — hetgeen [verweerster 1] werd toebedeeld, had geen enkele waarde — staat lijnrecht tegenover de ter onderbouwing van het toelatingsverzoek gestelde overbedeling van [verweerster 1] tot een bedrag van maar liefst: € 438.06143.. Het een sluit het ander uit; het kan niet allebei waar zijn, of zij kreeg inderdaad niets van enige waarde toebedeeld, in welk geval zij ook niet kan zijn overbedeeld, of dit was wél het geval, maar dan is haar verweer in de bodemzaak onwaar44..
5.16
Het voorgaande geldt te meer waar [verweerster 1] zelf ook geen cesuur aanbracht tussen de procedure vóór en na cassatie en verwijzing, en zelf (evenals Swanenberg45.) teruggreep op stellingen van vóór de procedure bij de Hoge Raad46.. Het is ook in dit licht bezien rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk waarom de eerder ingenomen stellingen over in ieder geval hetgeen haar bij de wijziging van gemeenschap van goederen naar huwelijkse voorwaarden zou zijn toebedeeld buiten de terugteltermijn van drie jaar vallen, ofschoon [verweerster 1] die zelf overneemt uit de fase van vóór cassatie (enkele malen (zoals hiervoor geïllustreerd) met expliciete verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken uit de procedure voor rechtbank en hof) en hoewel [verweerster 1] zich na cassatie en verwijzing daarvan zelf opnieuw bediende met het oog op de — als gevolg van de vernietiging in cassatie noodzakelijk geworden47. — (her)beoordeling van (onder meer) het beroep van [verweerster 1] op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Klacht 3
5.17
Swanenberg wees ter onderbouwing van haar beëindigingsverzoek op de tegenstrijdigheid van de stellingname van [verweerster 1] in de bodemprocedure (met name uitgedragen na cassatie en verwijzing, dus binnen de terugrekentermijn van drie jaar48.) — waar zij ter onderbouwing van haar beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid stelde bij de omzetting van gemeenschap van goederen in koude uitsluiting niets van enige waarde toebedeeld te hebben gekregen — en de stellingname in haar toelatingsverzoek, waaraan zij juist een vordering van [betrokkene 1] op haar uit overbedeling ad € 438.061,- bij diezelfde omzetting van gemeenschap van goederen naar huwelijks voorwaarden, ten grondslag legde49.. Deze feiten — de in het geding na cassatie expliciet betrokken stellingname ter afwering van de vordering en de daaraan diametraal tegenovergestelde onderbouwing van het toelatingsverzoek — dateren allebei van minder dan drie jaar vóór indiening van het toelatingsverzoek (dit verzoek zelf inbegrepen). Het hof maakt geen melding van voormeld aan het beëindigingsverzoek ten grondslag gelegd feit; in de bodemprocedure stelde [verweerster 1] (met name na cassatie) — opdat de rechter de vordering zou afwijzen — in 2011 niets van enige waarde toebedeeld te hebben gekregen, waarmee zich niet verdraagt om vervolgens (na expliciete verwerping van dit verweer door het verwijzingshof) aan haar toelatingsverzoek een vordering van [betrokkene 1] vanwege overbedeling ten grondslag te leggen van maar liefst € 438.061,-. Het hof noemt deze stelling (c.q. dit feit) in zijn arrest nergens. Het hof besteedt geen (kenbare) aandacht aan deze essentiële stelling50.. Het arrest is niet naar behoren gemotiveerd, in zoverre Swanenberg zich hierop nadrukkelijk beriep51. en hof er geen blijk van geeft deze stelling (c.q. dit feit) in zijn beoordeling te hebben betrokken en nu het niet uitlegt waarom deze stelling (c.q. dit feit) voor de beoordeling niet van belang is. Het betreft een essentiële stelling, nu hieruit het gebrek aan goede trouw spreekt bij het onbetaald laten van de schuld aan Swanenberg (waarvoor mede van belang is of het toelatingsverzoek zelf onjuist is, zoals het hof in rov. 4.8 onderkent).
