Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/5.3.3.1
5.3.3.1 Het enkelvoudige eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90869:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Dirix, RW 1997-98, nr. 24; Sagaert 2006, nr. 3; Dirix & De Corte 2006, nr. 592 ; Dirix 2011, nr. 23; Jansen & Sagaert, TPR 2012/3, nr. 176 en 178; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 88. Anders ten aanzien vande rente: Storme 2018, p. 633.
Dirix, RW 1997-98, nr. 24; Dirix & De Corte 2006, nr. 592; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 91.
Hetzelfde geldt voor het eigendomsrecht van de leasegever. Dit recht secureert alleen de vordering uit hoofde van de leaseovereenkomst. Dit is de aflossing voor de aanschafwaarde van het leaseobject, inclusief de rente, beheers- en administratiekosten en de winst. Zie hierover Sagaert 2006, nr. 6; Vanhove 2007, nr. 20.
Dirix & De Corte 2006, nr. 592; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 90.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 88; Sagaert 2006, nr. 3; Dirix & De Corte 2006, nr. 592 ; Dirix 2011, nr. 23. Voorzichtig anders: Gruyaert, TPR 2016/4, p. 1213-1215; Storme 2018, p. 635-636.
Dirix & De Corte 2006, nr. 592; Jansen & Sagaert, TPR 2012/3, nr. 176.
Gruyaert, TPR 2016/4, p. 1214-1215; Storme 2018, p. 635-636. Zie over dit onderwerp onder het oude recht: Dirix, RW 1997-98, nr. 8 ; Dirix en De Corte 2006, nr. 595.
Gruyaert, TPR 2016/4, p. 1212-1213, 1215.
Zie hoofdstuk 10, paragraaf 10.3.
Steennot 2012, nr. 48.
Steennot 2012, nr. 51.
Naar Belgisch recht kan de leverancier zich de eigendom van de geleverde zaken voorbehouden tot de koopprijs en accessoria met betrekking tot deze zaken is voldaan (art. 69 Pandwet). Accessoria zijn kosten die de koper moet betalen om het goed te verwerven. Het gaat dan onder meer om de kosten van de koop, verpakkingskosten, transportkosten, BTW en rente.1 Gerechtskosten en schadevergoeding vallen er niet onder volgens de meerderheid in de literatuur.2
Volgens de heersende leer kan het eigendomsvoorbehoud niet uitgebreid worden tot andere (koopprijs)vorderingen. Een kredieteigendomsvoorbehoud zoals in het Nederlandse recht is niet mogelijk.3 De wet spreekt namelijk steeds over de koopprijsvordering met betrekking tot de verkochte zaken.4 De eigendom van zaken die nu worden verkocht kan dus niet worden voorbehouden voor in het verleden ontstane of toekomstige koopprijsvorderingen.5
Het Belgische recht vóór de invoering van de Pandwet kende ook slechts het enkelvoudige eigendomsvoorbehoud. De wetgever onderbouwde deze beperking met het argument dat een uitbreiding ertoe zou leiden dat de voorbehouden eigendom ‘niet meer inherent [zou zijn] aan de gefinancierde transactie’.6 Met andere woorden, het nauwe band-vereiste wordt strikt toegepast in het Belgische recht. In de parlementaire geschiedenis bij de Pandwet is niets opgemerkt over de reikwijdte van het eigendomsvoorbehoud. Aangenomen moet worden dat de Pandwet daarom geen wijziging met zich brengt.
Een minderheid in de literatuur is van mening dat een kredieteigendomsvoorbehoud wel mogelijk is. Zij zien ten eerste ruimte voor deze opvatting in art. 72 Pandwet. Deze bepaling legt een verrijkingsverbod op aan de leverancier die zijn eigendomsvoorbehoud uitoefent. Zij bepaalt dat de leverancier zich niet voor meer mag verhalen dan zijn ‘schuldvordering’. Onder dit begrip zou naast de koopprijsvordering ook een andere vordering kunnen worden begrepen.7 Als tweede argument wordt de mogelijkheid voor de leverancier om het eigendomsvoorbehoud te registreren in het Pandregister aangevoerd. Daardoor is het eigendomsvoorbehoud geen ‘stil zekerheidsrecht’ meer, maar kenbaar voor derden. Daarmee ondervangt de Pandwet één van de belangrijkste bezwaren tegen het kredieteigendomsvoorbehoud, zijnde de niet-kenbaarheid voor derden.8
De relevantie van een kredieteigendomsvoorbehoud lijkt in het Belgische recht minder groot dan in het Nederlandse recht. In het Nederlandse recht is het kredieteigendomsvoorbehoud relevant voor de leverancier in het kader van natrekking, eigenlijke en oneigenlijke vermenging, zaaksvorming en doorverkoop. In deze situaties verliest de leverancier veelal zijn voorbehouden eigendom. Door middel van het kredieteigendomsvoorbehoud kan de leverancier de koopprijsvordering van deze zaken nog secureren door zich de eigendom van andere geleverde zaken voor te behouden. Daarnaast kan het kredieteigendomsvoorbehoud in het Nederlandse recht oneigenlijke vermenging van soortgelijke geleverde zaken voorkomen.
In het Belgische recht leidt oneigenlijke vermenging echter niet tot het verlies van de voorbehouden eigendom voor de leverancier.9 Ook eigenlijke vermenging en doorverkoop doen geen afbreuk aan de voorrangspositie voor leverancierskrediet. In deze situaties hoeft de leverancier derhalve geen kredieteigendomsvoorbehoud te bedingen om zijn zekerheid te behouden. Deze gaat namelijk niet teniet.
Daarentegen speelt het kredieteigendomsvoorbehoud in het Belgische recht wél een rol van betekenis als een gedeelte van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken wordt nagetrokken of bewerkt tot een nieuwe zaak. Deze rechtsfiguren vormen in bepaalde gevallen wel een bedreiging voor de voorbehouden eigendom van de leverancier. Met een kredieteigendomsvoorbehoud kan de leverancier zich tot zekerheid van de koopprijsvordering van de tenietgegane zaken de eigendom van andere geleverde zaken voorbehouden. Vanuit het perspectief van de leverancier is een kredieteigendomsvoorbehoud daarom wel wenselijk.
Daarnaast kan de leverancier met de koper afspraken maken over de toerekening van betalingen.10Art. 1253 e.v. BBW bevatten regels van toerekening, maar zijn van regelend recht. De leverancier kan betalingen eerst toerekenen aan andere vorderingen dan koopprijsvorderingen die hij op de koper heeft, zodat hij zolang mogelijk de voorbehouden eigendom behoudt. De wet stelt geen beperkingen. In de literatuur wordt zelfs opgemerkt: ‘Er bestaat geen algemene regel dat de schuldeiser bij de toerekening van de betaling de rechtmatige belangen van de schuldenaar niet mag miskennen.’11 Naar mijn mening is echter niet onbegrensd. De redelijkheid en billijkheid of het verbod op rechtsmisbruik vormen uiteindelijk een grens tegen zeer voor de koper benadelende imputatieregelingen.