HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1077. Zie ook HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677.
HR, 09-07-2019, nr. 17/05008
ECLI:NL:HR:2019:1154
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-07-2019
- Zaaknummer
17/05008
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1154, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑07‑2019; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:546
ECLI:NL:PHR:2019:546, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑05‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1154
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑07‑2019
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/05008
Datum 9 juli 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 oktober 2017, nummer 22/005294-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.
Conclusie 28‑05‑2019
Inhoudsindicatie
-
Nr. 17/05008 Zitting: 28 mei 2019 (bij vervroeging) | Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 10 oktober 2017 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het hem onder 1 en 3 ten laste gelegde en wegens 2. “mishandeling” veroordeeld tot een geldboete van € 250, subsidiair vijf dagen hechtenis. Verder heeft het hof beslissingen genomen op een vordering van een benadeelde partij en een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf, één en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. H. Sytema, advocaat te's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat aan de aangeefster pijn of letsel is toegebracht dan wel een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van de aangeefster teweeg is gebracht.
De tenlastelegging onder 2 luidt als volgt:
“'hij op of omstreeks 27 augustus 2015 te 's-Gravenhage zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld
- door haar aan een arm vast te pakken en/of (vervolgens) aan die arm te trekken en/of
- door haar aan de haren vast te pakken en/of (vervolgens) aan die haren te trekken en/of
- door haar tegen een deurpost en/of muur aan te duwen en/of
- door haar tegen een bank(leuning) aan te drukken en/of
- door haar bij de keel te grijpen/pakken en/of
- door met zijn, verdachtes, vingers in de oogkassen van die [slachtoffer] te drukken”.
5. Daarvan is bewezen verklaard dat:
“hij op 27 augustus 2015 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld
- door haar aan een arm vast te pakken en aan die arm te trekken en
- door haar tegen een deurpost en muur aan te duwen.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 28 augustus 2015 van de politie Eenheid Den Haag met proces-verbaalnummer PL1500-2015255408-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 6-10):
als de op 28 augustus 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
Ik doe aangifte van mishandeling tegen mijn huidige vriend [verdachte] . Op 27 augustus 2015 ben ik naar het huis van [verdachte] gegaan op de [a-straat] te 's-Gravenhage. Na het eten gingen wij allebei op de bank zitten en kregen een discussie. Ik deed mijn schoenen aan en vertelde [verdachte] dat ik naar huis wilde gaan. Wij liepen naar de voordeur en hij deed de deur open. Ik liep naar de hoek van de straat en hoorde dat [verdachte] mij achterna rende. Ik voelde dat hij mij beet pakte en mij meesleurde. Voor de woning duwde hij mij tegen de deurpost aan, pakte mij met grote kracht vast en duwde mij het huis in. Ik viel toen tegen de muur en liep daarna de woonkamer in.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 augustus 2015 van de politie Eenheid Den Haag met proces-verbaalnummer PL1500-2015255408-8.Dit proces-verbaal, houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 11-12):
als de op 28 augustus 2015 afgelegde verklaring van [getuige] :
Ik liep vannacht in de [a-straat] te 's-Gravenhage.
Ik zag een vrouw in de richting van de [b-straat] lopen en een man vanaf een woning naar haar toe rennen. De man pakte de vrouw beet en tilde haar op. Ik hoorde de vrouw schreeuwen dat de man haar moest laten gaan. Hij nam haar mee naar de woning aan de [a-straat 1] .
De man duwde de vrouw de woning in en was gewelddadig (violent) in de manier waarop hij de vrouw beetpakte. De vrouw stribbelde tegen en probeerde zich aan de deurpost tegen te houden. Toen zij binnen waren bleef ik bij de deuropening staan en hoorde dat de vrouw bleef schreeuwen. Het was duidelijk dat zij daar niet wilde zijn, dus ik heb de politie gebeld.
3. De verklaring van verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2017 verklaard - zakelijk weergegeven - :
U bespreekt met mij het voorval op de avond voor mijn […] , [geboortedag] 2015. Ik zou eerder hebben verklaard dat ik [slachtoffer] naar binnen zou hebben gehaald en haar daarbij zou hebben vastgepakt. Dat klopt inderdaad. Ik heb haar naar binnen getrokken, (...)
