Ontleend aan rov. 6.1 van het bestreden arrest, hier enigszins verkort weergegeven.
HR, 05-04-2019, nr. 18/01039
ECLI:NL:HR:2019:505, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-04-2019
- Zaaknummer
18/01039
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:505, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑04‑2019; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:63, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2017:5482, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:PHR:2019:63, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑01‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:505, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑03‑2018
- Vindplaatsen
TvPP 2019, afl. 3, p. 91
Uitspraak 05‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Appelprocesrecht. Aan grieven te stellen eisen; uitleg grieven. Is grief tegen passeren bewijsaanbod tevens grief tegen verwerping van de stelling ter onderbouwing waarvan het te bewijzen aangeboden feit diende?
Partij(en)
5 april 2019
Eerste Kamer
18/01039
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de huurder] ,wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de verhuurder] ,wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de huurder en de verhuurder.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 3992349 CV 15-1866 van de kantonrechter te Breda van 13 mei 2015 en 14 oktober 2015;
b. de arresten in de zaak 200.185.615/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 augustus 2016 en 12 december 2017.
Het arrest van het hof van 12 december 2017 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 12 december 2017 heeft de huurder beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de verhuurder is verstek verleend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een ander gerechtshof.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- -
i) De verhuurder is eigenaar van een woning te Geertruidenberg (hierna: de woning).
- -
ii) De verhuurder heeft de woning met ingang van 5 december 2008 verhuurd aan de huurder tegen betaling van een huurprijs van € 575,-- per maand.
- -
iii) De verhuurder heeft bij aangetekende brief van 30 december 2014 de huurovereenkomst met de huurder opgezegd per 1 juli 2015 wegens dringend eigen gebruik. De huurder heeft de aangetekende brief niet in ontvangst genomen.
- -
iv) De gemachtigde van de verhuurder heeft bij aangetekende brief van 2 februari 2015 de huurder gewezen op de opzegging van de huurovereenkomst door de verhuurder wegens dringend eigen gebruik bij de eerdere aangetekende brief van 30 december 2014 en de huurder een termijn gesteld om te reageren op de opzegging.
- -
v) De huurder heeft niet ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst.
3.2.1
De verhuurder vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen en van het tijdstip van ontruiming van de woning. De verhuurder heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn relatie is verbroken, dat zijn ex-partner in hun gezamenlijke woning is gebleven, die inmiddels is verkocht, dat hij geen eigen woonruimte heeft en tijdelijk bij een kennis verblijft en dat hij geen nieuwe woning kan verwerven omdat hij freelancer is en al twee hypothecaire leningen heeft.
De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen.
3.2.2
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter, voor zover in cassatie van belang, bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen:
“6.5.2. Op grond van artikel 347 lid 1 Rv moeten alle principale grieven in beginsel in de memorie van grieven aan de orde worden gesteld (de zgn. twee-conclusie-regel). Het hof is van oordeel dat de inhoudelijke betwisting door [de huurder] van het dringend eigen gebruik bij pleidooi te kwalificeren is als een nieuwe grief die voor het eerst bij pleidooi wordt aangevoerd, zodat sprake is van strijd met de hiervoor genoemde twee-conclusie-regel. Van het bij pleidooi voortbouwen op een reeds bij memorie van grieven aangevoerde grief of grondslag is geen sprake. De grieven van [de huurder], zoals aangevoerd bij memorie van grieven, betreffen alle drie formeelrechtelijke onderwerpen, waarbij niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag of al dan niet sprake is van dringend eigen gebruik. [De verhuurder] heeft deze grieven ook zo begrepen, gezien de memorie van antwoord in principaal appel en zijn reactie bij pleidooi.
(…)
6.5.3. (…)
Gelet op het voorgaande dient voor de beoordeling door het hof tot uitgangspunt dat [de verhuurder] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik.
(…)
6.8.
De derde grief van [de huurder] komt erop neer dat de kantonrechter niet voorbij had mogen gaan aan het aanbod van [de huurder] om de makelaar (…) te horen en om afschriften op te vragen van de notities in het dossier van de woning bij Verbrugge Makelaardij. Het hof stelt vast dat [de huurder] geen afzonderlijke grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [de verhuurder] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik en dat voor [de huurder] andere passende woonruimte beschikbaar is. Evenmin is, zoals overwogen, een afzonderlijke grief gericht tegen de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging. Het hof heeft dus, als hiervoor reeds aangehaald, van voornoemde oordelen van de kantonrechter uit te gaan. Gelet hierop heeft [de huurder] geen belang bij het doen horen van de makelaar (…). Hij wenst door middel hiervan immers te bewijzen dat [de verhuurder] de woning niet zelf wil gaan gebruiken maar wil verkopen, terwijl in hoger beroep niet ter discussie staat dat [de verhuurder] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Het horen van [de makelaar] als getuige doet dus niet ter zake voor de in dit hoger beroep te nemen beslissingen. Het hof ziet ook geen aanleiding bedoelde stukken op te vragen. De derde grief treft evenmin doel.”
3.3.1
Onderdeel 2.1.2 van het middel bevat de klacht dat het hof heeft miskend dat de huurder wel een grief heeft aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verhuurder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Het hof heeft volgens het onderdeel hetzij miskend dat als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, hetzij een onbegrijpelijke uitleg aan de memorie van grieven gegeven. Het onderdeel wijst op de volgende passages uit de memorie van grieven:
“5. Samenvatting.
[De huurder] is een goed huurder van de woning te Geertruidenberg (…), hierna te noemen ‘de woning’. [De verhuurder] is een slecht verhuurder. [De verhuurder] wendt vóór, alsof hij de woning voor dringend eigen gebruik nodig heeft. Dat dringende eigen gebruik wordt betwist. De noodzakelijke belangenafweging tussen [de huurder] en [de verhuurder] heeft niet kunnen plaatsvinden door het onvoldoende aanleveren van gegevens door [de verhuurder]. Anderzijds heeft [de huurder] aangeboden te bewijzen, dat de daadwerkelijke opzet en strategie van [de verhuurder] is: dat de te ontruimen huurwoning zo snel als mogelijk kan worden verkocht tegen leegwaarde in een steeds beter aantrekkende woningmarkt.
6. [De verhuurder] heeft al van alles uitgehaald om te komen tot verwijdering van [de huurder]. [De verhuurder] heeft schijnbaar alle schepen achter zich verbrand. En vervolgens wendt hij zich met dat verhaal tot de beslissende rechter, terwijl hij aantoonbaar op die schijnbare noodsituatie van dringend eigen gebruik heeft aangestuurd. Dat vervolgens [de verhuurder] die woning niét voor dringend eigen gebruik nodig heeft wordt ook aantoonbaar. (…)”
3.3.2
Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. De voor vernietiging aangevoerde gronden behoeven door de appellant niet uitdrukkelijk te worden aangeduid als (al dan niet genummerde) ‘grief’. Die gronden moeten wel behoorlijk naar voren zijn gebracht in het geding, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren. (HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8278, rov. 4.3; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, rov. 2.4.1; HR 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:137, rov. 3.3.2)
Bij de uitleg van de memorie van grieven of het appelverzoekschrift kan mede een rol spelen de wijze waarop de geïntimeerde respectievelijk de verweerder in hoger beroep de inhoud van dat stuk, blijkens zijn reactie daarop, heeft begrepen.
3.3.3
Het onderdeel is gegrond. Met het oordeel dat geen afzonderlijke grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verhuurder de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de hiervoor in 3.3.2 genoemde regels, hetzij een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de passages in de memorie van grieven die hiervoor in 3.3.1 zijn geciteerd. Dit geldt temeer in het licht van de volgende passages in de memorie van antwoord onder 9 respectievelijk 45:
“9. Anders dan [de huurder] betoogt heeft [de verhuurder] het gehuurde dringend nodig voor eigen gebruik. [De verhuurder] wil kort gezegd in zijn eigen woning gaan wonen, omdat hij niet over zelfstandige woonruimte beschikt in verband met de gevolgen van een echtscheiding. [De verhuurder] verblijft op dit moment tijdelijk bij een kennis, welke situatie niet lang meer voort kan duren. (…)
45. Voorzover uw gerechtshof dit noodzakelijk acht, biedt [de verhuurder] aan om al zijn stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, (…) meer in het bijzonder door:
a) aan te tonen dat sprake is van dringend eigen gebruik, door het doen (laten) horen van getuigen, zoals [de verhuurder] zelf, en/of door een nadere (schriftelijke) onderbouwing te geven waarom [de verhuurder] het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik;
(…)”
3.4.1
Onderdeel 2.1.3 betoogt dat het hof daarnaast heeft miskend dat ook grief 3, die is gericht tegen het passeren van het aanbod tot het als getuige doen horen van de makelaar van de verhuurder, niet anders kan worden begrepen dan dat daarmee wordt beoogd het gestelde dringend eigen gebruik te bestrijden. Volgens het onderdeel heeft die grief, zeker in combinatie met hetgeen in punt 5 van de memorie van grieven is aangevoerd (hiervoor geciteerd in 3.3.1), geen andere strekking dan aan te tonen dat de aangevoerde opzeggingsgrond, te weten ‘dringend eigen gebruik’, ten onrechte wordt aangevoerd en dus non-existent is, omdat de verhuurder met verkoopplannen bezig was. Dat dit ook zo door de verhuurder is begrepen, volgt volgens het onderdeel uit de reactie op grief 3 in de memorie van antwoord onder 34-37, welke reactie onder meer inhoudt dat ten tijde van het telefoongesprek tussen de huurder en de makelaar van de verhuurder in september 2013, de verhuurder nog met zijn ex-vrouw was, zodat er nog geen sprake was van dringend eigen gebruik van de woning en voorts dat wordt betwist dat de makelaar in september 2014 wederom met het oog op de door de verhuurder voorgenomen verkoop van de woning contact met de huurder heeft opgenomen.
3.4.2
Ook deze klacht is gegrond. Nu met grief 3 wordt opgekomen tegen het passeren van het bewijsaanbod om door het horen van de makelaar te bewijzen dat de verhuurder voornemens is de woning te verkopen, laat die grief geen andere uitleg toe dan dat daarmee tevens het oordeel wordt bestreden dat de verhuurder de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. De huurder heeft de stelling dat de verhuurder de woning wil gaan verkopen immers aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat de verhuurder de woning niet dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Bovendien blijkt uit de memorie van antwoord (onder 34-37) dat ook de verhuurder de grief in die zin heeft opgevat.
3.5
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 december 2017;
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [de verhuurder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de huurder] begroot op € 510,09 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 5 april 2019.
Conclusie 18‑01‑2019
Inhoudsindicatie
Appelprocesrecht. Aan grieven te stellen eisen; uitleg grieven. Is grief tegen passeren bewijsaanbod tevens grief tegen verwerping van de stelling ter onderbouwing waarvan het te bewijzen aangeboden feit diende?
Partij(en)
Zaaknr: 18/01039 mr. F.F. Langemeijer
Zitting: 18 januari 2019 Conclusie inzake:
[de huurder]
tegen
[de verhuurder]
Het cassatiemiddel in deze huurzaak gaat over de wijze waarop het hof de grieven van de huurder heeft opgevat. Daarnaast heeft het betrekking op de door de verhuurder opgegeven grond voor beëindiging van de huurovereenkomst.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1.:
1.1.1
Verweerder in cassatie (hierna: de verhuurder) is eigenaar van een woning te Geertruidenberg.
1.1.2
De verhuurder heeft de woning met ingang van 5 december 2008 verhuurd aan verzoeker tot cassatie (hierna: de huurder) voor een prijs van € 575,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
1.1.3
De verhuurder heeft de huurovereenkomst bij brief van 30 december 2014 opgezegd met ingang van 1 juli 2015 op de grond dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. De huurder heeft de aangetekend verzonden brief niet in ontvangst genomen.
1.1.4
Bij aangetekende brief van 2 februari 2015 heeft de gemachtigde van de verhuurder de huurder gewezen op de opzegging bij brief van 30 december 2014 en de huurder een termijn gesteld om op de opzegging te reageren.
1.1.5
De huurder heeft niet ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst.
1.2
Op 16 maart 2015 heeft de verhuurder de huurder doen dagvaarden voor de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda. Zijn vordering strekte tot het vaststellen van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen en tot het bepalen van het tijdstip van ontruiming van de woning op de dag waarop de huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. De verhuurder heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Daartoe heeft hij samengevat aangevoerd dat zijn relatie is verbroken, dat zijn ex-partner in de gezamenlijke woning bleef, dat die woning inmiddels is verkocht, dat hij nu geen eigen woonruimte heeft en tijdelijk bij een kennis verblijft. Verder heeft hij gesteld dat hij geen nieuwe woning kan verwerven omdat hij freelancer is en al twee hypothecaire leningen te zijnen laste heeft.
1.3
De huurder heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 14 oktober 2015 het volgende overwogen. De verhuurder heeft bij de opzegging de termijn van zes weken als bedoeld in artikel 7:272 lid 2 BW in acht genomen (rov. 3.5 Ktr). Overeenkomstig artikel 7:271 BW bevat de opzeggingsbrief een van de wettelijke opzeggingsgronden, te weten dringend eigen gebruik van de woning. Het is niet vereist dat de afweging van de belangen van huurder en verhuurder reeds is opgenomen in de opzeggingsbrief (rov. 3.6 Ktr). In dit geding heeft de verhuurder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik (rov. 3.7 - 3.10 Ktr). Ook is voldoende aannemelijk dat voor de huurder voldoende passende woonruimte in de regio beschikbaar is (rov. 3.11 - 3.12 Ktr). De afweging van de belangen van partijen bij voortzetting respectievelijk beëindiging van de huur valt uit in het voordeel van de verhuurder (rov. 3.13 - 3.14 Ktr). De kantonrechter achtte de vordering daarom vatbaar voor toewijzing.