5.18
Aan haar verzoek tot beëindiging van de toepassing van de toepassing van de WSNP op [verweerster 1] legde Swanenberg meer bewuste onjuistheden in het verzoekschrift tot toelating ten grondslag dan enkel de daarin opgegeven waarde van de woning (waarover het hof oordeelt in rov. 4.8). Zo zou [verweerster 1] pas in 2016 zijn aangesproken tot voldoening van de schuld (waarmee het lijkt de schuldeiser die jaren liet liggen), terwijl zij al in 2012 (op een vordering van Havic, in wiens rechten Swanenberg subrogeerde) is veroordeeld tot betaling, en daarvoor al tot betaling werd gemaand52.. Bovendien zou, zo hield [verweerster 1] de toelatingsrechter voor, de leensom Heusden Veste ten goede zijn gekomen. Zij droeg dit aan terwijl het hof (in aansluiting op de stellingen van Swanenberg) hierover in tegenovergestelde zin had geoordeeld; de schuld ging 2SQR en [betrokkene 1] en [verweerster 1] zelf aan, juist niet Heusden Veste53.; zij was behendig tussengeschoven. Het hof gaat ook niet in op hetgeen Swanenberg achter randnummer 4.3 sub n aanvoerde:
‘Ook ontkende [verweerster 1] ten onrechte en tegen beter weten in betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de geldlening en probeerde zij ten onrechte zijn betrokkenheid bij 2SQR af te zwakken’.
Ook gaat het hof voorbij aan de bewuste onjuistheid in het toelatingsverzoek waarvan Swanenberg melding maakte achter 4.3 sub o:
‘Swanenberg hield [verweerster 1], anders dan zij ter onderbouwing van haar toelatingsverzoek opvoerde, niet onverkort aan betaling van hetgeen waartoe zij in rechte was veroordeeld, maar was bereid tot een schikking en gaf haar zelfs drie maanden de tijd om er onderling uit te komen om aan het einde van deze periode te worden verrast door een buiten haar om aangevraagde toepassing van de WSNP’.
Hetzelfde geldt voor randnummer 4.3 q van het beroepschrift:
‘Daarbij had Heusden Veste, anders dan [verweerster 1], ter toelichting op haar toelatingsverzoek zou betogen, geen ondeugdelijke vordering. Haar (hoogst toewijsbare) vordering stuitte enkel af op voormelde omzetting van de algehele gemeenschap van goederen in koude uitsluiting, nu op basis van de uitspraak in de zaak ASR/Achmea (waarnaar de Hoge Raad ook in zijn arrest verwees), haar regresvordering op [verweerster 1] pas daarna ontstond, met haar aflossingen op de (door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met instemming van [verweerster 1] voor Heusden Veste met [A] gesloten) overeenkomst van geldlening’.
Het hof gaat aan deze door Swanenberg opgevoerde onjuistheden in het toelatingsverzoek, zonder nadere motivering, voorbij. Het miskent daarbij — ook voor zover het betreft het onbetaald laten en niet het aangaan van de schuld — te moeten oordelen op basis van alle omstandigheden van het geval. Het miskent dit evenzeer waar het de aanzienlijke omvang van de schuld alsook de wetenschap van [verweerster 1] bij aangaan betreft de schuld niet te zullen kunnen aflossen als zij daartoe zou worden aangesproken en het hiermee bewust op zich genomen risico54.. Waarom deze stellingen niet relevant zouden zijn voor de beoordeling van de goede trouw is bovendien zonder nadere motovering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het hof legt niet uit waarom het de gestelde onjuistheden in het toelatingsverzoek zelf (behalve voor zover het de waarde van de woning betreft) niet (kenbaar) in zijn beoordeling betrekt. Zij zijn voor de beoordeling of de rechter bij bekendheid met de verder aan het beëindigingsverzoek ten grondsleg gelegde feiten die wel stammen uit de periode van drie jaar vóór het toelatingsverzoek geen goede trouw zou hebben aangenomen, nog niet irrelevant nu zij zelf al daarvoor plaatshadden. Deze omstandigheden kleuren die feiten. Het hof gaat daarbij althans voorbij aan essentiële stellingen, nu ook onjuistheden in het toelatingsverzoek tot beëindiging kunnen leiden en Swanenberg daarop een beroep deed en de toelatingsrechter hiermee een onjuist beeld werd gegeven van het ontstaan en het onbetaald laten van de vordering, terwijl de genoemde omstandigheden niet blijken uit het verwijzingsarrest.
