HR, 25-04-2014, nr. 14/00362
ECLI:NL:HR:2014:1006
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-04-2014
- Zaaknummer
14/00362
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1006, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 25‑04‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:190, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2013:3455, Niet ontvankelijk
ECLI:NL:PHR:2014:190, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑03‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1006, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑04‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Illegale hennepkwekerij door onderhuurder. Afsluiting elektriciteit. Feitelijke grondslag.
Partij(en)
25 april 2014
Eerste Kamer
nr. 14/00362
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos,
t e g e n
LIANDER N.V.,gevestigd te Arnhem,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Liander.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 181667/HA ZA 11-641 van de rechtbank Haarlem van 17 augustus 2011 en 15 februari 2012;
b. het arrest in de zaak 200.108.339/01 van het gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Liander is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3 en 4).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Liander begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 25 april 2014.
Conclusie 14‑03‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Illegale hennepkwekerij door onderhuurder. Afsluiting elektriciteit. Feitelijke grondslag.
14/00362
Mr. P. Vlas
Zitting, 14 maart 2014
Conclusie inzake art. 80a RO:
[eiser]
tegen
Liander N.V.
1. [eiser] is huurder geweest van een café met bijbehorende woning in [plaats]. De bovenverdieping van het pand heeft hij onderverhuurd aan [betrokkene], regelmatige bezoeker van het café. Op 1 november 2010 is op de bovenverdieping een hennepplantage aangetroffen en is vastgesteld dat op de toevoerleiding waardoor het betrokken pand van elektriciteit werd voorzien, vóór de meterkast een illegale aansluiting was gemaakt waardoor de hennepplantage van elektriciteit werd voorzien. Deze illegale aansluiting bevond zich in een kruipruimte onder het café. Tussen [eiser] en Liander heeft vanaf enig tijdstip in 1996 een overeenkomst bestaan op grond waarvan Liander elektriciteit die [eiser] van een derde betrok, transporteerde naar het pand. Na ontdekking van de illegale aansluiting heeft Liander het transport van elektriciteit naar het door [eiser] gehuurde pand direct onderbroken en de elektriciteitsmeter verwijderd. Liander heeft [eiser] aansprakelijk gesteld voor de schade geleden door de illegale aansluiting en de illegaal afgenomen elektriciteit.
2. De rechtbank Haarlem heeft bij vonnis van 15 februari 2012 de vordering van Liander toegewezen. Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 8 oktober 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:3455) het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Volgens het hof is [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de overeenkomst met Liander voortvloeiende zorgplicht (rov. 3.6). Het hof is verder van oordeel dat [eiser] bij uitstek in de gelegenheid was om het maken en het gebruik van de illegale aansluiting te verhinderen, zodat de omstandigheid dat hij dit niet heeft gedaan in de verhouding tot Liander voor zijn rekening komt (rov. 3.9). Ten slotte heeft het hof ten aanzien van de omvang van de schadevergoedingsplicht geoordeeld dat [eiser] geen voldoende concrete feiten heeft gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
3. [eiser] heeft tegen het arrest van het hof tijdig cassatie ingesteld. Het cassatieberoep bestaat uit twee middelen die zijn gericht tegen rov. 3.6 t/m 3.10 van het bestreden arrest. Deze middelen rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Middel I betoogt in de kern genomen dat het hof in rov. 3.7 (abusievelijk verwijst het middel naar de niet-bestaande rov. 4.7) heeft miskend dat de frauduleuze aansluiting vóór de elektriciteitsmeter is geplaatst op openbaar terrein, althans op een terrein dat niet viel onder het door [eiser] gehuurde perceel. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.7 overwogen dat de stelling van [eiser] dat sprake was van een illegale aansluiting onder de openbare weg voor het café haaks staat op de onbestreden vaststelling door een fraudespecialist van Liander dat de betrokken aansluiting zich bevond in een kruipruimte onder het café. Volgens het hof strekt de zorgplicht van [eiser] zich tot die kruipruimte uit, mede in aanmerking genomen dat [eiser] niet heeft aangevoerd dat die kruipruimte uitsluitend vanaf de openbare weg en niet vanuit het café toegankelijk was.
4. Middel II faalt waar het middel voortbouwt op middel I. Voor zover middel II betoogt dat het hof bij de begroting/schatting van de schade op de voet van art. 6:97 BW in strijd heeft gehandeld met art. 6 EVRM jo. art. 47 EU Handvest grondrechten, faalt het evenzeer. Het hof heeft in rov. 3.9 overwogen dat [eiser] bij uitstek in de gelegenheid was om het maken en het gebruik van de illegale aansluiting te verhinderen en dat dit tekortschieten in de verhouding tot Liander voor [eiser]’ rekening komt. In grief IV heeft [eiser] uitsluitend aangegeven dat hij niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht tegenover Liander en dat er geen juridische grondslag is te vinden voor de vastgestelde schade en de toewijzing van de vordering. Het hof heeft geoordeeld dat deze grief faalt, omdat het hof heeft vastgesteld dat [eiser] wel is tekortgeschoten in de genoemde zorgplicht. Van een schending van hoor en wederhoor bij de schatting van de schade op de voet van art. 6:97 BW is, anders dan het middel betoogt, geen sprake, terwijl de beslissing van het hof voorts niet onjuist of onbegrijpelijk is.
5. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
AG