1.4
De kantonrechter heeft de einddatum van de huurovereenkomst en de datum van ontruiming bepaald op 1 februari 2016 (rov. 3.15 Ktr). De kantonrechter heeft bepaald dat de verhuurder op grond van artikel 7:275 BW aan de huurder een tegemoetkoming in zijn verhuis- en inrichtingskosten dient te betalen van € 7.500,-. Als de verhuurder dit bedrag te hoog vindt kan hij, desgewenst, de huuropzegging intrekken tot uiterlijk 28 oktober 2015 (rov. 3.16 Ktr). Na bespreking van de nevenvorderingen heeft de kantonrechter in het dictum dienovereenkomstig beslist. De kantonrechter heeft zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard met uitzondering van de beëindiging van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming.
1.5
De huurder heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch2.. De verhuurder heeft incidenteel hoger beroep ingesteld met betrekking tot de hoogte van de verhuiskostenvergoeding3..
1.6
In het principaal hoger beroep van de huurder heeft het hof bij arrest van 12 december 2017 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. In het incidenteel hoger beroep van de verhuurder heeft het hof dat vonnis vernietigd ten aanzien van de hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Het hof heeft deze tegemoetkoming nader bepaald op € 5.910,-.
1.7
Voor de beoordeling in cassatie is van belang dat het hof in rov. 6.4 – 6.5.3 zich heeft uitgesproken over de gronden waarop het (principaal) hoger beroep van de huurder berustte. Volgens het hof heeft de huurder bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep zijn eis vermeerderd met betrekking tot door hem gemaakte of nog te maken kosten voor de veiligheid van of het herstel van gebreken aan de woning (zie rov. 6.5.1). Deze vermeerdering van eis heeft het hof niet toelaatbaar geacht. Dat gedeelte van de vordering blijft hierna onbesproken.
1.8
Daarnaast constateerde het hof dat de huurder bij pleidooi in hoger beroep in feite een nieuwe grief heeft willen aanvoeren, wat betreft de betwisting van de door de verhuurder gestelde dringende noodzaak van eigen gebruik (zie rov. 6.5.2). Het hof achtte deze uitbreiding van de grieven in dit stadium van het geding in strijd met de ‘twee conclusie-regel’ en bovendien in strijd met de eisen van een goede procesorde. Om die reden kwam het hof niet toe aan inhoudelijke beoordeling van deze nieuwe grief (rov. 6.5.3). Om dezelfde reden ging het hof voorbij aan een bewijsaanbod dat betrekking had op deze, voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep ingenomen stellingen. Vervolgens heeft het hof grief I behandeld in rov. 6.6.2, grief II in rov. 6.7.2 en grief III in rov. 6.8.
1.9
De huurder heeft − tijdig − beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 12 december 2017. De verhuurder is in cassatie niet verschenen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
2.1
De artikelen 7:271 – 7:282 BW regelen het eindigen van de huur van woonruimte. Artikel 7:271 houdt in, voor zover van belang voor deze zaak, dat een verhuurder de huur kan opzeggen bij exploot of bij aangetekende brief. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de opzegging door de verhuurder, op straffe van nietigheid, de gronden moet vermelden die tot de opzegging hebben geleid. Een opzegging door de verhuurder op andere dan de in artikel 7:274 lid 1 BW genoemde gronden is nietig. Bij de opzegging moet aan de huurder worden gevraagd, binnen zes weken aan de verhuurder mede te delen of hij al dan niet toestemt in beëindiging van de huurovereenkomst. De overige leden van dit artikel regelen de opzegtermijn. Artikel 7:272 BW bepaalt dat een opgezegde huurovereenkomst (behoudens een in de wet genoemde uitzondering) van rechtswege haar kracht behoudt na de dag waartegen de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd, totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist op de vordering van de verhuurder dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen. Artikel 7:273 lid 1 BW schrijft voor dat de rechter bij zijn beslissing op zo’n vordering van de verhuurder uitsluitend de in de opzegging vermelde gronden in aanmerking neemt.
2.2
Artikel 7:274 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang4., dat de rechter de in artikel 7:272 lid 2 BW bedoelde vordering van de verhuurder slechts kan toewijzen in de gevallen welke in dit artikellid zijn genoemd onder a tot en met f. Daartoe behoort het geval onder c: “indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, vervreemding van de gehuurde woonruimte niet daaronder begrepen, dat van hem, de belangen van beide partijen en van onderhuurders naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens blijkt dat de huurder (…) andere passende woonruimte kan verkrijgen5..
Inhoud en uitleg van de grieven
2.3
Onderdeel 2.1 is gericht tegen de uitleg die het hof aan de grieven heeft gegeven (rov. 6.4 – 6.5.3). De algemene klacht is uitgewerkt in drie subonderdelen.
2.4
De voor dit middelonderdeel relevante overwegingen luiden als volgt:
“6.5.2. Op grond van artikel 347 lid 1 Rv moeten alle principale grieven in beginsel in de memorie van grieven aan de orde worden gesteld (de zgn. twee-conclusie-regel). Het hof is van oordeel dat de inhoudelijke betwisting door [de huurder] van het dringend eigen gebruik bij pleidooi te kwalificeren is als een nieuwe grief die voor het eerst bij pleidooi wordt aangevoerd, zodat sprake is van strijd met de hiervoor genoemde twee-conclusie-regel. Van het bij pleidooi voortbouwen op een reeds bij memorie van grieven aangevoerde grief of grondslag is geen sprake. De grieven van [de huurder], zoals aangevoerd bij memorie van grieven, betreffen alle drie formeelrechtelijke onderwerpen, waarbij niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag of al dan niet sprake is van dringend eigen gebruik. De verhuurder heeft deze grieven ook zo begrepen, gezien de memorie van antwoord in principaal appel en zijn reactie bij pleidooi. (…)
6.5.3.
Gesteld noch gebleken is dat er reden is voor het maken van een uitzondering op de twee-conclusie-regel gezien de aard van het geschil of vanwege nieuw voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden, terwijl evenmin is gebleken dat sprake is van het ondubbelzinnig instemmen van [de verhuurder] met de nieuwe grief en de eisvermeerdering. Integendeel, [de verhuurder] heeft tijdens het pleidooi bezwaar gemaakt tegen de nieuwe stellingen van [de huurder] in verband met de betwisting van het dringend eigen gebruik en tegen de eisvermeerdering en is hierop niet inhoudelijk ingegaan. Het hof acht de inhoudelijke betwisting door [de huurder] van het dringend eigen gebruik voor het eerst bij pleidooi daarnaast in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof kan dus niet toekomen aan de beoordeling van de nieuwe grief/nieuwe stellingen en de eisvermeerdering. Om die reden gaat het hof ook voorbij, aan het door [de huurder] bij pleidooi gedane bewijsaanbod tot het horen van de hospita van [de verhuurder], nu dit betrekking heeft op door de hem bij pleidooi ingenomen nieuwe stellingen.
Gelet op het voorgaande dient voor de beoordeling door het hof tot uitgangspunt dat De verhuurder de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik.”6.
2.5
De subonderdelen 2.1.1 en 2.1.2 klagen dat het hof miskent dat hetgeen de huurder op blz. 2 van de memorie van grieven (onder de punten 5 en 6) had aangevoerd ook deel uitmaakt van de grieven, in die zin dat de huurder aldaar het oordeel van de kantonrechter over het dringend nodig hebben van de woning voor eigen gebruik door de verhuurder en ook de belangenafweging door de kantonrechter heeft bestreden.
2.6
Naar vaste rechtspraak moeten als ‘grieven’ worden aangemerkt: alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de in hoger beroep bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Daarbij geldt wel de eis dat die gronden behoorlijk naar voren zijn gebracht in de procedure, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij. De wederpartij moet kunnen weten waartegen zij zich (in de procedure in hoger beroep) heeft te verweren7.. De voor vernietiging aangevoerde gronden behoeven door de appellant niet uitdrukkelijk te worden aangeduid als (al dan niet genummerde) ‘grief’. Het is vervolgens aan de appelrechter om, door middel van uitleg van de gedingstukken, vast te stellen welke grieven door de appellant zijn aangevoerd. De uitleg van gedingstukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Daarom kan in cassatie de uitleg die de appelrechter aan een gedingstuk heeft gegeven niet op juistheid worden getoetst, maar hoogstens op de begrijpelijkheid van dat oordeel. De omstandigheid dat de appelrechter de grieven hetzelfde heeft uitgelegd als de wijze waarop de geïntimeerde deze had begrepen, geldt in het algemeen als een sterk argument om die uitleg in cassatie niet onbegrijpelijk te achten8..
2.7
Een blik in de gedingstukken leert het volgende. De memorie van grieven in deze zaak opent, onder het kopje “Samenvatting”, met een samenvatting van het geschil. De punten 5 en 6 van die samenvatting, voor zover hier van belang, luidden als volgt:
“5. (…) [De verhuurder] is een slecht verhuurder. [De verhuurder] wendt vóór, dat hij de woning voor dringend eigen gebruik nodig heeft. Dat dringend eigen gebruik wordt betwist. De noodzakelijke belangenafweging tussen [de huurder] en [de verhuurder] heeft niet kunnen plaatsvinden door het onvoldoende aanleveren van gegevens door [de verhuurder]. Anderzijds heeft [de huurder] aangeboden te bewijzen, dat de daadwerkelijke opzet en strategie van [de verhuurder] is: dat de te ontruimen huurwoning zo snel mogelijk kan worden verkocht tegen leegwaarde in een steeds beter aantrekkende woningmarkt.
6. [De verhuurder] heeft al van alles uitgehaald om te komen tot verwijdering van [de huurder]. [De verhuurder] heeft schijnbaar alle schepen achter zich verbrand. En vervolgens wendt hij zich met dat verhaal tot de beslissende rechter, terwijl hij aantoonbaar op die schijnbare noodsituatie van dringend eigen gebruik heeft aangestuurd. Dat vervolgens [de verhuurder] die woning niét voor dringend nodig heeft wordt ook aantoonbaar. Daarnaast is er géén passende woonruimte voor [de huurder] beschikbaar. Uit de belangenafweging moet volgen, dat [de verhuurder] beter af is met het zoeken naar een ander alternatief voor woonruimte.”
In het vervolg van zijn memorie van grieven (onder 7 t/m 20) heeft de huurder de bezwaren geformuleerd die hij tegen het vonnis van de kantonrechter had. Het gaat daarbij om drie genummerde en door hem uitdrukkelijk als ‘grieven’ aangeduide bezwaren, telkens voorafgegaan door een inleiding. Deze drie ‘grieven’ zijn dezelfde die het hof in rov. 6.4 heeft genoemd. De verhuurder heeft in zijn memorie van antwoord onder 3 verweer gevoerd tegen elk van deze drie grieven9..
2.8
Tegen de achtergrond van de in voetnoot 7 aangehaalde jurisprudentie geeft het oordeel van het hof, dat de huurder in de memorie van grieven “niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag of al dan niet sprake is van dringend eigen gebruik” op zich niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar heeft de huurder in de memorie van grieven onder 5 gesteld dat hij de door de verhuurder gestelde grond voor opzegging (dringend nodig voor eigen gebruik) heeft betwist, maar daarmee had de huurder op die plaats in de gedingstukken nog niet aangegeven op grond van welke bezwaren hij van mening was dat het hof het vonnis van de kantonrechter behoorde te vernietigen. Afgezien van hetgeen hieronder aan de orde zal komen ten aanzien van het bewijsaanbod van de huurder, is niet onbegrijpelijk dat – en waarom − het hof in de zo-even aangehaalde, door de huurder niet verder uitgewerkte, stellingen onder 5 en 6 in de memorie van grieven niet een afzonderlijke grief heeft gelezen. Ik merk in dit verband nog op dat de huurder in eerste aanleg in zijn conclusie van antwoord zelf is begonnen met het maken van een uitdrukkelijk onderscheid tussen: een eerste, tweede en derde “formeel bezwaar” van de huurder tegen de beëindiging van de huurovereenkomst, stellingen over slecht verhuurderschap, stellingen over de vermeende ‘strategie’ van de verhuurder en een betwisting van de door de verhuurder gestelde dringende noodzaak. Klaarblijkelijk hebben de verhuurder (als geïntimeerde in het principaal appel) en het hof de memorie van grieven zo opgevat, dat de huurder alleen zijn drie formele bezwaren aan de appelrechter heeft willen voorleggen.
