HR, 17-12-2013, nr. 12/05945
ECLI:NL:HR:2013:2039
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-12-2013
- Zaaknummer
12/05945
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:2039, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑12‑2013; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1980, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:1980, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 29‑10‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:2039, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑12‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO
Partij(en)
17 december 2013
Strafkamer
nr. S 12/05945
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 15 november 2012, nummer 24/000210-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2013.
Conclusie 29‑10‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO
Nr. 12/05945 Zitting: 29 oktober 2013 | Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 15 november 2012 de verdachte ter zake van subsidiair “poging doodslag” tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voorts bevat het arrest een bijkomende beslissing.
2. Namens de verdachte heeft [betrokkene], administratief medewerker bij het gerechtshof te Leeuwarden, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt erover dat het hof de afwijzing van het verzoek tot het horen van een aantal getuigen onvoldoende met redenen heeft omkleed.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 07 februari 2011 te Veenhuizen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [getuige 3] van het leven te beroven, met dat opzet die [getuige 3] met een mes in de hals en het lichaam, heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
5. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2012 gehechte pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
“Indien Uw Hof meent dat het feit bewezen kan worden verklaard en u cliënt strafbaar acht verzoekt de verdediging nogmaals om de navolgende getuigen te horen:
1. [getuige 1] (2/12/1983), verblijfplaats onbekend.
2. [getuige 2] (28/8/1973), verblijfplaats onbekend.
3. [getuige 3] (26/7/1988), verblijvende in Zuid-Afrika.
Motivering:
Deze getuigen zijn reeds eerder gehoord door de verdediging in eerste aanleg.
De bij de R-C afgelegde verklaringen verschillen van de verklaringen welke zijn afgelegd bij de politie. De rechtbank heeft in het vonnis de bij de R-C afgelegde verklaringen niet gebruikt bij de bewezenverklaring, terwijl deze verklaringen op onderdelen ontlastend zijn. In een eerdere zitting bij Uw Hof is het daar gedane verzoek tot het (opnieuw) horen van de getuige afgewezen aangezien zulks niet noodzakelijk zou zijn.
Aangezien de rechtbank met de verdediging als uitgangspunt neemt dat het geschil in ontstaan door de levering van ondeugdelijke telefoonkaarten, en aldus de verklaring van [getuige 3] op dat punt ongeloofwaardig vindt, heeft de rechtbank de rest van zijn verklaring betrouwbaar geoordeeld. Zulks zonder nadere motivering. In dat kader is het noodzakelijk om aangever nogmaals te horen omtrent hetgeen is voorgevallen zulks in kader van de betrouwbaarheid van aangever en in het kader van de waarheidsvinding.
De getuige [getuige 2] en [getuige 1] verklaren tevens wisselend, (bij de r-c en politie). Met name wat de getuigen hebben waargenomen en kunnen waarnemen dient het onderwerp te zijn van een nadere bevraging. Immers, beide getuigen stellen bij de R-C niets te hebben gezien. Zulks is een strijd met hun eerder afgelegde verklaringen bij de politie. Ook deze getuigen dienen, in het kader van de waarheidsvinding, nader te worden gehoord.”
6. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
“Voorwaardelijk getuigenverzoek
De raadsman heeft ter gelegenheid van zijn pleidooi op de terechtzitting van het hof d.d. 25 mei 2012 verzocht een drietal getuigen te horen indien het hof tot een bewezenverklaring komt. De door de raadsman genoemde getuigen zijn reeds, in aanwezigheid van de raadsman, door de rechter-commissaris gehoord.
Het hof stelt vast dat het ter terechtzitting van 25 mei 2012 gedane verzoek van de raadsman overeenkomt met het reeds ter zitting van 5 maart 2012 gedane verzoek. Het hof heeft voornoemd verzoek tot het horen van de drie door de raadsman genoemde getuigen afgewezen op de grond omschreven in het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2012. Nu ter terechtzitting van 25 mei 2012 geen (nieuwe) argumenten naar voren zijn gebracht die tot een ander inzicht leiden, zal het hof het verzoek tot het horen van de drie getuigen (wederom) afwijzen omdat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken.”
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2012 houdt ten aanzien van voornoemd getuigenverzoek het volgende in:
“De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven -:
Cliënt wil graag dat aangever [getuige 3] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] nogmaals gehoord worden.
Cliënt stelt dat hij onschuldig is. De verklaringen van de getuigen zijn niet eenduidig.
Ik wil ze met die verklaringen confronteren. Een van de getuigen heeft bij de politie iets anders verklaard dan bij de rechtercommissaris.
(…)
Noot griffier 1: Op 6/3/12 is de volgende beslissingen van het hof telefonisch aan (het kantoor van) de raadsman en per e-mail aan de advocaat-generaal doorgegeven:
- De noodzaak tot het horen van de getuigen is uit het door de raadsman aangevoerde noch anderszins gebleken. Het hof wijst dit verzoek daarom af.”
8. Aan het ter terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2012 gedane verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] is ten grondslag gelegd dat deze getuigen wisselende verklaringen hebben afgelegd en dat zij bij de rechter-commissaris zijn teruggekomen op hun eerder afgelegde (belastende) verklaringen bij de politie. Het verzoek tot het wederom horen van de aangever [getuige 3] is gelegen in het betrouwbaarheidsoordeel van de rechtbank van deze getuige.
Anders dan het middel wil, geeft het oordeel van het hof dat hiermee de noodzaak tot het horen van de getuigen niet is gebleken, mede gelet op de summiere onderbouwing van de verzoeken, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dit evenmin onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de verdediging, zoals de steller van het middel aanvoert, de betreffende getuigen kennelijk niet alleen heeft willen ondervragen ten aanzien van de bewijsvraag, maar ook ten aanzien van de vraag of sprake was van een noodweersituatie.
Voor zover het middel een beroep doet op hetgeen de Hoge Raad bij arrest van 1 februari 19941.heeft overwogen met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van een proces-verbaal inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde belastende verklaring, merk ik op dat verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit ook rechtstreeks kan volgen uit de bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 3] (bewijsm. 1).
9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑10‑2013