Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9848.
HR, 05-07-2024, nr. 23/00602
ECLI:NL:HR:2024:1028
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-07-2024
- Zaaknummer
23/00602
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1028, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑07‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:9848
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:115
ECLI:NL:PHR:2024:115, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1028
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑03‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑02‑2023
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0065
JIN 2024/130 met annotatie van mr. R.J.G. Mengelberg
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0065
TBR 2024/119 met annotatie van L. Orvini
TvPP 2024/53, p. 190
Uitspraak 05‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Uitleg garantie; toerekenbare tekortkoming? Ligt omzettingsverklaring besloten in processtukken (art. 6:87 lid 1 BW)? Verwijzing naar schadestaatprocedure; maatstaf.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00602
Datum 5 juli 2024
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser],
advocaat: J.H.M. van Swaaij, aanvankelijk J.M. Moorman,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder],
advocaat: W.A. Jacobs.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 5872621 / CV EXPL 17-3581 van de rechtbank Noord-Nederland van 20 juni 2017, 18 juli 2017, 14 november 2017, 10 april 2018, 8 mei 2018 en 10 maart 2020;
b. de arresten in de zaak 200.278.110/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juli 2020 en 15 november 2022.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 15 november 2022 beroep in cassatie ingesteld.[verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt zowel in het principale cassatieberoep als in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaat van [verweerder] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan [verweerder] zich ertoe heeft verplicht aan [eiser] onder meer een warmtepompsysteem voor de bedrijfshal te leveren en die te installeren (hierna: de overeenkomst). [eiser] vervaardigt in de bedrijfshal houten trappen.
(ii) [verweerder] heeft per e-mail van 28 september 2011 aan [eiser] gegarandeerd dat de ruimtetemperatuur in de bedrijfshal 16 graden Celsius bedraagt bij een buitentemperatuur van -10 graden Celsius (hierna: de garantie).
(iii) [verweerder] heeft voor de door hem verrichte werkzaamheden en geleverde materialen in de periode van 26 februari 2011 tot en met 30 september 2011 facturen gezonden aan [eiser] met een totaalbedrag van € 13.364,34. [eiser] heeft deze facturen onbetaald gelaten.
(iv) Tussen partijen is discussie ontstaan over het functioneren van het warmtepompsysteem.
2.2
In deze procedure vordert [verweerder] in conventie dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen. In reconventie vordert [eiser] onder meer een verklaring voor recht dat [verweerder] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door een systeem met te weinig capaciteit te leveren en betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat.
2.3
De kantonrechter heeft de vordering van [verweerder] afgewezen en de vorderingen van [eiser] toegewezen.
2.4
Het hof1.heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd voor zover daarin voor recht is verklaard dat [verweerder] bij de nakoming van de overeenkomst jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten door een systeem met te weinig capaciteit te leveren, en heeft het vonnis voor het overige vernietigd. Het hof heeft [eiser] veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen en de overige vorderingen afgewezen. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe als volgt overwogen.
Toerekenbare tekortkoming: te weinig capaciteit warmtepompsysteem
Tussen partijen is niet meer in geschil dat het door [verweerder] geleverde en geïnstalleerde warmtepompsysteem niet aan de garantie voldoet. Dit betekent dat [verweerder] tekort is geschoten in de met [eiser] gesloten overeenkomst. (rov. 3.2)
Deze tekortkoming is ook toerekenbaar. [verweerder] was ter zake deskundig en heeft de juiste werking van het warmtepompsysteem zonder enig voorbehoud gegarandeerd op een moment dat hij volledig op de hoogte was of had kunnen zijn van de voorwaarden waaronder de bedrijfshal tot 16 graden verwarmd moest worden, ook bij een buitentemperatuur van -10 graden. (rov. 3.3).
De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [verweerder] bij de nakoming van de overeenkomst jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten door een systeem met te weinig capaciteit te leveren, is door de kantonrechter terecht toegewezen. (rov. 3.4)
De schade van [eiser] /schadestaat
In zijn memorie van antwoord heeft [eiser] art. 6:74 BW ten grondslag gelegd aan zijn schadevordering en stelt hij dat het warmtepompsysteem hersteld of vervangen moet worden om het alsnog aan de garantie te laten voldoen, wat de nodige kosten meebrengt. [eiser] is ter zitting gevraagd of hij aanspraak maakt op vervangende schadevergoeding en/of vergoeding van gevolgschade. [eiser] heeft daarop aangegeven dat hij dat onderscheid niet heeft gemaakt, maar dat de focus ligt op vergoeding van schade die is geleden als gevolg van de tekortkoming van [verweerder]. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor dergelijke schade. Als toelichting op deze gevolgschade heeft [eiser] ter zitting in hoger beroep wel een onderbouwing gegeven door te stellen dat de tekortkoming bij een buitentemperatuur beneden nul graden gevolgen had voor zijn bedrijfsvoering. Het lijm- en droogproces verliep langzamer, de voorgeschreven temperatuur voor het spuiten van verf werd niet gehaald en er ontstonden problemen met condensatie en olie. Daarnaast gaat het om behaaglijkheid. Om de ontstane problemen het hoofd te kunnen bieden, heeft [eiser] zijn bedrijfsprocessen aangepast. Dat is met de nodige kosten gepaard gegaan. (rov. 3.8)
Voor verwijzing naar de schadestaat is voldoende maar ook vereist, dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden. [eiser] heeft dat, mede in het licht van het debat tussen partijen, niet (voldoende) onderbouwd. Hij heeft voor het eerst ter zitting in hoger beroep gesteld dat hij zijn bedrijfsprocessen heeft aangepast en dat hij daarvoor de nodige kosten heeft gemaakt, maar hij heeft niet toegelicht en onderbouwd waaruit die aanpassingen en de kosten daarvan hebben bestaan en wat de omvang daarvan (ongeveer) is geweest. [eiser] heeft zelf onderkend dat het moeilijk is om een en ander in geld uit te drukken. De mogelijkheid dat schade is veroorzaakt door de tekortkoming van [verweerder] is hiermee slechts in zeer algemene termen omschreven en daarmee niet voldoende onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt. (rov. 3.9)
Voor zover [eiser] het oog heeft op vergoeding van kosten voor herstel of vervanging om de warmtepomp alsnog aan de garantie te laten voldoen, betreft dit geen gevolgschade maar vervangende schade waarvoor een omzettingsverklaring is vereist. [verweerder] heeft aangevoerd dat een dergelijke verklaring ontbreekt en [eiser] heeft niet gesteld dat dit anders is. (rov. 3.10)
De door [eiser] gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, wordt daarom afgewezen. (rov. 3.11).
3. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
3.1
De Hoge Raad ziet aanleiding eerst het incidentele beroep te behandelen.
3.2
Onderdeel A van het middel in het incidentele beroep klaagt dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het oordeelt dat met het enkele niet nakomen van de garantie dat een systeem wordt geleverd waarmee bij een buitentemperatuur van min 10 graden binnen een temperatuur van 16 graden wordt gehaald, gegeven is dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Volgens het onderdeel miskent het hof aldus dat in dat geval slechts sprake is van niet-nakoming, en dat het antwoord op de vraag of ook sprake is van een (toerekenbare) tekortkoming inclusief verzuim (dan wel of de verzuimregeling buiten toepassing blijft) door schending van de garantie, afhankelijk is van de inhoud van de geschonden garantie en de uitleg die partijen daaraan geven. De vraag welke inhoud de garantie heeft, moet volgens het onderdeel worden beantwoord door de uitleg ervan aan de hand van het Haviltex-criterium. Het hof heeft dit miskend of zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.
Onderdeel B klaagt dat het oordeel van het hof in de bestreden rechtsoverwegingen onbegrijpelijk is, voor zover het hof daarin oordeelt dat met het enkele feit dat het systeem de gegarandeerde temperatuur niet haalt, sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Gezien de bewoordingen van de garantie en de uitleg die beide partijen daaraan hebben gegeven, is daarvoor ook noodzakelijk dat [verweerder] zou zijn tekortgeschoten in het treffen van adequate maatregelen indien de temperatuur niet wordt gehaald, of in het dragen van de kosten daarvan, aldus het onderdeel.
3.3.1
Het hof heeft in rov. 3.2 geoordeeld dat vaststaat dat [verweerder] per e-mail van 28 september 2011 aan [eiser] heeft gegarandeerd dat de ruimtetemperatuur in de bedrijfshal 16 graden bedraagt bij een buitentemperatuur van -10 graden, dat tussen partijen niet meer in geschil is dat het door [verweerder] geleverde en geïnstalleerde warmtepompsysteem niet aan deze garantie voldoet en dat dit betekent dat [verweerder] tekort is geschoten in de met [eiser] gesloten overeenkomst. In rov. 3.3 heeft het hof vervolgens geoordeeld dat deze tekortkoming ook toerekenbaar is.
In dit oordeel ligt besloten dat met het enkele niet nakomen van de garantie dat een systeem wordt geleverd waarmee bij een buitentemperatuur van -10 graden binnen een temperatuur van 16 graden wordt gehaald, gegeven is dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [verweerder].
3.3.2
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of is niet toereikend gemotiveerd.
De vraag welke inhoud de garantie heeft, moet worden beantwoord door de uitleg ervan, waarbij het aankomt op de zin die partijen bij de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs te dien aanzien van elkaar mochten verwachten.2.
Uit de gedingstukken in de feitelijke instanties blijkt dat [verweerder] en [eiser] beiden stellingen hebben betrokken waaruit kan worden afgeleid dat de garantie mede inhoudt – in het geval de overeengekomen temperatuur van 16 graden niet wordt gehaald – het op kosten van [verweerder] bewerkstelligen dat deze temperatuur wel wordt gehaald. Het hof heeft deze stellingen niet, althans niet voldoende kenbaar, bij de uitleg van de garantie betrokken.
