Rechtbank Limburg 17 mei 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:2875.
HR, 25-04-2025, nr. 24/03107
ECLI:NL:HR:2025:666
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-04-2025
- Zaaknummer
24/03107
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:666, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:208
ECLI:NL:PHR:2025:208, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:666
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑08‑2024
- Vindplaatsen
JGz 2025/40 met annotatie van dr. J.J. de Jong
Uitspraak 25‑04‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03107
Datum 25 april 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: J.A.J. Leeman,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT LIMBURG,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/330827 / BZ RK 24/984 van de rechtbank Limburg van 17 mei 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
De rechtbank Limburg heeft ten aanzien van betrokkene meerdere aaneensluitende zorgmachtigingen verleend, waarvan de voorlaatste bij beschikking van 28 juni 2023, met een looptijd tot en met 19 juni 2024.
2.2
In mei 2024 heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Bij het verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd, die is opgesteld door de psychiater [psychiater].
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene het volgende naar voren gebracht over de medische verklaring:
“De medische verklaring is opgesteld door de [psychiater]. De raadsman merkt hierbij op dat de genoemde psychiater tweemaal een medische verklaring heeft overgelegd binnen één jaar aangezien de psychiater betrokkene vorig jaar eveneens beoordeeld heeft. De advocaat verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam met nummer 2021:2201 waarbij de medische verklaring niet voldeed aan de eisen.”
2.4
De rechtbank1.heeft de verzochte zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze geldt tot en met 17 mei 2025. Over het betoog dat de medische verklaring niet aan de eisen voldoet heeft de rechtbank overwogen:
“3.6. Het feit dat er tweemaal een medische verklaring door dezelfde onafhankelijk psychiater voor betrokkene is opgesteld, brengt volgens de rechtbank niet met zich mee dat deze psychiater niet onafhankelijk is nu die psychiater overigens op geen enkele wijze bij de behandeling is betrokken.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat de rechtbank met haar oordeel in rov. 3.6 heeft miskend dat het feit dat een psychiater binnen een jaar tweemaal een medische verklaring voor betrokkene heeft opgesteld, meebrengt dat niet is voldaan aan het vereiste van art. 5:7, aanhef en onder d, Wvggz.
3.2.1
Art. 5:7, aanhef en onder d, Wvggz luidt:
“Art. 5:7
Voor de toepassing van deze wet gelden voor de psychiater de volgende voorwaarden:
(…)
d. hij heeft minimaal één jaar geen zorg verleend aan betrokkene.”
3.2.2
Met het voorschrift van art. 5:7, aanhef en onder d, Wvggz heeft de wetgever willen voorkomen dat de psychiater die de medische verklaring opstelt, een dusdanige band met de betrokkene heeft opgebouwd dat deze band een obstakel zou kunnen zijn voor het vormen van een onafhankelijk oordeel. De bepaling brengt mee dat aan het vereiste van onafhankelijkheid in elk geval niet is voldaan als de psychiater minder dan een jaar voor het opstellen van de medische verklaring zorg heeft verleend aan de betrokkene.2.
‘Zorg’ omvat volgens art. 3:2 lid 1 Wvggz de zorg van een zorgaanbieder jegens de betrokkene, die kan bestaan uit bejegening, verzorging, verpleging, behandeling, begeleiding, bescherming, beveiliging, en verplichte zorg als bedoeld in het tweede lid van die bepaling.
3.2.3
Ook als de psychiater die onderzoek verricht ten behoeve van een door hem op te stellen medische verklaring, op het tijdstip van dat onderzoek ten minste één jaar geen zorg heeft verleend aan de betrokkene, kunnen concrete feiten en omstandigheden die de betrokkene aanvoert over de vroegere behandelrelatie in het bijzonder de duur en de intensiteit daarvan meebrengen dat de psychiater niet kan worden aangemerkt als onafhankelijk psychiater als bedoeld in art. 5:7 Wvggz.3.
3.2.4
Het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek kunnen in het algemeen niet worden aangemerkt als het verlenen van zorg als bedoeld in art. 5:7, aanhef en onder d, Wvggz in verbinding met art. 3:2 Wvggz. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die meebrengen dat de psychiater die een medische verklaring opstelt toch niet kan worden aangemerkt als onafhankelijk psychiater als bedoeld in art. 5:7 Wvggz. Het ligt op de weg van de betrokkene om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit dit kan volgen.
3.3
De rechtbank heeft overwogen dat het feit dat dezelfde psychiater tweemaal een medische verklaring voor betrokkene heeft opgesteld, niet meebrengt dat deze psychiater niet onafhankelijk is, nu die psychiater overigens op geen enkele wijze bij de behandeling is betrokken. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.4 is overwogen, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel beroept zich niet op door betrokkene aangevoerde concrete feiten en omstandigheden als hiervoor in 3.2.4 bedoeld, die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht faalt dus.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 25 april 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑04‑2025
Vgl. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.1.2; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1159, rov. 3.3.
HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1076, rov. 3.3.2.
Conclusie 14‑02‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03107
Zitting 14 februari 2025
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J.A.J. Leeman,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Limburg,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.
1. Inleiding
In deze Wvggz-zaak gaat het om de uitleg van de in artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz genoemde voorwaarde dat de psychiater die de medische verklaring opstelt minimaal één jaar geen zorg heeft verleend aan betrokkene. Meer in het bijzonder is de vraag aan de orde of het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek te beschouwen zijn als het verlenen van zorg in de zin van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Bij beschikking van 28 juni 2023 heeft de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 19 juni 2024.1.
