LJN: BV6999, NJ 2012, 426 m.nt. Bleichrodt.
HR, 02-07-2013, nr. 11/04316
ECLI:NL:HR:2013:113
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
02-07-2013
- Zaaknummer
11/04316
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:113, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑07‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:70, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:70, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑06‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:113, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0304
Uitspraak 02‑07‑2013
Inhoudsindicatie
Schriftelijke volmacht van advocaat aan griffiemedewerker om h.b. in te stellen. Het hof heeft verdachte n-o verklaard in het h.b. omdat het beroep niet zou zijn ingesteld op de wijze a.b.i. HR LJN BJ7810. HR herhaalt de in die uitspraak geformuleerde eisen waaraan een schriftelijke volmacht moet voldoen, en de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BY8357 m.b.t. het geval waarin het verzuim om aan die eisen te voldoen, voor gedekt kan worden gehouden. Het middel klaagt terecht dat het Hof dat heeft miskend, nu uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt dat verdachte en de raadsman op die tz. zijn verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) h.b. te doen instellen.
Partij(en)
2 juli 2013
Strafkamer
nr. 11/04316
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 12 september 2011, nummer 21/000337-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1935.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
2.2.
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat – kort gezegd – het beroep niet is ingesteld op de wijze als bedoeld in HR 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010/102.
2.3.
In voormeld arrest zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen dient te voldoen. Zo moet die volmacht inhouden:(i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv);
(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv);
(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).
Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, is in zaken waarin ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, daarom in de regel het door een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde beroep niet-ontvankelijk indien die volmacht niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet.
Gelet op diezelfde ratio bestaat evenwel onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde ingeval ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden(vgl. HR 20 maart 2012, LJN BV6999, NJ 2012/426), en evenmin op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden ingeval de verdachte dan wel een op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, aangezien het belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo een geval niet is geschaad, zodat het verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 22 januari 2013, LJN BY8357, NJ 2013/75).
2.4.
Het middel klaagt terecht dat het Hof het voorgaande heeft miskend, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte en de raadsman op die terechtzitting zijn verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2013.
Conclusie 11‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Schriftelijke volmacht van advocaat aan griffiemedewerker om h.b. in te stellen. Het hof heeft verdachte n-o verklaard in het h.b. omdat het beroep niet zou zijn ingesteld op de wijze a.b.i. HR LJN BJ7810. HR herhaalt de in die uitspraak geformuleerde eisen waaraan een schriftelijke volmacht moet voldoen, en de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BY8357 m.b.t. het geval waarin het verzuim om aan die eisen te voldoen, voor gedekt kan worden gehouden. Het middel klaagt terecht dat het Hof dat heeft miskend, nu uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt dat verdachte en de raadsman op die tz. zijn verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) h.b. te doen instellen.
Nr. 11/04316
Mr. Machielse
Zitting 11 juni 2013
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 12 september 2011 op tegenspraak niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 17 januari 2011, waarbij verdachte ter zake van “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” is veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 300, te vervangen door zes dagen hechtenis.
2. Mr. J. Zandberg, advocaat te Zevenaar, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1 Het middel beoogt te klagen over de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van verdachte in zijn hoger beroep.
3.2 De aantekening van het mondeling arrest houdt in dat het hof het volgende heeft overwogen en beslist:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De raadsman heeft op 27 januari 2011 een faxbericht gezonden naar de griffie van de rechtbank Utrecht met het verzoek om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de Politierechter van 17 januari 2011.
In het verzoek heeft hij de naam van verdachte (zonder opgave van een adres) vermeld en het parketnummer 16/180735-10, maar niet dat de raadsman door verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het hoger beroep en ook niet dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep, terwijl tenslotte ook een opgave ontbreekt van een door de verdachte opgegeven adres voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding.
De brief van de raadsman tot het instellen van het hoger beroep voldoet daarmee niet aan de vereisten van artikel 450, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Vgl HR 22 december 2009, LJN BJ 7810)
Gelet hierop zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
3.3 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2012,1.voor zover thans relevant, het volgende beslist:
“2.5. Zoals in [het arrest van 22 december 20092.] is geoordeeld, moeten de eisen waaraan de schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte hoger beroep in te stellen, worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Met het oog daarop is voorzien in de uitreiking van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep aan zijn gemachtigde ( art. 408a in verbinding met art. 450 Sv).
2.6. Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, is in zaken waarin ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, daarom in de regel het door een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde beroep niet-ontvankelijk indien die volmacht niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet.
2.7. Gelet op diezelfde ratio bestaat evenwel onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens een verzuim als voormeld, indien ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. Weliswaar is in genoemd arrest geoordeeld dat de wetgever niet heeft willen weten van een volmacht die aan voormelde eisen niet beantwoordt en dat hij ook niet heeft willen weten van de mogelijkheid tot herstel van verzuimen na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep, maar dat staat niet eraan in de weg dat in een dergelijk geval een verzuim als voormeld voor gedekt wordt gehouden.”
3.4 Recentelijk heeft de Hoge Raad dit oordeel herhaald in HR 19 maart 2013, LJN: BZ4492, r.ov. 2.5.
3.5 Nu blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2011 zowel verdachte als zijn raadsman aldaar zijn verschenen en ik aan hetgeen de raadsman bij die gelegenheid heeft aangevoerd ontleen dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen, moet het geconstateerde verzuim in de volmacht voor gedekt worden gehouden en kan het arrest van het hof niet in stand blijven.
3.6 Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑06‑2013
LJN: BJ7810, NJ 2010, 102 m.nt. Borgers.