HR, 10-04-2012, nr. S 10/01051
ECLI:NL:HR:2012:BV9286
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
10-04-2012
- Zaaknummer
S 10/01051
- LJN
BV9286
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV9286, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 10‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9286
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑04‑2011
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑04‑2012
Inhoudsindicatie
Strafmotivering. De vaststelling van het Hof dat verdachte "eerder is veroordeeld voor het plegen van verduistering" is niet begrijpelijk, nu het door het Hof genoemde uittreksel Justitiële Documentatie geen veroordeling wegens verduistering inhoudt. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.
10 april 2012
Strafkamer
nr. S 10/01051
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 februari 2010, nummer 22/006015-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte 2], geboren te Schiedam op 10 september 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de strafoplegging betreft en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt over de strafmotivering.
2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"1. hij in de periode van 31 december 2003 tot en met 19 april 2005 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [verdachte 4] en, [verdachte 3] en [verdachte 1] en [A] en/of [B] B.V. en/of [C] B.V. en/of [D] en/of [J] B.V., welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van flessentrekkerij als bedoeld in artikel 326a van het Wetboek van Strafrecht en het plegen van valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.
2. hij in of omstreeks de periode van februari 2004 tot en met februari 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen - al dan niet op naam van
(a.) [A] of
(b.) [B] B.V. of
(c.) [C] B.V. en/of [D] of
(d.) [J] B.V. -
met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk de navolgende goederen gekocht te weten:
Kirby stofzuigers van [K] en
een beamer van [L] en/of [betrokkene 11] en
verrekijkers van [M] v.o.f. en
fietsen van [N] B.V. en/of [betrokkene 12] en/of [O] B.V. en
koffiezetapparaten van [P] B.V. en
pakken (print)papier van [E] en
dekbedden en hoeslakens van [Q] B.V. en
koffiezetapparaten en sapcentrifuges van [R] B.V. en
minicoolers van [S] en
wereldontvangers van [T] en
strandlakens van [U] en
een rolsteiger van [V] en
flessen wijn van [W] en/of [betrokkene 13] en
skelters van [X] en
dartborden van [Y] en
batterijladers (incl. batterijen) van [Z] en/of [betrokkene 14] en
gazonmaaiers van [AA] en
pakken papier van [BB] en
kluizen van (de eenmanszaak) [CC] en/of [betrokkene 15] en
toner kits van [DD] en
golfsets van [EE] B.V. en
wekkerradio's van [FF] en
messensets van [GG]."
2.2.2. Het Hof heeft de verdachte te dier zake onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:
"De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft over een langere periode deelgenomen aan een organisatie die zich op grote schaal bezig hield met flessentrekkerij en valsheid in geschrift. Door aldus te handelen heeft verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich daarbij niet bekommerd om het financiële nadeel dat de slachtoffers hierbij hebben geleden. Het hof is van oordeel dat aldus een ernstige inbreuk is gemaakt op de rechtsorde, gelet ook op de schaal waarop is geopereerd en de professionele wijze waarop te werk is gegaan. Bovendien hebben de verdachte en zijn medeverdachten door flessentrekkerij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de leveranciers van de goederen in hen stelden. Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2010, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van verduistering, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. In het voordeel van de verdachte heeft het hof meegewogen dat de verdachte zijn leven inmiddels een positieve wending heeft gegeven en ter terechtzitting blijk heeft gegeven het verwerpelijke van zijn handelen in te zien en reeds een bedrag heeft gespaard teneinde zijn slachtoffers schadeloos te kunnen stellen."
2.3. De vaststelling van het Hof dat de verdachte "eerder is veroordeeld voor het plegen van verduistering" is niet begrijpelijk, nu het door het Hof genoemde uittreksel Justitiële Documentatie geen veroordeling wegens verduistering inhoudt. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.
2.4. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 10 april 2012.
Beroepschrift 26‑04‑2011
In de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats], verzoeker tot cassatie van het te zijnen laste door het gerechtshof te 's‑Gravenhage op 17 februari 2010 onder rolnummer 22-006015-07 (parketnummer eerste aanleg: 10-996518-05) gewezen arrest.
I Middel
1.
Het recht — in het bijzonder art. 6 EVRM en de art. 365a, 415 en 434 Sv — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de behandeling van de zaak na instelling van het cassatieberoep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, (mede) omdat het verkort arrest niet binnen de voorgeschreven drie maanden met bewijsmiddelen is aangevuld en/of omdat de stukken van het geding niet tijdig aan de Hoge Raad zijn gezonden.
2. Toelichting
2.1
Het gerechtshof heeft op 17 februari 2010 arrest gewezen. Op 26 februari 2010 is namens verzoeker cassatieberoep ingesteld. De aanvulling met bewijsmiddelen is ondertekend op 1 oktober 2010. De stukken van het geding zijn vervolgens op 4 november 2010 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv is op 3 maart 2011 aan verzoeker betekend.
2.2
Tussen de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld en de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad zit een periode van meer dan acht maanden, en tussen de datum van instelling van het cassatieberoep en die van de betekening van de aanzegging zit een periode van ruim een jaar. Op die vaststellingen is de klacht gebaseerd, die in het middel is verwoord.
II Middel
1.
Het recht — in het bijzonder de art. 350 en 415 Sv — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het gerechtshof ten onrechte in zijn motivering van de strafoplegging (in strafverzwarende zin) rekening heeft gehouden met een veronderstelde veroordeling in het verleden voor verduistering, althans doordat het gerechtshof de strafoplegging onjuist en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
2. Toelichting
2.1
Ter zitting in eerste aanleg, van 25 oktober 2007, is door verzoekers raadsman het volgende betoogd:
‘Het strafblad van cliënt is niet erg duidelijk. Op pagina 2 staan namelijk twee zaken met betrekking tot verduistering vermeld, van welke zaken cliënt in hoger beroep is gegaan en in hoger beroep is hij van beide feiten vrijgesproken.’
2.2
De officier van justitie heeft de juistheid van de opmerking van verzoekers raadsman met betrekking tot het strafblad bevestigd.
2.3
Het arrest van het gerechtshof is (mede) gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. In zijn strafmotivering stelt het gerechtshof (onder meer):
‘Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2010, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van verduistering, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.’
2.4
Op het door het gerechtshof bedoelde uittreksel is ook te lezen dat verzoeker in hoger beroep is vrijgesproken van het hem gemaakte verwijt van verduistering in de zaak die aanvankelijk bij de politierechter te Breda heeft geleid tot een veroordeling. Het bedoelde uittreksel behoort tot de stukken van het geding.
2.5
Gelet op dat uittreksel, en gelet op hetgeen door de raadsman en de officier van justitie in eerste aanleg is opgemerkt, is de motivering van de aan verzoeker opgelegde straf onjuist en/of onbegrijpelijk. Anders dan het gerechtshof heeft overwogen, is verzoeker immers niet veroordeeld voor het plegen van verduistering. Ten onrechte heeft het gerechtshof dan ook (in strafverzwarende zin) betekenis toegekend aan een veronderstelde veroordeling voor verduistering.
2.6
Omdat de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, kan het bestreden arrest niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Amsterdam, 26 april 2011
A.A. Franken