2.2
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank ingekomen op 13 mei 2024, heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg.
2.3
Bij het verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd, die is opgesteld en op 10 mei 2024 is ondertekend door de [psychiater] .
2.4
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 mei 2024. Daarbij zijn betrokkene, de advocaat van betrokkene en een psychiater gehoord.
2.5
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene, voor zover in cassatie van belang, het volgende naar voren gebracht:
“De advocaat verzoekt de zorgmachtiging af te wijzen danwel de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. Hij voert daartoe het volgende aan.
(…)
De medische verklaring is opgesteld door de [psychiater] . De raadsman merkt hierbij op dat de genoemde psychiater tweemaal een medische verklaring heeft overgelegd binnen één jaar aangezien de psychiater betrokkene vorig jaar eveneens beoordeeld heeft. De advocaat verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam met nummer 2021:2201 waarbij de medische verklaring niet voldeed aan de eisen.”
2.6
Bij beschikking van 17 mei 20242.heeft de rechtbank een opvolgende zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met uiterlijk 17 mei 2025 voor verschillende vormen van verplichte zorg.
2.7
Met betrekking tot de medische verklaring heeft de rechtbank in deze beschikking als volgt overwogen:
“3.6. Het feit dat er tweemaal een medische verklaring door dezelfde onafhankelijk psychiater voor betrokkene is opgesteld, brengt volgens de rechtbank niet met zich mee dat deze psychiater niet onafhankelijk is nu die psychiater overigens op geen enkele wijze bij de behandeling is betrokken.”
2.8
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
3.2
Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.6 van de bestreden beschikking. Het onderdeel klaagt in de kern dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de ingevolge artikel 5:7 Wvggz voor de psychiater geldende voorwaarden, in het bijzonder de voorwaarde dat deze minimaal één jaar geen zorg heeft verleend aan de betrokkene (art. 5:7, aanhef en onder d, Wvggz), althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is en niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Hiertoe wordt aangevoerd dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat binnen het tijdvak van één jaar door dezelfde psychiater ten aanzien van betrokkene tweemaal een medische verklaring is opgesteld, te weten op 1 juni 2023 in het kader van de op 28 juni 2023 verleende zorgmachtiging en op 10 mei 2024 in het kader van de bij de bestreden beschikking verleende opvolgende zorgmachtiging. Onderdeel 2 behelst een voortbouwklacht.
3.3
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.
3.4
Bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging moet een medische verklaring van een onafhankelijk psychiater worden gevoegd (art. 5:17 lid 3, aanhef en onder a, Wvggz).
3.5
Artikel 5:7 Wvggz vermeldt de voorwaarden die gelden voor de psychiater die de medische verklaring als bedoeld in artikel 5:8 Wvggz opstelt. Artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz bepaalt:
Voor de toepassing van deze wet gelden voor de psychiater de volgende voorwaarden:
(…)
d. hij heeft minimaal één jaar geen zorg verleend aan betrokkene.
3.6
Het begrip “zorg” omvat ingevolge artikel 1:1 lid 1, aanhef en onder v, Wvggz in verbinding met artikel 3:2 lid 1 Wvggz de zorg van een zorgaanbieder jegens betrokkene die kan bestaan uit bejegening, verzorging, verpleging, behandeling, begeleiding, bescherming, beveiliging, en verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 lid 2 Wvggz.3.
3.7
De voor deze zaak relevante vraag is of het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek te beschouwen zijn als het verlenen van zorg in de zin van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz.
3.8
Het antwoord op deze vraag is als zodanig niet te vinden in de parlementaire geschiedenis. Deze vraag is tot nu toe evenmin beantwoord door de Hoge Raad. Ik zal aan de hand van de kaders die ik afleid uit de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad tot een antwoord op deze vraag komen.
3.9
In de parlementaire geschiedenis is artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz als volgt toegelicht:4.
“De onafhankelijkheid moet vooral gewaarborgd zijn in de relatie tot betrokkene. Daarom is de eis uit de Wet bopz overgenomen dat de arts minimaal één jaar geen zorg heeft verleend aan betrokkene. Dit voorkomt dat de arts als zorgverlener wellicht een dusdanige band met betrokkene heeft opgebouwd dat dat een obstakel zou kunnen zijn voor het vormen van een onafhankelijk oordeel. De LPGGZ [Landelijk Platform GGz, nu MIND Landelijk Platform Psychische Gezondheid geheten; A-G] heeft er naar aanleiding van de consultatie over de nota van wijziging nog op gewezen dat de rol van de onafhankelijke arts om een extra waarborg vraagt, namelijk een roulatiesysteem waardoor voorkomen kan worden dat steeds dezelfde arts wordt gevraagd om medische verklaringen af te geven. Het is aan het veld om indien gewenst hier nadere invulling aan te geven.”
3.10
Over deze voorwaarde van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz is in de parlementaire geschiedenis verder te lezen:5.
“(…)
Vereist is dat medische verklaringen door een onafhankelijke arts worden opgesteld. De regel dat de arts die de medische verklaring opstelt gedurende minimaal een jaar geen zorg verleend mag hebben aan betrokkene, is daarmee één van de waarborgen voor onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Deze regeling is conform de WBopz en jurisprudentie daarover. (…)”
3.11
Artikel 5 lid 1 Wet Bopz (oud) luidde, voor zover hier van belang, als volgt:
Bij een verzoek (…) moet worden overgelegd een verklaring van een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort te voren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was. (…)
3.12
De Hoge Raad heeft destijds met betrekking tot artikel 5 lid 1 Wet Bopz (oud) overwogen:6.
“Art. 5 lid 1 Wet Bopz, voor zover thans van belang inhoudende dat het onderzoek moet zijn verricht door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was, strekt ertoe de waarborgen rond de (voortzetting van) gedwongen opname te versterken door het eisen van een onafhankelijk oordeel ter advisering van de rechter. Bij de beantwoording van de vraag of een psychiater die ten tijde van het onderzoek niet bij de behandeling betrokken is, maar zulks in het verleden wel is geweest, als onafhankelijk kan worden aangemerkt, is niet alleen van belang het tijdsverloop sinds het beëindigen van de behandelrelatie, maar ook de duur en de intensiteit van de behandelrelatie. Het is aan de feitenrechter voorbehouden aan de hand van de omstandigheden van het geval telkens het onderlinge gewicht van deze factoren te bepalen. Echter, gelet op het belang van het onderhavige voorschrift en ter wille van de in zaken als deze geboden duidelijkheid zal in het algemeen moeten worden aangenomen dat, indien ten tijde van het ten behoeve van de verklaring verrichte onderzoek nog geen jaar was verlopen sinds de psychiater die het onderzoek heeft verricht voor het laatst behandelcontact met de betrokkene heeft gehad, deze psychiater niet kan gelden als "niet bij de behandeling betrokken" als bedoeld in art. 5 lid 1 Wet Bopz.”
3.13
Uit artikel 5 lid 1 Wet Bopz (oud) en de uitleg daarvan door de Hoge Raad in de geciteerde uitspraak kan dus worden afgeleid dat tussen de betrokkene en de psychiater die de medische verklaring opstelt (hierna ook: de rapporterend psychiater) gedurende minimaal één jaar geen behandelrelatie mag bestaan.
3.14
In de navolgende uitleg die de Hoge Raad recent aan het huidige artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvvgz heeft gegeven, blijkt wederom van de eis dat tussen de betrokkene en de rapporterend psychiater gedurende minimaal één jaar geen behandelrelatie mag bestaan:7.
“Deze bepaling moet aldus worden uitgelegd dat steeds ten minste één jaar moet zijn verstreken tussen het einde van een behandelrelatie van de betrokkene met de psychiater en het tijdstip van het onderzoek dat de psychiater verricht ten behoeve van een door hem op te stellen medische verklaring met het oog op de verlening van een zorgmachtiging als bedoeld in de Wvggz.”
3.15
Hiermee rijst de vraag of het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek onder het “behandelen” van de betrokkene vallen. Ter beantwoording van die vraag verwijs ik allereerst naar de opvatting van voormalig A-G Asser, die onder de Wet Bopz over de betrokkenheid van een arts bij de behandeling het volgende heeft opgemerkt:8.
“2.14 (…) in een poging tot een wat scherpere afbakening te komen, zou ik er de nadruk op willen leggen dat het wettelijk criterium, zoals in de huidige wet verwoord, betreft de betrokkenheid bij de behandeling en dan, zo zou ik menen, met name bij de behandeling waaraan de patiënt was onderworpen op het tijdstip waarop de geneeskundige verklaring wordt afgegeven.
2.15
Misschien zou gezegd kunnen worden dat de arts niet bij de behandeling betrokken is als hij daarvoor noch direct noch indirect (mede) verantwoordelijkheid draagt.”
3.16
Van betrokkenheid bij de behandeling door een psychiater is in deze visie dus slechts sprake, indien de psychiater direct of indirect verantwoordelijkheid draagt voor de behandeling van de betrokkene, bijvoorbeeld door het voorschrijven van medicatie.9.Bij dit criterium van verantwoordelijkheid dragen voor de behandeling van de betrokkene is door andere A-G’s aangesloten en ook ik schaar mij in dit rijtje.10.Dit criterium kan goede diensten bewijzen wanneer het gaat om een verrichting van een psychiater die daadwerkelijk raakvlakken heeft met of in de buurt komt van behandelen, zoals het adviseren over medicatie, en het de vraag is of die bemoeienis het etiket “behandelen” rechtvaardigt.11.Van enige verantwoordelijkheid voor de behandeling van de betrokkene is mijns inziens echter evident geen sprake, indien een psychiater ten aanzien van de betrokkene een medische verklaring opstelt. Gemeten naar deze maatstaf van het dragen van verantwoordelijkheid vallen het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek mijns inziens niet onder de behandeling van de betrokkene.
3.17
Het verlenen van zorg is echter breder dan “behandelen”. Zie immers de definitie van zorg in artikel 3:2 lid 1 Wvggz (hiervoor onder 3.6 weergegeven), waaronder ook vallen: bejegening, verzorging, verpleging, begeleiding, bescherming, beveiliging, en verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 lid 2 Wvggz. Wat hiervoor over het behandelen van de betrokkene is gezegd, geldt mijns inziens evenzeer voor het ruimere begrip verlenen van zorg. Ook van enige verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg in deze ruimere zin is immers geen sprake bij het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek. Onder een van de andere in deze bepaling genoemde vormen van zorg vallen het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek, gemeten naar de maatstaf van het dragen van verantwoordelijkheid, dan ook evenmin.
3.18
Naar mijn mening komt bij de beantwoording van de in deze zaak voorliggende vraag, of het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek te beschouwen zijn als het verlenen van zorg in de zin van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz, verder belangrijke, zo niet beslissende, betekenis toe aan het doel van deze bepaling. Over dit doel heeft de Hoge Raad overwogen:12.
“(…) De wetgever heeft met dit voorschrift willen voorkomen dat de psychiater die de medische verklaring opstelt een dusdanige band met de betrokkene heeft opgebouwd dat deze band een obstakel zou kunnen zijn voor het vormen van een onafhankelijk oordeel. (…)”
3.19
Bij het opstellen van de medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek ligt, naar het mij voorkomt, het risico van aantasting van de onafhankelijkheid van de psychiater door het opbouwen van een band tussen de psychiater en de betrokkene uit de aard van de zaak niet op de loer. Het onderzoek is erop gericht inzicht te verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde maatregel (vgl. artikel 5:8 lid 1 Wvggz). De psychiater dient het medische onderzoek in beginsel aldus te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in zijn fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert.13.
3.20
Dat onderzoek van de rapporterend psychiater vindt plaats in een andere setting dan die van een behandelrelatie tussen de behandelend psychiater en de betrokkene. Ik wijs in dit verband op het heldere onderscheid dat voormalig plaatsvervangend P-G Langemeijer heeft gemaakt tussen een behandelend psychiater enerzijds en een rapporterend psychiater die een medische verklaring opstelt anderzijds:14.
“Mijns inziens wordt de functiescheiding tussen een behandelend en een rapporterend psychiater gerechtvaardigd door het vertrouwen dat de patiënt in de behandelend arts mag stellen. Een patiënt zal in de regel meer informatie en gevoelens durven toevertrouwen aan een arts die hem/haar behandelt dan aan de rapporterende arts die hem/haar onderzoekt in opdracht van een overheidsorgaan met het oog op een mogelijke vrijheidsbeneming of andere vorm van verplichte zorg.”
3.21
Gelet op het voorgaande kan dan ook, wanneer een psychiater binnen een jaar tweemaal een medische verklaring opstelt, mijns inziens niet gezegd worden dat door dit enkele gegeven van een dusdanige band met betrokkene sprake is waardoor de onafhankelijkheid van de psychiater in het geding komt.
3.22
Ik kom tot een beantwoording van de hiervoor onder 3.7 gestelde vraag over de reikwijdte van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz. Gelet op het voorgaande meen ik dat het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek niet kunnen worden aangemerkt als het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz. Die bepaling staat dan ook niet het binnen een periode van één jaar tweemaal opstellen van een medische verklaring door dezelfde psychiater ten aanzien van dezelfde betrokkene in de weg.
3.23
Mijns inziens mag ervan worden uitgegaan dat de rapporterend psychiater, mede gelet op de voor hem geldende professionele eisen, oog heeft voor zijn onafhankelijkheid wanneer hij achtereenvolgens meerdere medische verklaringen opstelt ten aanzien van een betrokkene. Toch wil ik niet onbenoemd laten dat niet uitgesloten is dat de onafhankelijkheid van de rapporterend psychiater in het gedrang kan komen, indien hij ten aanzien van dezelfde betrokkene meerdere medische verklaringen opstelt. Ik wijs hierbij op de zogeheten confirmation bias, de neiging om bewust en vooral onbewust oog te hebben voor die informatie die een eerder ingenomen standpunt of bestaande opvatting bevestigt.15.Ik plaats de uit de parlementaire geschiedenis blijkende aanbeveling van het toenmalige Landelijk Platform GGZ betreffende een roulatiesysteem voor rapporterende psychiaters (zie hiervoor onder 3.9) in deze context van de confirmation bias. Deze aanbeveling heeft echter niet tot een wijziging van het wetsvoorstel geleid. De wetgever heeft het aan “het veld” overgelaten om, indien gewenst, in een roulatiesysteem te voorzien. Het is mij niet bekend of en hoe in de praktijk hieraan invulling is gegeven.
3.24
Indien de betrokkene meent dat de rapporterend psychiater niet als onafhankelijk in de zin van artikel 5:7 Wvggz kan worden aangemerkt, zal hij daartoe in een voorkomend geval concrete feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen. Die feiten en omstandigheden zullen, gelet op de reikwijdte van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz, echter méér moeten behelzen dan het enkele gegeven dat de psychiater twee keer achtereenvolgens, binnen de periode van één jaar, een medische verklaring ten aanzien van de betrokkene heeft opgesteld.
3.25
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten.
3.26
De klachten van onderdeel 1 falen.
3.27
Deze klachten gaan ervan uit dat het opstellen van een medische verklaring en het daartoe te verrichten onderzoek vallen onder het verlenen van zorg in de zin van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz,16.en dat dezelfde rapporterend psychiater om die reden niet binnen een tijdvak van één jaar tweemaal een medische verklaring zou mogen opstellen ten aanzien van betrokkene. Dit uitgangspunt is mijns inziens onjuist, gelet op de hiervoor behandelde parlementaire geschiedenis bij artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz en de uitleg die de Hoge Raad aan deze bepaling heeft gegeven.
3.28
Het enkele gegeven dat de rapporterend psychiater in het voorafgaande jaar reeds eerder een medische verklaring ten aanzien van betrokkene heeft opgesteld, maakt op zichzelf niet dat hij niet als onafhankelijk in de zin van artikel 5:7 Wvggz beschouwd moet worden. In de klachten zijn geen andere omstandigheden dan dit enkele gegeven genoemd waaruit zou kunnen blijken dat de rapporterend psychiater niet als onafhankelijk kan worden aangemerkt.17.
3.29
Het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.6 geeft mijns inziens dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot artikel 5:7 Wvggz, en in het bijzonder de onder d van die bepaling genoemde voorwaarde dat de psychiater minimaal één jaar geen zorg heeft verleend aan betrokkene. Het oordeel is gelet op het voorgaande ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.30
Onderdeel 2 bevat een voortbouwklacht, die het lot van de klachten van onderdeel 1 deelt en dus ook faalt.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑02‑2025
Blijkend uit het verzoekschrift van de officier van justitie van 13 mei 2024. Een historisch overzicht van de eerder ten aanzien van betrokkene verleende machtigingen is bijgevoegd als bijlage bij het verzoekschrift van de officier van justitie.
ECLI:NL:RBLIM:2024:2875, mondelinge uitspraak van 17 mei 2024, schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 28 mei 2024.
In dit tweede lid zijn de mogelijke vormen van verplichte zorg opgesomd.
Kamerstukken II 2013/14, 32 399, nr. 10 (nota van wijziging), p. 86. Op te merken is dat hier nog wordt gesproken van een “onafhankelijke arts” in plaats van een “onafhankelijke psychiater”. Het oorspronkelijke wetsvoorstel hield in dat een medische verklaring door “een (…) onafhankelijke arts” moet worden opgesteld. Bij de tweede nota van wijziging is dit in die zin gewijzigd dat een medische verklaring in alle gevallen wordt opgesteld door een psychiater, omdat het bij uitstek tot zijn vakgebied behoort om vast te stellen of sprake is van een psychische stoornis en of er als gevolg daarvan sprake is van ernstig nadeel voor betrokkene zelf of anderen; zie Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25 (tweede nota van wijziging), p. 118 onderaan.
Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 24 (nota n.a.v. het nader verslag), p. 26-27. Zie HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, NJ 2020/347, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/45, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 4.1.2, met verwijzing naar deze passage uit de parlementaire geschiedenis. Zie ook HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1545, NJ 2020/371, JGz 2021/1, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 3.1.4.
HR 16 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0342, NJ 2009/518, r.o. 3.2. Deze overweging citeert de Hoge Raad recentelijk in HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1076, NJ 2024/246, m.nt. J. Legemaate, JGz 2024/74, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.3.1 als uitleg van artikel 5 lid 1 Wet Bopz (oud).
Zie HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1076, NJ 2024/246, m.nt. J. Legemaate, JGz 2024/74, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.2.2, onder verwijzing naar HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, NJ 2020/347, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/45, m.nt. W.J.A.M. Dijkers r.o. 4.1.2, HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1545, NJ 2020/371, JGz 2021/1, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 3.1.4, en HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1159, NJ 2021/279, r.o.3.3.
Conclusie van voormalig A-G Asser (onder 2.14-2.15) vóór HR 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1927, NJ 1996/365.
Vgl. bijv. HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, NJ 2020/347, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/45, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 4.1.3.
Zie de conclusies van voormalig plaatsvervangend P-G Langemeijer (onder 3.8) vóór HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, NJ 2020/347, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/45, m.nt. W.J.A.M. Dijkers en van A-G Snijders (onder 3.12) vóór HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1159, NJ 2021/279. Vgl. hierover ook C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg (Praktijkwijzer Strafrecht, nr. 12), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.5.1.4.
Dijkers spreekt in zijn noot onder HR 5 juni 2020, JGz 2020/45, onder 3, in dit verband over “grensgevallen” wat betreft de kwalificatie van een activiteit als “zorgverlening aan betrokkene” en noemt als voorbeelden van dit soort grensgevallen het participeren in een teambespreking waarbij de zorg voor déze betrokkene aan de orde komt, of het acteren als waarnemend geneesheer-directeur bij een beslissing die déze betrokkene betreft.
HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1159, NJ 2021/279, r.o. 3.3, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2013/14, 32 399, nr. 10 (nota van wijziging), p. 86 en onder vergelijkende verwijzing naar HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, NJ 2020/347, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/45, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 4.1.3 (waar m.i. r.o. 4.1.2 is bedoeld). Vgl. ook M.A.J.M. van Sprundel-Jansen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 5:7 Wvggz, aant. 1 (actueel t/m 24 mei 2024), die in dit verband niet alleen wijst op het risico van vooringenomenheid van de rapporterend psychiater, maar ook op het belang van betrokkene om vrijelijk te kunnen praten en een band op te kunnen bouwen met zijn behandelend psychiater.
Zie HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509, NJ 2020/402, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/79, m.nt. W.J.A.M. Dijkers, r.o. 3.1.4; HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2015, JGz 2021/6, m.nt. H.J. Beintema, r.o. 3.2 en herhaald in o.m. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1075, JGz 2024/73 m.nt. G.J. Baken, r.o. 3.2.
Zie zijn conclusie (onder 3.8) vóór HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, NJ 2020/347, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/45, m.nt. W.J.A.M. Dijkers.
Zie hierover bijv. Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/253, met verdere bronverwijzingen.
Zie in het bijzonder de procesinleiding in cassatie, onder 15, waarin het opstellen van de medische verklaringen (tweede tekstblok) en het onderzoek door de rapporterend psychiater (derde tekstblok) als “behandeling” worden aangemerkt. In de procesinleiding onder 7 wordt de rapporterend psychiater bovendien als “behandelend psychiater” aangeduid.
Het betoog van betrokkene in eerste aanleg dat [psychiater] niet aan de genoemde voorwaarde voldeed, is immers slechts gestoeld op de omstandigheid dat deze tweemaal binnen één jaar een medische verklaring ten aanzien van betrokkene heeft opgesteld (zie hiervoor onder 2.5). In de procesinleiding in cassatie is onder 15 (tweede tekstblok) ook opgemerkt dat “van een verdere dan wel overige behandeling niet blijkt”.
Beroepschrift 08‑08‑2024
VERZOEKSCHRIFT
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
verzoeker tot cassatie, [betrokkene], wonende in [woonplaats], gemeente [gemeente], te dezer zake woonplaats kiezende in Rotterdam aan de Meent 106 (3011 JR) Rotterdam ten kantore van mr. J.A.J. Leeman, die als advocaat bij de Hoge Raad verzoeker tot cassatie in deze procedure vertegenwoordigt en dit verzoekschrift voor hem ondertekent en indient.
Verweerder is de Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Limburg.
[betrokkene] stelt hierbij cassatieberoep in tegen de op 17 mei 2024 onder zaaknummer C/03/330827 / BZ RK 24/984 gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, Familie en Jeugd, zittingsplaats Roermond.
[betrokkene] legt hierbij de te bestrijden beschikking over en zal het ertoe leiden dat zo spoedig mogelijk het volledige dossier wordt overgelegd.
Cassatiemiddel
Schending van het recht en/of tot nietigheid leidend verzuim van wezenlijke vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat de rechtbank heeft overwogen en beslist zoals in haar bestreden beschikking d.d. 17 mei 2024, waarvan beroep, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Inleiding
1.
De rechtbank Limburg heeft ten aanzien van betrokkene een aantal (aaneensluitende) zorgmachtigingen verleend1., waarvan de laatste bij beschikking van 17 mei 2024, met een looptijd tot en met 17 mei 2025.2.
2.
Op 13 mei 2024 heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van 12 maanden voor diverse vormen van verplichte zorg. Bij het verzoekschrift van de officier is onder meer een medische verklaring van 10 mei 2024 van de hand van de psychiater [psychiater] gevoegd.
3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 mei 2024 in het kader waarvan door de advocaat van betrokkene is opgemerkt dat de psychiater [psychiater] voor de tweede keer binnen een jaar een medische verklaring heeft opgesteld. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting heeft de advocaat van betrokkene het volgende dienaangaande opgemerkt:
‘(…) De medische verklaring is opgesteld door de psychiater Prof. dr. [psychiater]. De raadsman merkt hierbij op dat de genoemde psychiater tweemaal een medische verklaring heeft overgelegd binnen één jaar aangezien de psychiater betrokkene vorig jaar eveneens beoordeeld heeft.(…)’3.
4.
De rechtbank heeft vervolgens de verzochte zorgmachtiging verleend en bepaald dat de machtiging geldt tot en met 17 mei 2025 waarbij de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, in overweging 3.6 van haar beschikking heeft overwogen:
‘3.6.
Het feit dat er tweemaal een medische verklaring door dezelfde onafhankelijk psychiater voor betrokkene is opgesteld, brengt volgens de rechtbank niet met zich mee dat deze psychiater niet onafhankelijk is nu die psychiater overigens op geen enkele wijze bij de behandeling is betrokken.’
5.
Het cassatieberoep richt met name tegen de(ze) r.o. 3.6 van de beschikking.
Klachten
Onderdeel 1
6.
Met haar oordeel in r.o. 3.6, dat het feit dat er tweemaal een medische verklaring door dezelfde onafhankelijk psychiater voor betrokkene is opgesteld, niet met zich brengt dat deze psychiater niet onafhankelijk is nu hij overigens op geen enkele wijze bij de behandeling van betrokkene is betrokken, heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in artikel 5:7 Wvggz van toepassing zijnde voorwaarden voor de in het kader van een medische verklaring verklarende psychiater.
Immers, ten aanzien van de psychiater, die de medische verklaring in verband met het verzoek tot het verlenen van een (aansluitende) zorgmachtiging opstelt, gelden de in artikel 5:7 Wvggz genoemde voorwaarden, welke voorwaarden als waarborg gelden voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg en waarbij (voorts) geldt dat artikel 5:7, aanhef en onder d, als voorwaarde stelt dat de verklarende psychiater minimaal één jaar geen zorg aan betrokkene heeft verleend.
Echter, uit de gedingstukken, althans uit het ter zitting verhandelde, blijkt dat binnen het tijdvak van één jaar door dezelfde psychiater ten aanzien van betrokkene twee maal een medische verklaring is opgesteld, zodat het door de rechtbank overwogene, althans het door haar gegeven oordeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is en niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Toelichting:
7.
Ten aanzien van betrokkene is er binnen een tijdvak van één jaar tweemaal een medische verklaring door dezelfde psychiater opgesteld hetgeen volgens de rechtbank (zoals overwogen in r.o. 3.6) niet met zich brengt, althans niet betekent dat deze psychiater niet onafhankelijk is nu deze overigens op geen enkele wijze bij de behandeling is betrokken.4.
Hiermee, zo stelt betrokkene, heeft de rechtbank miskend, althans blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op het bepaalde in artikel 5:7 Wvggz, in het bijzonder de aanhef en onder d van artikel 5:7, dat de betreffende behandelend psychiater [psychiater] niet als onafhankelijk psychiater in de zin van artikel 5:7 Wvggz kan worden aangemerkt.
In dat verband kan (ook) worden gewezen op een viertal uitspraken van de Hoge Raad in het kader van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz, van respectievelijk 5 juni 2020, 2 oktober 2020, 16 juli 2021 en 15 juli 2024.5.
Voorts heeft de rechtbank het dienaangaande gevoerde verweer van betrokkene, althans van diens advocaat zonder nadere motivering gepasseerd, zulks ten onrechte, nu zij aan dit verweer niet voorbij had mogen gaan, althans niet zonder nadere motivering.6.
8.
Het gaat te dezen om de onafhankelijkheid van de psychiater, die de medische verklaring moet opstellen, zulks met het oog op het verzoek om een (aansluitende) machtiging, ten aanzien van de betrokkene.
9.
In artikel 5:7 Wvggz is bepaald welke voorwaarden gelden voor de psychiater die de medische verklaring opstelt; deze voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg.7.
Het onderwerp: de onafhankelijkheid van de psychiater, die de medische verklaring opstelt, kent een lange (voor)geschiedenis; reeds in de Krankzinnigenwet (artikel 16) en vervolgens in de Wet Bopz (artikel 5 lid 1) was daartoe een regeling opgenomen.
Door middel van een aantal uitspraken van de Hoge Raad8. is in dat verband nader vorm gegeven, althans, zo kan worden gesteld, de grondslag gelegd voor de huidige bepaling van artikel 5:7 Wvggz.
10.
Onder de Wvggz wordt eenzelfde criterium gehanteerd als hetgeen gold onder de Wet Bopz9., waarbij voorts kan worden opgemerkt dat met artikel 5:7 Wvggz een — als het ware — nadere precisering, dan wel verdere invulling heeft plaatsgevonden van de voorwaarden waaraan de psychiater die de medische verklaring opstelt, moet voldoen, met name het tijdvak waarin de behandelend psychiater bij het opstellen van de medische verklaring niet (opnieuw) mag zijn betrokken, nu immers de Krankzinnigenwet noch de Wet Bopz de termijn van een jaar kende.10.
11.
In artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz, is bepaald:
‘Voor de toepassing van deze wet gelden voor de psychiater de volgende voorwaarden:
(…)
- d.
hij heeft minimaal één jaar geen zorg verleend aan betrokkene.’
Deze bepaling dient zo te worden gelezen dat de psychiater, die een medische verklaring met het oog op het verzoek om een (aansluitende) machtiging moet opstellen, onafhankelijk moet zijn ten aanzien van de betrokkene door minimaal één jaar geen zorg te verlenen aan de betrokkene.11.
12.
In zijn conclusie bij Hoge Raad 15 juli 2024 noteert A-G Drijber dat er met betrekking tot de termijn van één jaar geen flexibiliteit is ten nadele van de betrokkene, omdat bij de termijn van één jaar sprake is van een harde minimumtermijn.12. Hoewel de Hoge Raad zich niet zo uitgesproken als de A-G uitlaat, kan toch uit Hoge Raad 15 juli 2024 (ook) worden afgeleid dat het om een harde termijn gaat, althans dat als uitgangspunt dient te gelden dat de termijn één jaar bedraagt.13.
Wel kan het zijn dat daarbij (mogelijk) dient te worden betrokken, althans dat rekening dient te worden gehouden, bij de vraag of er sprake is van een onafhankelijke psychiater, met de duur en de intensiteit van de vroegere behandelrelatie van betrokkene met de psychiater.14.
13.
In de onderhavige zaak is in verband met de datum van afgifte van de medische verklaringen in feitelijke zin het volgende van belang, althans dienen de volgende feiten als uitgangspunt te worden genomen.15.
De officier heeft op 13 mei 2024 de rechtbank verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen, nu de duur van de zorgmachtiging d.d. 28 juni 2023 op 19 juni 2024 afloopt.
In het kader van de (eerder verleende) zorgmachtiging d.d. 28 juni 2023 is op 1 juni 2023 door de psychiater [psychiater] een medische verklaring in de zin van artikel 5:7 jo. 5:8 en 7:11 lid 4 Wvggz afgegeven.
Bij het verzoek van de officier tot een aansluitende zorgmachtiging op 13 mei 2024 is (onder meer) een medische verklaring, gedateerd 10 mei 2024, gevoegd; deze medische verklaring is (ook) van de hand van de psychiater [psychiater].
Zowel de (eerste) medische verklaring van 1 juni 2023 als de (tweede) verklaring van 10 mei 2024 is dus door dezelfde psychiater [psychiater] opgemaakt en zijn binnen een tijdvak van één jaar opgesteld.
14.
Nu er bij het opstellen van de medische verklaring niet minimaal één jaar is verstreken, is aan het vereiste van artikel 5:7, aanhef en onder d, niet voldaan, zodat de betreffende psychiater derhalve niet als onafhankelijk kan worden aangemerkt en hij daarom niet de betreffende medische verklaring had kunnen afgeven.16,17.
De rechtbank had vervolgens in verband hiermee niet het verzoek tot het verlenen van de (aansluitende) zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene kunnen verlenen.
15.
In feite is hiermee de kous af. Echter, gelet op het door de Hoge Raad overwogene18. betreffende de duur en de intensiteit van de eerdere behandelrelatie, zoals hiervoor ook genoteerd in regelnummer 12, verdient nog het volgende aandacht.
Uit de gedingstukken blijkt niet anders dan dat de psychiater [psychiater] de beide medische verklaringen in 2023 en 2024 heeft opgesteld; hiertoe hebben zich zijn werkzaamheden respectievelijk heeft de behandeling ten aanzien van betrokkene zich dan ook beperkt, nu van een verdere dan wel overige behandeling niet blijkt.
Hoewel de duur van de behandeling, lees het nader onderzoek door de psychiater [psychiater] van betrokkene met het oog op het opstellen van de medische verklaring uit z'n aard beperkt is, kan daarentegen de(ze) behandeling, althans dit onderzoek met het oog op het eminente belang van de rapportage (lees: de medische verklaring) wel als (zeer) intensief worden aangemerkt, nu een goede oordeelsvorming dit immers met zich brengt.
Dit leidt er toe, althans moet er toe leiden dat (mede) hierom strak de hand dient te worden gehouden aan de strenge regel c.q. maatstaf van de regel van één jaar (van artikel 5:7, aanhef en onder d, Wvggz) en dat daarop geen uitzondering wordt gemaakt, ook omdat daartoe feitelijk geen enkele aanleiding bestaat.
Met haar overweging (dat):
‘(…) brengt volgens de rechtbank niet met zich mee dat deze psychiater niet onafhankelijk is nu die psychater overigens op geen enkele wijze bij de behandeling is betrokken.’
wordt dan ook door de rechtbank miskend dat de psychiater [psychiater] wel degelijk bij een eerdere behandeling van betrokkene in het jaar 2023 is betrokken geweest, dan wel is haar oordeel daarmee in ieder geval ontoereikend gemotiveerd.
Uit de gedingstukken noch uit het ter zitting verhandelde blijkt dat de rechtbank had kunnen dan wel mogen vaststellen dat de psychiater [psychiater] niet bij de behandeling overigens was betrokken. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk wat de rechtbank hiermee voor ogen stond en waarop zij dit oordeel heeft gebaseerd.
De rechtbank heeft hiermee dan ook de — onder meer — in Hoge Raad 15 juli 2024 19. uiteengezette beoordelingsmaatstaf miskend.
Onderdeel 2
16.
Ingeval klachtonderdeel 1 slaagt, kan het oordeel van de rechtbank, waarin zij het verzoek tot het verlenen van een (aansluitende) zorgmachtiging heeft ingewilligd, niet in stand blijven en moet de beschikking worden vernietigd.
Mitsdien
verzoeker, [betrokkene], Uw Raad verzoekt de beschikking van de rechtbank Limburg van 17 mei 2024 te vernietigen met zodanige beslissing als Uw Raad zal vermenen te behoren.
Rotterdam, 8 augustus 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑08‑2024
Aan de beschikking d.d. 17 mei 2024 is voorafgegaan de beschikking d.d. 19 december 2022 waarbij de rechtbank Limburg ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van 6 maanden, gevolgd door de beschikking d.d. 28 juni 2023 waarbij een (aansluitende) zorgmachtiging door de rechtbank is verleend tot en met 19 juni 2024.
Betrokkene heeft eerder cassatieberoep ingesteld. Dit heeft geleid tot een tweetal uitspraken van de Hoge Raad: Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:160 en Hoge Raad 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:825.
Proces-verbaal van verhoor van 17 mei 2024.
Zowel op 1 juni 2023 als op 10 mei 2024 is door de psychiater [psychiater] een medische verklaring opgesteld.
HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, r.o. 4.1.2, HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1545, r.o. 3.1.4, HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1159, r.o. 3.3 en HR 15 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1076, r.o. 3.2.2.
In de procedure ten overstaan van de rechtbank is door (de advocaat van) betrokkene deze stelling nadrukkelijk ingenomen en (voorts) dienaangaande, mede op grond daarvan, tegen het verzoek verweer gevoerd; vergelijk hiertoe het proces-verbaal, nr. 3, en r.o. 2.2 van de beschikking.
In het kader van de parlementaire behandeling van artikel 5:7 Wvvgz is daaraan volop aandacht besteed; vergelijk de Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 24 (Nota naar aanleiding van het Nader Verslag), bladzijde 26 en 27, sub d. De onafhankelijke arts.
Zie onder meer de conclusie van A-G Leijten bij Hoge Raad 30 juni 1995, NJ 1996/217, met verwijzing naar Hoge Raad 9 februari 1990, NJ 1992/603 en Hoge Raad 15 december 1995, NJ 1996/365, r.o. 3.2.3.
Hoge Raad 15 juli 2024,ECLI:NL:HR:2024:1076, r.o. 3.3.2.
Zie hiertoe de conclusie van A-G Langemeijer, par. 2.4 jo. 2.6, bij Hoge Raad 16 oktober 2009, NJ 2009/518. Ook door de Minister werd de termijn van één jaar aangehouden; vergelijk hiertoe voetnoot 6 in de (voornoemde) conclusie van A-G Langemeijer bij Hoge Raad 16 oktober 2009, waarin wordt verwezen naar de Regeling van 28 oktober 2003 houdende vaststelling van modellen Bopz (Stcrt. 2003,217), gebaseerd op artikel 3 Besluit administratieve bepalingen Bopz (Stb. 1993, 560).
Hoge Raad 15 juli 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1076), r.o. 3.2.2.
Conclusie par. 2.18, bij Hoge Raad 15 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1076).
Hoge Raad 15 juli 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1076), r.o. 3.3.1.
Zie hiertoe Hoge Raad 15 juli 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1076), r.o. 3.3.2.
De medische verklaring d.d. 1 juni 2023 bevond zich niet in het (oorspronkelijk) procesdossier; vergelijk ook de opsomming van de bijlagen in r.o. 1.1 van de beschikking. Deze (eerste) medische verklaring is door de advocaat van betrokkene, mr. Regter, in het kader van de mondelinge behandeling op 17 mei 2024 aan de rechtbank overhandigd.
Zie Conclusie par. 2.18, bij Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1076.
Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, r.o. 4.1.1 — 4.1.3.
Hoge Raad 15 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1076, r.o. 3.3.2.
Hoge Raad 15 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1076.