Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/1.6
1.6 Opzet en afbakening
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90815:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zweigert & Kötz 1998, p. 44 e.v.; Michaels 2008, p. 372-373; Dannemann 2008, p. 384 e.v.
Voor een ‘definitie’ van dit begrip sluit ik aan bij Van Hees die schrijft dat een overeenkomst in het algemeen gekwalificeerd wordt als financial lease indien: “het object van de overeenkomst wordt gevormd door een, specifiek bepaald, kapitaalgoed; de leasenemer heeft tijdens de looptijd van de overeenkomst het gebruik van het leaseobject; op de leasenemer rust de verplichting tot volledig vergoeding van de door de leasegever gepleegde investering van het leaseobject; de duur van de overeenkomst houdt op enige wijze verband met de economische levensduur van het leaseobject; het leaseobject vervuld voor de leasegever een zekerheidsfunctie. Zie Van Hees 1997, p. 8, 11-12.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/976; Reehuis 2013, nr. 8; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/568; Asser/Houben 7-X 2015/39, 51-53; Snijders & Rank-Berenschot 2017/196-197
Verheul 2018.
Verheul 2018, p. 9-42.
Zie ook hoofdstuk 1, paragraaf 1.4. Daarmee bedoel ik geenszins dat ik een volledig functionele benadering van het zekerhedenrecht nastreef zoals Article 9 UCC.
Hoofdstuk 2 bevat een studie naar de vraag of de voorrangspositie voor leverancierskrediet een algemeen onderschreven gedachte is, hoe deze voorrangspositie is ontwikkeld en op hoofdlijnen wordt vormgegeven en wat de rechtvaardiging is voor deze voorrangspositie.
In hoofdstuk 3 tot en met 13 verschaf ik inzicht in de vormgeving van de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Ik onderzoek op welke wijzen en in welke de mate het Nederlandse, Duitse, Belgische en Amerikaanse recht deze voorrangspositie vormgeven. Ook tracht ik de argumenten die ten grondslag liggen aan de overeenkomsten en verschillen te expliciteren. Ik geef op een aantal plaatsen aan op welke wijze de rechtsvergelijking een inspiratiebron kan vormen voor de Nederlandse wetgever of rechter bij de beslechting van conflicten, discussies en invulling van leemtes in het huidige recht. Teneinde deze analyse te maken, heb ik elf onderwerpen geselecteerd die even zoveel hoofdstukken vormen. Hoofdstuk 3 gaat over de wijzen waarop de rechtsstelsels van rechtswege een voorrangspositie toekennen aan de kredietverstrekkende leverancier. Vervolgens worden de consensuele zekerheidsrechten waarmee de leverancier voor het verstrekte leverancierskrediet een voorrangspositie kan verkrijgen per rechtsstelsel besproken in hoofdstuk 4. In de hoofdstukken 5 tot en met 7 wordt achtereenvolgens ingegaan op de reikwijdte van de zekerheidsrechten uit de hoofstukken 3 en 4, de rang van deze zekerheidsrechten ten opzichte van andere zekerheidsrechten en de wijzen waarop zij uitgeoefend kunnen worden. In de hoofdstukken 8 tot en met 12 zet ik de gevolgen van natrekking (hoofdstuk 8), eigenlijke en oneigenlijke vermenging (hoofdstukken 9 en 10), zaaksvorming (hoofdstuk 11) en doorverkoop (hoofdstuk 12) voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet uiteen. In hoofdstuk 13 wordt besproken op welke wijzen de leve- rancier zijn vordering door een derde voldaan kan krijgen. Ik analyseer de wijzen waarop de leverancier zijn rechtspositie kan overdragen aan een andere financier. De onderwerpen uit de hoofdstukken 3 tot en met 13 vormen de elf componenten van het beeld van de voorrangspositie voor leverancierskrediet in een rechtsstelsel. Ik ben mij ervan bewust dat het door mij geschetste beeld van een rechtsstelsel geen uitputtende beschrijving van de voorrangspositie is. Er zijn nog andere componenten die opgenomen kunnen worden zoals onroerende natrekking, het consumentenrecht en aspecten van internationaal privaatrecht. Ik heb gekozen om mijn onderzoek af te bakenen tot de elf opgesomde onderwerpen in dit deel, omdat zij grofweg de vestigingsfase, de uitwinningsfase en de gevolgen voor de bedrijfsuitoefening door de koper omvatten. Deze componenten geven een breed beeld van voorrangspositie voor leverancierskrediet op roerende zaken. Daarnaast is dit onderzoek tijdtechnisch haalbaar.