Klacht 4
5.19
Deze klacht richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.6.
5.20
Als naar het oordeel van het hof buiten het niet voldoen aan de schuld van Swanenberg en het voeren van bepaalde verweren in de bodemprocedure [verweerster 1] geen nieuwe stellingen zou hebben ingenomen in de drie jaar voor indiening van het verzoek — althans zich in dit tijdsbestek geen feiten zouden hebben voorgedaan bij bekendheid waarmee de rechter [verweerster 1] toegang tot de WSNP zou hebben ontzegd — is dit onbegrijpelijk, nu — zoals in beëindigingsverzoek, beroepschrift en de verwijzingsprocedure uiteengezet (waarnaar is verwezen) — [verweerster 1] het toen (ter nadere onderbouwing van het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, en dus ter afwering van de vordering) ineens deed voorkomen alsof haar bij de omzetting van het huwelijksregime van gemeenschap van goederen naar koude uitsluiting niets van enige waarde zou zijn toegekend. Het hof passeerde dit verweer. Dit was een bewust onjuiste voorstelling van zaken; daarmee verdraagt zich ook niet de ter onderbouwing van haar toelatingsverzoek opgevoerde schuld aan [betrokkene 1] vanwege overbedeling voor de niet geringe som van € 438.061,-. Het is van tweeën één; of zij verkreeg inderdaad niets van enige waarde, in welk geval zij niet kan zijn overbedeeld (en zij zich dus ten onrechte in haar toelatingsverzoek beriep op voormelde vordering van haar echtgenoot, [betrokkene 1]), of zij kreeg wél goederen van enige waarde, in welk geval haar verweer in de bodemprocedure onjuist en onwaarachtig was55.. Het hof gaat hieraan ten onrechte ongemotiveerd voorbij.
Klacht 5
5.21
Anders dan het hof in rov. 4.3 tot en met 4.5 overweegt, legde Swanenberg aan haar beëindigingsverzoek nergens een onbekendheid van de WSNP-rechter ten tijde van (zijn beslissing op) het toelatingsverzoek met de schuld aan Swanenberg ten grondslag. Van die schuld had [verweerster 1] de toelatingsrechter in haar toelatingsverzoek op de hoogte gebracht. Het hof oordeelt in zoverre over een niet in het beëindigingsverzoek opgevoerde grond (c.q. aangedragen feit bij bekendheid waarmee de rechtbank [verweerster 1] niet zou hebben toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen).
5.22
In rov. 4.5 overweegt het hof onder meer:
‘Dat er nog verdere informatie was die voor de beoordeling van het toelatingsverzoek van belang zou kunnen zijn, valt niet in te zien’.
Het hof licht dit toe:
‘zo is niet in te zien waarom voor die beslissing van belang zou kunnen zijn dat de toelatingsrechter op de hoogte was van bepaalde specifieke verweren die [verweerster 1] in de bodemprocedure had gevoerd. De belangrijkste verweren die [verweerster 1] had gevoerd, blijken uit het bij het toelatingsverzoek gevoegde eindarrest van 19 december 2023. Dat de toelatingsrechter bij zijn beoordeling acht had moeten slaan op verweren die voor het hof 's‑Hertogenbosch niet het vermelden waard zijn geweest, valt niet in te zien. De feiten en omstandigheden die Swanenberg aan haar beëindigingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, zijn dan ook geen (relevante) ‘niet bekende’ feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub f Fw’.
5.23
Swanenberg komt met deze klacht op tegen de hierboven geciteerde oordelen in rov. 4.5. Waar, naar het oordeel van het hof, kennis van bepaalde specifieke verweren van [verweerster 1] in de hoofdprocedure voor de beslissing van de rechter op het toelatingsverzoek niet van belang was en niet valt in te zien waarom de toelatingsrechter bij zijn beoordeling acht had moeten slaan op verweren die voor het hof 's‑Hertogenbosch niet het vermelden waard zijn geweest en (daarom — het hof komt tot deze conclusie op grond van hetgeen het in rov. 4.5 eerder overwoog, zoals het tot uitdrukking brengt met de woorden ‘dan ook’ -) Swanenberg aan haar beëindigingsverzoek ‘geen (relevante) ‘niet bekende’ feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub f Fw’ ten grondslag legt, is 's hofs oordeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk, nu art. 350 lid 3 sub f (welke bepaling, kortweg, ziet op feiten en omstandigheden bij bekendheid waarmee de toelatingsrechter het verzoek overeenkomstig artikel 288, aanhef en sub b, Fw zou hebben afgewezen), zoals hiervoor weergegeven, een gedragsmaatstaf behelst.
