HR, 10-04-2012, nr. S 11/05741 H
ECLI:NL:HR:2012:BW1447
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
10-04-2012
- Zaaknummer
S 11/05741 H
- LJN
BW1447
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BW1447, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 10‑04‑2012; (Herziening)
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑12‑2011
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑04‑2012
Inhoudsindicatie
Herziening. Geen opgave van bewijsmiddelen. De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
10 april 2012
Strafkamer
nr. S 11/05741 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Haarlem van 29 mei 2007, nummer 15/830084-07, ingediend door mr. L.J.P. Mentink, advocaat te Alkmaar, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 10 april 2012.
Beroepschrift 22‑12‑2011
Edelhoogachtbaar College,
Namens mijn cliënt, de heer [cliënt], geef ik u het volgende te kennen.
Cliënt is bij een in kracht gegane uitspraak van 29 mei 2007 door de politierechter te Haarlem veroordeeld terzake van het reizen met een vervalst reisdocument tot een gevangenisstraf van 2 maanden (parketnummer 830084-07).
Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 13 juni 2007. De gevangenisstraf van 2 maanden is door cliënt reeds ondergaan in 2007.
Cliënt is van mening dat thans aan de juistheid van de bestreden uitspraak moet worden getwijfeld, nu gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden, waarmee de rechter ten tijde van de behandeling van de strafzaak en het doen van de uitspraak niet bekend was en welk, indien zij toentertijd bij de rechter bekend waren geweest, zouden hebben geleid tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, danwel vrijspraak.
Cliënt is met een op zich goed paspoort van Irak naar Nederland gekomen waarin echter een valse verblijfsvergunning van Duitsland was geplakt. Dit maakte het hele paspoort ongeldig en dien ten gevolge heeft cliënt zich in principe schuldig gemaakt aan art. 2:31 Wetboek van Strafrecht.
Echter, cliënt heeft ook op 7 maart 2007 asiel aangevraagd. Hierbij wordt overgelegd een toestemmingsverklaring in het kader van die asielaanvraag op 9 maart 2007.
Bij aankomst in Nederland is cliënt dus direct gearresteerd en is op zich wel in de gelegenheid gesteld om asiel aan te vragen. Echter, door de KMAR werd aan cliënt verteld dat hij zou worden teruggestuurd naar Irak. Dit deed cliënt besluiten om naar Zweden door te reizen, omdat hij bang was teruggestuurd te worden naar Irak.
Cliënt heeft toen in Zweden opnieuw asiel aangevraagd en is toen via een zogenaamde Dublinclaim weer teruggestuurd naar Nederland. Bij aankomst bleek het vonnis met betrekking tot art. 231 onherroepelijk en moest cliënt meteen de 60 gevangenisstraf uitzitten.
In de gevangenis is cliënt bezocht door een advocaat, waarna opnieuw asiel is aangevraagd. Op basis van deze tweede aanvraag heeft cliënt een verblijfsvergunning asiel gekregen op de zogenaamde A-grond (toelating als vluchteling, art. 29 lid 1 aanhef sub a).
Dit maakt dan ook dat cliënt toen hij in Nederland aankwam hij reeds in de positie verkeerde dat hij vluchteling was, althans dat hij verzocht had om toelating als vluchteling. Cliënt is in 2007 bij verstek veroordeeld (hij was immers in Zweden) en heeft derhalve geen beroep kunnen doen op de bepalingen van art. 31 Vluchtelingenverdrag.
Volgens constante jurisprudentie van uw Raad (Hoge Raad uitspraak 8-3-2011, LJN B02915 en het arrest van 13-10-2009, LJN BI1325) is bepaald dat de bedoeling van art. 31 Vluchtelingenverdrag is om onder andere, in het kader van de ontvankelijkheid van het OM in de vervolging te beoordelen voorwaarden, te vrijwaren van vervolging.
Het OM dient dan ook een belangenafweging te maken om al dan niet tot vervolging over te gaan en mag dit slechts doen als niet evident is dat de verdachte niet de bescherming geniet van art. 31 lid 1 van het Vluchtelingenverdrag.
Op grond van bovenstaande meent cliënt, dat hem middels de status als vluchteling is toegekend. Dit betekent dan ook dat hij, toen hij naar Nederland kwam, zich kon beroepen op art. 31 van het Vluchtelingenverdrag. Met deze bepaling is op generleiwijze rekening gehouden.
Indien dat wel was gebeurd, was er besloten tot niet-ontvankelijkheid van het OM, danwel had ontslag van rechtsvervolging moeten volgen, nu cliënt zich in een overmachtsituatie bevond.
Om deze redenen verzoek ik uw College de herziening van voornoemde uitspraak te willen bevorderen met zodanige verdere beslissing als zal worden vermeend te behoren.
Hoogachtend,
Mw. L.J.P. Mentink