HR 30 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1929, NJ 2000, 475 en HR 8 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9338, NJ 2007, 296.
HR, 30-09-2014, nr. 12/03917
ECLI:NL:HR:2014:2847
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2014
- Zaaknummer
12/03917
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:2847, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 30‑09‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1656
ECLI:NL:PHR:2014:1656, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑06‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2847
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2014-0368
Uitspraak 30‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Ontoelaatbare correctie op schatting w.v.v. en opgelegde betalingsverplichting in de aanvulling a.b.i. art. 365a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:ZD2267. HR doet de zaak zelf af en verbetert de kennelijke misslag. Na correctie leidt dit tot een lagere schatting van het w.v.v. en een lagere opgelegde betalingsverplichting.
Partij(en)
30 september 2014
Strafkamer
nr. 12/03917 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 augustus 2012, nummer 23/002955-11, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van dit voordeel, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen op € 8.572,10 en de betalingsverplichting te verminderen tot € 7.714,89 en voorts naar de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel bevat de klacht dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald niet kan worden ontleend aan de gebezigde bewijsmiddelen en dat de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv, in verbinding met art. 415 Sv, een ontoelaatbare correctie bevat van het in het verkorte arrest vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel en de in dit arrest aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
2.2.
Het verkorte arrest houdt het volgende in:
"Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof is van oordeel dat, op grond van de onder voormeld parketnummer aangelegde straf- en ontnemingdossiers alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in beide instanties in de ontnemingszaak, aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit baten van het feit waarvoor hij bij genoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof ontleent de schatting van dat op na te melden geldbedrag gewaardeerd voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen.
(...)
Zaak 34
Anders dan de rechtbank zal het hof ervan uitgaan, gelijk het hof hierboven in de zaak 3 en zaak 17 heeft gedaan, geen 40% korting op de aanschaf van de camera zal toepassen. Voor de overige aankopen in deze zaak gaat het hof ervan uit dat het door de veroordeelde verkregen wederrechtelijke voordeel met twee andere daders is gedeeld. Derhalve zal hof het door middel van, of uit baten van het onderhavige feit wederrechtelijk verkregen voordeel op € 831,26, zijnde de som van € 355,99 (camera) en € 475,27 (overige goederen), vaststellen.
(...)
Aldus bezien komt het hof tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
(...)
Feit 7 primair (zaak 34)
Aankopen met gestolen creditcard € 1.781,79
Door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel
(€ 355,99 = camera) € 355,99
(€ 1.425,80 / 3 veroordeelden) € 475.27 € 831,26(...)
Totaal door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 8.690,77
Het hof acht, resumerend, aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door middel van of uit baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij vonnis van 14 november 2005 is veroordeeld en wel ten bedrage van afgerond € 8.690.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof is van oordeel dat aan de veroordeelde in beginsel, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting dient te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag overeenkomstig het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten € 8.690. Het hof is evenwel van oordeel dat de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingszaak is overschreden. Immers, is het vonnis waarvan beroep op 4 juli 2008 gewezen, zijnde een tijdstip gelegen meer dan twee jaar na de betekening in persoon aan de veroordeelde van de ontnemingsvordering op 18 mei 2006, zodat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg is overschreden. Nadat dit vonnis is gewezen zijn wederom meer dan twee jaar verstreken tot het hof bij onderhavig arrest einduitspraak doet op het hoger beroep. Het hof zal, nu dit hem redelijk voorkomt, deze overschrijdingen compenseren door de betalingsverplichting aan de Staat vast te stellen op een bedrag, tien procent lager dan het geschatte verkregen voordeel te weten op - afgerond - € 7.800.
(...)
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 8.690 (achtduizend zeshonderd en negentig euro).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 7.800 (zevenduizend en achthonderd euro)."
2.3.
De aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv, in verbinding met art. 415 Sv, houdt het volgende in:
"De bewijsmiddelen
(...)
Ten aanzien van zaaksdossier 34
11. Een geschrift van 18 februari 2005, zijnde een door [betrokkene 1], namens International Card Services BV/Visa Card Services, opgestelde aangifte, inclusief bijlage (doorgenummerde dossierpagina's 2679-2689).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van [betrokkene 1]:
Uit de automatiseringssystemen van International Card Services BV is gebleken dat op 9 februari 2005 een Visa Card met nummer [001] werd aangeboden bij Metro Cash en Carry Nederland BV. Het betreft hier de Visa Card ten name van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] mist zijn Visa Card uit zijn portemonnee. Hieronder volgt een overzicht van frauduleuze transacties.