5.24
Of bekendheid met de bedoelde feiten en omstandigheden reden zou zijn geweest voor afwijzing overeenkomstig art. 288 lid 1 sub b Fw hangt hiervan af of die wetenschap voor de toelatingsrechter reden zou zijn geweest voor een negatief oordeel over de goede trouw bij het onbetaald laten van de schuld in de driejaarstermijn. [verweerster 1] liet (zo staat vast) de vordering gedurende de gehele procedure onbetaald, ook toen die na circa zeven jaar procederen, in rechte was komen vast te staan56.. De schuld aan Swanenberg liep ondertussen op met de niet-onaanzienlijke proceskosten (voor een geding in eerste aanleg, hoger beroep, cassatie en een procedure na cassatie en verwijzing) en met de wettelijke rente. Of [verweerster 1] de vordering te goeder trouw onbetaald liet, hangt in dit geval, waarin zij Swanenberg met haar ontkenning van de lening — ofschoon zij eerder al in een door Havic tegen haar gestart kort geding was veroordeeld tot aflossing — en met haar betwisting van haar instemming ex art. 1:88 BW met de hoofdelijkheid van [betrokkene 1] (en met haar weigering om de schuld te voldoen) noopte tot een langdurige en kostbare rechtsgang, mede af van haar verweer in de procedure. De vraag naar de goede trouw kan niet geheel los worden gezien van hetgeen zij in de procedure, waartoe zij Swanenberg dwong, opvoerde als reden waarom zij geen schuld zou hebben aan Swanenberg. Zij liet de schuld onbetaald om de in rechte aangedragen redenen. Bij de beoordeling van haar goede trouw kan niet voorbij worden gegaan aan de in rechte tegen de vordering ingebrachte verweren. Of zij te goeder trouw de schuld onbetaald liet — het betreft een gedragsmaatstaf — hangt niet hiervan af of en in hoeverre de rechter toekomt aan (of althans overgaat tot) behandeling en bespreking van de verschillende verweren. Het verwijzingshof hoeft, indien de Hoge Raad (zoals in casu) bij gegrondverklaring van een klacht aan de behandeling van andere niet meer toekomt, de voor de verdere beoordeling van het geschil (met de vernietiging in cassatie irrelevant geworden) eerder aangedragen verweren niet meer te beoordelen. Daarmee is nog niets gezegd over de goede trouw. Of [verweerster 1] de schuld te goeder trouw onbetaald liet, hangt niet hiervan af aan welke verweren het verwijzingshof nog toekomt (gegeven de afbakening van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing). Als het hof een verweer onbesproken laat, is het daarmee nog niet irrelevant voor de beoordeling of de schuld te goeder trouw onbetaald werd gelaten. De beslissing van het verwijzingshof welke verweren het behandelt (of welke verweren het onbesproken kan laten, gelet op de omvang van het debat na cassatie en verwijzing) is niet van (beslissende) betekenis voor de beoordeling van de goede trouw als nadien om toepassing van de WSNP wordt verzocht. De beslissing wat wél en niet wordt behandeld, is ingegeven door de afbakening van het geding na cassatie en verwijzing. Het oordeel van het hof is in zoverre dan ook rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk.
5.25
Het verwijzingshof honoreerde geen van [verweerster 1]s verweren. Zo beschouwd gaat het Swanenberg, zoals het hof in rov. 4.3 overweegt, om ‘verweren die het hof in zijn eindarrest van 19 december 2023 verworpen heeft’. Enkel voor zover het hof in het beëindigingsverzoek van Swanenberg een beroep op expliciet in het verwijzingsarrest verworpen verweren zou lezen — welke uitleg gelet op hetgeen het hof in rov. 4.5 overweegt, niet voor de hand ligt — klaagt Swanenberg over de begrijpelijkheid van deze rechtsoverweging; die is dan in het licht van haar nadrukkelijke beroep op ook niet in het arrest van het verwijzingshof teruggekomen stellingen c.s. verweren van [verweerster 1], zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd57..