2.9
Subonderdeel 2.1.3 vervolgt met de klacht dat het hof in ieder geval heeft miskend dat de derde grief niet anders kan worden begrepen dan dat de huurder in hoger beroep (impliciet) ook het oordeel van de kantonrechter over de gestelde dringende noodzaak voor eigen gebruik bestreed, zeker indien deze grief wordt gelezen in samenhang met punt 5 in de memorie van grieven. Volgens de klacht had de derde grief van de huurder geen andere strekking dan dat de verhuurder ten onrechte een beroep heeft gedaan op de opzeggingsgrond ‘dringend eigen gebruik’ omdat hij (de verhuurder) in werkelijkheid bezig was met plannen voor de verkoop van deze woning vrij van huur. Dat ook de wederpartij de derde grief van de huurder in deze (impliciete) betekenis heeft opgevat volgt volgens het middelonderdeel uit het gestelde in de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, onder 34 - 3710..
2.10
Naar de letter had het bewijsaanbod betrekking op het horen van een getuige (de makelaar van de verhuurder) tot “verstrekking van belangrijke informatie over de toedracht in de communicatie met [de verhuurder]”11.. Dat is tamelijk vaag, maar de klacht krijgt kleur na kennisneming van het vonnis van de kantonrechter onder 3.9. Daar overwoog de kantonrechter dat de huurder (in eerste aanleg) had gesteld dat de verhuurder de woning niet zelf wil gaan bewonen, maar vrij van huur wil verkopen teneinde een hogere verkoopprijs te kunnen realiseren. Hoewel de kantonrechter de argwaan van de huurder ‘invoelbaar’ achtte, was de kantonrechter van oordeel dat die stelling onvoldoende met feiten en omstandigheden was onderbouwd. De kantonrechter heeft hieraan toegevoegd dat niet gesteld of gebleken is dat de woning te koop staat. Ook overigens was in eerste aanleg niet gebleken van een concrete aanwijzing dat de verhuurder de woning eigenlijk zou willen verkopen. De kantonrechter passeerde daarom het aanbod van de huurder om de makelaar als getuige te horen. Ten tijde van het beweerde telefoongesprek met het makelaarskantoor, in september 2013, was volgens de verklaring van beide partijen tijdens de comparitie nog geen sprake van een situatie waarin de verhuurder, naar eigen stelling, de woning voor dringend eigen gebruik nodig had: die situatie is pas aan de orde sinds maart 2014. Daarom achtte de kantonrechter het te bewijzen aangeboden telefoongesprek niet van belang.
2.11
Dat het hof ervan uitgaat dat de derde grief uitsluitend dit bewijsaanbod betrof, is op zich niet onbegrijpelijk in het licht van de memorie van grieven van de huurder en van de reactie van de verhuurder daarop.
2.12
Het punt waar het in cassatie om draait, is de vraag of het hof in deze grief over het passeren van een bewijsaanbod impliciet een bezwaar van de huurder had moeten lezen tegen het oordeel van de kantonrechter over de (door de verhuurder gestelde) dringende noodzaak tot eigen gebruik. De huurder heeft het zijn wederpartij en de appelrechter bepaald niet gemakkelijk gemaakt: noch in de punten 18 en 19 (onder het opschrift “Inleiding 3e grief”), noch in punt 20 (onder het opschrift “Grief 3”) van de memorie van grieven heeft de huurder teruggegrepen op hetgeen hij onder 5 en 6 in de memorie van grieven had betoogd.
2.13
Aan de steller van het middel kan worden toegeven dat, ook zonder een uitdrukkelijke verwijzing naar de punten 5 en 6 in de memorie van grieven, logisch een verband bestaat tussen het in de derde grief bedoelde bewijsaanbod en de betwisting door de huurder (in eerste aanleg) van de stelling van de verhuurder dat hij de verhuurde woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik, niet zijnde de vervreemding daarvan. De huurder heeft deze betwisting in hoger beroep in elk geval niet prijsgegeven. De stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting, de bewijslast ten aanzien van het dringend nodig hebben van het verhuurde voor eigen gebruik, niet zijnde de vervreemding daarvan, ligt in beginsel bij de verhuurder12.. In dit geval heeft de verhuurder gesteld dat hij zelf niet meer de beschikking heeft over vaste woonruimte; zie alinea 1.2 hiervoor. De rechter kan dus stuiten op het probleem dat een huurder die de vordering van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst wil bestrijden door aan te voeren dat de verhuurder in werkelijkheid de vervreemding (vrij van huur) van de verhuurde woning nastreeft, over onvoldoende informatie beschikt om concrete feiten te kunnen aanvoeren waaruit de intentie van de verhuurder kan blijken. Zo ook in dit geval: de kantonrechter heeft geen concrete feiten aangetroffen die, eenmaal vastgesteld, de gevolgtrekking kunnen dragen dat de verhuurder in werkelijkheid de vordering heeft ingesteld teneinde de woning vrij van huur te kunnen vervreemden.
2.14
De huurder is op zoek naar mogelijkheden om meer informatie te verkrijgen over de intenties van de verhuurder. Kennelijk in de hoop alsnog een concrete aanwijzing voor dat oogmerk van vervreemding op het spoor te komen, heeft de huurder aangeboden de makelaar van de verhuurder als getuige te doen horen en inzage in het makelaarsdossier verzocht. In punt 20 van de memorie van grieven heeft de huurder gesteld dat de makelaar niet slechts in 2013 (zoals de kantonrechter overwoog), maar ook eind 2014 met hem contact heeft opgenomen met de vraag of hij bereid was de woning te verlaten. De huurder klaagde aldaar over onoprechtheid van de verhuurder, die zich in rechte anders zou hebben opgesteld dan bij de makelaar van de verhuurder.
2.15
Deze stellingen en het bewijsaanbod m.b.t. het horen van de makelaar zouden volkomen zinloos zijn, als deze niet in verband worden gebracht met de betwisting van het (door de verhuurder gestelde) dringend nodig hebben van de woning voor eigen gebruik, niet zijnde vervreemding daarvan. Dat de huurder in de memorie van grieven in (zijn toelichting op) grief 3 niet met zoveel woorden heeft teruggegrepen op zijn eerdere betwisting van het (door de verhuurder gestelde) dringend nodig hebben voor eigen gebruik anders de vervreemding van de woning, doet daaraan niet af. Om deze reden ben ik van mening dat voor de lezer inderdaad onbegrijpelijk is waarom het hof van oordeel is dat in de memorie van grieven geen grief besloten lag tegen het oordeel van de kantonrechter over het dringend nodig hebben voor eigen gebruik. De klacht van subonderdeel 2.1.3 slaagt.
2.16
Het hiermee verband houdende oordeel, dat de huurder dit bezwaar tegen het vonnis van de kantonrechter eerst bij pleidooi in hoger beroep heeft voorgedragen, wordt aangevochten in onderdeel 2.2. Onderdeel 2.2 is gericht tegen rov. 6.5.2 en uitgewerkt in vijf subonderdelen, die zich lenen voor een gezamenlijke behandeling. Subonderdeel 2.2.1 bevat geen klacht, maar een vooropstelling die verwijst naar de maatstaf van het (hiervoor al genoemde) arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2009.
Subonderdeel 2.2.2 bestrijdt het oordeel dat sprake is van een nieuwe grief, die voor het eerst is aangevoerd bij pleidooi in hoger beroep. De klacht houdt in dat het hof miskent dat een betwisting van het dringend nodig hebben voor eigen gebruik al te vinden was in de memorie van grieven onder 5 en 6. Daarom is – anders dan het hof heeft beslist – sprake van een tijdig voorgedragen grief. Subsidiair verbindt het subonderdeel hieraan een motiveringsklacht.
Subonderdeel 2.2.3 herhaalt dat het hof om dezelfde reden miskent dat de grief in de memorie van grieven tijdig naar voren is gebracht, althans dat de beslissing van het hof op dit punt ontoereikend is gemotiveerd.
Subonderdeel 2.2.4 bestrijdt de vaststelling van de wijze waarop de geïntimeerde (de verhuurder) in hoger beroep de grieven heeft opgevat. Subonderdeel 2.2.5 sluit af met een slotsom.
2.17
Voor alle klachten van onderdeel 2.2 geldt mijns inziens hetzelfde als hiervoor besproken bij de behandeling van onderdeel 2.1.
2.18
Onderdeel 2.3 stelt dat indien een of meer van de voorgaande klachten slagen, ook het oordeel in rov. 6.5.3, dat er geen reden is voor het maken van een uitzondering op de twee-conclusie-regel, niet in stand kan blijven. Onderdeel 2.4 klaagt dat indien een of meer van de voorgaande klachten slagen, ook het oordeel in 6.8 niet in stand kan blijven. Ook die overweging gaat ervan uit dat in de memorie van grieven geen grief was gericht tegen het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot het gestelde dringend nodig hebben voor eigen gebruik.
2.19
Deze onderdelen bouwen voort op klachten die hiervoor al zijn besproken en behoeven daarom geen afzonderlijke bespreking.
Moet de belangenafweging worden vermeld in de opzeggingsbrief?
2.20
Onderdeel 2.5 is gericht tegen rov. 6.7.2. Zoals het hof in rov. 6.7.1 – onbestreden in cassatie – heeft vastgesteld, heeft de huurder in zijn tweede grief aangevoerd dat de kantonrechter de vordering niet had mogen toewijzen omdat in de opzeggingsbrief van 2 februari 2015 niet de belangenafweging was vermeld. Het hof heeft deze grief verworpen en daartoe het volgende overwogen:
“6.7.2. (…) In artikel 7:274 lid 1 sub a tot en met f zijn de zes limitatieve en beperkte gronden opgesomd waarop de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen en waarop de rechter een beëindigingsvordering (na correcte opzegging) kan toewijzen. De derde beëindigingsgrond (sub c) betreft, het geval waarop [de verhuurder] een beroep heeft gedaan: de verhuurder heeft het verhuurde dringend nodig voor eigen gebruik. Artikel 7:271 lid 4 BW bepaalt dat de opzegging door de verhuurder de gronden voor de opzegging moet vermelden en dat het moet gaan om gronden zoals genoemd in artikel 7:274 lid 1 BW. [De verhuurder] heeft hieraan voldaan, nu hij in zijn opzeggingsbrief van 2 februari 2015 (en in die van 30 december 2014) dringend eigen gebruik als opzeggingsgrond heeft genoemd. [De verhuurder] heeft zijn beëindigingsvordering ook op deze grond gebaseerd. Anders dan [de huurder] meent, kan de belangenafweging niet als afzonderlijke opzeggingsgrond worden beschouwd. De belangenafweging ligt immers in het verlengde van de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik. Hieraan dient te worden toegekomen als de rechter in een procedure tot beëindiging van de huurovereenkomst aannemelijk acht dat er sprake is van dringend eigen gebruik en dat de huurder over andere passende woonruimte kan beschikken: dan dient te worden vastgesteld of niet van de verhuurder kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd (c.q. voortgezet). Aldus was niet vereist dat de belangenafweging specifiek in de opzeggingsbrief werd vermeld. Overigens heeft [de huurder] geen afzonderlijke grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de belangenafweging in het voordeel van [de verhuurder] uitvalt. De tweede grief faalt dus eveneens.”
2.21
Subonderdeel 2.5.1 is in het bijzonder gericht tegen de vaststelling dat de huurder in de memorie van grieven geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de belangenafweging in het voordeel van de verhuurder uitvalt. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat de huurder, blijkens punt 6 van de memorie van grieven, in hoger beroep wel degelijk dat oordeel heeft bestreden. In zijn inleiding op de tweede grief (MvG onder 12, geciteerd in het middelonderdeel) heeft de huurder daarop voortgebouwd.
2.22
In (zijn toelichting op) de tweede grief in de memorie van grieven heeft de huurder niet uitdrukkelijk teruggegrepen op hetgeen hij eerder had betoogd in zijn samenvatting in diezelfde memorie onder 6. Wel heeft de huurder in zijn inleiding op de tweede grief (MvG onder 12) aangevoerd dat een afweging van zijn belangen tegen financiële belangen van de verhuurder praktisch niet mogelijk was omdat de verhuurder niet of onvoldoende inzage had gegeven in zijn (financiële) draagkracht.
2.23
Ook hier gaat het om een kwestie van stelplicht en bewijslast. Indien de verhuurder van woonruimte een vordering tegen de huurder instelt met een beroep op het dringend nodig hebben van die woning voor eigen gebruik, als bedoeld in art. 7:274 BW, zal de verhuurder feiten en omstandigheden moeten stellen waaruit volgt dat hij de verhuurde woonruimte dringend nodig heeft voor eigen gebruik, niet zijnde de vervreemding daarvan. Pas wanneer dat vaststaat, komt de vraag aan de orde naar de belangenafweging op de voet van art. 7:274, lid 1 onder c, BW13.. In het algemeen ligt het op de weg van de verhuurder om zijn belangen bij beëindiging van de huurovereenkomst in de procedure aan de orde te stellen. Het ligt vervolgens op de weg van de huurder om zijn belangen en die van eventuele onderhuurders in de procedure naar voren te brengen. Vervolgens kan de kantonrechter een afweging van al deze belangen maken. Uiteraard geldt ook hier, dat de wederpartij de daartoe gestelde feiten kan betwisten. Ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv rust de bewijslast in beginsel op de partij die het desbetreffende feit heeft gesteld14..
2.24
De verhuurder heeft in eerste aanleg aangevoerd dat hij zonder (vaste) woonruimte zit en (als freelancer, aan wie al twee hypothecaire leningen zijn verstrekt) geen ander huis kan kopen. De huurder heeft het gestelde dringend nodig hebben voor eigen gebruik betwist, met het argument dat de verhuurder onder meer inkomsten heeft uit de huuropbrengst van de verhuurde woning. Nadat de kantonrechter tot het oordeel gekomen was dat de verhuurder de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik, heeft de kantonrechter de in art. 7:274 lid 1 onder c BW voorgeschreven belangenafweging in het voordeel van de verhuurder laten uitvallen. Voor de kantonrechter was een overweging, dat voor de huurder passende vervangende woonruimte in de regio voorhanden is.