9-2-2005 Metro Cash en Carry Amsterdam €1.069,81
9-2-2005 Metro Cash en Carry Amsterdam €355,99
(...)
Nadere overwegingen
(...) Het hof merkt voorts het volgende op. Het hof heeft in het verkorte arrest het wederrechtelijk verkregen voordeel uit zaaksfeit 34 berekend op het aankoopbedrag van een camera, te weten € 355,99, vermeerderd met een derde van het bedrag van € 1.425,80 alsof dit de opgetelde waarde van de overige gekochte goederen zou zijn. Abusievelijk is echter in het bedrag van € 1.425,80 eveneens het aankoopbedrag van voorbedoelde camera opgenomen. Het voordeel uit dit zaaksfeit had geschat moeten worden op:
€ 355,99 (camera) € 355,99
€ 1069,81 (overige goederen) / 3 veroordeelden € 356,60
Totaal € 712,59
Het totale door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel had, gelet op voorstaande, geschat moeten worden op € 8.572,10."
2.4.
De hiervoor weergegeven aanvulling op het arrest strekt onder meer tot wijziging van de bij het verkorte arrest van het Hof gegeven beslissingen omtrent het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat en de ter ontneming daarvan opgelegde betalingsverplichting. Het stond het Hof niet vrij deze beslissingen bij aanvulling van het arrest te wijzigen (vgl. HR 23 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2267, NJ 2001/182). Het middel is terecht voorgesteld.
Dit moet tot cassatie leiden, maar de Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. Nu sprake is van een kennelijke misslag in de schatting van het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, zal de Hoge Raad het geschatte bedrag en de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van 90% van dit bedrag, verbeteren.
Na correctie van de misslag leidt de totaaltelling tot een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van € 8.572,– en bedraagt de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van dit voordeel een bedrag van € 7.715,–.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de betalingsverplichting van € 7.715,– die de betrokkene met inachtneming van de misslag had behoren te worden opgelegd.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover het Hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, op € 8.690,– heeft vastgesteld en aan de betrokkene de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 7.800,–;
stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 8.572,–;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 6.943,– bedraagt;
verwerpt beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2014.
Conclusie 24‑06‑2014
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Ontoelaatbare correctie op schatting w.v.v. en opgelegde betalingsverplichting in de aanvulling a.b.i. art. 365a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:ZD2267. HR doet de zaak zelf af en verbetert de kennelijke misslag. Na correctie leidt dit tot een lagere schatting van het w.v.v. en een lagere opgelegde betalingsverplichting.
Nr. 12/03917 P
Mr. Bleichrodt
Zitting: 24 juni 2014
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 augustus 2012 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.800,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3. Het eerste middel houdt in dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan voortvloeien uit de gebezigde bewijsmiddelen en dat het hof zulks op onjuiste wijze heeft trachten te corrigeren in de aanvulling op de verkorte uitspraak.
4. De betrokkene is bij vonnis van de Rechtbank Haarlem van 14 november 2005 veroordeeld wegens - samengevat – het plegen en medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en diefstal in vereniging, eveneens meermalen gepleegd. Deze veroordeling staat aan de basis van de onderhavige ontnemingsprocedure. Het hof heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat de betrokkene door middel van of uit de baten van deze bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. In de verkorte uitspraak heeft het hof het voordeel vastgesteld op € 8.690,00. Het hof heeft vastgesteld dat in verschillende fasen van de ontnemingsprocedure de redelijke termijn is overschreden en heeft deze overschrijdingen gecompenseerd door de betalingsverplichting aan de Staat vast te stellen op een bedrag dat 10% lager ligt dan het geschatte voordeel, te weten – afgerond - op € 7.800,00. In de aanvulling op de verkorte uitspraak heeft het hof de bewijsmiddelen opgenomen, alsmede de volgende nadere overweging:
“Het hof merkt voorts het volgende op. Het hof heeft in het verkorte arrest het wederrechtelijk verkregen voordeel uit zaaksfeit 34 berekend op het aankoopbedrag van een camera, te weten € 355,99, vermeerderd met een derde van het bedrag van € 1.425,80 alsof dit de opgetelde waarde van de overige gekochte goederen zou zijn. Abusievelijk is echter in het bedrag van € 1.425,80 eveneens het aankoopbedrag van voorbedoelde camera opgenomen. Het voordeel uit dit zaaksfeit had geschat moeten worden op:
€ 355,99 (camera) | € 355,99 |
€ 1069,81 (overige goederen)/ 3 veroordeelden | € 356,60 |
Totaal | € 712,59 |
Het totale door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel had, gelet op voorstaande, geschat moeten worden op € 8.572,10.”