5.26
Nadat het hof in rov. 4.5 als ‘enige door Swanenberg genoemde feiten en omstandigheden die binnen die wél binnen die termijn [waarmee het hof refereert aan die van art. 350 lid 3 sub f juncto 288 lid 1 sub b Fw, van drie jaar, toevoeging van JdH] vallen’ had genoemd ‘het niet voldoen aan de schuld aan Swanenberg en het voeren van bepaalde verweren in de procedure’ beoordeelde het hof in rov. 4.4 of de onbetaald gelaten schuld en de bodemprocedure uitdrukkelijk onder de aandacht is gebracht en is toegelicht, hetgeen aldus het hof het geval is. Het hof beschrijft in rov. 4.4 wat [verweerster 1] hierbij vermeldde, constateert de aanhechting van het verwijzingsarrest aan het toelatingsverzoek en een ‘uitdrukkelijke’ bespreking van schuld en bodemprocedure ter zitting bij de behandeling van het toelatingsverzoek. ‘Daarmee’ acht het hof in rov. 4.5 de schuld van [verweerster 1] bij toelating bekend. Swanenberg stelde in dit geding niets anders. Het hof komt (op basis van hetgeen het daarvoor, in het bijzonder in rov. 4.4 overwoog) bovendien de toelatingsrechter bij zijn beslissing op het toelatingsverzoek voldoende bekend met ‘de bodemprocedure en de in die procedure gevoerde verweren’. Dit laatste acht Swanenberg niet begrijpelijk. Aan het toelatingsverzoek is, behalve het verwijzingsarrest, geen gedingstuk gehecht, terwijl het proces-verbaal van de toelatingszitting van 14 maart 2024 (vrijwel) niets vermeldt over de door [verweerster 1] gevoerde verweren en de procedure na cassatie en verwijzing door de gronden waarop de Hoge Raad het cassatieberoep honoreerde, sterk was afgebakend en dus het hof geen reden gaf (zoals het hof ook niet deed) om verder gevoerde en al dan niet behandelde inmiddels niet meer relevante verweren te bespreken. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet (voldoende) begrijpelijk dat de toelatingsrechter bekend was met de in de procedure gevoerde verweren, ook voor zover die geen rol (meer) speelden in het geding na cassatie en verwijzing en ook niet meer van belang waren voor de met het arrest van de Hoge raad afgebakende rechtsstrijd.
Klacht 6
5.27
Deze klacht richt zich tegen rov. 4.6. Waar enkel goede trouw zou ontbreken indien [verweerster 1] ‘in de drie jaren voor de indiening van het toelatingsverzoek nog verweren [heeft] gevoerd en/of gehandhaafd die niet alleen onjuist, maar die ook opzettelijk onwaar en/of leugenachtig zijn, hanteert het hof een te strenge toets. Goede trouw ontbreekt niet slechts bij opzettelijke onwaarheden of leugenachtigheid. Het hof stelt aldus een bovenwettelijke eis. Bovendien stelde Swanenberg die wel degelijk. Zij verwijst (om nodeloze herhaling te voorkomen) naar hetgeen zij hierboven aanvoerde over de tegenstelling tussen de stellingen van [verweerster 1] over hetgeen haar in 2011 zou zijn toebedeeld in de bodenprocedure (na verwijzing) en de onderbouwing van het toelatingsverzoek alsook naar de stelling pas in 2016 te zijn aangesproken tot betaling van de schuld, de stelling dat de schuld Heusden Veste (althans niet haar en [betrokkene 1] zou aangaan) terwijl het verwijzingshof juist in tegenovergestelde zin had beslist, de ontkenning van betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de geldlening en bij 2SQR en de gestelde ondeugdelijkheid van de vordering van Heusden Veste58..