2.25
Het hof is, zoals besproken bij middelonderdeel 2.1, ervan uitgegaan dat (in hoger beroep vaststaat dat) de verhuurder de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Vervolgens kwam het hof toe aan de vereiste belangenafweging. In de memorie van grieven heeft het hof geen grief gelezen tegen het oordeel van de kantonrechter dat de belangenafweging moet uitvallen in het voordeel van de verhuurder. Onbegrijpelijk vind ik dat oordeel niet, ook niet in het licht van de gedingstukken. Zelfs in de passage die in dit subonderdeel in dit verband is aangehaald, staat het argument voorop dat de verhuurder zich “niet bij voorbaat in zijn opzegging” (…) “heeft doen beroepen op de noodzakelijke afweging van het ontbreken van draagkracht (…)”. Dat het hof in de tussenzin (“en nadien ook niet in zijn vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst in rechte”) in deze passage niet een afzonderlijk bezwaar van de huurder tegen de belangenafweging door de kantonrechter heeft gelezen, is niet onbegrijpelijk. In de belangenafweging speelde de mogelijkheid van vervangende huisvesting voor de huurder een grote rol. De klacht van subonderdeel 2.5.1 faalt om deze redenen.
2.26
De klacht onder 2.5.2 houdt in dat het hof in rov. 6.7.2 heeft miskend dat de rechter niet aan een belangenafweging toekomt indien de opzegging van de huurovereenkomst nietig is. Volgens de huurder geldt dit in een geval als het onderhavige, waarin de verhuurder in de opzeggingsbrief weliswaar een wettelijke grond voor opzegging heeft genoemd (in dit geval: de stelling dat de verhuurder de woning dringend nodig had voor eigen gebruik), maar die grond in de opzeggingsbrief onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. De klacht onder 2.5.3 hangt hiermee samen. Zij verwijst naar de punten 11 – 17 in de memorie van grieven. De klacht houdt in dat het oordeel over de eisen waaraan een opzegging op grond van artikel 7:274 BW moet voldoen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: de verhuurder kan niet volstaan met het noemen van één van de wettelijke gronden voor opzegging. In de toelichting op deze klacht stelt de huurder dat de functie van het vermelden van de grond voor opzegging bij een beëindiging van de huur van woonruimte is te vergelijken met de mededeling van de dringende reden bij een ontslag op staande voet: de omschrijving van de ontslagreden moet zodanig compleet zijn dat de geadresseerde zijn juridische positie kan bepalen en de afweging kan maken of hij in de opzegging berust dan wel verweer daartegen zal voeren. In zijn verdere toelichting wijst de huurder ook nog op artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.27
De desbetreffende bepalingen in 7:274 BW vinden hun oorsprong in artikel 1623b (oud) BW. Dit artikel, ingevoerd in 197215., bepaalde onder meer dat de opzegging door de verhuurder, op straffe van nietigheid, de gronden moet vermelden die tot opzegging hebben geleid. Het wetboek bepaalde in art. 1623c (oud) dat de huurder zich, binnen zes weken na de opzegging, kon wenden tot de kantonrechter met het verzoek de huurovereenkomst te verlengen. Blijkens de parlementaire geschiedenis diende de vereiste vermelding van de beëindigingsgrond in de opzeggingsbrief het volgende doel: “Om kansloze en dus overbodige procedures te voorkomen is het noodzakelijk de huurder enig inzicht te geven [in] zijn kansen in een eventuele procedure”16.. Voor de vraag, wat de opgegeven reden is voor de opzegging van de huur, is niet de letterlijke tekst van de opzeggingsbrief beslissend, maar de betekenis die de huurder in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de inhoud van de opzeggingsbrief mocht toekennen17.. In 1979 is de regeling gewijzigd in die zin dat voortaan de verhuurder van woonruimte degene was die het initiatief tot een procedure bij de kantonrechter moest nemen. Daarmee kwam het voorschrift enigszins in een ander licht te staan: in de oorspronkelijke regeling was de huurder bij het aanvangen van een procedure tegen de verhuurder afhankelijk van de informatie die hem uit de opzeggingsbrief bekend was over de reden waarom de verhuurder de overeenkomst wilde beëindigen. Indien de verhuurder zelf degene is die de procedure bij de kantonrechter start, is hij bekend met de reden van beëindiging18..
2.28
Bij de invoering van titel 7.4 in het Nieuw Burgerlijk Wetboek is de regel verplaatst naar de huidige artikelen. Ook nu nog wordt aangenomen dat het voorschrift dat de verhuurder de gronden voor beëindiging van de huurovereenkomst in de opzegging vermeldt, ertoe strekt “dat de huurder aan de hand van de in de opzegging vermelde grond(en) moet kunnen bepalen of hij in de opzegging wil berusten, dan wel het op een procedure wil laten aankomen”19.. Bij de toepassing van art. 7:273 lid 1 BW (“De rechter neemt uitsluitend de in de opzegging vermelde gronden in aanmerking”) biedt de rechtspraak van de Hoge Raad wel enige, maar niet veel ruimte om met behoud van de in de opzeggingsbrief opgegeven beëindigingsgrond de feitelijke grondslag daarvan te wijzigen tijdens de procedure bij de kantonrechter20..
2.29
In dit geval heeft het hof zijn beslissing niet gebaseerd op een andere grond dan de verhuurder in de opzeggingsbrief had aangevoerd. In de opzeggingsbrief heeft de verhuurder zich beroepen op de omstandigheid dat hij de verhuurde woonruimte dringend nodig had voor eigen gebruik. Daarop was ook zijn vordering gebaseerd. De feiten en omstandigheden die hij daartoe had aangevoerd zijn in de loop van de procedure niet wezenlijk gewijzigd; zie alinea 1.2 hiervoor. Voor zover de huurder bedoelt dat, zijns inziens, de verhuurder deze grond in de opzeggingsbrief onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, richt de klacht zich tegen een oordeel dat bij uitsluiting toekomt aan de rechter die over de feiten oordeelt. Het oordeel van het hof dat de omschrijving van de gronden voor de opzegging aan de eisen van art. 7:274 lid 1 BW voldoet, is ook niet onbegrijpelijk. Het hof overwoog in rov. 6.7.2:
“De belangenafweging ligt immers in het verlengde van de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik. Hieraan dient te worden toegekomen als de rechter in een procedure tot beëindiging van de huurovereenkomst aannemelijk acht dat er sprake is van dringend eigen gebruik en dat de huurder over andere passende woonruimte kan beschikken: dan dient te worden vastgesteld of niet van de verhuurder kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd (c.q. voortgezet). Aldus was niet vereist dat de belangenafweging specifiek in de opzeggingsbrief werd vermeld.”
Deze redengeving kan de verwerping van de grief dragen. Het hof heeft, terecht, vastgesteld dat deze wettelijke bepaling niet vereist dat de belangenafweging zelf in de opzeggingsbrief is opgenomen. De slotsom is dat onderdeel 2.5 faalt.
2.30
Onderdeel 2.6 ten slotte is gericht tegen de overwegingen 6.13 en 6.14 en het dictum van het bestreden arrest. Omdat dit middelonderdeel uitsluitend voortbouwt op de voorgaande klachten, behoeft het geen verdere bespreking.
2.31
Bij gegrondbevinding van onderdeel 2.1 kan het bestreden arrest niet in stand blijven.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een ander gerechtshof.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑01‑2019
Zie voor de samenvatting van de grieven telkens rov. 6.4 (bis) van het bestreden arrest.
Tussen partijen is ook een kort geding gevoerd over de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter (zie rov. 6.4 van het bestreden arrest). Daarnaast heeft de verhuurder in dit hoger beroep een incidentele vordering ingesteld, die strekte tot alsnog uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het ontruimingsbevel. Die incidentele vordering is afgewezen bij arrest van 23 augustus 2016 (zie ook rov. 6.5 van het bestreden arrest in de hoofdzaak).
Tussen 30 december 2014 (datum opzeggingsbrief) en heden is art. 7:274 BW gewijzigd door de wetten van 4 juni 2014 Stb. 248 en 14 april 2016, Stb 157-158, maar niet op punten die voor dit cassatieberoep van belang zijn.
Zie over deze regeling: Asser/Rossel en Heisterkamp 7-II 2017/460 e.v.; A.R. de Jonge, Huurrecht, 2013, par. 27 en 30; Groene serie, Huurrecht, aant. bij art. 7:271 (A.M. Langeloo).
Anonimisering toegevoegd in de citaten.
Zie HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8278, NJ 2006/120, rov. 4.3;HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders, rov. 4.2.1;HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.1.
M.b.t. het gestelde in alinea 5 van de memorie van grieven heeft de verhuurder afzonderlijk betwist dat hij een slecht verhuurder zou zijn; zie de memorie van antwoord in het principaal appel, onder 14 – 17.
Volgens de huurder zou deze bedoeling van zijn derde grief ook zijn bevestigd in de memorie van antwoord in het incidenteel appel onder 6 en 8. Dit argument kan m.i. buiten beschouwing blijven, omdat de twee-conclusieregel op dat moment al een uitbreiding van de grieven belette.
Memorie van grieven blz. 8.
Vgl. R.J.B. Boonekamp en W.L. Valk, Stelplicht & bewijslast 2017, blz. 471 – 472.
A.R. de Jonge, Huurrecht, 2013, par. 30.6, blz. 321.
Ook hier verwijs ik naar R.J.B. Boonekamp en W.L. Valk, Stelplicht & bewijslast 2017, blz. 471 – 472.
Wet van 15 juni 1972, Stb. 305.
Amendement Wierenga c.s., Kamerstukken II 1971/72, 10 451, nr. 15; Handelingen II 1971-1972, 44, blz. 2290 (vergadering 3 februari 1972).
HR 1 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7369, NJ 2004/114, inzake een beëindiging van de huur van bedrijfsruimte (rov. 3.5).
Zie over deze wiijziging: A-G Huydecoper, conclusie voor HR 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6116, NJ 2008/338 (alinea 3.3.2); conclusie voor HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5612, NJ 2011/180 (alinea’s 8 – 13).
HR 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6116, NJ 2008/338 (rov. 3.3.2) inzake een beëindiging van de huur van bedrijfsruimte.
Zie uitgebreid hierover: E.D. den Engelsman, De opzegbrief – opzegging op grond van een dringend eigen gebruik en wijzigingsmogelijkheden in de procedure, Tijdschrift voor huurrecht bedrijfsruimte, 2013, blz. 145 – 149.
Beroepschrift 12‑03‑2018
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eiser tot cassatie:
[eiser], wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie, hierna: [eiser], te dezer zake woonplaats gekozen hebbende te 's‑Gravenhage aan de Statenlaan 28 (Postbus 82228, 2508 EE) ten kantore van Alt Kam Boer advocaten, van wie mr. H.J.W. Alt, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door verzoeker tot advocaat wordt gesteld en is aangewezen om hem als zodanig te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure,
stelt hierbij cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 12 december 2017, gewezen in hoger beroep onder zaaknummer 200.185.615/01, tussen requirant als appellant in het principaal hoger beroep en verweerder in cassatie als verweerder in het incidentele hoger beroep.
dat verweerder te dezen is:
[verweerder], hierna te noemen: [verweerder], wonende te [woonplaats], voor wie in hoger beroep als (proces)advocaat is opgetreden mw. mr. M.C.E. Wirken te (4901 KD) Oosterhout (NB), aldaar kantoorhoudende aan de Heuvelstraat 10 (Rijppaert & Peeters Advocaten).
Verweerder kan in deze cassatieprocedure ten laatste verschijnen op: vrijdag 20 april 2018. Daarnaast wordt verweerder erop gewezen dat de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden vorderingszaken, zoals de onderhavige, behandelt op vrijdagen om 10.00 uur (zie: art. 3.1.4.4. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden) in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
[eiser] voert tegen het aangevallen arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 12 december 2017 het navolgende aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het Hof bij het te dezen bestreden arrest op 12 december 2017, gewezen onder zaaknummer 200185.615/01 heeft overwogen en beslist gelijk in 's‑hofs arrest vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eerste aanleg
1.1
Onderhavige procedure heeft betrekking op een woning in [a-plaats], aan de [a-straat 01], welke eigendom is van [verweerder]. Deze woning bewoonde [verweerder] eerst zelf, maar hij kocht met zijn (inmiddels ex-)partner een woning in [b-plaats], zodat de woning in [a-plaats] leeg kwam. Omdat hij de woning niet verkocht kreeg, heeft hij hem verhuurd aan [eiser] vanaf 5 december 2008 tegen een huurprijs van € 575,- per maand.
1.2
[verweerder] heeft hij [eiser] op 16 maart 2015 gedagvaard.