De hiervoor in 3.2 vermelde klachten slagen dus.
3.4
Na verwijzing moet met inachtneming van de hiervoor weergegeven maatstaf en de gedingstukken worden beoordeeld welke inhoud de garantie heeft en of [verweerder] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
3.5
Onderdeel C klaagt in de kern dat het hof met zijn oordeel dat [verweerder] toerekenbaar is tekortgeschoten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door niet kenbaar te in zijn oordeel te betrekken de (gemotiveerde) stellingen van [verweerder] over het niet afgerond en opgeleverd zijn van het werk, de opschorting van zijn verplichtingen en het schuldeisersverzuim bij [eiser]. Gezien hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, behoeft dit onderdeel geen behandeling.
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.1
Het middel in het principale beroep is gericht tegen het oordeel van het hof dat de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, wordt afgewezen.
Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep richt onder verwijzing naar de stukken van het geding in de feitelijke instanties rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 3.11 dat de eis tot vergoeding van bij staat op te maken schade moet worden afgewezen, voor zover dit oordeel erop berust dat [verweerder] heeft gesteld dat een omzettingsverklaring ontbreekt en dat [eiser] niet gesteld zou hebben dat dit anders is. Volgens het onderdeel miskent het hof met zijn oordeel dat het moest onderzoeken of in de processtukken van [eiser] een omzettingsverklaring besloten ligt, ook indien [eiser] niet met zoveel woorden heeft gesteld dat een omzettingsverklaring is uitgebracht. De processtukken laten geen andere conclusie toe dan dat daarin besloten ligt dat [eiser] als schuldeiser geen nakoming maar vervangende schadevergoeding wenst en dat sprake is van een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW.
4.2.1
Op de voet van art. 6:87 lid 1 BW wordt, voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, de verbintenis omgezet in een tot vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk meedeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.
Iedere schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, is voldoende voor de omzetting als bedoeld in deze bepaling.3.Een omzettingsverklaring als bedoeld in art. 6:87 lid 1 BW kan besloten liggen in de dagvaarding of andere gedingstukken.
4.2.2
[eiser] heeft in de feitelijke instanties onder meer aangevoerd dat hij het handelen van [verweerder] beschouwt als een mededeling dat [verweerder] niet langer een juiste prestatie zal leveren, en dat hij het warmtepompsysteem zelf dient te laten herstellen dan wel te laten vervangen. [eiser] heeft vervolgens onder meer schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd onder verwijzing naar de herstelkosten die hij moet maken. Deze stellingen vallen niet anders te begrijpen dan als een mededeling in de zin van art. 6:87 lid 1 BW.
Het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat [verweerder] heeft aangevoerd dat een omzettingsverklaring ontbreekt en dat [eiser] niet heeft gesteld dat dit anders is, en zijn concluderende oordeel in rov. 3.11 dat de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat daarom wordt afgewezen, getuigen gelet op het voorgaande ofwel van een onjuiste rechtsopvatting ofwel zijn onbegrijpelijk. Onderdeel 1 slaagt dus.
4.3
Onderdeel 3 richt onder verwijzing naar de stukken van het geding in de feitelijke instanties rechts- en motiveringsklachten tegen de wijze waarop het hof in rov. 3.8-3.11, wat betreft de door [eiser] gevorderde gevolgschade, de maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft toegepast.
4.4
Deze klachten slagen eveneens. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is, hetgeen niet inhoudt dat aannemelijk moet zijn dat enige schade is geleden.4.
[eiser] heeft – naast hetgeen hij tijdens de zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht – in de feitelijke instanties gesteld dat een te lage temperatuur in de bedrijfshal het productieproces nadelig beïnvloedt omdat dan gewacht moet worden met lijmen tot de temperatuur hoger is, en dat een lage temperatuur in de bedrijfshal voor de bedrijfsvoering onder meer tot gevolg heeft dat de droogtijd van het verlijmen van het hout langer is. Het oordeel van het hof dat [eiser] niet (voldoende) heeft onderbouwd dat de mogelijkheid aannemelijk is dat schade is of zal worden geleden, is in het licht van deze stellingen onbegrijpelijk en geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het erop berust dat [eiser] niet heeft toegelicht en onderbouwd waaruit de aanpassingen in zijn bedrijfsprocessen en de kosten daarvan hebben bestaan en wat de omvang daarvan (ongeveer) is geweest.
4.5
Onderdeel 2 behoeft geen behandeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2022;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 986,86 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2022;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 5 juli 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑07‑2024
HR 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4728, rov. 3.3.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 305.
HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, rov. 3.2.4.
Conclusie 02‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00602
Zitting 2 februari 2024
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[eiser]
(hierna: [eiser] )
tegen
[verweerder]
(hierna: [verweerder] )
1. Inleiding
1.1
Deze procedure gaat over de vraag of (i) [verweerder] bij de nakoming van de overeenkomst jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten door een warmtepompsysteem met te weinig capaciteit te leveren, en, indien dat het geval is, (ii) of de door [eiser] gevorderde vergoeding van schade, op te maken bij staat, voor toewijzing in aanmerking komt. De eerste vraag heeft het hof bevestigend beantwoord. Tegen dit oordeel van het hof dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming, is het incidenteel cassatieberoep van [verweerder] gericht. De door [eiser] gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, heeft het hof afgewezen. Hiertegen is het principaal cassatieberoep van [eiser] gericht.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan, kort gezegd, van de volgende feiten worden uitgegaan.1.In 2008 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [verweerder] zich ertoe heeft verplicht aan [eiser] onder meer een warmtepompsysteem voor de bedrijfshal te leveren en die te installeren. Destijds dreef [verweerder] zijn installatiebedrijf in de vorm van een eenmanszaak genaamd [eenmanszaak 1] . De onderneming van [eiser] , die houten trappen fabriceert, werd destijds ook in de vorm van een eenmanszaak gedreven, genaamd [eenmanszaak 2] .
2.2
[verweerder] heeft voor de door hem verrichte werkzaamheden en geleverde materialen in de periode van 26 februari 2011 tot en met 30 september 2011 facturen gezonden aan [eiser] met een totaalbedrag van € 13.364,34. [eiser] heeft deze facturen onbetaald gelaten. Tussen partijen is discussie ontstaan over het functioneren van het warmtepompsysteem.
2.3
Bij brief van 25 september 2011 heeft [eiser] aan [verweerder] zijn twijfels geuit aangaande het goed functioneren van het warmtepompsysteem.
2.4
In een e-mailbericht van 28 september 2011 heeft [verweerder] aan [eiser] het volgende geschreven:
‘Naar aanleiding van ons onderhoud op 27 september j.l. delen wij u het volgende mede.
[eenmanszaak 1] garandeert de juiste werking van de warmtepompinstallatie geplaatst op de [a-straat 1] te [plaats] .
De gegarandeerde ruimtetemperatuur in de bedrijfshal bedraagt 152.graden bij een buitentemperatuur van -10 graden. Dit is volgens de ISSO norm 51.
[eenmanszaak 1] staat garant in verband met het niet behalen van de gewenste temperatuur en de daaruit voortvloeiende kosten.’
2.5
[verweerder] heeft bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland in conventie gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met rente en kosten.
2.6
In reconventie heeft [eiser] gevorderd (i) een verklaring voor recht dat [verweerder] in de nakoming van de overeenkomst toerekenbaar tekort is geschoten door een systeem met te weinig capaciteit te leveren, (ii) veroordeling van [verweerder] tot vergoeding van deskundigenkosten, (iii) betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, (iv) betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 20.000, (v) afgifte van handleidingen en deugdelijke tekeningen en (vi) betaling van de proceskosten.
2.7
Bij eindvonnis van 10 maart 2020 heeft de kantonrechter, na een deskundigenbericht van 27 april 2019, vastgesteld dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [verweerder] , omdat het warmtepompsysteem onvoldoende capaciteit heeft om de overeengekomen temperatuur van 16°C in de bedrijfshal te kunnen realiseren. Daarnaast heeft de kantonrechter geoordeeld dat aannemelijk is dat sprake is van schade aan de zijde van [eiser] en dat [eiser] daarom op goede grond de betaling van facturen van [verweerder] heeft opgeschort. De in conventie door [verweerder] gevorderde betaling van facturen is afgewezen en de in reconventie door [eiser] gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure is toegewezen. De overige reconventionele vorderingen zijn afgewezen. [verweerder] is in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten (inclusief de kosten van het deskundigenonderzoek).
2.8
[verweerder] is van het eindvonnis van de kantonrechter in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Na het indienen van de memorie van grieven zijdens [verweerder] en de memorie van antwoord zijdens [eiser] , heeft op 6 oktober 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Naar aanleiding van het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling heeft de advocaat van [verweerder] bij brief van 31 oktober 2022 nog enige schriftelijke opmerkingen gemaakt.
2.9
Bij eindarrest van 15 november 2022 heeft het hof het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd wat betreft de verklaring voor recht dat [verweerder] bij de nakoming van de overeenkomst jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten door een systeem met te weinig capaciteit te leveren. Hiertoe heeft het hof, kort gezegd, geoordeeld dat [verweerder] tekort is geschoten in de met [eiser] gesloten overeenkomst, omdat de warmtepompinstallatie niet aan de door [verweerder] aan [eiser] afgegeven garantie voldoet, en dat de tekortkoming toerekenbaar is (rov. 3.2 t/m 3.4). Voor het overige heeft het hof het eindvonnis vernietigd. Het hof heeft de door [eiser] gevorderde verwijzing naar de schadestaat alsnog afgewezen, kort gezegd, omdat [eiser] de mogelijkheid van gevolgschade niet aannemelijk heeft gemaakt en omdat voor vervangende schadevergoeding een omzettingsverklaring vereist is. [verweerder] heeft aangevoerd dat een dergelijke verklaring ontbreekt en [eiser] heeft niet gesteld dat dit anders is (rov. 3.7 t/m 3.12). De door [verweerder] gevorderde betaling van openstaande facturen, inclusief de gevorderde wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, heeft het hof alsnog toegewezen (rov. 3.13).