Klacht 7
5.28
Deze klacht richt zich tegen rov. 4.11. In hoeverre een schuldenaar in staat is tot aflossing wordt mede bepaald door de inkomens c.q. vermogenspositie van degene met wie hij is getrouwd en een gemeenschappelijke huishouding voert, ook als zij niet langer zij gehuwd in gemeenschap van goederen. [verweerster 1] en, (primair) hoofdelijk schuldenaar, [betrokkene 1] leven als echtelieden onder één dak. Hij geniet inkomsten. [betrokkene 1] is naast haar hoofdelijk aansprakelijk. Hij stelde Swanenberg eerder gedurende het juridische traject nog een betaling van enkele miljoenen (voor haar en Heusden Veste) in het vooruitzicht als zij zouden participeren in één van zijn projecten59.. Het inkomen van [betrokkene 1], met wie zij nog steeds getrouwd is en één huishouding vormt, is niet alleen aangevoerd ter onderbouwing van een langere terugkijktermijn dan drie jaar60..
Klacht 8
5.29
Deze klacht richt zich tegen rov. 4.6. Voor zover aldus het hof enkel sprake zou kunnen zijn als [verweerster 1] misbruik van recht zou hebben gemaakt door Swanenberg tot een procedure te dwingen getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting. De begrippen goede trouw in de zin van art. 350 lid 1 juncto lid 3, aanhef en onder f, Fw juncto art. 288 lid 1, aanhef en sub b Fw en misruik van recht zijn niet aan elkaar gelijk te stellen; het betreft een andere toetsing. Anders het hof lijkt aan te nemen, ontbreekt het (wanneer de schuldenaar de schuldeiser dwingt tot een procedure) niet slechts dan aan goede trouw als de rechter misbruik van recht vaststelt. Daarbij vallen het begrip misbruik van procesrecht en het begrip goede trouw in de zin van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw niet samen; hebben die geen gedeelde inhoud. Het betreft andere begrippen. De (door verzoeker te stellen en te bewijzen) goede trouw behelst een eigen, streng begrip. De verzoeker kan hieraan niet gemakkelijk voldoen. Of misbruik van procesrecht aan de orde is, vergt een andere toets. Ook hiervan is niet snel sprake. Bovendien moet de rechter daarbij terughoudendheid betrachten (vgl. bijv. Duka/Achmea, NJ 2012/233). Daarbij zien de gevallen van misbruik van procesrecht vrijwel altijd op de eiser, niet op gedaagde. Het is niet onmogelijk om ook aan die zijde misbruik aan te nemen (vgl. NJ 2018/165), maar dit is wel zeer exceptioneel. Daarmee is goede trouw in de zin van art. 288 Fw nog niet gegeven als de rechter geen misbruik van recht vaststelt.
6. Eis
6.1
Swanenberg verzoekt vernietiging van het arrest waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht, en zodanige verdere uitspraak als Uw Raad zal vermenen te behoren, ook omtrent de kosten.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑12‑2024
Vgl. bij. Randnummer 4,5 van de spreekaantekeningen in hoger beroep.
Vgl. bijvoorbeeld randnummer 1.16 van het beroepschrift en 2.43 van het verzoekschrift.
Vgl. bijv. randnummer 4.11 van het beroepschrift.
Vgl. bijv. randnummer 6 van de spreekaantekeningen in hoger beroep en 2.75 van het beëindigingsverzoek.
Vgl. randnummer 1.2 van het toelatingsverzoek.
de weergave van de achtergrond van het geschil is (met correctie van enkele typfouten) overgenomen uit het beroepschrift.
Zie proces-verbaal van comparitie d.d. 13 december 2019, p. 2 bij mr. Weermeijer.
Vgl. randnummer 86, 90 van de memorie van grieven.
Vgl. randnummer 15 van de memorie van grieven en punt 3 van de spreekaantekeningen (door de rechtbank aangeduid als ‘overdenkingen’) in eerste aanleg.
Zie randnummer 17 en 18 MvG.
Vgl. randnummer 3.4 van het arrest.
Vgl. randnummer 85, 86 van de memorie van grieven.
Vgl. randnummer 11 van de memorie van grieven in combinatie met randnummer 7, 8 van de pleitaantekeningen zijdens Heusden Veste en Swanenberg d.d. 13 december 2019, en de in het proces-verbaal van die datum op p. 2 en 3 uit de mond van mr. Weermeijer opgetekende verklaringen.
Zie MvG, randnummer 80 en rov. 3.3 van het arrest.
Vgl. randnummer 90, 91, 97, 112 van de memorie van grieven
Vgl. randnummer 60 van de memorie van grieven.