1.3
Aan de vordering tot beëindiging van de huur heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat hij de huurovereenkomst wil opzeggen wegens dringend eigen gebruik van de woning. Hij heeft daarbij gesteld dat de huidige situatie, zoals hij nu is, niet kan voortduren en dat hij verblijft bij kennissen. [eiser] kan geen andere woning verwerven omdat hij freelancer is. [verweerder] heeft [eiser] op 30 december 2014 aangetekend een opzeggingsbrief gezonden. [eiser] heeft, zo stelt [verweerder], geweigerd om de opzeggingsbrief in ontvangst te nemen en ook geweigerd te reageren op de per mail nagezonden opzeggingsbrief.
1.4
[verweerder] heeft — voor zover in cassatie van belang — ter adstructie nog gesteld:
- —
hij heeft de woning nodig voor dringend eigen gebruik;
- —
hij heeft twee huizen met hypotheek in eigendom;
- —
er zal een restschuld ontstaan na verkoop van de woning in [b-plaats];
- —
hij verblijft bij kennissen en heeft zijn spullen opgeslagen in een garagebox;
- —
het is aannemelijk dat er voor [eiser] passende woonruimte beschikbaar is;
- —
gelet op het feit dat de spoedeisendheid van het dringend eigen gebruik gelegen is in de financiële situatie, wenst [verweerder] niet tegemoet te komen in de inrichtings- en verhuiskosten;
- —
[verweerder] wenst tijdige betaling van de vanaf maart 2015 nog verschuldigde huurpenningen en servicekosten tot aan de datum einde huurovereenkomst.
1.5
Bij conclusie van antwoord heeft [eiser] o.a. het navolgende aangevoerd:
- —
[verweerder] heeft de formele eis van zes weken tussen opzegging en dagvaarding niet gerespecteerd;
- —
[verweerder] heeft aangestuurd op zijn situatie zodat hij zich kon wenden tot de rechter en de opzegging op grond van dringend eigen gebruik kon verzoeken;
- —
[eiser] heeft niet geweigerd om de brief aan te nemen, doch was ziek en niet in staat;
- —
Op 3 februari 2015 heeft [eiser] de opzeggingsbrief ontvangen van de advocaat en op 16 maart 2015 is hij gedagvaard, zodat is gehandeld in strijd met de dwingendrechtelijke bepaling van art. 7:272 lid 2 BW;
- —
Een beëindiging kan alleen gevorderd worden op de in de brief genoemde opzeggingsgronden;
- —
Zijn financiële draagkracht kan hij om die reden nu niet eerst in de dagvaarding introduceren;
- —
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad-verklaring kan niet worden toegewezen op grond van art. 7:272 BW;
- —
[verweerder] is een slecht verhuurder en [eiser] heeft zich gedragen zoals een goed huurder betaamt;
- —
[verweerder] heeft andere opties: [verweerder] kan de woning met huurder erin verkopen, hij kan de woning in [b-plaats] verkopen dan wel hij kan zelf een huurwoning betrekken;
- —
[verweerder] wil de woning niet zelf betrekken, maar de woning verkopen;
- —
Een makelaar van [verweerder] heeft [eiser] meerdere keren benaderd met de vraag of hij de woning wilde verlaten;
- —
Er is geen ruim aanbod van alternatieve passende woonruimte voor [eiser], daar heeft hij onderzoek naar gedaan;
- —
[verweerder] heeft niet voldaan aan art. 7:274 lid 1 sub c BW, niet aannemelijk is dat hij de woning voor dringend eigen gebruik nodig heeft;
- —
Niet is gebleken dat niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd;
- —
Indien [verweerder] zelf in de woning gaat wonen is hij weer zelf de hypotheeklasten kwijt die nu nog met de huursom worden betaald, zodat hij zelf elders kan gaan wonen;
- —
De belangenafweging zou in het voordeel van [eiser] moeten uitvallen.
1.6
Op 14 oktober 2015 heeft de kantonrechter vonnis gewezen. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst per 1 februari 2016 laten eindigen met toekenning van een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding van € 7.500,-. Ook heeft de kantonrechter een bedrag van € 15.000,- vastgesteld voor het geval mocht blijken dat [verweerder] toch niet zelf in de woning gaan wonen. De kantonrechter heeft — kort gezegd — overwogen dat de opzeggingsbrief wel de opzeggingsgrond vermeld, te weten: dringend eigen gebruik, en dat dit dringend eigen gebruik voldoende aannemelijk is gemaakt door [verweerder]. De kantonrechter is van oordeel dat nergens uit blijkt dat [verweerder] van plan is de woning te verkopen. Het bewijsaanbod, het horen van de makelaar [de makelaar] die [eiser] belde in september 2013, heeft de kantonrechter gepasseerd omdat zowel [eiser] als [verweerder] ter zitting hebben verklaard dat er op dat tijdstip nog geen sprake was van het feit dat [verweerder] de woning voor eigen gebruik nodig had. Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat hem gebleken is dat er voldoende passende woonruimte beschikbaar is voor [eiser]. De belangenafweging, het derde vereiste van art. 274 lid 1 sub c BW, acht de rechter in het voordeel van [verweerder] uitvallend.
Hoger beroep
1.7
[eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. De opbouw van de memorie van grieven (mvg) is als volgt:
- —
In punt 1 wordt aangegeven:
- 1.
Gedaagde in eerste aanleg, thans appellant, hierna te noemen ‘[eiser]’, heeft bij dagvaarding van 13 januari 2016 in hoger beroep tijdig, immers binnen drie maanden na gewezen vonnis in eerste aanleg door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda op 14 oktober 2015, appel ingesteld, hierna te noemen ‘het vonnis’, strekkende tot vernietiging van dat vonnis tussen [eiser], en de eiser in eerste aanleg, thans geïntimeerde, hierna te noemen ‘[verweerder]’.
- —
In punt 2 verzoekt [eiser] het hof arrest te wijzen met kostenveroordeling in twee instanties,
- —
In punt 3 stelt [eiser] voor zover van belang:
- ‘3.
[eiser] zal zijn grieven hieronder formuleren na eerst inleidend uiteen gezet te hebben, welke rechtsvragen en overwegingen van belang zijn, om bij de beoordeling van dit geschil te betrekken.
(…)’
- —
In punt 4 biedt [eiser] bewijs aan.
- —
In punt 5 en 6 stelt [eiser] het volgende:
- 5.
‘Samenvatting.
[eiser] is een goed huurder van de woning te [a-plaats] ([001]) aan de [a-straat 01], hierna te noemen ‘de woning’. [verweerder] is een slecht verhuurder. [verweerder] wendt vóór, alsof hij de woning voor dringend eigen gebruik nodig heeft. Dat dringende eigen gebruik wordt betwist. De noodzakelijke belangenafweging tussen [eiser] en [verweerder] heeft niet kunnen plaatsvinden door het onvoldoende aanleveren van gegevens door [verweerder]. Anderzijds heeft [eiser] aangeboden te bewijzen, dat de daadwerkelijke opzet en strategie van [verweerder] is: dat de te ontruimen huurwoning zo snel als mogelijk kan worden verkocht tegen leegwaarde in een steeds beter aantrekkende woningmarkt.
- 6.
[verweerder] heeft al van alles uitgehaald om te komen tot verwijdering van [eiser]. [verweerder] heeft schijnbaar alle schepen achter zich verbrand. En vervolgens wendt hij zich met dat verhaal tot de beslissende rechter, terwijl hij aantoonbaar op die schijnbare noodsituatie van dringend eigen gebruik heeft aangestuurd. Dat vervolgens [verweerder] die woning niét voor dringend eigen gebruik nodig heeft wordt ook aantoonbaar. Daarnaast is er géén passende woonruimte voor [eiser] beschikbaar. Uit de belangenafweging moet volgen, dat [verweerder] beter af is met het zoeken naar een ander alternatief voor woonruimte.’
- —
Vervolgens formuleert [eiser] na deze ongenummerde grieven ook genummerde grieven.
1.8
Met de eerste genummerde grief is [eiser] opgekomen tegen het feit dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft overwogen dat hij niet had mogen worden veroordeeld in de proceskosten omdat aan de zes weken-termijn van art..7:272 lid 2 BW niet is voldaan. Ter onderbouwing van die grief heeft [eiser] gesteld dat de kantonrechter de enkele bewering van [verweerder] heeft gevolgd dat hij een opzeggingsbrief d.d. 30 december 2014 heeft ontvangen. [eiser] stelt deze brief noch per post noch per mail ontvangen te hebben.
1.9
Met de tweede genummerde grief heeft [eiser] aan de orde gesteld dat in het vonnis is voorbijgegaan aan de noodzakelijke voorwaarde dat in de opzeggingsbrief alle opzeggingsgronden dienen te worden vermeld. Het enkele ongemotiveerde stellen dat de verhuurder de huurovereenkomst wilde opzeggen wegens dringend eigen gebruik is onvoldoende nu in de brief ook informatie moet staan die leidt tot de noodzakelijke belangenafweging. Indien dat niet in de brief staat, kan daar in rechte geen beroep meer op worden gedaan. Ter onderbouwing heeft [eiser] nog aangevoerd dat [verweerder] niet de benodigde financiële gegevens heeft vermeld in de brief, zodat hij niet de noodzakelijke afweging van de belangen kon maken. Het noemen van zijn eigen financiële belangen is daartoe onvoldoende.
1.10
De derde genummerde grief 3 inclusief inleiding luidt als volgt;
- ‘18.
Inleiding 3e grief.
[eiser] zet hier uitspraken van [verweerder] chronologisch op een rij.
10 april 2013: [verweerder] mailt naar [eiser]: ‘Ik wil je graag op de hoogte brengen dat zich een potentiële koper heeft aangediend. De vraag is daarom, per wanneer het pand door de nieuwe bewoner kan worden betrokken.’
7 augustus 2013: [verweerder] vraagt ‘zomaar vanuit het niets’ aan [eiser]: ‘Voorts: kun je al iets zeggen over je plannen na 1 januari 2014?’
15 maart 2014: [verweerder] meldt [eiser]: ‘Zaken lopen hier anders dan gepland. Als gevolg daar-van heb ik besloten zelf weer in mijn huis aan de [a-straat 01] in [a-plaats] te gaan wonen. De aangetekende opzegging van de huur per 1 oktober 2014 is onderweg. Uiteraard is een eerder vertrek mij welkom, maar ik houd me aan de wettelijke termijnen.’
- 19.
Hieronder zet [eiser] een aantal gespreksmomenten met mw. [de makelaar] in perspectief. Mw. [de makelaar] is gediplomeerd makelaar, werkzaam bij [A] BV te [c-plaats], als makelaar had zij destijds in 2008 de verkoop van de woning in behandeling; nadien ook de verhuur van die woning toen verkoop niet meer wilde lukken.
September 2013: [de makelaar] belt spontaan [eiser] met de vraag ‘of [eiser] niet een andere huurwoning wil?’ Dit roept natuurlijk de vraag op, zeker in het perspectief van de latere ontwikkelingen, of [verweerder] heeft aangedrongen bij [de makelaar], ‘te informeren bij [eiser] of hij niet vrijwillig wil vertrekken’.
Dat is ook logisch. Commerciële makelaardij wordt gekenmerkt door twee type werkzaamheden: óf koop of verkoop van onroerend goed, óf huur of verhuur van onroerend goed. Geen makelaar gaat zomaar informeren bij een huurder of die niet elders wil huren. Het Handelen van mw. [de makelaar] kan niet anders zijn ingegeven dan de woning willen verkopen, op instigatie van [verweerder], en die wil vanzelfsprekend de woning liever in niet-verhuurde staat verkopen. Een verhuurde woning levert bij verkoop minder op. Het belang van [verweerder] bij vertrek van [eiser] is helder. En de makelaar wil, als er niet wordt verhuurd, alleen maar verkopen. Verkoop van 'n lege woning wordt nagestreefd. September 2014: [de makelaar] belt [eiser] opnieuw op met de vraag, of hij zich het telefoongesprek van het jaar daarvoor nog herinnert. Dat wordt bevestigd. Op de vraag naar de redenen waardoor, en door wié dit initiatief van [de makelaar] werd ingegeven om te polsen bij [eiser] of hij wilde vertrekken, antwoordde mw. [de makelaar]: ‘Daar mág ik niet zomaar open over zijn wegens strijdige belangen’. [eiser] begreep dat als professioneel, zij niet zomaar alle informatie over [verweerder], eigenaar van de woning en potentieel opdrachtgever voor verkoop, vrijuit mag vrijgeven, wetend dat [eiser] andere belangen heeft dan [verweerder]. Zij wil wel spreken, maar moet ook zorgvuldig handelen.
Maart 2015: Van mevrouw [de makelaar] is begrepen, dat zij pas vrijuit kan spreken áls een rechterlijk oproep komt om te komen getuigen. Zonder rechtelijke uitnodiging is zij gehouden, terughoudend te moeten zijn bij informatieverstrekking. Zij kón daarom géén schriftelijke verklaring afgeven. De gedragscode over wat NVM makelaars mogen staat wel toe, dat zij als getuige verklaring geeft.
[eiser] bood in eerste instantie in de procedure al aan, nadrukkelijk bij akte, dat mevrouw [de makelaar] graag wil en kan worden opgeroepen om te worden gehoord als getuige tot verstrekking van belang-rijke informatie over de toedracht in de communicatie met [verweerder] aangaande de woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats]. Daarbij kan tevens kopie van het dossier ‘[a-straat 01] te [a-plaats]’ bij [A] BV, gevestigd te [c-plaats] ([002]) aan de [b-straat 01] worden bevolen. In dat dossier staat vanuit onverdachte hoek ‘alles’ qua gespreksnotities, waar in rechte de partijen elkaar op tegenspreken. Ten onrechte negeert de rechter dit bewijsaanbod.