2.10
[eiser] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping daarvan. [eiser] en [verweerder] hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna door [verweerder] nog is gedupliceerd.
3. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat, na een inleiding, uit drie onderdelen. Het cassatiemiddel is gericht tegen de afwijzing door het hof van de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat. De eerste twee onderdelen zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 en 3.11 omtrent de vervangende schade. Het derde onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8, 3,9 en 3.11 omtrent de gevolgschade. Het hof heeft het volgende overwogen:
‘De schade van [eiser] / schadestaat
3.7
De kantonrechter heeft [verweerder] veroordeeld tot vergoeding aan [eiser] van schade, op te maken bij staat. [verweerder] verzet zich tegen toewijzing van deze vordering omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden. Het warmtepompsysteem is ruim 12 jaar in gebruik bij [eiser] . [eiser] moet inmiddels in staat worden geacht om de beweerdelijke schade die hij lijdt en heeft geleden aannemelijk te maken en te begroten. Dat heeft hij nagelaten.
3.8
In zijn memorie van antwoord heeft [eiser] artikel 6:74 BW ten grondslag gelegd aan zijn schadevordering en stelt hij dat het warmtepompsysteem hersteld of vervangen moet worden om deze alsnog aan de garantie te laten voldoen, wat de nodige kosten met zich meebrengt. Het hof heeft [eiser] ter zitting gevraagd of hij nu aanspraak maakt op vervangende schadevergoeding en/of vergoeding van gevolgschade. [eiser] heeft daarop aangegeven dat hij dat onderscheid niet heeft gemaakt, maar dat de focus ligt op vergoeding van schade die is geleden als gevolg van de tekortkoming van [verweerder] . Het dossier bevat geen aanwijzingen voor dergelijke schade. Als toelichting op deze gevolgschade heeft [eiser] ter zitting in hoger beroep wel een onderbouwing gegeven door te stellen dat de tekortkoming bij een buitentemperatuur beneden nul graden gevolgen had voor zijn bedrijfsvoering. Het lijm- en droogproces verliep langzamer, de voorgeschreven temperatuur voor het spuiten van verf werd niet gehaald en er ontstonden problemen met condensatie en olie. Daarnaast gaat het om behaaglijkheid. Om de ontstane problemen het hoofd te kunnen bieden, heeft [eiser] zijn bedrijfsprocessen aangepast. Dat is met de nodige kosten gepaard gegaan.
3.9
Het hof stelt om te beginnen vast dat voor verwijzing naar de schadestaat voldoende maar ook vereist is, dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden. [eiser] heeft dat, mede in het licht van het debat tussen partijen, niet (voldoende) onderbouwd. Hij heeft voor het eerst ter zitting in hoger beroep gesteld dat hij zijn bedrijfsprocessen heeft aangepast en dat hij daarvoor de nodige kosten heeft gemaakt, maar hij heeft niet toegelicht en onderbouwd waaruit die aanpassingen en de kosten daarvan hebben bestaan en wat de omvang daarvan (ongeveer) is geweest. [eiser] heeft zelf onderkend dat het moeilijk is om een en ander in geld uit te drukken. De mogelijkheid dat schade is veroorzaakt door de tekortkoming van [verweerder] is hiermee slechts in zeer algemene termen omschreven en daarmee niet voldoende onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt.
3.10
Voor zover [eiser] het oog heeft op vergoeding van kosten voor herstel of vervanging om de warmtepomp alsnog aan de garantie te laten voldoen, betreft dit geen gevolgschade maar vervangende schade waarvoor een omzettingsverklaring is vereist. [verweerder] heeft aangevoerd dat een dergelijke verklaring ontbreekt en [eiser] heeft niet gesteld dat dit anders is.
3.11
Het hof zal de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, daarom afwijzen.’
3.2
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.10 en 3.11 en valt uiteen in twee subonderdelen. Onderdeel 1.1 klaagt dat het oordeel in rov. 3.11 – dat de eis tot vergoeding van bij staat op te maken schade afgewezen wordt – onjuist is, voor zover dit oordeel erop berust dat [verweerder] gesteld heeft dat een omzettingsverklaring ontbreekt en dat [eiser] niet gesteld zou hebben dat dit anders is (rov. 3.10). Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het, zo nodig ambtshalve op de voet van art. 25 Rv en/of door middel van interpretatie, moest onderzoeken of in de processtukken van [eiser] een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW besloten ligt, dus ook indien [eiser] niet met zoveel woorden gesteld heeft dat een omzettingsverklaring uitgebracht is. Het onderdeel betoogt dat [eiser] ’s processtukken geen andere conclusie toelaten dan dat daarin besloten ligt dat [eiser] als schuldeiser geen nakoming maar vervangende schadevergoeding wenst. [eiser] heeft immers geëist om [verweerder] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding en heeft zodanige feitelijke stellingen aan deze eis ten grondslag gelegd dat deze, eventueel in onderling verband en in samenhang bezien, duidelijk genoeg waren voor de rechter en de wederpartij om toewijzing op de door de rechter bij te brengen rechtsgrond te kunnen rechtvaardigen, aldus het onderdeel.
3.3
Onderdeel 1.2 voert aan dat het door onderdeel 1.1 bestreden oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd, voor zover het hof met dit oordeel tot uiting heeft gebracht dat in de processtukken van [eiser] geen omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW besloten zou liggen. Deze processtukken – gelet op [eiser] ’s eis en de daaraan ten grondslag liggende stellingen – laten geen andere conclusie toe dan dat daarin besloten ligt dat [eiser] als schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, zodat in de processtukken een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW besloten ligt. Uit deze processtukken blijkt namelijk dat [eiser] vervangende schadevergoeding van [verweerder] wenst om de warmtepomp zelf, door een derde, te laten herstellen respectievelijk vervangen. [eiser] wenst onmiskenbaar schadevergoeding in plaats van nakoming. Dit klemt nog temeer, omdat een schuldeiser bij een tekortkoming moet kiezen tussen nakoming, schadevergoeding bij ontbinding of schadevergoeding zonder ontbinding, en [eiser] gekozen heeft voor schadevergoeding op de voet van art. 6:74 BW, wat past bij een beroep op vervangende schadevergoeding, en niet heeft gekozen voor nakoming of ontbinding met schadevergoeding, aldus het onderdeel.
3.4
De onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Overeenkomstig art. art. 6:87 BW is de omzettingsverklaring een schriftelijke mededeling van de schuldeiser aan de schuldenaar dat schadevergoeding in plaats van nakoming wordt gevorderd. Voor de omzetting zijn geen formele bewoordingen nodig: iedere schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, is voldoende.3.In het geval dat sprake is van levering van een zaak met een herstelbaar gebrek kan de schuldeiser kiezen voor het omzetten van de verplichting tot levering van de zaak in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding of voor het omzetten van de verplichting tot herstel van het gebrek in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.4.De omzettingsverklaring kan worden gecombineerd met een dagvaarding en kan ook besloten liggen in de dagvaarding (en in andere gedingstukken) als daaruit volgt dat vervangende schadevergoeding wordt gevorderd.5.Door uitleg van de verklaring (die dus ook in de gedingstukken besloten kan liggen) zal moeten worden vastgesteld of de schuldeiser de keuze voor omzetting heeft gemaakt.
3.5
De in het onderdeel genoemde passages in de memorie van antwoord, die inhouden dat [eiser] aanspraak maakt op vervangende schadevergoeding, vallen niet anders dan als een omzettingsverklaring te begrijpen.6.Ook het hof heeft dit gelet op rov. 3.8 zo opgevat. Het hof heeft daarin immers overwogen dat [eiser] heeft gesteld dat het warmtepompsysteem hersteld of vervangen moest worden, wat de nodige kosten met zich brengt. Dat (de advocaat van) [eiser] in zijn memorie van antwoord art. 6:74 BW heeft genoemd en niet het juiste wetsartikel (art. 6:87 BW), doet daaraan niet af, omdat het hof immers op grond van art. 25 Rv ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. Nu in de gedingstukken een omzettingsverklaring besloten ligt, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij niet aan zijn motiveringsplicht voldaan, zodat de klachten van onderdeel 1 slagen.
3.6
Onderdeel 2 wordt aangevoerd voor het geval dat onderdeel 1 faalt en in cassatie dus uitgangspunt zou zijn dat in [eiser] ’s processtukken geen omzettingsverklaring besloten zou liggen.
3.7
Onderdeel 2 behoeft geen behandeling gelet op het slagen van onderdeel 1.
3.8
Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.8, 3.9 en 3.11 en valt uiteen in twee subonderdelen. Het onderdeel heeft, kort gezegd, betrekking op de afwijzing door het hof van de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure.
3.9
Onderdeel 3.1 betoogt dat het hof in rov. 3.9 weliswaar de juiste maatstaf heeft vooropgesteld, namelijk dat voor verwijzing naar de schadestaat de mogelijkheid van schade aannemelijk geworden moet zijn, maar deze maatstaf te streng heeft toegepast. Het hof heeft zijn uit art. 6:97 BW voortvloeiende taak miskend door in rov. 3.9 te hoge eisen te stellen aan de stelplicht van [eiser] voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure, namelijk door van [eiser] te eisen dat hij reeds had moeten toelichten en onderbouwen (i) dat en hoe hij zijn bedrijfsprocessen precies aangepast zou hebben en (ii) wat de precieze omvang van de daarmee gepaard gaande kosten geweest zou zijn. Het hof heeft in essentie miskend dat een zaak verwezen moet worden naar de schadestaat indien er ‘ook maar enige twijfel’ is over de aanwezigheid van schade. Volgens het onderdeel laten [eiser] ’s stellingen geen andere conclusie toe dan dat de mogelijkheid van gevolgschade aannemelijk is geworden, waarbij het onderdeel verwijst naar onderdeel 3.2.