Vgl. randnummer 25 tot en met 36 van de memorie van grieven.
Vgl. randnummer 3 van de pleitnota van de zijde van Swanenberg en Heusden Veste in eerste aanleg.
Hetzelfde gold voor zijn zakenpartner, [betrokkene 2], die net als [betrokkene 1] een trits van vennootschappen had (vgl. randnummer 80 van de memorie van grieven).
Vgl. de uitlatingen dienaaangaande van mr. Weermeijer, opgetekend in het proces-verbaal van de zitting van 13 december 2019, onderaan p. 2. Dat [betrokkene 1] nog aanzienlijke andere schulden had, volgt ook uit zijn ter zitting gemaakte opmerking over de onmogelijkheid voor Heusden Veste en Swanenberg om het akkoord te dwarsbomen, nu zij daarvoor een onvoldoende aandeel hadden in de totale vordering (als bedoeld in art. 145 Fw.). Naar Holtz, als opgetekend onderaan p. 3 en bovenaan p. 4 van het proces verbaal van de zitting van 13 december 2019 verklaarde, zou de vordering van Heusden Veste en Swanenberg ‘bij lange na niet voldoende’ zijn geweest om het akkoord tegen te houden.
Vgl. de uit de mond van mr. Weermeijer in het proces-verbaal van 13 december 2019 opgetekende verklaring.
Vgl. de uit de mond van Keijzers in het proces-verbaal van 13 december 2019 opgetekende verklaring.
Dit kan ook worden opgemaakt uit https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2023:10020 Rechtbank Rotterdam, 19 oktober 2023
Dit kan ook worden opgemaakt uit https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOVE:2024:6386 Rechtbank Overijssel, 30 september 2024. Steun voor deze opvatting kan ook worden geput uit T&C Insolventierecht, commentaar op art 285 Fw.
Vgl. de conclusie van A-G Van Peursem vóór 19 mei 2017, RvdW 2017/590 en HR 13 juni 2003, NUJ 2003/520.
Vgl. Wessels, Insolventierecht nr. IX, schuldsanering natuurlijke personen 2021/9066t.
Conclusie van A-G Van Peursem vóór 19 mei 2017, RvdW 2017/590.
Vgl. Kamerstukken II, 2021–2022, 35 915, nr. 3, p. 6, en bijv. Wessels, Insolventierecht nr. IX, schuldsanering natuurlijke personen 2021/9066s.
Vgl. A.J. Noordam, Schuldsanering en goede trouw, VU, 2007, p. 329.
Vgl. Wessels, Insolventierecht nr. IX, schuldsanering natuurlijke personen 2021/9066t.
Zie ook de conclusie van A-G Van Peursem vóór 19 mei 2017, RvdW 2017/590.
Kamerstukken II 1992 – 1993, 22 969, nr. 3, p. 14 en Wessels, Insolventierecht nr. IX, schuldsanering natuurlijke personen 2021/9066u.
Kamerstukken II 1992 – 1993, 22 969, nr. 3, p. 14 en HR 12 mei 2000, NJ 2000/567.
Wessels, Insolventierecht nr. IX, schuldsanering natuurlijke personen 2021/9066u, en aldaar aangehaalde jurisprudentie.
Dit kwam ter zitting ook ter sprake, zoals is opgetekend in het proces-verbaal, waar de raadsman van Swanenberg antwoordt op de door de voorzitter aan hem voorhoudt waar hij uitkomt als hij vanaf het toelatingsverzoek drie jaar terugrekent, namelijk bij de cassatieprocedure.
Bijvoorbeeld in randnummer 2.5 van haar antwoordmemorie na cassatieverwijzing waar zij stelt ‘dat [verweerster 1] geen vermogen heeft/had, is ook in de procedure — waarmee zij doelt op de bodemprocedure (toevoeging van JdH) — aan de orde geweest’, hetgeen zij in voetnoot 7 onderbouwt met een verwijzing naar een vindplaats. [verweerster 1] Zij grijpt eveneens in randnummer 3.1.1 (gestaafd met voetnoot 9).
Vgl. bijv. randnummer 2.1 van de antwoordakte na cassatieverwijzing.
Vgl. bijv. randnummer 2.5, 3.1.1 en 3.1.7 van haar antwoordmemorie na cassatieverwijzing.