- 20.
Grief 3.
Cruciaal en doorslaggevend is het beschikbare getuigenbewijs door de ingeschakelde makelaar, mevrouw [de makelaar]. De rechter meldt daarvan kennis te hebben genomen in zijn overweging 3.3. Onbegrijpelijk is de laatste zin in overweging 3.5, dat de kantonrechter het niet noodzakelijk acht nadere informatie van [eiser] te verkrijgen. In overweging 3.9 meldt de rechter weliswaar, ‘de argwaan van [eiser] jegens de motieven van [verweerder] inleefbaar te achten, maar passeert tóch het bewijsaanbod om mevrouw [de makelaar], werkzaam bij [A] te horen. Daarbij neemt de rechter ten onrechte aan, dat slechts in september 2013 geïnformeerd zou zijn door [verweerder] via [de makelaar], ‘of [eiser] de woning wilde verlaten. Ook een jaar later, eind 2014 wordt door [de makelaar] met [eiser] contact opgenomen, ‘of hij de woning wilde verlaten’; en dat was de periode dat [verweerder] de woning in [a-plaats] leeg wilde verkopen, om met de opbrengst daarvan, financiën te hebben om een woning elders te kunnen aankopen. Die gegevens zijn opvraagbaar uit het dossier van [A] over de litigieuze woning.
De rechter heeft ten onrechte tijdens de zitting aangenomen, dat [de makelaar] [eiser] benaderde in september 2013. Er is ook op initiatief van [de makelaar] eind 2014 contact met [eiser] over zijn vertrek.
Het bewijsaanbod voor haar getuigenverklaring, alsóók het bewijsaanbod afschriften op te vragen van de notities in het dossier bij [A], had niet genegeerd en afgewezen mogen worden. Die informatie is cruciaal over de herleidbare onoprechtheid van [verweerder], die zich anders voordeed in rechte, dan bij de makelaar. [eiser] biedt wederom bewijs aan van wat in het dossier staat, én te houden verhoor voor een getuigenverklaring van de makelaar, die alles weet over het dossier [a-straat 01] te [a-plaats], mevrouw [de makelaar]. Woonadres: [c-straat 01]. [d-plaats], ([003]) Gemeente [a-gemeente].
Waarvan Akte!!!’
1.11
[verweerder] heeft allereerst een incident opgeworpen waarin hij een vordering instelt tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring ex art. 234 Rv, welke vordering door het hof is afgewezen.
1.12
Vervolgens heeft [eiser] voor antwoord het navolgende gesteld. Allereerst heeft [verweerder] als reactie op de punten 5 en 6 van de mvg het navolgende verweer gevoerd:
‘2. Feiten
- 9.
Anders dan [eiser] betoogt heeft [verweerder] het gehuurde dringend nodig voor eigen gebruik. [verweerder] wil kort gezegd in zijn eigen woning gaan wonen, omdat hij niet over zelfstandige woonruimte beschikt in verband met de gevolgen van een echtscheiding. [verweerder] verblijft op dit moment tijdelijk bij een kennis, welke situatie niet lang meer voort kan duren. Daarenboven is er wel degelijke sprake van passende woonruimte voor [eiser], waarbij moet worden opgemerkt dat in eerste aanleg is gebleken dat [eiser] geen daadwerkelijke actie heeft ondernomen om passende woonruimte te vinden,
- 10.
Wat betreft de te dezen overige van belang zijnde feiten, verwijst [verweerder] naar hetgeen hij in eerste aanleg heeft aangevoerd, meer in het bijzonder hetgeen hierover in de dagvaarding is vermeld, alsmede naar de samenvatting van deze feiten, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.1 van het eindvonnis.
- 11.
In aanvulling op deze feiten is van belang dat [verweerder] na het wijzen van het eindvonnis noodzakelijkerwijs een executiegeschil heeft moeten starten. De kantonrechter had zijn eindvonnis namelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Omdat de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten strikt gezien dus wel uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, wilde [eiser] tot executie van het eindvonnis overgaan, zonder evenwel te verhuizen.
Dit verweer komt er — kort gezegd — op neer dat [verweerder] als reactie stelt wel degelijk de woning voor dringend eigen gebruik nodig te hebben. Vervolgens gaat [verweerder] dan in op de grieven zelf.
Ten aanzien van grief I:
- —
de opzeggingsbrief dateert van 30 december 2014, deze is zowel per gewone post als aangetekend verstuurd;
- —
de aangetekende brief is geweigerd en dat blijkt uit de sticker van de postbode waarop ‘geweigerd’ is aangekruist;
- —
het niet tijdig bereiken is gevolg van eigen handelen van [eiser];
- —
de brief is tevens per mail d.d. 17 januari 2015 aan [eiser] gezonden;
- —
ook al zou de zes weken-termijn niet in acht zijn genomen, dan zouden daar geen consequenties aan worden verbonden;
- —
[eiser] is niet in zijn belang geschaad;
Ten aanzien van grief II:
- —
de kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat de opzeggingsbrief voldoet aan de vereisten van de wet;
- —
[verweerder] heeft voldaan aan het vereiste dat de brief de gronden van de opzegging vermeldt;
- —
Dringend eigen gebruik is vermeld alsmede toegelicht;
- —
Een vermogensvergelijking c.q. belangenafweging in die brief is niet noodzakelijk, dat is aan de rechter;
Ten aanzien van grief III:
- —
Het bewijsaanbod ter zake het horen van mevrouw Beeker is terecht gepasseerd nu de door [eiser] aangeboden feiten niet tot een beslissing van de zaak kunnen leiden;
- —
Ten tijde van het telefoongesprek in september 2013 was [verweerder] nog met zijn ex-vrouw, zodat er nog geen sprake was van dringend eigen gebruik van de woning;
- —
[verweerder] betwist dat er eind 2014 contact is opgenomen over het vertrek van [eiser] uit het gehuurde en al was dat zo, dan is er de mogelijkheid dat hij dat zelf aan [de makelaar] had verteld nu [verweerder] [eiser] in maart 2014 al heeft aangegeven dat hij zelf de woning wilde gaan betrekken;
- —
Het aangeboden bewijs is niet ter zake dienend en het globale bewijsaanbod dient te worden gepasseerd nu dit verder niet is gesubstantieerd;
- —
Ten aanzien van het dringend eigen gebruik heeft [verweerder] in het kader van de derde grief aangevoerd dat:
- —
[verweerder] de woning nodig heeft voor dringend eigen gebruik (punt 35, mva);
- —
er op het moment dat [de makelaar] de eerste keer contact opnam met [eiser], september 2013, nog geen sprake was van dringend eigen gebruik omdat [verweerder] nog bij zijn ex-vrouw was (punt 36, mva);
- —
[verweerder] na de echtscheiding de woning nodig had voor dringend eigen gebruik (punt 36, mva);
- —
[verweerder] niet weet wanneer hij [de makelaar] heeft geïnformeerd over het feit dat hij en zijn vrouw uit elkaar zouden gaan, maar dat hij haar in maart 2014 wel had geïnformeerd over het feit dat hij de woning wilde gaan betrekken (punt 37, mva).
Met andere woorden: het dringend eigen gebruik van de woning door [verweerder] is uitdrukkelijk onderdeel van het debat geweest van partijen, zowel in de mva als de mvg.
1.13
[verweerder] heeft nog incidenteel appel ingesteld en daarbij twee grieven aangevoerd. De eerste grief heeft betrekking op de toegewezen verhuisvergoeding. [verweerder] stelt dat een dergelijke vergoeding niet door [eiser] was gevorderd en ook niet onderbouwd. Het is daarnaast een erg hoge tegemoetkoming, aldus [verweerder]. Maximaal zou € 5.892,- moeten worden toegewezen. De tweede grief heeft betrekking op de afwijzing door de kantonrechter van de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Hij onderbouwt dit met dezelfde stellingen als waarmee hij zijn incident heeft onderbouwd.
1.14
[eiser] heeft bij mva in het incidenteel appel o.a. nog het navolgende gesteld:
- —
De verhuisvergoeding betreft een abstracte vergoeding die [verweerder] verschuldigd is als hij besluit zijn opzegging niet in te trekken;
- —
Deze vergoeding is onafhankelijk van de vraag wat de daadwerkelijke kosten zijn;
- —
[verweerder] is de vergoeding verschuldigd als hij de opzegging niet intrekt, ongeacht de uitkomst van het appel;
- —
De kantonrechter heeft de discretionaire bevoegdheid de vergoeding vast te stellen;
- —
De vergoeding is uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- —
Via de verklaringen van Beeker zal bewezen worden dat [verweerder] de woning helemaal niet voor dringend eigen gebruik nodig heeft;
- —
Díe constatering staat ter discussie.
1.15
Op 5 oktober 2017 heeft een pleidooi plaatsgevonden, waartoe nog een tweetal producties door [verweerder] is ingezonden.
1.16
Ter gelegenheid van pleidooi is door [eiser] nog naar voren gebracht dat [verweerder] ging inwonen bij een andere vrouw in Breda die hij zijn ‘hospita’ noemt en dat hij daar geen huur betaalt, maar klusjes verricht ter vergoeding van de kosten. Voorts heeft [eiser] bij pleidooi een aanvulling gedaan op zijn bewijsaanbod te weten dat hij, naast mevrouw [de makelaar], ook de ‘hospita’ van [verweerder] wenst te horen. Daarbij heeft [eiser] zijn eis aangevuld in die zin dat hij het hof heeft verzocht te bepalen dat hij noodzakelijk te verrichten herstellingen in de woning zelf mag doen en de kosten daarvan mag verrekenen met de gebruiksvergoeding.
1.17
Op 12 december 2017 heeft het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch arrest gewezen. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter in principaal appel bekrachtigd, de vorderingen van [eiser] afgewezen en de vordering van [verweerder] in incidenteel appel toegewezen, voor zover het betreft de hoogte van de verhuiskosten- en inrichtingsvergoeding.
1.18
[eiser] kan zich met dit oordeel niet verenigen en voert daartegen de navolgende klachten aan.
2. Klachten
2.1
Rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd het oordeel van het hof in rovv. 6.4 t/m 6.5.3, waarin het hof overweegt:
‘In de hoofdzaak
Principaal appel
6.4.
[eiser] heeft drie grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. In zijn eerste grief stelt hij, kort gezegd, dat hij in eerste aanleg ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld, omdat [verweerder] bij het dagvaarden van [eiser] de termijn van zes weken als bedoeld in artikel 7:272 lid 2 BW niet in acht heeft genomen. De tweede grief houdt in dat de kantonrechter ten onrechte craan voorbij is gegaan dat [verweerder] zich in zijn opzeggingsbrief niet heeft beroepen op een belangenafweging, zodat hij in de opzeggingsbrief niet alle opzeggingsgronden waarop hij zijn vordering baseert, heeft genoemd. In de derde grief stelt [eiser] dat de kantonrechter ten onrechte zijn bewijsaanbod tot het horen van de door [verweerder] ingeschakelde makelaar, mevrouw [de makelaar], heeft gepasseerd. [eiser] heeft vervolgens geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van de inleidende vorderingen van [verweerder], met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten van beide instanties en de nakosten.
6.5.1.
Bij pleidooi in hoger beroep heeft [eiser] het door de kantonrechter aangenomen dringend eigen gebruik aan de zijde van [verweerder] inhoudelijk bestreden en heeft hij in dat kader een aanvullend bewijsaanbod gedaan door middel van het horen van de hospita van [verweerder]. Daarnaast heeft [eiser] bij pleidooi zijn eis vermeerderd door tevens te vorderen dat het hof bepaalt dat het hem wordt toegestaan de aan te wijzen kosten voor veiligheid en/of kosten voor herstel van gebreken, zoals genoemd in het in opdracht van [eiser] opgestelde bouwkundige rapport van RIVO d.d. 30 augustus 2016, aan te wenden voor de woning en deze kosten te verrekenen met aan [verweerder] verschuldigde gebruikersvergoedingen.
6.5.2.
Op grond van artikel 347 lid 1 Rv moeten alle principale grieven in beginsel in de memorie van grieven aan de orde worden gesteld (de zgn. twee-conclusie-regel). Het hof is van oordeel dat de inhoudelijke betwisting door [eiser] van het dringend eigen gebruik bij pleidooi te kwalificeren is als een nieuwe grief die voor het eerst bij pleidooi wordt aangevoerd, zodat sprake is van strijd met de hiervoor genoemde twee-conclusie-regel. Van het bij pleidooi voortbouwen op een reeds bij memorie van grieven aangevoerde grief of grondslag is geen sprake. De grieven van [eiser], zoals aangevoerd bij memorie van grieven, betreffen alle drie formeelrechtelijke onderwerpen, waarbij niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag of al dan niet sprake is van dringend eigen gebruik. [verweerder] heeft deze grieven ook zo begrepen, gezien de memorie van antwoord in principaal appel en zijn reactie bij pleidooi.
De twee-conclusie-regel van artikel 347 Lid 1 Rv beperkt voorts de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Nu [eiser] zijn eis eerst bij pleidooi heeft vermeerderd, is ook deze eisvermeerdering in strijd met de twee-conclusie-regel en eveneens te laat.
6.5.3.