5. De steller van het middel verzoekt Uw Raad de vaststelling van het aan de betrokkene te ontnemen bedrag te verbeteren en de betalingsverplichting aan te passen. Uit de toelichting op het middel kan worden afgeleid dat met het middel in het bijzonder een nadere correctie in verband met de overschrijding van de redelijke termijn wordt beoogd.
6. De verkorte uitspraak houdt in dit verband het volgende in:
“Verplichting tot betaling aan de StaatHet hof is van oordeel dat aan de veroordeelde in beginsel, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting dient te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag overeenkomstig het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten € 8.690. Het hof is evenwel van oordeel dat de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingszaak is overschreden. Immers, is het vonnis waarvan beroep op 4 juli 2008 gewezen, zijnde een tijdstip gelegen meer dan twee jaar na de betekening in persoon aan de veroordeelde van de ontnemingsvordering op 18 mei 2006, zodat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg is overschreden. Nadat dit vonnis is gewezen zijn wederom meer dan twee jaar verstreken tot het hof bij onderhavig arrest einduitspraak doet op het hoger beroep. Het hof zal, nu dit hem redelijk voorkomt, deze overschrijding compenseren door de betalingsverplichting aan de Staat vast te stellen op een bedrag tien procent lager dan het geschatte voordeel te weten op –afgerond- € 7.800.”
7. Ik stel voorop dat art. 365a Sv ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 415 Sv, ook van toepassing is op de ontnemingsprocedure in hoger beroep. Dit betekent dat alle beslissingen omtrent de opgelegde maatregel dienen te worden opgenomen in de verkorte uitspraak en dat de daartoe gebezigde bewijsmiddelen, met inbegrip van eventuele nadere overwegingen omtrent het bewijs, mogen worden opgenomen in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv.1.In het arrest van 23 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2267 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, overwogen dat wijziging van het ontnemingsbedrag in de aanvulling op de verkorte uitspraak niet mogelijk is. De Hoge Raad constateerde dat sprake was van een kennelijke misslag en verbeterde ambtshalve de schatting van het voordeel en de vaststelling van het aan de betrokkene te ontnemen bedrag.
8. Het hof heeft in de aanvulling op de verkorte uitspraak buiten twijfel gesteld dat ten aanzien van de berekening van het voordeel sprake is geweest van een misslag. Aldus is sprake van een onvolkomenheid in de verkorte uitspraak, die niet met een overweging in de aanvulling op de uitspraak kan worden hersteld.2.Het middel klaagt daarover terecht. Uit de bestreden uitspraak valt voorts af te leiden dat deze misslag voor de betrokkene een nadelige uitwerking heeft gehad op de betalingsverplichting. Het hof is immers uitgegaan van een vermindering van de betalingsverplichting met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn. In geval de kennelijke misslag in de berekening wordt gecorrigeerd, resteert door de vermindering met 10% een lager bedrag bij wijze van betalingsverplichting, te weten € 7.714,89. Ik geef Uw Raad in overweging de bestreden beslissing te vernietigen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 8.572,10 vast te stellen en het bedrag waartoe aan de betrokkene de verplichting tot betaling is opgelegd ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te verminderen tot € 7.714,89.
9. Het tweede middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.
Het middel klaagt hierover terecht. Namens de betrokkene is op 15 augustus 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn eerst op 18 december 2013, dus nadat meer dan acht maanden waren verstreken, ter griffie bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM overschreden. Dat moet leiden tot vermindering van de betalingsverplichting.
10. Beide middelen slagen. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de bestreden uitspraak zou moeten vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van het ter ontneming vastgestelde bedrag en de aan de betrokkende opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat Uw Raad het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal bepalen op een bedrag van € 8.572,10 en het bedrag waartoe aan de betrokkene de verplichting tot betaling is opgelegd zal verminderen tot € 7.714,89 en voorts naar de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑06‑2014
Daarbij merk ik nog op dat geen sprake is van een zogenoemd herstelarrest als bedoeld in HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, NJ 2012, 248 en HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8778, NJ 2012, 249, m.nt Borgers.