Toen heb ik mijn grensoverschrijdende gedrag vertoond door haar mijn huis in te duwen. Ik heb ook aan haar arm getrokken.”
7. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat onder 'mishandeling' in de zin van art. 300 Sr moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, één en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.1.
8. De tenlastelegging en bewezenverklaring van mishandeling hoeven niet uitdrukkelijk in te houden dat pijn of letsel is toegebracht of dat de gezondheid is benadeeld. In het begrip ‘mishandeling’ ligt immers besloten dat de iemand aangedane feitelijkheden pijn of letsel aan diens lichaam of nadeel aan de gezondheid hebben veroorzaakt. Dat betekent dat in gevallen waarin het gevolg (pijn, letsel, etc.) niet uitdrukkelijk in de tenlastelegging en de bewezenverklaring is opgenomen, in de daarin opgenomen gedragingen besloten zal moeten liggen dat pijn, letsel, opzettelijke benadeling van de gezondheid of een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam is toegebracht. De Hoge Raad oordeelde in een zaak waarin was ten laste gelegd en bewezen verklaard dat de verdachte een ander had mishandeld door het opzettelijk gewelddadig geven van een stomp, dat daarmee genoegzaam tot uitdrukking was gebracht dat daardoor pijn of letsel was toegebracht.2.In deze zaak springt het wel ten laste gelegde woord ‘gewelddadig’ in het oog. Advocaat-Generaal Berger merkt daarover op dat het hof kon aannemen dat “deze feitelijkheden noodwendig eenige pijnlijke aandoening van den getroffene moeten hebben veroorzaakt”. In een andere zaak oordeelde de Hoge Raad dat door een bewezenverklaring inhoudende dat de verdachte opzettelijk mishandelend een persoon heeft geduwd en tegen het lichaam heeft geschopt genoegzaam tot uitdrukking was gebracht dat daardoor pijn was toegebracht.3.
9. In deze zaak heeft het hof bewezen verklaard dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld door haar aan een arm vast te pakken en aan die arm te trekken en door haar tegen een deurpost en muur aan te duwen. De vraag is of daarmee genoegzaam tot uitdrukking is gebracht dat daardoor pijn is toegebracht. De beantwoording van deze vraag is minder eenvoudig dan in de hiervoor genoemde arresten, waarin het (onder meer) ging om het schoppen tegen het lichaam en om het opzettelijk gewelddadig geven van een stomp. Met de bewezenverklaring van het vastpakken aan een arm en het aan die arm trekken is als zodanig nog niet genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat aan de aangeefster pijn is toegebracht. Van de zorgzame ouder die zijn of haar kind aan de arm vastpakt en met zachte drang aan die arm trekt om te voorkomen dat het kind een drukke weg oploopt, kan toch bezwaarlijk worden gezegd dat die een handeling verricht die noodgedwongen pijn toebrengt. Betoogd kan worden dat zulks anders is voor het eveneens bewezen verklaarde tegen een deurpost en muur aanduwen. Het kennelijke oordeel van het hof dat met het in zoverre bewezen verklaarde genoegzaam tot uitdrukking is gebracht dat daardoor pijn is toegebracht, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Enige aarzeling kan hierover wel bestaan. Ik laat dit punt evenwel verder rusten, omdat het middel niet is gericht tegen de kwalificatiebeslissing, maar ertoe strekt dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
10. In dat kader stel ik vast dat het hof aan zijn oordeel dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld geen bijzondere bewijsoverweging heeft gewijd. Wel volgt uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de aangeefster op straat heeft vastgepakt en meegesleurd, haar tegen de deurpost heeft geduwd en haar vervolgens met kracht heeft vastgepakt en het huis in heeft geduwd tegen een muur. Daarbij was de verdachte gewelddadig in de manier waarop hij de aangeefster beetpakte, aldus de getuige. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte aan de aangeefster heeft mishandeld door haar aan een arm vast te pakken en aan die arm te trekken en door haar tegen een deurpost en muur aan te duwen. De bewezenverklaring is aldus in zoverre naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.
11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑05‑2019
HR 21 oktober 1935, NJ 1936, p. 125. Vgl. ook HR 19 oktober 1891, W. 6099.
HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL9052.