Gesteld noch gebleken is dat er reden is voor het maken van een uitzondering op de twee-conclusie-regel gezien de aard van het geschil of vanwege nieuw voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden, terwijl evenmin is gebleken dat sprake is van het ondubbelzinnig instemmen van [verweerder] met de nieuwe grief en de eisvermeerdering. Integendeel, [verweerder] heeft tijdens het pleidooi bezwaar gemaakt tegen de nieuwe stellingen van [eiser] in verband met de betwisting van het dringend eigen gebruik en tegen de eisvermeerdering en is hierop niet inhoudelijk ingegaan. Het hof acht de inhoudelijke betwisting door [eiser] van het dringend eigen gebruik voor het eerst bij pleidooi daarnaast in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof kan dus niet toekomen aan de beoordeling van de nieuwe grief/nieuwe stellingen en de eisvermeerdering. Om die reden gaat het hof ook voorbij aan het door [eiser] bij pleidooi gedane bewijsaanbod tot het, horen van de hospita van [verweerder], nu dit betrekking heeft op door de hem hij pleidooi ingenomen nieuwe stellingen.
Gelet op het voorgaande dient voor de beoordeling door het hof tot uitgangspunt dat [verweerder] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik.’
Dit om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
2.1.1
Vooropgesteld zij dat voor zowel de vraag wat een grief is, als voor de toepassing van de twee-conclusieregel het arrest Wertenbroek q.q./ Van den Heuvel en Van Vlerken1. (door mij- HJWA onderstreept):
‘2.4.1
Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dienen als grieven te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd (HR 3 februari 2006, nr. C04/274, NJ 2006, 120). (…)’
Daaruit volgt dat een grief niet uitsluitend een klacht omvat die ook als zodanig is benoemd, maar ziet op alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Daarbij is ook belang (en volgt ook uit dit arrest) dat het in dat kader niet noodzakelijk is, zoals in cassatie wel het geval is, dat klachten expliciet ‘geoormerkt’ zijn, in die zin dat de klachten expliciet rechtsoverwegingen dienen te benoemen van de bestreden uitspraak.
2.1.2
Het in het vorige onderdeel gestelde betekent dus dat ook datgene wat [eiser] op p. 2 van zijn mvg heeft geschreven (in de punten 5 en 6, zoals hierboven in punt 1.7 geciteerd) als grieven hebben te gelden. Hierin staat met zoveel woorden dat [verweerder] het dringend eigen gebruik voorwendt en dat dit dringend eigen gebruik wordt betwist en dat [eiser] (daarom) heeft aangeboden te bewijzen dat de opzet van [verweerder] is dat de te ontruimen woning ‘zo snel als mogelijk kan worden verkocht tegen leegwaarde in een steeds beter aantrekkende woningmarkt’2. en dat [verweerder] ‘alles uit de kast heeft gehaald om te komen tot verwijdering van [eiser], waarbij [verweerder] op een schijnbare noodsituatie heeft aangestuurd, terwijl hij, aldus punt 6 van de MvG, ‘die woning niet voor dringend gebruik nodig heeft en dat uit de belangenafweging. moet volgen dat [verweerder] beter af is met het zoeken naar een ander alternatief voor woonruimte.3.
Kortom: naast de met ‘grief 1 t/m 3’ aangeduide grieven, heeft dan ook als grieven te gelden hetgeen in de punten 5 en 6 is aangevoerd, te weten de betwisting van het gestelde dringende eigen gebruik en de door de kantonrechter in het voordeel van [verweerder] beslechte belangenafweging. Dat betekent dat rov 6.4 onjuist, onvolledig en dus onbegrijpelijk is omdat het hof daarin heeft miskend dat in punt 5 en 6 van de mvg ook grieven zijn vervat. Indien het hof dat niet heeft miskend, dan heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, althans heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.1.3
Daarnaast miskent het hof in de rovv. 6.4., 6.5.2 en 6.5.3 bij zijn oordeel dat het slechts om de drie in rov. 6.4 genoemde grieven gaat en in rov 6.5.2 dat de (drie) grieven slechts formeelrechtelijke onderwerpen betreffen waarop bij pleidooi niet wordt voortgebouwd, dat ook grief 3 niet anders kan worden begrepen dan dat daarmee wordt beoogd het gestelde dringend eigen gebruik te bestrijden, Immers, zeker in combinatie met hetgeen in punt 5 is aangevoerd heeft die grief geen andere strekking dan aan te tonen dat de aangevoerde opzeggingsgrond, te weten ‘dringend eigen gebruik’, naar de overtuiging van [eiser] ten onrechte wordt aangevoerd en dus non-existent is, omdat [verweerder] met verkoopplannen bezig was. Dat dit ook zo door [verweerder] is begrepen, volgt uit de navolgende passages uit de memorie van antwoord punt 34 t/m 37.
‘(…)
- 34.
De door [eiser] aangeboden feiten moeten tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. Dit is een voorwaarde waaraan het door [eiser] gedane bewijsaanbod, ingevolge het eerste lid van artikel 149 Rv, moet voldoen. Het gedane bewijsaanbod van [eiser] was én is niet ter zake dienend.
- 35.
Immers, in de eerste plaats wil [verweerder] de woning niet verkopen. [verweerder] heeft de woning nodig voor dringend eigen gebruik.
- 36.
In de tweede plaats wil [eiser] zijn getuige, mevrouw [de makelaar], laten horen over een telefoongesprek dat zou hebben plaatsgevonden in September 2013. Dit zou om een beweerdelijk telefoongesprek gaan van ruim drie jaar geleden. Zoals reeds in het eindvonnis staat omschreven, hebben zowel [verweerder] als [eiser], voor zover van belang, ter zitting verklaard dat er op dat moment nog geen sprake was van de situatie dat [verweerder] de woning dringend nodig had voor eigen gebruik. [verweerder] was op dat moment immers nog gewoon samen met zijn ex-vrouw, waarbij er nog geen sprake was van een echtscheiding, hetgeen heeft zorggedragen voor de situatie dat [verweerder] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Het horen van mevrouw [de makelaar] is derhalve niet ter zake dienend.
- 37.
In de derde plaats beweert [eiser] in zijn memorie van grieven plots dat door mevrouw [de makelaar] eind 2014 ook contact is opgenomen over het ‘vertrek’ van [eiser] uit het gehuurde. [verweerder] betwist dit. Indien en voor zover eind 2014 een telefoongesprek ter zake het gehuurde zou hebben. plaatsgevonden, dan heeft dit telefoongesprek waarschijnlijk plaatsgevonden in het kader van de weigering van [eiser] om de verschuldigde energiekosten te voldoen. [verweerder] kan zich wel herinneren, maar weet niet precies wanneer, dat hij mevrouw [de makelaar] heeft ingelicht over het feit dat hij en zijn ex-vrouw uit elkaar zouden gaan. Mevrouw [de makelaar] had de ex-vrouw van [verweerder] namelijk ook al een aantal keer ontmoet, waarbij de mogelijkheid bestaat dat hij aan mevrouw [de makelaar] heeft aangegeven zelf in het gehuurde te gaan wonen. [verweerder] had aan [eiser] immers in maart 2014 al aangegeven dat hij zelf de woning wilde gaan betrekken.’
[verweerder] gaat ook hier inhoudelijk in op het door hem gestelde dringend eigen gebruik, naast hetgeen hij in de punten 9 t/m 11 al als verweer op de punten 5 en 6 van de mvg heeft aangevoerd (zie hierboven geciteerd onder 1.12).
Dat het e.e.a. ook zo door [eiser] was bedoeld volgt uit de mva in incidenteel appel punt 6:
- ‘6.
(…) Tevens herhaalt [eiser] zijn aanbod tot specifiek bewijsaanbod tot het horen van mevrouw [de makelaar], beëdigd makelaar Mevrouw [de makelaar] kan gedetailleerd verslag doen van de werkelijk tegen haar genoemde motieven door [verweerder], anders dan de voorgewende motieven die [verweerder] aanvoert in deze procedure, maar dat hij in werkelijkheid gewone verkoopmotieven had en heeft, geheel anders en afwijkend van motieven als zou hij de woning nodig hebben voor eigen gebruik. (…).
- 8.
(…) Het geschil spitst zich toe op (…)
- —
het doorslaggevend specifieke bewijsaanbod tot aanvullend bewijs over de bestreden vorderingsgrondslag zoals aangevoerd door [verweerder] wegens dringend eigen gebruik. (…)
- —
aanbod cruciaal bewijsaanbod door beëdigd makelaar over ‘invoelbare argwaan’ over betwifelbare motieven van [verweerder] kan niet genegeerd worden als daarmee ‘beroep op dringen eigen gebruik’ ontkracht wordt (principale grief 3 van [eiser]).’
Vervolgens heeft [eiser] in zijn pleitnotities als aandachtpunt A op p. 2 genoemd:
‘A- De aantoonbare motieven van [verweerder] bij zijn beroep op dringend eigen gebruik’
Waarna hij onder B weer over de getuigenverklaring van [de makelaar] rept en dan onder C met een aanvullende bewijsaanbod komt. In dat kader kon en mocht [eiser] op p. 3 en 4 de betwisting van het gestelde dringend eigen gebruik verder toelichting, zonder dat er sprake was van een nieuwe of tardieve grief. [eiser] bouwt daar volledig voort op datgene wat hij bij memorie van grieven al heeft ingezet en waar [verweerder] zich ook tegen heeft verweert. Een eerst bij pleidooi beperking van het debat door [verweerder] (pleitnotities punt 2) is dan ook tardief.
2.2
Het slagen van onderdeel 2.1.1 en/of 2.1.2 vitiëert ook rovv 6.5.2 waarin het hof, kort gezegd, oordeelt dat (1) het inhoudelijk betwisten door [eiser] van het dringend eigen gebruik een nieuwe grief is (2) dat die grief voor het eerst bij pleidooi is aangevoerd, zodat er strijd is met de in artikel 347 lid 2 Rv vervatte twee-conclusieregel en dat (3) de grieven die bij mvg zijn aangevoerd alle drie formeelrechtelijke onderwerpen betreffen, waarbij niet inhoudelijk is ingegaan op de vraag of er al dan niet sprake is van dringend eigen gebruik en (4) dat [verweerder] deze grieven ook als zodanig heeft begrepen, gezien zijn mva en zijn reactie bij pleidooi, zodat (5) er geen sprake is van voortbouwen op de reeds bij mvg aangevoerde grief of grondslag, zodat sprake is van strijd met de twee conclusieleer en deze aanvullen en verandering of vermeerdering van eis te laat zijn.
Ook in de rov 6.5.2 gaat het hof, aldus oordelend, van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Ter toelichting en verdere uitwerking diene het navolgende.
2.2.1
Op basis van het arrest Wertenbroek q.q/ Van den Heuvel en Van Vlerken4. dienen als grieven te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd en moet ook als grief moet worden aangemerkt een verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep indien toewijzing daarvan zou meebrengen dat het dictum van het vonnis van de rechtbank door een ander moet worden vervangen zodat het vonnis vernietigd moet worden. Daaruit volgt dat niet noodzakelijk een grief met zoveel woorden als zodanig moet worden gelabeld of benoemd om als grief te gelden.
Verder bepaalt voormeld arrest:
‘2.4.2
In HR 20 juni 2008, nr. C06/187, NJ 2009, 21, rov. 4.2.2 en 4.2.4 is met betrekking tot het tijdstip waarop grieven dienen te worden aangevoerd of een verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep dient plaats te vinden, het volgende beslist.
De in art. 347 lid 1 Rv. besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd.
Deze twee-conclusie-regel beperkt de — ingevolge art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 ltd 1 Rv. — aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als deze eisverandering of -vermeerdering met als een grief moet worden aangemerkt.
2.4.3
Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of dat de eisverandering of-vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden.’
2.4.4
Voorts kan in het algemeen het aanvoeren van een grief of een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief of de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat — indien dan nog mogelijk — een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief of de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.’
2.2.2
Als gezegd wordt immers bij punt 5 van de mvg (zie hierboven punt 1.7) het dringend eigen gebruik met zoveel woorden betwist en gekoppeld aan de wens te bewijzen dat de daadwerkelijke opzet en strategie is dat de woning wordt ontruimd en wordt verkocht tegen leegwaarde in een aantrekkende markt.
Het hof miskent in dat kader in rov. 6.5.2 ten aanzien van stelling (1) dat indien de betwisting bij pleidooi — dat er geen sprake is van een dringend eigen gebruik, maar dat er sprake is van de wens om de woning tegen leegwaarde te verkopen5. —, moet worden gezien als een grief diezelfde betwisting in punt 5 en 6 dat evenzeer is, met dien verstande dat die laatste bij memorie van grieven is gedaan en dus als tijdig moet worden aangemerkt. Voor zover het hof dat niet heeft miskend is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd dat het hof die betwisting in punt 5 en 6 van de mvg niet als grief kwalificeert en diezelfde stelling/grondslag dat bij pleidooi vervolgens wel als nieuwe, tardieve doet.