3.10
Onderdeel 3.2 klaagt dat de bestreden overwegingen onbegrijpelijk zijn en/of ontoereikend gemotiveerd. Volgens het onderdeel laten de door [eiser] betrokken stellingen geen andere conclusie toe dan dat de mogelijkheid van gevolgschade aannemelijk is geworden, omdat deze stellingen erop neerkomen dat de productie van de trappen gehinderd en vertraagd werd doordat het warmtepompsysteem de bedrijfshal niet steeds kon verwarmen tot 16°C.
3.11
De onderdelen kunnen gezamenlijk worden besproken. Ik stel voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat, voldoende is dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is, hetgeen niet inhoudt dat aannemelijk moet zijn dat enige schade is geleden.7.Het is voldoende dat eiser feiten stelt waaruit in het algemeen kan worden afgeleid dat schade is geleden.8.Eisers stelplicht reikt niet zo ver dat hij reeds in de hoofdprocedure gehouden is om de schadeposten en het beloop ervan op te geven.9.Heeft de rechter ook maar enige twijfel over de aanwezigheid van schade, dan dient hij te verwijzen naar de schadestaatprocedure.10.Aan de beslissing tot verwijzing worden geen strenge eisen gesteld.11.Voor zover onderdeel 3.1 betoogt dat het hof de maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure te streng heeft toegepast, miskent de klacht dat uit het enkele door [eiser] gestelde feit dat bedrijfsprocessen moesten worden aangepast, op zichzelf niet kan worden afgeleid dat schade is geleden. Op zijn minst had een nadere omschrijving moeten worden gegeven waaruit die bedrijfsaanpassingen dan bestaan. De rechtsklacht van onderdeel 3.1 stuit hierop af.
3.12
In onderdeel 3.2 klaagt [eiser] dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, gelet op de stellingen die [eiser] heeft betrokken om de mogelijkheid van gevolgschade aannemelijk te doen zijn. De door [eiser] gestelde feiten komen erop neer dat de productie van de trappen gehinderd en vertraagd werd doordat het warmtepompsysteem de bedrijfshal niet steeds kon verwarmen tot 16°C. In het bijzonder heeft [eiser] gesteld dat indien de temperatuur in de bedrijfshal onder de 14°C kwam, moest worden gewacht met lijmen totdat de temperatuur in de ochtend hoger was.12.Hiermee heeft [eiser] aangegeven dat het productieproces dan stilligt c.q. wordt vertraagd. [eiser] heeft daarmee feiten gesteld waaruit in het algemeen kan worden afgeleid dat schade is geleden (stilligschade en stagnatieschade zijn doorgaans vormen van gevolgschade).13.In het licht van dit een en ander vormt hetgeen het hof in rov. 3.8 t/m 3.10 heeft overwogen geen toereikende motivering voor zijn oordeel dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is geworden en voor de afwijzing van de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, zodat de klacht van dit onderdeel slaagt.
3.13
De slotsom is dat het principaal cassatieberoep slaagt.
4. Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
4.1
Het incidenteel cassatiemiddel bevat drie onderdelen (A t/m C) en is gericht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [verweerder] en dat het vonnis van de kantonrechter wat betreft de verklaring voor recht over de tekortkoming in stand blijft (rov. 3.1 t/m 3.4, 3.13 en het dictum, onder 1). Voor zover thans van belang, heeft het hof het volgende overwogen:
‘Toerekenbare tekortkoming: te weinig capaciteit warmtepompsysteem
3.2
Vast staat dat [verweerder] per e-mail van 28 september 2011 aan [eiser] heeft gegarandeerd dat de ruimtetemperatuur in de bedrijfshal 16 graden bedraagt bij een buitentemperatuur van -10 graden. Tussen partijen is niet meer in geschil dat het door [verweerder] geleverde en geïnstalleerde warmtepompsysteem niet aan deze garantie voldoet. Dit betekent dat [verweerder] tekort is geschoten in de met [eiser] gesloten overeenkomst.
3.3
Deze tekortkoming is ook toerekenbaar. [verweerder] was ter zake deskundig en heeft de juiste werking van het warmtepompsysteem zonder enig voorbehoud gegarandeerd op een moment dat hij volledig op de hoogte was of had kunnen zijn van de voorwaarden waaronder de bedrijfshal tot 16 graden verwarmd moest worden, ook bij een buitentemperatuur van -10 graden.
3.4
De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [verweerder] bij de nakoming van de overeenkomst jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten door een systeem met te weinig capaciteit te leveren, is door de kantonrechter terecht toegewezen.’
4.2
Onderdeel A klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft geoordeeld dat met het enkele niet nakomen van de garantie dat een systeem wordt geleverd waarmee bij een buitentemperatuur van -10°C binnen een temperatuur van 16°C wordt gehaald, gegeven is dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming (inclusief verzuim, of dat verzuim niet noodzakelijk zou zijn). Volgens het onderdeel heeft het hof aldus miskend dat indien het systeem enkel niet aan de garantie voldoet voor zover bij -10°C de 16°C niet wordt gehaald, er slechts (in dat opzicht) sprake is van niet-nakoming. De vraag of ook sprake is van (een toerekenbare) tekortkoming inclusief verzuim, dan wel de verzuimregeling buiten toepassing blijft, door schending van de garantie, is afhankelijk van de inhoud van de geschonden garantie en de uitleg die partijen daaraan geven. Aan het begrip ‘garantie’ komt niet een vaste betekenis toe. De vraag welke inhoud de garantie heeft, moet worden beantwoord door de uitleg ervan aan de hand van het Haviltex-criterium. Het hof heeft dit miskend dan wel zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd, aldus het onderdeel.
4.3
In onderdeel B wordt toegelicht waarom het bestreden oordeel onbegrijpelijk is. Het onderdeel gaat ervan uit dat het hof heeft geoordeeld dat met het enkele feit dat het systeem de gegarandeerde temperatuur niet haalt, sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Gezien de bewoordingen van de garantie en de uitleg die partijen daaraan hebben gegeven, is daarvoor volgens het onderdeel ook noodzakelijk dat [verweerder] tekort zou zijn geschoten in het treffen van adequate maatregelen indien de temperatuur niet wordt gehaald, of in het dragen van de kosten daarvan. Partijen hebben de garantie (zie hiervoor het e-mailbericht van 28 september 2011, aangehaald onder 2.4) allebei opgevat als een garantie die inhield dat, indien met het systeem de 16°C inderdaad niet zou worden gehaald, [verweerder] garant staat voor het uitvoeren van maatregelen en de daaruit voortvloeiende kosten die nodig zijn om die temperatuur wel te halen. Dit is volgens het onderdeel de enige logische uitleg van de garantie: de temperatuur van 16°C was al in 2008 in de opdrachtbrief van [eiser] als uitgangspunt genoemd. De garantie voegde daaraan slechts toe dat, mocht de temperatuur niet worden gehaald, [verweerder] op zijn kosten maatregelen zou treffen. Van een tekortschieten kan dan pas sprake zijn indien [verweerder] tekort zou schieten in zijn (voorstellen tot) herstel en het dragen van de kosten, en niet, zoals het hof lijkt te oordelen, al door het enkele feit dat bleek dat een systeem werd geleverd waarmee de temperatuur niet werd gehaald. Deze uitleg van de garantie blijkt uit het handelen van partijen, te weten de zoektocht (inclusief een deskundige die over de verbeterpunten rapporteerde) naar de juiste wijze van herstel en de verschillende stellingen van beide kanten over verzuim bij de wederpartij. Indien het hof heeft geoordeeld dat de garantie inhield dat indien met dit systeem de temperatuur van 16°C niet werd gehaald en dit meebracht dat [verweerder] meteen in verzuim was dan wel dat de verzuimregeling buiten toepassing moest blijven, dan is het hof buiten de rechtsstrijd getreden en is dit gezien de in het onderdeel aangehaalde stellingen waaruit de wijze blijkt waarop partijen de garantie uitleggen, onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
4.4
De onderdelen A en B lenen zich voor een gezamenlijke behandeling, waarbij ik het volgende vooropstel. Aan het begrip ‘garantie’ komt niet een vaste betekenis toe. De vraag of een garantie een bepaalde aard en strekking heeft, moet worden beantwoord door de uitleg ervan, waarbij het aankomt op de zin die partijen bij de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. De uitleg die de rechter vervolgens geeft aan de garantie kan niet op juistheid worden getoetst omdat de uitleg van contractuele bepalingen en gedingstukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.14.
4.5
Op grond van art. 6:74 BW verplicht een tekortkoming die aan de schuldenaar kan worden toegerekend tot schadevergoeding. Indien de nakoming niet blijvend onmogelijk is, bestaat het recht op schadevergoeding pas indien de schuldenaar in verzuim is.15.Het verzuimvereiste maakt dan onderdeel uit van het tekortkomingsbegrip.16.Uit de stellingen van [verweerder] en [eiser] kan worden afgeleid dat zij allebei van oordeel zijn dat nakoming niet reeds blijvend onmogelijk was.17.