In de hoofdstukken 3 tot en met 13 zijn niet het Nederlandse recht afzonderlijk vergeleken met het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht, maar zijn de vier rechtsstelsels met elkaar vergeleken. Wel heb ik voor de leesbaarheid en het begrip van het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht bij de bespreking van elk rechtsstelsel telkens korte rechtsvergelijkende opmerkingen met het Nederlandse recht geplaatst.
Tot slot alvast twee algemene opmerkingen over (de bevindingen van) het rechtsvergelijkende onderzoek. Ten eerste bestaat in alle onderzochte rechtsstelsels een voorrangspositie voor leverancierskrediet. Met de rechtsvergelijking op detailniveau van elk van de elf componenten in de hoofdstukken 3 tot en met 13 laat ik zien dat de rechtsstelsels verschillen in de wijzen waarop en mate waarin een voorrangspositie voor leverancierskrediet wordt gecreëerd. Naast de juridische vormgeving heb ik daarom de ‘resultaten’ van deze vormgeving in de vier rechtsstelsels met elkaar vergeleken. De rechtsstelsels kunnen bijvoorbeeld tot vergelijkbare resultaten leiden ook al geven zij de voorrangspositie op een andere wijze vorm. In het Amerikaanse recht ligt bijvoorbeeld een functionele benadering aan het zekerhedenrecht ten grondslag op grond waarvan de leverancier geen eigendomsvoorbehoud maar een purchase-money security interest moet bedingen. Aan het Nederlandse recht ligt daarentegen een formele benadering ten grondslag en kan de leverancier zich wel de eigendom van de geleverde zaak voorbehouden. Ondanks dit verschil in vormgeving heeft de leverancier in beide rechtsstelsels een eerste zekerheidsrecht op de geleverde zaak.
Ten tweede merk ik op dat ik nog geen conclusies trek over de voorrangspositie voor leverancierskrediet in een rechtsstelsel op basis van de uiteenzetting en rechtsvergelijking van elk van de elf componenten. Hiervoor zal ik de ‘totaalbeelden’ van de vier rechtsstelsels vergelijken in hoofdstuk 14. Elk van deze totaalbeelden van voorrangspositie voor leverancierskrediet wordt gevormd door de elf componenten in een rechtsstelsels in onderlinge samenhang te bezien. Op basis van het totaalbeeld kan ik conclusies trekken over de voorrangspositie. Laat ik dit verduidelijken aan de hand van twee voorbeelden. Een rechtsstelsel kan de leverancier de mogelijkheid bieden om een eerste zekerheidsrecht te bedingen die zeer veel (typen van) vorderingen kan secureren. De leverancier staat echter alsnog met lege handen als dit zekerheidsrecht vervalt in een productieproces door natrekking, vermenging of zaaksvorming. Met de ene hand wordt gegeven wat met de andere hand weer teruggenomen wordt. Een tweede voorbeeld is de samenhang tussen het kredieteigendomsvoorbehoud en oneigenlijke vermenging. In het Nederlandse recht kan een kredieteigendomsvoorbehoud voorkomen dat oneigenlijke vermenging van betaalde en onbetaalde zaken optreedt. Naar Belgisch recht kan de leverancier slechts een enkelvoudig eigendomsvoorbehoud bedingen. Oneigenlijke vermenging leidt in dit rechtsstelsel echter tot mede-eigendom tussen de leverancier en koper, zodat het ontbreken van de mogelijkheid van een kredieteigendomsvoorbehoud niet problematisch hoeft te zijn. Kortom, men dient gedetailleerd naar de componenten te kijken maar tegelijkertijd het totaalbeeld niet uit het oog te verliezen.1 Ik zal in de hoofdstukken de samenhang van een component met een andere component weergeven.
