Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/288
288 Frog/Floriade: aanwijzing omslagpunt
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS457049:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, NJ 2005, 442, m.nt.W.D.H. Asser en JBPr 2005, 21, m.nt. E.F. Groot (Frog/Floriade).
Aangezien een voorlopig getuigenverhoor is gevraagd, betreft het hier zaken waarin getuigenbewijs een rol speelt. Vaak zal het eerste vonnis in een hoofdzaak een tussenvonnis met een bewijsopdracht zijn, zeker als een geldig bewijsaanbod is gedaan. Art. 166 Rv. bepaalt namelijk dat de rechter een getuigenverhoor móet bevelen als een van de partijen een aan alle eisen voldoend aanbod doet feiten te bewijzen. Rutgers (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 166, aant. 3. Een geldig bewijsaanbod voldoet aan drie vereisten: de te bewijzen feiten moeten betwist zijn en moeten kunnen leiden tot de beslissing van de zaak en het aanbod moet voldoende concreet zijn. Zie hierover verder Asser Procesrecht/Asser 3 2013/217-222.
In nr. 261 is als criterium geformuleerd dat bij oppervlakkige beoordeling blijkt dat in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen niet gebruikt kunnen worden ten nutte van de hoofdzaak. Het onderdeel van de oppervlakkige beoordeling heeft in dit geval echter niet veel waarde, omdat het stadium waarin de hoofdzaak verkeert doorgaans bekend zal zijn of worden (bijvoorbeeld omdat de wederpartij het stadium van de procedure aanvoert als reden om het verzoek af te wijzen of omdat tijdens de mondelinge behandeling de rechter hiernaar vraagt).
Als voldoende belang bestaat bij een in een laat stadium van de hoofdzaak verzocht voorlopig getuigenverhoor, is het verzoek nog niet gered. Op grond van strijd met de goede procesorde kan het verzoek alsnog worden afgewezen, zie par. 9.5.2.
In de zaak Frog/Floriade1 was door Frog een verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend tijdens een tussen haar en Floriade aanhangig geding. De rechtbank wees het verzoek af en Frog kwam in hoger beroep. Het verzoek werd door het hof behandeld en beslist op 2 december 2003. Op dat moment waren in het hoofdgeding bij de rechtbank alle conclusies gewisseld en was pleidooi bepaald op 8 december 2003 (zes dagen na de beslissing van het hof). Het hof wees het verzoek af. Frog zou onvoldoende belang (ex art. 3:303 BW) hebben bij een voorlopig getuigenverhoor aangezien de getuigen redelijkerwijze niet zouden kunnen worden gehoord vóór het (tussen)vonnis in het hoofdgeding en aangezien het eventuele tussenvonnis duidelijkheid zou scheppen ten aanzien van de te bewijzen stellingen en de bewijslast. De Hoge Raad legitimeerde het oordeel van het hof.
De zaak Frog/Floriade stond op het moment van de beslissing op het voorlopig getuigenverhoor bijna – op zes dagen na – voor arrest. De gedachte achter deze uitspraak is daarom, lijkt mij, dat het horen van getuigen in een voorlopig getuigenverhoor zinloos is als op het moment van de beslissing op het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor in de hoofdzaak een (tussen)uitspraak2 op het punt staat te worden gedaan of zelfs al is gedaan. In dat geval zouden getuigen in een voorlopig getuigenverhoor na of bijna gelijktijdig met de getuigen in de hoofdzaak worden gehoord. Deze samenloop heeft tot gevolg dat het voorlopig getuigenverhoor nutteloos zal zijn, omdat in de hoofdzaak alleen de getuigenverklaringen afgelegd in de hoofdzaak zullen worden gebruikt. Immers, de getuigen in de hoofdzaak worden gehoord over alle feiten die in de hoofdzaak moeten worden bewezen conform de bewijsopdracht, de voorlopige getuigenverklaringen kunnen onvoldoende adequaat en/of onvolledig zijn als het probandum ruimer en/of anders is en bovendien maken de voorlopige getuigenverklaringen niet automatisch deel uit van het procesdossier in de hoofdzaak.
Uit het hierboven staande blijkt, dat onvoldoende belang3 bestaat bij een voorlopig getuigenverhoor vanwege het stadium waarin de hoofdzaak verkeert4 als een (tussen)uitspraak in de hoofdzaak is gedaan of wordt verwacht op een zo korte termijn dat getuigen in de hoofdzaak bijna gelijktijdig zouden worden gehoord met de getuigen in het voorlopig getuigenverhoor. De voorlopige getuigenverklaringen zullen dan niet meer in de hoofdzaak worden gebruikt en het voorlopig getuigenverhoor is nutteloos.