4.6
Uit het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2001 (Multi Vastgoed/Nethou)18., waarin het ging om een garantie van de aannemer (Multi Vastgoed) jegens de opdrachtgever (Nethou) die inhield dat de door Multi Vastgoed aan te brengen gevelbeplating deugdelijk was, volgt dat een dergelijke garantieverplichting meebrengt dat het achterwege blijven van de gegarandeerde eigenschappen van een geleverde zaak (in casu de gevelbeplating) ‘zonder meer een tekortkoming oplevert van de debiteur’ (rov. 3.5). De Hoge Raad heeft verder overwogen dat in zo’n geval de schuldeiser in beginsel de keuze heeft tussen nakoming, voor zover deze nog mogelijk is, en schadevergoeding in enigerlei vorm.
4.7
De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 10 maart 2020, in het kader van zijn oordeel dat [verweerder] niet aan zijn waarschuwingsplicht heeft voldaan, de garantie als volgt omschreven:
‘2.12 (…) Het lag derhalve op de weg van [verweerder] om [eiser] erop te wijzen dat het warmtepompsysteem onvoldoende capaciteit zou hebben om de overeengekomen temperatuur in de bedrijfshal te bewerkstelligen. [verweerder] heeft niet aan deze waarschuwingsplicht voldaan. Sterker nog, [verweerder] heeft in zijn e-mail van 28 september 2011, naar aanleiding van de brief van [eiser] van 25 september 2011 waarin [eiser] zijn twijfels uit over het goed functioneren van het warmtepompsysteem, aan [eiser] medegedeeld dat hij de juiste werking daarvan garandeert. Verder heeft [verweerder] in die e-mail kenbaar gemaakt dat de gegarandeerde ruimtetemperatuur in de bedrijfshal 15°C bedraagt - het staat tussen partijen vast dat dit 16°C moet zijn - bij een buitentemperatuur van -10°C en dat hij garant staat in verband met het niet behalen van de gewenste temperatuur en de daaruit voortvloeiende kosten. Hoewel [verweerder] zich in het onderhavige geschil op het standpunt heeft gesteld dat de voorwaarden waaronder de temperatuur moest worden behaald niet zijn beschreven, heeft hem dit er dus niet van weerhouden deze garantie aan [eiser] te geven. Indien [verweerder] van oordeel was dat dit niet mogelijk was, had hij dit op grond van artikel 7:754 BW aan [eiser] moeten mededelen.’
4.8
In de memorie van grieven heeft [verweerder] deze weergave van de kantonrechter overgenomen (voetnoot weggelaten):
‘25. (…) Naar aanleiding van dat gesprek heeft [verweerder] op 28 september 2011 aan [eiser] een e-mailbericht verzonden. Daarin garandeert [verweerder] de juiste werking van de warmtepompinstallatie en geeft [verweerder] een garantie af voor het geval de gewenste temperatuur in de bedrijfshal (er staat 15 graden, doch overeengekomen was 16 graden) niet wordt behaald, voor het niet behalen ervan en ook voor de kosten die dat met zich mee zou brengen.’
4.9
In de memorie van grieven, de spreekaantekeningen van de advocaat van [verweerder] ten behoeve van de mondelinge behandeling bij het hof op 6 oktober 2022 en het proces-verbaal van die mondelinge behandeling, zie ik – anders dan onderdeel B bepleit – ook geen (voldoende) duidelijke stellingname voor een uitleg van de garantie zoals in onderdeel B wordt betoogd. Integendeel, daarin staan juist stellingen opgenomen die de uitleg van de garantie door het hof bevestigen en die haaks staan op de uitleg die wordt voorgestaan door onderdeel B.
4.10
Ik vermeld dat [verweerder] in de memorie van grieven (onder 105) het volgende aanvoert:
‘Voor zover er sprake zou zijn van een tekortkoming van [verweerder] bestaande uit het installeren van een warmtepompsysteem met onvoldoende capaciteit, hetgeen [verweerder] bestrijdt, heeft te gelden dat [verweerder] bij herhaling herstel van die tekortkoming heeft aangeboden. [eiser] heeft die aanboden nimmer (onvoorwaardelijk) geaccepteerd, althans [verweerder] nimmer tot dat herstel toegelaten, zodat [eiser] alsdan ter zake die tekortkomingen als schuldeiser in verzuim is komen te verkeren (artikel 6:58 BW).’
Hier spreekt [verweerder] dus van een ‘tekortkoming’ bestaande uit het installeren van een warmtepompsysteem met onvoldoende capaciteit. [verweerder] spreekt niet van een tekortkoming bestaande uit het installeren van een warmtepompsysteem én een tekortkoming in zijn (voorstellen tot) herstel en het dragen van de kosten (zoals de garantie volgens onderdeel B zou moeten worden uitgelegd).
4.11
In de spreekaantekeningen van de advocaat van [verweerder] staat het volgende opgenomen (als reactie op de stelling van [eiser] in productie 4, die ten behoeve van de mondelinge behandeling is overgelegd), wat evenmin rijmt met de uitleg die door onderdeel B wordt bepleit:
’12. Hij [ [eiser] , A-G] schrijft over risico’s die hij loopt [‘manuren verlies, omzetverlies (omzet is momenteel € 15.000,-- per dag), claims vanwege te late levering, verliezen KOMO certificaat, verlies van vaste klanten enz.’, A-G], niet over schade die hij al heeft geleden. Opvallend is dat hij aangeeft “niets meer te klagen te hebben” als [verweerder] voor die risico’s zou instaan. Volgens mij is dat wat [verweerder] in september 2011 schreef te doen.’ (voetnoot weggelaten, A-G).
4.12
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt bovendien dat de advocaat van [verweerder] heeft erkend dat er een tekortkoming is en heeft opgemerkt dat het hof zich daarover niet meer hoeft uit te laten, waarna hij afsluit kennelijk met een – gelet op randnummer 105 van de memorie van grieven – beroep op schuldeisersverzuim ex art. 6:58 BW:
‘Hof: U heeft een garantie [heeft] gegeven en uit zowel de memorie van grieven als de memorie van antwoord volgt dat het systeem dat u heeft geïnstalleerd daar niet aan voldoet.
[verweerder] : Ik ben nooit in de gelegenheid gesteld om te controleren of dat klopt en wat precies het tekort aan vermogen is. Ten aanzien van extreme situaties is er inderdaad sprake van een tekort aan vermogen en kan de gewenste temperatuur van 16 graden niet worden gehaald. Dit blijkt ook uit het rapport van [de deskundige, A-G]. Maar dit kan simpelweg worden opgevangen door het plaatsen van een extra warmtepomp.
Het klopt dat dit niet strookt met de garantie die is gegeven. Maar de garantstelling diende ertoe om [eiser] zekerheid te geven dat ik garant zou staan als er iets niet deugde. Wanneer dat dan het geval is, moet de aannemer in de gelegenheid worden gesteld om een passende oplossing te bieden. Helaas heb ik die gelegenheid nooit gekregen.
Mr. Bosman [advocaat van [verweerder] , A-G]: Er is een tekortkoming en daar hoeft uw hof zich niet meer over uit te laten. Maar daar staat tegenover dat toen [de deskundige, A-G] het rapport uitbracht, [verweerder] bereid was de tekortkoming te herstellen door er iets bij te plaatsen.’19.
4.13
Ook uit de bewoordingen van de tekst van de garantie volgt naar mijn mening niet (voldoende) de door onderdeel B voorgestane uitleg van de garantie. De laatste zin van de e-mail van 28 september 2011 kan immers ook worden uitgelegd als een bevestiging c.q. verduidelijking van het (in zoverre) absolute karakter van de garantie dat niet-nakoming ervan tot aansprakelijkheid leidt.20.Verder kunnen de stellingen over de zoektocht van [eiser] en [verweerder] naar de juiste wijze van herstel (inclusief een deskundige die over verbeterpunten rapporteerde) evengoed worden uitgelegd in die zin dat [eiser] in eerste instantie simpelweg (alsnog) nakoming verlangde (in plaats van gevolgschade/vervangende schade). Gelet op het vorenstaande acht ik de vaststelling door het hof in rov. 3.2 van de uitleg van de garantie niet onjuist noch onbegrijpelijk.
4.14
De klacht dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden in het geval dat beide partijen in de veronderstelling zouden hebben verkeerd dat een ingebrekestelling nodig was voor het intreden van het verzuim, kan ook niet slagen. De vaststelling van de uitleg van de garantie in rov. 3.2 levert een garantieverplichting op ten aanzien waarvan de Hoge Raad in het reeds genoemde arrest Multi Vastgoed/Nethou21.heeft geoordeeld dat het achterwege blijven van de gegarandeerde eigenschappen van een geleverde zaak ‘zonder meer een tekortkoming oplevert van de debiteur’. Indien dus sprake is van een schending van een dergelijke garantieverplichting, is de tekortkoming een gegeven. De klacht dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden, faalt daarom.
4.15
De slotsom is dat de onderdelen A en B falen.
4.16
Onderdeel C bevat na een inleiding verschillende klachten in de onderdelen C.1, C.2, C.2.2 en C.3.
4.17
De eerste klacht van onderdeel C.1 voert aan dat zelfs als wordt uitgegaan van de uitleg van de garantie waarbij het enkele niet halen van de 16°C al een schending hiervan is die een toerekenbare tekortkoming oplevert, het bestreden arrest uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. Bij zijn oordeel dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming, heeft het hof miskend dat [verweerder] heeft gesteld dat het werk aan de aan te leggen installatie(s) ten tijde van de opschorting van de werkzaamheden nog niet klaar was. Een oplevering van het werk heeft niet plaatsgevonden. [verweerder] werkte onder regie van [eiser] en werd bovendien met latere wijzigingen door [eiser] van de inrichting van de hal geconfronteerd. Hierdoor kan er, anders dan het hof heeft geoordeeld, geen sprake zijn van een constatering van de schending van een (garantie)verplichting nu voor deze constatering noodzakelijk is dat het werk (voldoende) is afgerond en dit niet het geval was. In het kader van deze klacht voert onderdeel C.3 aan dat het hof de rechtsgevolgen van het niet beëindigd en opgeleverd zijn van het werk heeft miskend en dat het hof daarmee rechtens onjuist heeft geoordeeld en/of essentiële stellingen van [verweerder] niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken waardoor het oordeel van het hof dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming onvoldoende is gemotiveerd.