2.2.3
Het hof miskent dan in rov. 6.5.2 ten aanzien van stelling (2) dat er in het geheel geen sprake is van een nieuwe grief bij pleidooi en dus evenmin een strijd met artikel 347 lid 1 Rv, maar anders dan het hof in stelling (5) oordeelt, een — toegestane — toelichting, c.q. voortbouwen op een grief die reeds in de mvg naar voren heeft gebracht. Indien het hof dat niet heeft miskend heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.2.4
Het hof miskent dan ook dat de grieven 1 t/m 3 louter formele punten betreft (stelling 3) (zie onderdeel 2.1.3) en ook dit oordeel is dan onbegrijpelijk evenals stelling (4) dat [verweerder] dat ook zo heeft begrepen. Zoals hierboven in punt 1.12 is weergegeven heeft [verweerder] zowel ten aanzien van de grief in punten 5 en 6 als ten aanzien van grief 3 op het punt van de betwisting van het dringend eigen gebruik verweer gevoerd, kort gezegd, dat daarvan wel degelijk sprake zou zijn. Dit dringend eigen gebruik behoorde uitdrukkelijk tot het debat in de eerste ronde (mvg en mva zie hierboven onderdeel 2.1.3) in appel, zodat andersluidende stellingen van [verweerder] bij pleidooi onjuist, onbegrijpelijk en tardief zijn. Aldus is het ook onjuist en onbegrijpelijk dat [verweerder] ‘het ook zo begrepen heeft’ als het hof in rov 6.5.2 overweegt. Zoals uit onderdeel 2.1.3 blijkt is [verweerder] er bij mva gewoon op ingegaan en heeft hij pas bij pleidooi een poging gedaan om het debat te beperken.
2.2.5
De conclusie, stelling (5), dat [eiser] te laat zou zijn met zijn betwisting van het dringend eigen gebruik, is dan ook rechtens onjuist (zie onderdeel 2.1) en onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
2.3
Het slagen van een of meer van de voorgaande klachten vitiëert ook rov. 6.5.3, waarin het hof voortbouwt op de in de vorige klachten aangevallen rechtsoverwegingen door te oordelen dat er geen sprake is van een uitzondering op de twee-conclusieregel, daarbij miskennend dat die in casu in het geheel niet van toepassing is.
2.4
Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten vitiëert ook het oordeel in rov 6.8 waarin het hof oordeelt:
‘6.8.
De derde grief van [eiser] komt erop neer dat de kantonrechter niet voorbij had mogen gaan aan het aanbod van [eiser] om de makelaar, mevrouw [de makelaar], te horen en om afschriften op te vragen van de notities in het dossier van de woning bij [A]. Het hof stelt vast dat [eiser] geen afzonderlijke grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [verweerder] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik en dat voor [eiser] andere passende woonruimte beschikbaar is. Evenmin is, zoals overwogen, een afzonderlijke grief gericht tegen de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging. Het hof heeft dus, als hiervoor reeds aangehaald, van voornoemde oordelen van de kantonrechter uit te gaan. Gelet hierop heeft [eiser] geen belang bij het doen horen van de makelaar, mevrouw [de makelaar]. Hij wenst door middel hiervan immers te bewijzen dat [verweerder] do woning Met zelf wit gaan- gebruiken maar wit verkopen, terwijl in hoger beroep niet ter discussie staat dat [verweerder] de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Het horen van mevrouw [de makelaar] als getuige doet dus Met ter zake voor de in dit hoger beroep te nemen beslissingen. Het hof ziet ook geen aanleiding bedoelde stukken op te vragen. De derde grief treft evenmin doel.’
Ook deze rechtsoverweging gaat er immers ten onrechte van uit dat er geen grief zou zijn gericht in de mvg ten aanzien van het gestelde dringend eigen gebruik. Nu het oordeel daarop gebaseerd is kan dit evenmin in stand blijven. Verwezen wordt in het bijzonder naar onderdeel 2.1.3.
2.5
Rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd het oordeel in rov 6.7.2, waarin het hof overweegt:
‘6.7,2.
Het hof overweegt als volgt. In artikel 7:274 lid 1 sub a tot en met f zijnde zes limitatieve en beperkte gronden opgesomd waarop de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen en waarop de rechter een beëindigingsvordering (na correcte opzegging) kan toewijzen. De derde beëindigingsgrond (sub c) betreft het geval waarop [verweerder] een beroep heeft gedaan: de verhuurder heeft het verhuurde dringend nodig voor eigen gebruik. Artikel 7.271 lid 4 BW bepaalt dat de opzegging door de verhuurder de gronden voor de opzegging moet vermelden en dat het moet gaan om gronden zoals genoemd in artikel 7:274 lid 1 BW. [verweerder] heeft hieraan voldaan, nu hij in zijn opzeggingsbrief van 2 februari 2015 (en in die van 30 december 2014) dringend eigen gebruik als opzeggingsgrond heeft genoemd. [verweerder] heeft zijn beëindigingsvordering ook op deze grond gebaseerd. Anders dan [eiser] meent, kan de belangenafweging niet als afzonderlijke opzeggingsgrond worden beschouwd. De belangenafweging ligt immers in het verlengde van de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik. Hieraan dient te worden toegekomen als de rechter in een procedure tot beëindiging van de huurovereenkomst aannemelijk acht dat er sprake is van dringend eigen gebruik en dat de huurder over andere passende woonruimte kan beschikken: dan dient te worden vastgesteld of niet van de verhuurder kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd (c.q. voortgezet). Aldus was niet vereist dat de belangenafweging specifiek in de opzeggingsbrief werd vermeld. Overigens heeft [eiser] geen afzonderlijke grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de belangenafweging in het voordeel van [verweerder] uitvalt. De tweede grief faalt dus eveneens.’
Dit om navolgende, ook in onderling verband te lezen, redenen.
2.5.1
Allereerst wordt verwezen naar onderdeel 2.1.1 t/m 2.1.3, waaruit blijkt dat, anders dan in de laatste volzin van rov. 6.7.2, dat blijkens punt 6 van de mvg wel degelijk ook een grief is gericht tegen de belangenafweging zoals die is gedaan door de kantonrechter. Daarbij komt nog dat in (de inleiding op) grief 2 (punt 12 mvg) [eiser] daarop voortbouwt:
- ‘12.
Als nu geconstateerd wordt, dat [verweerder] geen inzage heeft verstrekt in de omvang van zijn financiële draagkracht, terwijl de bepaling van zijn financiële draagkracht essentieel is voor het kúnnen toepassen van de belangafweging, dan frustreert [verweerder] de door hemzelf beoogde mogelijkheid tot belangenafweging. Er kunnen geen financiële belangen worden afgewogen tussen [eiser] en [verweerder], als [verweerder] niét bij voorbaat in zijn opzegging, en nadien ook niet in zijn vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst in rechte, zich niét heeft doen beroepen op de noodzakelijke afweging van het ontbreken van draagkracht bij [verweerder] in vergelijking met de draagkracht van [eiser] ([verweerder] heeft daar zelfs met geen woord naar geïnformeerd of zich mee bezig gehouden).’
Het hof heeft ook dat hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.5.2
Daarnaast miskent het hof in rov. 6.7.2 dat, ook al ware dit anders, een slagende klacht tegen de ondeugdelijkheid van de opzeggingsbrief op grond van artikel 7:274 lid 1 BW, omdat weliswaar een grond is genoemd maar die onvoldoende met feiten en omstandigheden is onderbouwd, nietigheid van die opzegging meebrengt, zodat aan een belangenafweging, wat daar verder van zij niet (meer) wordt toegekomen. Een nietige opzegging maakt die opzegging immers zonder rechtsgevolg. Indien het hof dit niet heeft miskend heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
2.5.3
Het hof gaat in rov. 6.7.2 bovendien uit van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot waaraan een opzegging op grond van artikel 7:274 lid 1 sub a t/m f BW minimaal dient te worden voldaan. Kort gezegd komt het er volgens het hof op neer dat het enkele noemen van een in de 7:274 lid 1 BW genoemde opzeggingsgrond, in casu dringend eigen gebruik, voldoende is voor een geldige opzegging, althans een met-nietige opzegging. Zoals in de mvg in punt 11 t/m 17 uitvoerig uiteen is gezet met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis voldoet het enkele vermelden van de opzegging ‘wegens dringend eigen gebruik’ niet.6. Door desalniettemin te oordelen dat dit wel voldoende is, miskent het hof de functie van het opnemen van die grond die vergelijkbaar is met die van een mededeling van een dringende reden voor ontslag op staande voet in het arbeidsrecht, te weten: die omschrijving moet zodanig (compleet) zijn dat de geadresseerde van die mededeling zijn juridische positie kan bepalen en op basis daarvan zijn afweging kan maken of hij in de opzegging berust dan wel dat hij daartegen in rechte zal opkomen. De Groene Serie Huurrecht 9.3.1. (De Wijkerslooth-Vinke) zegt daarover onder meer het volgende:
‘De eerste zin van art. 7:271 lid 4 BW bepaalt dat de verhuurder op straffe van nietigheid de gronden van de opzegging moet vermelden. De tweede zin van het artikellid voegt daar aan toe dat nietig is een opzegging op andere gronden dan genoemd in art. 7:274 lid 1 BW.Art. 7:273 BW maakt de cirkel rond met de processuele regel dat de rechter in de beëindigingsprocedure alleen in de opzegging vermelde gronden in aanmerking mag nemen. De eerstgenoemde verplichting is afkomstig van de 1972 ingevoerde versie van art. 1623b BW (oud), de andere bepalingen zijn ingevoerd in 1979.
De informatieplicht van de eerste zin van art. 7:271 BW is afkomstig van een amendement-Wierenga dal als gezichtspunt introduceerde dat het ‘redelijk’ is ‘dat de huurder reeds in een vroeg stadium wordt geïnformeerd over de gronden die de verhuurder bij de opzegging heeft’ (Kamerstukken II 1971/72, 10 451, nr. 15). De regering zag dit aanvankelijk als een onwenselijke verzwaring van de opzegging, maar zij liet zich tijdens de mondelinge behandeling overtuigen (Kamerstukken II 1970/71, 10 451, nr. 5, p. 6; Handelingen II 1971/72, 10 451, p. 2290, p. 2303, p. 2306, p. 2319 en p. 2344).
In 1979 veranderde de informatieplicht wezenlijk van functie omdat toen het procesinitiatief voor een huurbeëindigingsprocedure bij de verhuurder kwam te liggen. Daardoor kon de verplichting om al in de opzegging de (feitelijke) grondslag voor de beoogde huurbeëindiging te vermelden, gaandeweg gaan werken als een effectieve rem voor de verhuurder om op te zeggen op kansloze gronden. En tevens als stimulans voor de huurder om mee te werken aan huurbeëindiging met wederzijds goedvinden in het geval een opzegging redelijkerwijs tot toewijzing van een vordering ontruiming (en huurbeëindiging) moet leiden. Immers de informatieverstrekking van de verhuurder biedt aan de huurder de mogelijkheid om in een vroeg stadium na te gaan of de opzegging al dan niet valt onder het bereik van tenminste één van de limitatieve gronden van art. 7:274 lid 1 BW.
Aandacht verdient nog dat hetgeen de verhuurder moet doen ter nakoming van de huurrechtelijke informatieplicht van art. 7:271 lid 4 BW goeddeels spoort met de processuele plichten van de ‘waarheidsregel’ van art. 21 Rv en de substantiërings- en bewijsaanbrengplicht van art. 111 lid 3Rv. Alle drie bepalingen strekken tot doelmatig en snel procederen, met als kenmerkend verschil dat de gronden vermelding van art. 7:271 lid 4 BW gericht is op de voorfase van een procedure, teneinde ondoelmatige procedures tegen te gaan.
(…)
Draaipunt bij de toetsing van de nakoming van de informatieplicht is of aan de huurder afdoende inzicht is gegeven in de proceskansen van de verhuurder. Vergelijk Huydecoper/van der Hoek 2014 (T&C Huurrecht), art. 7:271 aant. 6. Zie ook concl. A-G Huydecoper voor HR 15 april 2011, LJN BP5612; NJ 2011/180; WR 2011/83 ([naam 1]/[naam 2]). Zie verder bij art. 7:273 BW.’
Anders dan het hof overweegt, moet het dus gaan om zoveel informatie (vergelijkbaar met artikel 21 Rv), dat de huurder op basis van datgene wat in de opzeggingsbrief is vermeld, zijn rechtspositie kan inschatten. Welke informatie onder meer ontbreekt heeft [eiser] aangegeven in punten 12 en 13 van de MvG.
Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.6
Het slagen van één van de bovengenoemde klachten vitiëert ook de rovv. 6.13, 6.14 en het dictum.
Mitsdien:
het de Hoge Raad moge behage op vorenstaande gronden, of op één of meer daarvan, te vernietigen het arrest van het Gerechtshof te s-Hertogenbosch d.d. 12 december 2017 gewezen in hoger beroep onder zaaknummer 200185.615/01 waartegen het middel is gericht, met zodanige verdere beslissing als Uw Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 12 maart 2018
Advocaat bij Hoge Raad der Nederlanden
Bijlagen:
- —
Het arrest van het hof waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
- —
het vonnis in eerste aanleg;
- —
de aanbiedingsbrief.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 12‑03‑2018
HR 19 juni 2009 NJ 2010, 154 met annotatie door H.J. Snijders
MvG p. 2, punt 5 in fine.
MvG p. 2 punt 6.
HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010, 154, met annotatie door H.J. Snijders
Pleitnota zijdens [eiser] in appel pagina 2, tweede woordblok na de inleiding, p. 3 na het kopje ‘de inhoud van het pleidooi t/m p. 4.
Met zoveel woorden MvG punt 17.