In hoofdstuk 14 geef ik antwoord op de twee hoofdvragen. Ten eerste geef ik aan de hand van de conclusies van het onderzoek uit de hoofdstukken 2 tot en met 13 antwoord op de eerste hoofdvraag. Vervolgens analyseer ik of de rechtsvergelijking een argument is en inspiratie biedt voor de invulling, wijziging of heroverweging van het Nederlandse recht inzake van de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Ook bespreek ik op welke wijzen dit kan worden vormgegeven. Hiermee geef ik antwoord op de tweede hoofdvraag.
Ik heb gekozen om het onderzoek af te bakenen tot roerende zaken, niet-registergoederen. Kortheidshalve spreek ik hierna van (roerende) zaken. Slechts in het kader van de verlengde voorrangspositie komen ook vorderingen op naam en chattel paper aan bod. Onroerende zaken en andere registergoederen worden niet besproken. Het bleek niet mogelijk om met voldoende diepgang de rechtsvergelijkende vraag te beantwoorden, gezien de verschillen tussen de vier stelsels op het terrein van het onroerende zakenrecht. Verder is het onderzoek beperkt tot het goederen- en verbintenissenrecht, inclusief het faillissementsrecht. Het burgerlijk procesrecht blijft buiten beschouwing, evenals aspecten van internationaal privaatrecht.
Ook behandel ik niet de figuur van (financial) leasing afzonderlijk in mijn proefschrift.2 Ik merk slechts op dat hetgeen ik hierna bespreek over het eigendomsvoorbehoud of voorbehouden pandrecht in een koopovereenkomst, ook betrekking kan hebben op een (financial) leasing-overeenkomst. De leverancier kan bijvoorbeeld een zaak op krediet leveren aan de koper waarbij zij afspreken dat de koper de koopprijs in termijnen voldoet waarna de koper eigenaar wordt. Zij kunnen deze overeenkomst (financial) leasing noemen, maar deze overeenkomst wordt in dit voorbeeld juridisch gekwalificeerd als een verkoop en levering met een eigendomsvoorbehoud.3 Wordt kortom onder de noemer van (financial) leasing een zaak op krediet geleverd door de leverancier en bedingt deze een eigendomsvoorbehoud of voorbehouden pandrecht, dan is ook sprake van een voorrangspositie voor leverancierskrediet.
Daarnaast merk ik op dat mijn onderzoek raakvlakken heeft met het in 2018 verschenen proefschrift van Verheul over het eigendomsvoorbehoud. Het eigendomsvoorbehoud is namelijk één van de wijzen waarop zekerheid voor leverancierskrediet kan worden vormgegeven.4 Daarom heb ik gebruik kunnen maken van de bevindingen uit zijn onderzoek. Er bestaan ook verschillen tussen beide onderzoeken. Zo kiest Verheul voor een formele benadering. Vanuit deze benadering is het begrijpelijk dat het eigendomsvoorbehoud niet als zekerheidseigendom of zekerheidseigendom wordt getypeerd.5 Ik hanteer een meer functionele benadering op grond waarvan ik het eigendomsvoorbehoud wel als een zekerheidsrecht kwalificeer.6 Verder omvatten beide proefschriften verschillende onderwerpen als gevolg van een andere onderzoeksvraag. Ook zijn de rechtsstelsels die in de rechtsvergelijking worden betrokken gedeeltelijk verschillend.