Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang
Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/5.5:5.5 Conclusie; gevolgen voor controversiële aspecten van gebruik van synthetische belangen
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/5.5
5.5 Conclusie; gevolgen voor controversiële aspecten van gebruik van synthetische belangen
Documentgegevens:
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS345562:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk 5 was aan de orde in hoeverre besluitvormingsrechten kunnen worden verbonden aan synthetische belangen in aandelen. In paragraaf 5.2 is de inhoud van de besluitvormingsrechten besproken alsmede de vraag aan wie de verschillende besluitvormingsrechten toekomen. Geconcludeerd is dat er naar huidig recht geen aanknopingspunten zijn voor toekenning van bijeenroepingsrecht, agenderingsrecht en vergaderrecht aan anderen dan aandeelhouders, houders van bewilligde certificaten en bepaalde pandhouders en vruchtgebruikers. Het stemrecht op de aandelen komt naar huidig recht slechts toe aan aandeelhouders en kan onder omstandigheden toekomen aan pandhouders en vruchtgebruikers, maar niet aan houders van (slechts) economische belangen. De wet vereist niet dat een aandeelhouder, voor het uitoefenen van het bijeenroepingsrecht, agenderingsrecht, vergaderrecht of stemrecht, zelf het economische belang bij zijn aandelen houdt. De vordering tot vernietiging van besluiten kan worden ingesteld door een ieder die een redelijk belang heeft bij naleving van de niet-nagekomen verplichting. Aandeelhouders die geen economisch belang bij hun aandelen hebben, hebben mogelijk niet dat vereiste redelijk belang. Houders van economische belangen bij aandelen hebben dat onder omstandigheden wel. Deze conclusies over de inbedding van synthetische belangen in de regeling van besluitvormingsrechten impliceren dat die regeling de controversiële aspecten van het gebruik van synthetische belangen niet of nauwelijks beperkt.
In paragraaf 5.3 is geconcludeerd dat de rechtszekerheid en het belang van alle betrokkenen bij een praktisch werkbare situatie in de weg staan aan het toekennen van bijeenroepingsrecht, agenderingsrecht, vergaderrecht of stemrecht aan houders van economische belangen. Dat geldt niet voor het recht de vordering van artikel 2:15 BW in te stellen. Voor zover die vordering naar geldend recht nog niet zou toekomen aan de houder van een economisch belang, bestaat er mijns inziens geen bezwaar tegen toekenning. Ten aanzien van aandeelhouders met een beperkt of zonder economisch belang heb ik bepleit dat zij hun besluitvormingsrechten kunnen uitoefenen. Ik meen echter dat een aandeelhouder zonder economisch belang of met netto negatief belang die een vordering tot vernietiging van een besluit instelt op grond van artikel 2:15 BW zijn redelijk belang (bij betwisting daarvan) zal moeten aantonen en verwacht dat hij dat doorgaans niet zal kunnen.
Voor aandeelhouders met een netto negatief belang bij hun aandelen heb ik in paragraaf 5.3.3 geconcludeerd dat het in beginsel wenselijk is hun het uitoefenen van stemrecht, bijeenroepingsrecht en agenderingsrecht te ontzeggen; zij het dat de vraag of het invoeren van zo’n regeling doelmatig is, afhangt van de mate waarin aandeelhouders met een netto negatief belang in de praktijk gebruik maken van deze besluitvormingsrechten. Daarvoor is nader empirisch onderzoek nodig. Ik schets in paragraaf 5.4 een wettelijke regeling die een meldingsplicht inhoudt voor een aandeelhouder met een netto negatief belang die het bijeenroepingsrecht, agenderingsrecht of stemrecht wil uitoefenen. Wordt zo’n melding gedaan, dan wordt geen gevolg gegeven aan het verzoek om bijeenroeping of agendering en kan het stemrecht niet worden uitgeoefend. Voorts is een statutaire regeling denkbaar die besluitvormingsrechten beperkt ten aanzien van een aandeelhouder die niet voldoet aan de kwaliteitseis dat hij het gehele economische belang bij zijn aandelen houdt. Zonder problemen is zo’n regeling echter niet.
Indien de regeling van besluitvormingsrechten in de door mij voorgestelde zin wordt aangepast, heeft dat gevolgen voor een van de controversiële aspecten van het gebruik van synthetische belangen. Het fenomeen van empty voting zou in de meest sprekende gevallen, te weten die waarin de aandeelhouder een netto negatief belang bij zijn aandelen heeft, onmogelijk gemaakt worden. In ieder geval kunnen de werking van artikel 2:8 BW en het enquêterecht de vennootschap al enige bescherming bieden. Statutaire regelingen ter beperking van besluitvormingsrechten kunnen eveneens bijdragen aan het beperken van controversiële aspecten van het gebruik van synthetische belangen.