4.18
Het onderdeel stelt zich terecht op het standpunt dat het voor het kunnen vaststellen van een tekortkoming vereist is dat nakomen verplicht was en dat de garantie(verplichting) dan ook opeisbaar moet zijn, wil van een tekortkoming kunnen worden gesproken.22.[verweerder] heeft echter niet het verweer gevoerd dat er geen sprake is van opeisbaarheid van de (garantie)verplichting en daarom evenmin van een tekortkoming. Het standpunt dat het werk nog niet was afgerond, is namelijk (uitsluitend) door [verweerder] aangevoerd in het kader van zijn verweer dat aan hem een beroep op opschorting toekwam omdat [eiser] zijn facturen niet voldeed23., wat door de advocaat van [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep na een vraag daarover van het hof is bevestigd.24.Hierop stuit de eerste klacht van onderdeel C.1 reeds af.
4.19
De overige klachten van onderdeel C.1 en onderdeel C.2 zijn aangevoerd voor het geval dat het hof wél zou zijn uitgegaan van de door onderdeel B voorgestane uitleg van de garantie, aldus dat pas sprake kan zijn van een tekortkoming indien [verweerder] na schending van de garantie zijn plicht tot het treffen van de nodige maatregelen/zijn plicht tot herstel, op zijn kosten, niet nakomt. Nu het hof niet is uitgegaan van deze uitleg van de garantie (zie de behandeling van onderdeel B), missen de onderdelen feitelijke grondslag en falen zij om die reden.
4.20
Onderdeel C.2.225.voert aan dat [verweerder] zich in zijn memorie van grieven (onder 106) op het standpunt heeft gesteld dat door het handelen van [eiser] de toerekenbaarheid ontbreekt, omdat [verweerder] werd gedwarsboomd in het nakomen. Dit leidt er volgens het onderdeel toe dat de door het hof in rov. 3.3 en 3.4 vastgestelde toerekenbaarheid onbegrijpelijk is.
4.21
Onderdeel C.3 voert in het verlengde van onderdeel C.2 (waaronder – welwillend gelezen – ook onderdeel C.2.2 valt) aan dat het hof het verzuim bij [eiser] heeft miskend en dat het hof daarmee rechtens onjuist heeft geoordeeld en/of essentiële stellingen van [verweerder] niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken waardoor het oordeel van het hof dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming onvoldoende is gemotiveerd.
4.22
Bij de bespreking van de onderdelen C.2.2 en C.3 stel ik voorop dat uit het door mij reeds genoemde arrest van de Hoge Raad inzake Multi Vastgoed/Nethou26.volgt dat de schuldeiser bij schending van een garantieverplichting zoals hier aan de orde, in beginsel de keuze heeft tussen nakoming, voor zover dat nog mogelijk is, en schadevergoeding in enigerlei vorm. Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat zij allebei van oordeel zijn dat nakoming niet blijvend onmogelijk was, maar dat nakoming na de schending van de garantieverplichting nog tot de mogelijkheden behoorde.27.
4.23
[verweerder] heeft in zijn memorie van grieven (onder 103 en 104) aangevoerd dat hij bij herhaling heeft aangeboden om werkzaamheden uit te voeren ter vergroting van de capaciteit van de warmtepompinstallatie respectievelijk dat hij heeft aangeboden een extern vermogen bij te plaatsen op zijn kosten. Aansluitend hierop wordt in de memorie van grieven het volgende vermeld:
‘105. Voor zover er sprake zou zijn van een tekortkoming van [verweerder] bestaande uit het installeren van een warmtepompsysteem met onvoldoende capaciteit, hetgeen [verweerder] bestrijdt, heeft te gelden dat [verweerder] bij herhaling herstel van die tekortkoming heeft aangeboden. [eiser] heeft die aanboden nimmer (onvoorwaardelijk) geaccepteerd, althans [verweerder] nimmer tot dat herstel toegelaten, zodat [eiser] alsdan ter zake die tekortkomingen als schuldeiser in verzuim is komen te verkeren (artikel 6:58 BW).
106. Voor zover [verweerder] zou zijn tekortgeschoten kunnen de tekortkomingen gelet op het vorenstaande [verweerder] niet toegerekend worden. [verweerder] is niet schadeplichtig jegens [eiser] voor zover [eiser] schade zou hebben geleden, hetgeen [verweerder] bestrijdt. [verweerder] is nimmer in verzuim komen te verkeren. Nakoming zou nog mogelijk zijn. Een extern vermogen kan bijgeplaatst worden.’ (mijn onderstreping, A-G).
4.24
Kortom, [verweerder] heeft zich in zijn memorie van grieven op het standpunt gesteld dat voor zover sprake zou zijn van een tekortkoming van [verweerder] bestaande uit het installeren van een warmtepompsysteem met onvoldoende capaciteit, die tekortkoming hem niet kan worden toegerekend omdat sprake is van schuldeisersverzuim in de zin van art. 6:58 BW (met de woorden ‘gelet op het vorenstaande’ in de memorie van grieven (onder 106) doelt [verweerder] immers op zijn standpunt dat sprake is van schuldeisersverzuim in de zin van art. 6:58 BW).
4.25
Bij schending van een garantieverplichting zoals in deze zaak aan de orde is, treedt het verzuim van rechtswege in (een ingebrekestelling is niet vereist), tenzij nakoming reeds blijvend onmogelijk is.28.Gelet op de stellingen van partijen was nakoming niet reeds blijvend onmogelijk en was nakoming ná de schending van de garantieverplichting dus nog mogelijk. In dat geval is [verweerder] in verzuim geraakt als gevolg van de door het hof in rov. 3.2 aangenomen schending van de garantieverplichting.29.
4.26
Indien een schuldenaar in verzuim raakt, kan hij het verzuim zuiveren door alsnog nakoming aan te bieden en waarbij ook betaling wordt aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en van de kosten (art. 6:86 BW). De schuldeiser raakt in schuldeisersverzuim (art. 6:58 BW) indien hij dit zuiveringsaanbod ten onrechte weigert30., en daardoor eindigt het verzuim van de schuldenaar (art. 6:61 lid 1 BW). Het verzuim van de schuldeiser levert voor de schuldenaar ‘een niet-toerekenbare verhindering van nakoming op’ (overmacht). De gevolgen van deze overmacht zijn dat de schuldenaar (in beginsel) niet verplicht is tot schadevergoeding alsmede dat de schuldeiser niet met succes nakoming kan vorderen.31.Aan het vorenstaande staat niet in de weg dat aan de schuldenaar in het geval van een garantieverplichting zoals in deze zaak aan de orde is, in beginsel geen beroep op overmacht toekomt.32.Dit geldt in beginsel, omdat het verdedigbaar is dat het van de bewoordingen van de garantie en van de bedoeling van partijen afhangt of in het geval van schuldeisersverzuim de garantieverplichting niet kan worden ingeroepen en aan de desbetreffende schuldenaar wel een beroep op overmacht toekomt.33.
4.27
Heeft het hof essentiële stellingen van [verweerder] gepasseerd, zoals onderdeel C.3 nog betoogt? Van het passeren van een essentiële stelling is sprake indien de feitenrechter heeft nagelaten een stelling van een van de partijen te behandelen die, indien juist, een reële kans geeft op een andere beslissing.34.De tekortkoming die [verweerder] heeft beschreven in zijn memorie van grieven (onder 105), heeft het hof vastgesteld in rov. 3.2. Indien de stelling van [verweerder] in de memorie van grieven juist is dat sprake is van schuldeisersverzuim in de zin van art. 6:58 BW en dat dat een niet-toerekenbare verhindering van nakoming oplevert, bestaat er een reële kans dat deze stelling tot een andere beslissing over de toerekenbaarheid leidt. Nu het hof heeft nagelaten deze stelling van [verweerder] te behandelen, slaagt de klacht van onderdeel C.2.2 dat het bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is en in het voetspoor daarvan ook de klacht van onderdeel C.3.
4.28
De slotsom is dat het incidenteel cassatieberoep slaagt.
5. Conclusie
De conclusie strekt zowel in het principaal cassatieberoep als in het incidenteel cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑02‑2024
Zie het bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9848, rov. 2.1 en 2.2, en het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 april 2018, rov. 2.1, 2.2, 2.4, 2.5, 2.7 en 2.8.
In de e-mail van 28 september 2011 staat per abuis ‘15 graden’ vermeld. Tussen partijen staat vast dat dit 16°C moet zijn. Zie ter zake ook het verweerschrift in het principaal cassatieberoep, tevens houdende incidenteel cassatieberoep, p. 2, onder randnummer 4 en voetnoot 1.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 305.
Zie P.S. Bakker, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:87 BW, aant. 12.2; G.J.P. de Vries, Recht op nakoming en op schadevergoeding en ontbinding wegens tekortkoming, 1997, p. 105; Asser/Sieburgh 6-I 2020/403.
Vgl. HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2730, NJ 2017/20, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.5.2.
Zie HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, NJ 2023/114, rov. 3.2.4, onder verwijzing naar HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435, NJ 2005/371, rov. 3.4.
Vgl. HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0304, NJ 1991/746, rov. 3.3. Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure, 2012, par. 4.4.2; M.B. Beekhoven van den Boezem, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 612 Rv, aant. 4.
Zie M.B. Beekhoven van den Boezem, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 612 Rv, aant. 3, onder verwijzing naar HR 21 december 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4926, NJ 1985/904, m.nt. M. Scheltema.
Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘De ambivalente regeling van de schadestaatprocedure’, TCR 2008/1, p. 3.
Zie HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246, RvdW 2006/681, rov. 3.5.1.
Zie het proces-verbaal van comparitie van partijen van 18 oktober 2017, p. 3.
HR 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4728, NJ 2000/562, m.nt. J.B.M. Vranken (…] / [….), rov. 3.3. In het algemeen over garanties: M.M. van Rossum, P.H.L.M. Kuypers, Garanties in de rechtspraktijk (R&P CA12) 2015.
Zie bijvoorbeeld de memorie van grieven, onder 31 e.v., en de memorie van antwoord, onder 17 e.v. Ook uit het bestreden arrest kan overigens worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat nakoming niet blijvend onmogelijk is, omdat art. 6:87 BW niet van toepassing is. Zie in dat kader ook: P.S. Bakker, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:87 BW, aant. 3; H.J.S.M. Langbroek, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 3.8; Asser/Sieburgh 6-I 2020/381.
HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9311, NJ 2001/79.
Proces-verbaal van mondelinge behandeling, p. 3.
Vgl. de conclusie van A-G Vranken vóór HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1974, NJ 1996/361, onder 33.
HR 5 januari 2001, reeds aangehaald, rov. 3.5.
Zie onder meer: H.J.S.M. Langbroek, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 2.5; Asser/Sieburgh 6-I 2020/317-319.
Zie de memorie van grieven, onder 102: ‘Door [verweerder] wordt erop gewezen dat hij bezig was met de uitvoering van een regieopdracht voor [eiser] , welke opdracht nog niet was afgerond op het moment dat [verweerder] zijn werkzaamheden voor [eiser] opschortte omdat [eiser] de facturen van [verweerder] niet voldeed. Het werk dat [verweerder] moest realiseren is nimmer opgeleverd. De werkzaamheden en materialen die [verweerder] met de openstaande facturen in rekening bracht aan [eiser] waren uitgevoerd en geleverd. Door het beroep op opschorting van [verweerder] kwam [eiser] in verzuim te verkeren (artikel 6:59 BW). Het verzuim van [eiser] maakt dat [verweerder] nimmer in verzuim is kunnen komen te verkeren (artikel 6:61 lid 2 BW). Van een toerekenbare tekortkoming van [verweerder] is gelet op het bepaalde in artikel 6:74 lid 1 en 2 BW geen sprake.’
Zie het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 6 oktober 2022, p. 2: ‘Hof: U geeft aan dat de installatie nog niet was opgeleverd. Wat is de betekenis hiervan voor deze procedure? Mr. Bosman [advocaat van [verweerder] , A-G]: ‘Daarmee heb ik aangegeven dat er een opschorting is geweest door [verweerder] .’
Een klacht aangeduid als onderdeel C.2.1 ontbreekt.
HR 5 januari 2001, reeds aangehaald.
Zie bijvoorbeeld de memorie van grieven, onder 31 e.v., en de memorie van antwoord, onder 17 e.v.
HR 5 januari 2001, reeds aangehaald, rov. 3.5. Zie ook C.A. Streefkerk, Ingebrekestelling en verzuim bij wanprestatie, NTBR 2004, 1, p. 30-31.
Zie onder meer: Asser/Sieburgh 6-I 2020/319; H.J.S.M. Langbroek, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 2.7.
Zie P.S. Bakker, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:83 BW, aant. 47.8; F.J.P. Lock, Schuldeisersverzuim, 2023, par. 17.
Lock, a.w., par. 28.
Asser/Hijma 7-I 2019/601; M.A.J.G. Janssen, in: M.M. van Rossum & P.H.L.M. Kuypers (red.), Garanties in de rechtspraktijk (R&P nr. CA12) 2015/2.2; Asser/Sieburgh 6-I 2020/362; H.B. Krans & M.H. Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR4) 2022/182.
Zie C. Kauffman en P. Croes, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:75 BW, aant. 7.6.1; Krans & Wissink, t.a.p.; vgl. conclusie A-G Hartkamp vóór HR 22 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1930 (Hoog Catharijne, ABP/Friesch Groningse Hypotheekbank), onder 8; HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8176, RvdW 2006/377 (Betonstaf/Ballast Nedam).
Zie o.a. A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/71; B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/116; W.D.H. Asser, Cassatie, 2018, par. 4.6.3; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188.
Beroepschrift 23‑03‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Zitting: 12 mei 2023
VERWEERSCHRIFT in het PRINCIPALE CASSATIEBEROEP, TEVENS HOUDENDE INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
inzake:
de heer [eiser]
wonende te [woonplaats]
verweerder in het principale cassatieberoep
eiser in het incidentele cassatieberoep
advocaat: mr W.A. Jacobs
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats]
eiser in het principale cassatieberoep,
verweerder in het incidentele cassatieberoep,
advocaat mr J.M. Moorman
[eiser] doet eerbiedig zeggen en concluderen:
I. In het principaal cassatieberoep
Aangezien in het bestreden arrest op de daartoe in het cassatiemiddel aangevoerde gronden het recht niet is geschonden en wezenlijke vormen niet zijn verzuimd, concludeert [eiser] tot verwerping van het beroep; met zodanige verdere beslissing ten aanzien van de kosten als de Hoge Raad juist zal achten. [eiser] vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
II. Incidenteel middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof bij het te dezen bestreden arrest van 15 november 2022 zaaknummer 200.278.110/01, in rovv 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.13 en de daarop voortbouwende overwegingen en het dictum heeft overwogen en beslist dat sprake is van een toerekenbaar tekortschieten door [eiser] in de nakoming van de overeenkomst met [verweerder] gelijk in het arrest van het hof vermeld. Dit om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen:
A. Onjuiste rechtsopvatting toerekenbare tekortkoming bij schending garantie
1.
Voor zover het hof in de in hierboven in de aanhef van dit incidentele middel genoemde rovv. 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.13 en het dictum oordeelt dat met het enkele niet nakomen van de garantie dat een systeem wordt geleverd waarmee bij een buitentemperatuur van min 10 graden binnen een temperatuur van (plus) 16 graden wordt gehaald, gegeven is dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming (inclusief verzuim, of dat verzuim niet noodzakelijk zou zijn), gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting.
2.
Het hof miskent aldus dat indien het systeem enkel niet aan de garantie voldoet voor zover bij min 10 graden de (plus) 16 graden niet wordt gehaald, er slechts (in dat opzicht) sprake is van niet-nakoming. De vraag of ook sprake is van (een toerekenbare) tekortkoming inclusief verzuim, dan wel de verzuimregeling buiten toepassing blijft, door schending van de garantie, is echter afhankelijk van de inhoud van de geschonden garantie en de uitleg die partijen daaraan geven. Aan het begrip ‘garantie’ komt immers niet een vaste betekenis toe. De vraag welke inhoud de garantie heeft, moet worden beantwoord door de uitleg ervan aan de hand van het Haviltexcriterium, waarbij het aankomt op de zin die partijen bij de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (HR 4 februari 2000, NJ 2000, 562). Het hof heeft dit hetzij miskend hetzij heeft het zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd, dan wel is dat oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
B. Uitleg garantie
B.1. Inhoud overeengekomen garantie
3.
Voor zover het hof in de aanhef van dit incidentele middel genoemde rovv. 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.13 en het dictum oordeelt dat met het enkele feit dat het systeem de gegarandeerde temperatuur niet haalt er sprake is van een toerekenbare tekortkoming, is het oordeel onbegrijpelijk. Gezien de bewoordingen van de garantie en de uitleg die beide partijen daaraan hebben gegeven, is daarvoor ook noodzakelijk dat [eiser] te kort zou zijn geschoten in het treffen van adequate maatregelen indien de temperatuur niet wordt gehaald, of in het dragen van de kosten daarvan.
4.
De garantie behelst (e-mail van 28 september 2011, productie 4 bij dagvaarding, vonnis rechtbank 10 april 2018, rov 2.8):
‘[eiser] installatietechniek garandeert de juiste werking van de warmtepompinstallatie geplaatst op de [a-straat 01] te [a-plaats].
De gegarandeerde ruimtetemperatuur in de bedrijfshal bedraagt 15 graden1. bij een buitentemperatuur van -10 graden. Dit is volgens de ISSO norm 51.
[eiser] installatietechniek staat garant in verband met het niet behalen van de gewenste temperatuur en de daaruit voortvloeiende kosten.’
5.
Partijen hebben dit allebei opgevat als een garantie die inhield dat, indien met het systeem de 16 graden inderdaad niet zou worden gehaald, [eiser] garant staat voor het uitvoeren van maatregelen ‘en de daaruit voortvloeiende kosten’ die nodig zijn om die temperatuur wel te halen. Dit is ook de enig logische uitleg van de garantie: de temperatuur van 16 graden was immers al in de opdrachtbrief van [verweerder] d.d. 23 augustus 2008 als uitgangspunt genoemd (zie het vonnis van de kantonrechter van 10 april 2018, rov 2.4). De garantie voegde daar slechts aan toe dat, mocht de temperatuur niet worden gehaald, [eiser] op zijn kosten maatregelen zou treffen. Een tekortkoming in de nakoming van de garantie zou dus niet zijn, zoals het hof lijkt te overwegen, alleen al dat het systeem de temperatuur niet haalt, maar zou mede moeten omvatten dat [eiser] zou zijn tekort geschoten in het aanbieden en uitvoeren van, kort gezegd, adequate oplossingen hiervoor en in het instaan voor ‘de daaruit voorvloeiende kosten’. Deze uitleg blijkt uit het handelen van partijen en uit de stellingen die in het onderhavige geding (daarover) zijn ingenomen. Ter uitwerking van deze klacht dient het volgende.