Vgl. randnummer 1.2 en hoofdstuk 3 van de antwoordmemorie na cassatieverwijzing.
Vgl. bijv. randnummer 1.18 van het beroepschrift.
Vgl. bijv. randnummer 2.5, 3.1.1 en 3.1.7 van haar antwoordmemorie na cassatieverwijzing.
Vgl. randnummer 4.3 sub g van het beroepschrift en randnummer 13 van de spreekaantekeningen in hoger beroep en in onderlinge combinatie randnummers 2.44. 2.81 t/m 2.84, 2.91.
Vgl. bijv. randnummer 2.83 van het beëindigingsverzoek en 4.3 sub g in combinatie met onder meer 1.7, 4.6, 4.10, 4.11 en 4.16, 4.17 van het beroepschrift.
Vgl. bijv. 2.33 van het beëindigingsverzoek
Bijvoorbeeld achter randnummer 2.5 en 3.1.1 en 3.1.7 van die memorie beroept zij zich ter onderbouwing van haar beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid expliciet op (ten dele specifiek aangewezen) stellingen uit de procedure vóór cassatie.
Aldus [verweerster 1] spitst het debat na cassatie en verwijzing zich grotendeels toe op de beoordeling van haar beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Aldus [verweerster 1] ‘resteert (als verweer ten gronde) in feite enkel het beroep van [verweerster 1] op de redelijkheid en billijkheid dat door het hof (…) is gehonoreerd’, randnummer 1.2 van de antwoordmemorie na cassatieverwijzing. Achter randnummer 2.5 en 3.1.1 en 3.1.7 van die memorie beroept zij zich te dier zake expliciet op (ten dele specifiek aangewezen) stellingen uit de procedure vóór cassatie.
Vgl. bijv. randnummer 2.5 en 3.1.7 van de antwoordmemorie na cassatieverwijzing en de slotzin van de antwoordakte na cassatieverwijzing.
Vgl. bijv. randnummer 4.3 sub g in combinatie met 4.10, 4.11, 4.16, 4.17 en 1.7 van het beroepschrift en randnummer 2.44, 2.82, 2.83, 2.84 van het beëindigingsverzoek.
Vgl. randnummer 4.3 sub g van het beroepschrift en randnummer 13 van de spreekaantekeningen in hoger beroep en in onderlinge combinatie randnummers 2.44. 2.81 t/m 2.84, 2.91.
Vgl. bijv. randnummer 4.3 sub g in combinatie met 4.10, 4.11, 4.16, 4.17 en 1.7 van het beroepschrift en randnummer 2.44, 2.82, 2.83, 2.84 van het beëindigingsverzoek.
Vgl. randnummer 4.3 sub c, d in verbinding met 1.22 van het beroepschrift en 17 van de spreekaantekeningen (door de rechtbank aangeduid als ‘overdenkingen’) in eerste aanleg en randnummer 12 van de spreekaantekeningen in hoger beroep.
Vgl. randnummer 4.3 sub m van het beroepschrift en rov. 3.9.3 van het arrest van 19 december 2023. Het verwijzingshof had nog maar enkele weken voor haar toelatingsverzoek in tegenovergestelde zin beslist.
Vgl. randnummer 1.1, 4.3 sub e en 4.28 van het beroepschrift, 3– 5 van de spreekaantekeningen in hoger beroep en 9 tot en met 16 van de spreekaantekeningen in eerste aanleg (door de rechtbank aangeduid als ‘overdenkingen’).
Vgl. bijv. randnummer 4.3 sub g in combinatie met 4.10, 4.11, 4.16, 4.17 en 1.7 van het beroepschrift en randnummer 2.44, 2.82, 2.83, 2.84 van het beëindigingsverzoek.
Vgl. randnummer 6 van de pleitaantekeningen in hoger beroep.
Vgl. randnummer 4.3 van het beroepschrift.
Vgl. bijv. randnummer 4.3 sub g, m, n, o, en q in combinatie met 4.10, 4.11, 4.16, 4.17 en 1.7 van het beroepschrift en randnummer 2.44, 2.82, 2.83, 2.84 van het beëindigingsverzoek.
Vgl. randnummer 4.11 van het beroepschrift.
Vgl. bijv. 4.14, 4.36 van het beroepschrift