HR, 04-02-2025, nr. 22/02704 P
ECLI:NL:HR:2025:176
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-2025
- Zaaknummer
22/02704 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:176, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1427
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:2150
ECLI:NL:PHR:2024:1427, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:176
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit medeplichtigheid aan medeplegen oplichting. Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang met 22/02523, 22/02608, 22/02703, 22/02705 P, 22/02706, 22/02739 en 22/02758.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02704 P
Datum 4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2022, nummer 23-001041-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de betrokkene een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de betrokkene niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 in samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.
Conclusie 26‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Met 22/02523, 22/02758, 22/02703, 22/02706, 22/02705, 22/02739 en 22/02608 samenhangende peek (geen schriftuur, beroep n-o).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02704 P
Zitting 26 november 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de betrokkene
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 juli 2022 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2021 bevestigd. De rechtbank Amsterdam had het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 4.149,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02523, 22/02758, 22/02703, 22/02706, 22/02705, 22/02739 en 22/02608. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Namens de betrokkene is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de betrokkene niet binnen de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG