HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3569, rov 3.4., herhaald in HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.3.
HR, 05-01-2016, nr. 14/01129
ECLI:NL:HR:2016:6
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-01-2016
- Zaaknummer
14/01129
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:6, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 05‑01‑2016; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1607, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:1607, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑06‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:6, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2016-0049
SR-Updates.nl 2016-0035
Uitspraak 05‑01‑2016
Inhoudsindicatie
Noodweer. Art. 41 Sr. ’s hofs oordeel dat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door X noch een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor aannemelijk is geworden, is , in aanmerking genomen de door het Hof vastgestelde f&o, niet zonder meer begrijpelijk.
Partij(en)
5 januari 2016
Strafkamer
nr. S 14/01129
DAZ/LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van de Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, nummer 21/007646-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof om deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen. De Advocaat-Generaal heeft dat standpunt in haar nadere conclusie gehandhaafd.
2. Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en (bespreking van) een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer
2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op of omstreeks 1 februari 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet een mes in de keel van die [betrokkene 1] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."
2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof, zakelijk weergegeven:
Ik besefte dat [betrokkene 1] mij wilde doden. Ik leidde dat af aan zijn ogen. Ik heb een mesje gepakt van een tafeltje dat naast mijn stoel stond. Ik heb [betrokkene 1] met dat mesje in zijn keel gestoken. Het klopt dat ik mij eerst wilde verweren met een op het tafeltje staand beeldje. Ik heb dat beeldje echter niet gepakt, omdat ik dacht dat het daarmee niet ging lukken. Ik wilde er in ieder geval voor zorgen dat [betrokkene 1] mij en mijn familie niets meer kon aandoen.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, voorzien van het nummer PL0940/2011025045-1, onder meer, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 64 en 65):
Ik doe aangifte van poging doodslag en zware mishandeling tegen de broer van mijn vriendin. Op 1 februari 2011 ben ik naar de [a-straat] in Amersfoort gegaan waar [verdachte] en mijn schoonouders wonen. Mijn vriendin [betrokkene 2] was daar ook op dat moment. Ik werd binnen gelaten door [betrokkene 2] . In de woonkamer pakte ik [verdachte] vast bij zijn schouder. Ik zag dat hij opsprong en mij in mijn hals stak. De verwonding aan mijn hals moest in het ziekenhuis gehecht worden. Er waren vijf hechtingen nodig om de wond te dichten. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige, onder meer, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] (blz. 43-45):
Op 1 februari 2011 ben ik getuige geweest van een steekpartij in de woning van mijn ouders, [a-straat] te Amersfoort. Ik zag dat mijn vriend bij de woning van mijn ouders arriveerde. Ik heb hem binnen gelaten via de voordeur. Ik zag dat hij naar de woonkamer liep. Ik zag dat mijn vriend mijn broer bij zijn rechterarm of schouder vast pakte. Ik zag dat ze in een worsteling raakten. Op een gegeven moment hoorde ik mijn vriend zeggen dat hij gestoken was en zag ik dat hij met zijn hand naar zijn keel/nek ging. Ik zag allemaal bloed uit een wond in zijn keel komen.
4. Een schriftelijk stuk, zijnde een geneeskundige verklaring van een arts werkzaam in het ziekenhuis Lichtenberg te Amersfoort, ondertekend op 8 februari 2011, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven,
(blz. 207):
Medische informatie betreffende:
[betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] , man, burgerservice nummer [001] , Nederlandse nationaliteit. Deze persoon is onderzocht op 1 februari 2011.
Uitwendig letsel: messteek in de hals: er is sprake van gering bloedverlies."
2.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:
"De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
(...)
Ik ben tegen mijn wil terechtgekomen in een vechtpartij met mijn zwager, genaamd [betrokkene 1] . Ik kon mij niet onttrekken aan die vechtpartij. Ik heb zo'n situatie niet eerder meegemaakt. Ik heb bij de politie verklaard over het steken met een mes in zijn hals. Ik wilde daar niet over verklaren, maar die politiemensen bleven aandringen. Ik ben door de politie onder druk gezet om te verklaren. [betrokkene 1] heeft zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. Hij kwam mijn woning binnen met het oogmerk om mij in elkaar te slaan. Hij trok mij aan mijn haren uit een stoel. Ik heb toen de politie gebeld. Hij sloeg daarop de telefoon die ik aan mijn oor hield, uit mijn hand. Er ontstond een worsteling waarbij ik geen andere keuze had dan hem te steken.
Voordat [betrokkene 1] binnen kwam bonkte hij op de deur. Ik zat in een stoel tv te kijken, toen hij de kamer binnen kwam stormen. Hij kwam voor mij staan en hij maakte zich groot. Hij trok mij aan mijn haren omhoog. Ik belde 112. Hij gaf mij een klap. Hij sloeg de telefoon uit mijn hand. Ik raakte in paniek. Hij gedroeg zich intimiderend en agressief. Ik wist uit verhalen uit het verleden en eigen ervaringen met [betrokkene 1] dat hij helemaal uit zijn dak kon gaan. Hij is een gebruiker van hard drugs. Hij is volkomen onberekenbaar. Het klopt dat ik bij de politie heb verklaard dat ik hem in zijn oog wilde steken. Ik heb dat verklaard onder druk van de politie. Ik vertelde tegen die verbalisanten dat ik het niet meer wist. Zij zeiden toen dat ik moest gissen en toen is dat verhaal over het steken in het oog er uit gekomen.
Hij gaf mij een klap en ik heb hem terug geslagen. Daardoor werd hij nog agressiever en bozer. Ik besefte dat [betrokkene 1] mij wilde doden. Er was sprake van een psychologische aanval. Hij liet mij denken: "als je denkt dat je met mij kunt klooien, dan ga je dood." Ik leidde dat af aan zijn ogen. Door zijn ziel leek het of de kamer donkerder werd. Ik heb een mesje gepakt van een tafeltje dat naast mijn stoel stond. Ik heb [betrokkene 1] met dat mesje in zijn keel gestoken. Het klopt dat ik mij eerst wilde verweren met een op het tafeltje staand beeldje. Ik heb dat beeldje echter niet gepakt, omdat ik dacht dat het daarmee niet ging lukken. Ik wilde er in ieder geval voor zorgen dat [betrokkene 1] mij en mijn familie niets meer kon aandoen.
Toen [betrokkene 1] voor deur van mijn woning stond, dacht ik dat hij toch niet binnen kon komen. Kort daarna was hij plotseling binnen. Later bleek dat mijn zus [betrokkene 2] hem had binnen gelaten. Hij is een harddrugsgebruiker en uit angst voor hem werd ik hysterisch. lk wist niet dat ik in staat was om een mens met een mes te steken. Ik had niet het opzet om hem te doden. Ik had echter geen andere keuze dan hem te steken. Ik moest mijzelf verdedigen. Ik verkeerde in doodsangst en ik heb [betrokkene 1] in een reflex gestoken.
(...)
De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig haar aan het hof overgelegde pleitnotities, welke is gehecht aan dit proces-verbaal.
Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van [verdachte]
De rechtbank achtte niet aannemelijk dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Uit de verklaringen van [verdachte] blijkt dat [betrokkene 1] direct agressief op hem afkwam, hem aan zijn haren omhoog trok, een harde klap tegen zijn hoofd gaf, waardoor de telefoon viel.
Vervolgens pakte [betrokkene 1] hem met zijn hand bij zijn schouder ter hoogte van zijn nek. Hij had zijn hand als een klauw, kneep en keek alsof hij [verdachte] zwaar zou mishandelen.
De verklaring van [verdachte] hierover wordt ondersteund door de aangever, [betrokkene 1] , zijn zus [betrokkene 2] en zijn moeder. [betrokkene 1] heeft immers verklaard dat hij [verdachte] bij zijn schouder pakte, ook [betrokkene 2] verklaart dit. Moeder hoorde dat, ondanks haar verbod hem binnen te laten, [betrokkene 1] op hoge poten binnenkwam. De versie van [verdachte] van het gebeuren is aannemelijk, omdat het ook klopt met de telefoongegevens van 112. Uit het overzicht van de telefoongegevens blijkt dat [verdachte] daadwerkelijk 112 had gebeld en contact heeft gehad met de huistelefoon, voordat deze met een klap tegen zijn hoofd op de grond werd geslagen door [betrokkene 1] . Hij heeft natuurlijk niet zomaar 112 gebeld, zoals [betrokkene 1] dat doet voorkomen. Het is überhaupt ongeloofwaardig dat [betrokkene 1] rustig naar het huis van [verdachte] kwam voor slechts een gesprek of het ophalen van een oplader. [betrokkene 1] was kwaad. Dit hoorde [betrokkene 2] ook al aan de telefoon. Voordat hij binnen werd gelaten, stond hij te schreeuwen voor de deur, aldus [betrokkene 2] . De reactie van [betrokkene 1] op het bellen naar de politie was direct slaan. Dit klemt temeer nu [betrokkene 1] in de woning van [verdachte] is gekomen, terwijl hij daar niet mag zijn en in die woning de confrontatie met [verdachte] is aangegaan, door direct agressief te eisen dat [verdachte] mee naar buiten zou gaan, [verdachte] wilde dit niet zo blijkt uit de verklaringen.
Verdediging noodzakelijk en geboden
Er was sprake van een directe aanval van [betrokkene 1] in het huis van [verdachte] en [verdachte] was gerechtigd zich daartegen verdedigen. Hij kon geen kant op en hij heeft steeds verklaard dat hij zonder verdediging er niet meer geweest zou zijn. Op p. 189 is een tekening opgenomen van de huiskamer. Bij het kruisje rechtsboven stond [betrokkene 1] en [verdachte] stond tussen het dressoirkastje, dat naast de televisie staat, en het tafeltje naast de stoel met medicijnen, ze stonden op een halve meter van elkaar. Zoals op de tekening, maar ook op de foto's op p. 162, 164 en 167 goed te zien is, is het een hele krappe kamer. Overigens stond het tafeltje met medicijnen naast de witte stoel, zoals op de tekening wel aangegeven, maar op de foto's is het tafeltje naar rechts verplaatst. Er staat ook een eettafel, die een snelle doorgang blokkeert. [verdachte] kon zich niet op andere wijze aan de situatie onttrekken dan zich te verdedigen. Weglopen in die kleine kamer was geen optie, er stonden zowel een tafel als een grote stoel en een medicijntafeltje in de weg.
Daarbij komt dat alles zich afspeelde in een zeer kort tijdsbestek.
De noodzaak om zich te verdedigen en de angst die [verdachte] had voor [betrokkene 1] was ook gebaseerd op de verhalen die [verdachte] kende uit het verleden van [betrokkene 1] en op zijn eigen ervaringen toen hij bij hen in huis woonde (aan oren omhoog trekken, agressief gedrag tegen zus, spullen vernielen). Dit wordt eveneens bevestigd door zijn ouders in hun verklaringen hiervoor genoemd. [betrokkene 1] heeft het overigens ook over zijn drugsverleden en agressie "De laatste tien jaar heb ik niets meer met de politie te maken gehad. Daarvoor voor geweld en dingen. Dit kwam denk ik door een kort lontje en door de vriendengroep die ik had. Ik leefde in die tijd op straat. Sinds ik met [betrokkene 2] ben, gaat het goed.
Het korte lontje was zeker op 1 februari 2011 aanwezig, niet alleen in het begin bij aankomst bij de woning, maar ook na het hele voorval. (...)
De verdediging is van mening dat de verdediging voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [verdachte] greep wat hij voorhanden had, het aardappelschilmesje en heeft gehandeld uit hysterische angst en in een reflex. Verzoek tot ontslag van alle rechtsvervolging.
Noodweerexces
Mocht uw Hof van mening zijn dat de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn overschreden door met het aardappelmesje in de keel te steken dan is de verdediging van mening dat deze overschrijding [verdachte] strafrechtelijk niet kan worden verweten, omdat de gedragingen van [verdachte] het onmiddellijke gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging, als gevolg van de dreigende aanranding door [betrokkene 1] op zijn lichaam (haren trekken, slaan tegen zijn hoofd, bij de keel grijpen, dreigende tekst). Uit de verklaringen van [betrokkene 2] en moeder blijkt dat [betrokkene 1] niet stopte, hij bleef agressief vanaf dat hij binnenkwam. [verdachte] had geen keus, het was voor hem "hij of ik", hij heeft uit doodsangst gestoken. Ook als uw Hof van mening is dat de bedreigende situatie al zou zijn beëindigd op het moment van steken en derhalve de noodzaak van verdediging niet meer zou bestaan dan is de gedraging van [verdachte] niettemin toch het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding van het vastpakken, terwijl hij in een stoel zat en het aan zijn haren trekken en de telefoon uit zijn handen slaan door middel van een vuistslag. In beide gevallen is [verdachte] niet strafbaar en dient hij te worden ontslagen van alle rechtsvervolging."
2.4.
De bestreden uitspraak houdt als overwegingen van het Hof het volgende in:
"Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) moet allereerst worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk was.
Naar oordeel van het hof kunnen de volgende feiten als vaststaand worden aangenomen.
Op 1 februari 2011 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen verdachte en [betrokkene 1] over een telefoonoplader die verdachte niet had teruggegeven aan [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft in dat telefoongesprek aangekondigd dat hij direct langs zou komen om die oplader op te halen. Aangekomen bij het huis van verdachte, [a-straat] , te Amersfoort, werd [betrokkene 1] de toegang tot die woning geweigerd totdat een zus van verdachte de deur van de woning open deed. [betrokkene 1] is de woning binnen gelopen en is tegenover verdachte gaan staan die in een stoel in de woonkamer zat. [betrokkene 1] zei tegen verdachte dat hij mee naar buiten moest komen. Verdachte belde daarop met zijn mobieltje 112. [betrokkene 1] heeft verdachte toen bij zijn schouder gepakt en het mobieltje uit zijn hand geslagen. Daarop heeft verdachte [betrokkene 1] met een mesje in zijn keel gestoken. In hoger beroep is door de verdediging naar voren gebracht dat [betrokkene 1] , voordat verdachte hem met een mes in zijn keel stak, verdachte bij zijn keel had vastgepakt.
Het hof acht dit echter niet aannemelijk geworden, nu [betrokkene 1] noch de getuigen hebben verklaard dat verdachte bij zijn keel werd vastgepakt door [betrokkene 1] . Dat maakt dat naar het oordeel van het hof de aanval van de zijde van [betrokkene 1] reeds was geëindigd toen verdachte, gelet op zijn verklaring in hoger beroep, besloot dat [betrokkene 1] uitgeschakeld diende te worden door hem met een mes in zijn keel te steken zodat hij verdachte en zijn familie niets meer kon aandoen.
Het hof acht op grond van het vorenstaande niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 1] jegens verdachte, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Derhalve moet worden geconcludeerd dat verdachte zich ten tijde van zijn gewelddadige handelen niet bevond in een noodweersituatie waarin hij gerechtigd was zich te verdedigen.
Het beroep op noodweer faalt reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Om diezelfde reden faalt derhalve ook het beroep op noodweerexces."
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [betrokkene 1] noch een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor aannemelijk geworden is.
3.2.
Het Hof heeft blijkens zijn overwegingen geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het bewezenverklaarde handelen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 1] jegens de verdachte noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor omdat "de aanval van de zijde van [betrokkene 1] reeds was geëindigd toen verdachte, gelet op zijn verklaring in hoger beroep besloot dat [betrokkene 1] uitgeschakeld diende te worden door hem met een mes in zijn keel te steken".
3.3.
Dat oordeel is, in aanmerking genomen de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet zonder meer begrijpelijk, in het bijzonder gelet op de vaststelling van het Hof: "Verdachte belde daarop met zijn mobieltje 112. [betrokkene 1] heeft verdachte toen bij zijn schouder gepakt en het mobieltje uit zijn hand geslagen. Daarop heeft verdachte [betrokkene 1] met een mesje in zijn keel gestoken." Dat het Hof in dit verband niet aannemelijk achtte dat [betrokkene 1] , voordat de verdachte hem met een mes in zijn keel stak, de verdachte bij zijn keel had vastgepakt, doet daaraan niet af, nu dat aspect vooral de ernst van de aanranding betreft.
3.4.
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 januari 2016.
Conclusie 23‑06‑2015
Inhoudsindicatie
Noodweer. Art. 41 Sr. ’s hofs oordeel dat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door X noch een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor aannemelijk is geworden, is , in aanmerking genomen de door het Hof vastgestelde f&o, niet zonder meer begrijpelijk.
Nr. 14/01129 Zitting: 23 juni 2015 | Mr. T.N.B.M. Spronken Nadere conclusie inzake: [verdachte] |
Verdachte is bij arrest van 3 februari 2014 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, waaraan het hof een proeftijd van twee jaren en een aantal bijzondere voorwaarden heeft verbonden, alsmede een werkstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis. Tevens is de vordering van de benadeelde partij toegewezen en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.
Op 31 maart 2015 heb ik in deze zaak een conclusie genomen en daarin uitsluitend het tweede middel besproken, dat volgens mij slaagt. Op verzoek van de Hoge Raad zal ik aanvullend concluderen over het eerste middel.
Beide middelen hebben betrekking op de verwerping van het beroep op noodweer(exces). Het tweede, reeds besproken, middel stelt aan de orde dat het hof onvoldoende inzicht zou hebben gegeven in zijn oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding noch van een onmiddellijk dreigend gevaar. Zoals hiervoor al gezegd meen ik dat dit middel slaagt. In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof bij de verwerping van het beroep van verdachte op noodweer subsidiair noodweerexces de betekenis van het bepaalde in art. 41 Sr heeft miskend, omdat het hof daarbij de mogelijkheid heeft opengelaten dat het steken door verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt is door de (voorafgaande) aanranding en waarbij wellicht de grenzen van noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Ik vat het middel zo op dat geklaagd wordt over de verwerping van het beroep op noodweerexces.
Voor een samenvatting van het door de raadsvrouw van verdachte bij het hof gevoerde verweer verwijs ik naar mijn conclusie van 31 maart 2015 onder punt 5.
Voor de leesbaarheid van deze nadere conclusie zal ik de overweging waarmee het hof het verweer heeft verworpen hier nogmaals weergeven:
“Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) moet allereerst worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk was. Naar oordeel van het hof kunnen de volgende feiten als vaststaand worden aangenomen. Op 1 februari 2011 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen verdachte en [betrokkene 1] over een telefoonoplader die verdachte niet had teruggegeven aan [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft in dat telefoongesprek aangekondigd dat hij direct langs zou komen om die oplader op te halen. Aangekomen bij het huis van verdachte, [a-straat], te Amersfoort, werd [betrokkene 1] de toegang tot die woning geweigerd totdat een zus van verdachte de deur van de woning open deed. [betrokkene 1] is de woning binnen gelopen en is tegenover verdachte gaan staan die in een stoel in de woonkamer zat. [betrokkene 1] zei tegen verdachte dat hij mee naar buiten moest komen. Verdachte belde daarop met zijn mobieltje 112. [betrokkene 1] heeft verdachte toen bij zijn schouder gepakt en het mobieltje uit zijn hand geslagen. Daarop heeft verdachte [betrokkene 1] met een mesje in zijn keel gestoken. In hoger beroep is door de verdediging naar voren gebracht dat [betrokkene 1], voordat verdachte hem met een mes in zijn keel stak, verdachte bij zijn keel had vastgepakt. Het hof acht dit echter niet aannemelijk geworden, nu [betrokkene 1] noch de getuigen hebben verklaard dat verdachte bij zijn keel werd vastgepakt door [betrokkene 1]. Dat maakt dat naar het oordeel van het hof de aanval van de zijde van [betrokkene 1] reeds was geëindigd toen verdachte, gelet op zijn verklaring in hoger beroep, besloot dat [betrokkene 1] uitgeschakeld diende te worden door hem met een mes in zijn keel te steken zodat hij verdachte en zijn familie niets meer kon aandoen.
Het hof acht op grond van het vorenstaande niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 1] jegens verdachte, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Derhalve moet worden geconcludeerd dat verdachte zich ten tijde van zijn gewelddadige handelen niet bevond in een noodweersituatie waarin hij gerechtigd was zich te verdedigen.
Het beroep op noodweer faalt reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Om diezelfde reden faalt derhalve ook het beroep op noodweerexces.”
7. In de toelichting op het middel wordt kort samengevat betoogd dat het hof de beslissing op de vraag of er sprake was van noodweerexces heeft laten afhangen van de vraag of de aanval van [betrokkene 1] reeds was geëindigd toen verdachte hem met een mes in zijn keel stak, terwijl het einde van de aanval niet per definitie een beroep op noodweerexces uitsluit.
8. Ik meen dat de in het middel vervatte klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft het beroep op noodweer c.q. noodweerexces niet afgewezen op de grond dat de aanval van [betrokkene 1] reeds was geëindigd, maar op de grond dat het hof (hierdoor) niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dus geen sprake van een noodweersituatie. Op zichzelf heeft het hof daarbij de juiste maatstaf aangelegd. Bij een beroep op noodweerexces dient de rechter immers, zo volgt uit HR 13 juni 20061., te onderzoeken of:
de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien
op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
9. Dat betekent dat als er geen noodweersituatie wordt aangenomen, zoals het hof heeft gedaan, een beroep op noodweerexces ook niet kan slagen.
10. Het eerste middel faalt.
11. Ik heb al eerder geconcludeerd dat mijns inziens het tweede middel wel slaagt omdat ik het oordeel van het hof dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, zodat hij zich ten tijde van zijn gewelddadig handelen niet bevond in een noodweersituatie, gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet begrijpelijk acht. Daaraan wil ik nog toevoegen dat ook al heeft het hof niet aannemelijk geacht dat verdachte bij zijn keel werd vastgepakt door [betrokkene 1], dit onverlet laat dat het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] verdachte bij zijn schouder heeft gepakt en het mobieltje uit zijn hand heeft geslagen, hetgeen op zichzelf als een ogenblikkelijke wederrechterlijke aanrandig zou kunnen worden aangemerkt. Daarbij blijkt uit het de door het hof gebezigde bewijsmiddel 3, de verklaring van de getuige en zus van verdachte, dat [betrokkene 1] verdachte niet alleen bij zijn rechterarm of schouder vast pakte, maar dat ze ook in een worsteling raakten.
12. Ook al faalt het eerste middel, vanwege de omstandigheid dat het tweede middel slaagt handhaaf ik mijn conclusie die strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te laten berechten en afdoen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑06‑2015