B.1.1. Stellingen [eiser]
6.
[eiser] heeft uitgebreid gesteld omtrent het gesprek tussen partijen over de klacht van [verweerder] en de daaruit voortvloeiende (mede de kosten omvattende) garantie door [eiser] afgegeven, de in het vervolg daarop door [eiser] steeds voorgedragen oplossingen die niet werden geaccepteerd, het door [verweerder] nog steeds niet betalen van de rekeningen, de constante bereidheid van [eiser] tot het treffen van de benodigde maatregelen en de herhaalde afwijzing van [verweerder] van adequate oplossingen, het opschorten door [eiser] en het feit dat [eiser] niet in verzuim kwam te verkeren. Gezien de discussie tussen partijen over de te treffen adequate maatregelen gingen beide partijen uit van het feit dat de garantie nu juist zag op het treffen van deze maatregelen. Zie de in middelonderdeel C.1 en C.2 genoemde vindplaatsen, maar ook de nrs 31–59 MVG (met name 39, 40, 46, 50, 52, 54) en in 101–106 en 116 MVG en spreekaantekeningen appel nrs 6, 22.
7.
Ook stelde [eiser] over de context waarin de garantie is gegeven. Deze context is door [eiser] geschetst in de nrs 1 tot en met 14 MVG (en blijkt ook uit 77–85, met name 83 MVG) waaruit blijkt dat [verweerder] in eigen regie de bedrijfshal aan het bouwen was en dat [verweerder] na het aangaan van de overeenkomst nog keuzes maakte met betrekking tot het te bouwen bedrijfspand waarmee [eiser] vooraf geen rekening heeft kunnen houden, zoals bijvoorbeeld de plaatsing van een ventilatiesysteem en daklichten. Door het feit dat de bouw work in progress was en dus het behalen van de in de opdracht vermeldde 16 graden pas al doende zou kunnen blijken, was het geven van de garantie dat [eiser] de noodzakelijke maatregelen op zijn kosten zou treffen een logische manier om de twijfels bij [verweerder] over de installatie weg te nemen zodat [verweerder] zijn betalingen zou hervatten.
8.
Meer in het bijzonder in 31 MVG verwijst [eiser] naar het relaas in eerste aanleg en naar productie 7 dagvaarding (de correspondentie over het door hem uit te voeren herstel) over de steeds als nakoming van de garantie door [eiser] gedane voorstellen. In de nrs 32 tot en met 59 MVG, stelt hij over de gang van zaken met betrekking tot zijn voorstellen tot herstel, in 82 dat hij de garanties wilde nakomen, in 105 MVG stelt hij dat [verweerder] nooit de gedane voorstellen om tot herstel over te gaan accepteerde en in 101–106 en 116 MVG dat hij niet toerekenbaar is te kort geschoten en niet in verzuim kwam.2. Zie ook de spreekaantekeningen [eiser] 6 oktober 2022 nr. 6 en PV 6 oktober 2022 p. 3 3e woordblok ([eiser]) waarin hij meldt dat hij nooit werd toegelaten tot (de afgesproken mogelijkheid tot) herstel. In 107 MVG stelt hij dat de rechtbank dus ten onrechte de verklaring voor recht dat [eiser] toerekenbaar tekortschoot heeft toegewezen. Uit deze stellingen blijkt dat beide partijen steeds uitgingen van het treffen van maatregelen door [eiser] (op zijn kosten), al vond [verweerder] de voorstellen steeds onvoldoende.
B.1.2. Stellingen [verweerder]
9.
Ook [verweerder] heeft de garantie, blijkens zijn handelen nadat twijfels waren gerezen over het halen van 16 graden door de installatie en blijkens de door hem (daarover) ingenomen stellingen, opgevat als een garantie dat [eiser], indien met het systeem de 16 graden niet gehaald zou worden, zou overgaan tot het op [eiser]'s kosten treffen van de benodigde maatregelen om de gewenste temperatuur wel te behalen, zie CVA tevens EIR nr. 15, 23, 25, 34 en de MVA nr. 15, 17–18, 55, 56, 74.
10.
Meer in het bijzonder in 15 MVA stelt [verweerder] dat [eiser] verschillende garanties had afgegeven, maar dat de door [eiser] voorgestelde oplossing volgens [verweerder] niet adequaat was. Hieruit blijkt dat ook volgens [verweerder] partijen dus bezig waren de uit de garantie voortvloeiende maatregelen mogelijk te maken. Vervolgens stelt [verweerder] dat het niet naar zijn genoegen zijn van de aangeboden maatregelen, ertoe leidde dat hij zijn betalingsverplichtingen opschortte voor zolang [eiser] het probleem met de waterpompinstallatie niet had opgelost. In 55 MVA stelt [verweerder] dat hij, teneinde [eiser] te bewegen tot herstel van het probleem met de warmtepomp over te gaan (waartoe [eiser] zich dus ook in de ogen van [verweerder] had verbonden), een drukmiddel achter de hand wilde houden in de vorm van de openstaande facturen. In 56 MVA stelt [verweerder] over het verzuim van [eiser] dat dit zich volgens hem voordeed niet na het enkel niet halen van de temperatuur van 16 graden (zoals het hof kennelijk oordeelt), maar na een ingebrekestelling dan wel na het ‘weigeren’ door [eiser] de installatie kosteloos te herstellen. Ook in nr. 74 MVA stelt [verweerder] dat [eiser] in verzuim kwam te verkeren, niet omdat de 16 graden niet werd gehaald, maar omdat hij geen adequate voorstellen tot verbetering deed. Hieruit blijkt dat ook [verweerder] (hoewel hij de door [eiser] geopperde oplossingen afkeurde), uitging van een garantie die meebracht dat [eiser] met het treffen van de benodigde maatregelen zou zorgen dat de temperatuur van 16 graden alsnog zou worden gehaald, ook bij -10 buitentemperatuur.
B.1.3. Conclusie inhoud garantie
11.
Beide partijen gingen er aldus van uit dat de garantie meebracht dat [eiser] zich verbond tot het verrichten van de noodzakelijke handelingen op zijn kosten om de gewenste temperatuur mogelijk te maken, mocht het zo zijn dat het vermoeden van [verweerder]3. dat de temperatuur inderdaad niet gehaald werd waarheid was. Van een tekortschieten kan dan pas sprake zijn indien [eiser] tekort zou schieten in zijn (voorstellen tot) herstel of het dragen van de kosten en niet, zoals het hof lijkt te oordelen, al door het enkele feit dat bleek dat een systeem werd geleverd waarmee de temperatuur niet werd gehaald. Overeenkomstig deze uitleg van de garantie is ook door partijen gehandeld. Dit getuige de in de aangehaalde vindplaatsen beschreven zoektocht (inclusief een deskundige die over de verbeterpunten rapporteerde) naar de juiste wijze van herstel ten genoegen van [verweerder] en de verschillende stellingen van beide kanten over verzuim bij de wederpartij. Indien het hof oordeelde dat de garantie inhield dat indien met dit systeem de temperatuur van 16 graden niet werd gehaald, dit meebracht dat [eiser] meteen in verzuim was dan wel dat de verzuimregeling buiten toepassing moest blijven, treedt het dus buiten de rechtsstrijd en is dit gezien deze stellingen waaruit de wijze blijkt waarop partijen de garantie uitleggen, onbegrijpelijk.
C. Ook overigens oordeel tekortkoming niet juist
12.
[eiser] heeft gemotiveerd gesteld over het niet afgrond en opgeleverd zijn van het werk, de opschorting van zijn verplichtingen en het crediteursverzuim bij [verweerder]. Ook door daar niet (kenbaar) over te overwegen heeft het hof met het oordeel in rovv. 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.13 en het dictum dat [eiser] toerekenbaar tekortschoot blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel het oordeel onvoldoende gemotiveerd.
C.1. Het werk was nog niet afgerond, opschorting [eiser]
13.
Zelfs indien wordt uitgegaan van de uitleg van de garantie waarbij het enkele niet halen van de 16 graden al een schending hiervan is die een toerekenbare tekortkoming oplevert, gaat het arrest uit van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onbegrijpelijk. Het hof miskent bij het oordeel dat van een toerekenbare tekortkoming sprake is dat [eiser] stelde over het feit dat het werk aan de aan te leggen installatie(s) ten tijde van de opschorting van de werkzaamheden nog niet klaar was. Een oplevering van het werk heeft niet plaatsgevonden, [eiser] werkte onder regie van [verweerder] en werd bovendien met latere wijzigingen door [verweerder] van de inrichting van de hal geconfronteerd. Hierdoor kan er, anders dan het hof oordeelt, geen sprake zijn van een constatering van de schending van een (garantie)verplichting nu voor deze constatering noodzakelijk is dat het werk (voldoende) is afgerond en dit niet het geval was.
14.
Het in nr. 13 gestelde heeft ook te gelden indien het hof uit zou zijn gegaan van een uitleg van de garantie waarin wél de verplichting tot het (op zijn kosten) treffen van maatregelen door [eiser] was inbegrepen. De constatering dat [eiser] tekortschoot is immers ook dan pas te doen indien het werk in voldoende mate klaar is. Bovendien geldt bij deze uitleg dat het hof niet kenbaar in zijn oordeel betrok dat [eiser] de werkzaamheden niet afrondde omdat hij gerechtvaardigd opschortte toen [verweerder], ondanks de afgegeven garantie, de facturen niet voldeed. Dit brengt mee dat [verweerder] door [eiser]'s opschorting ingevolge de art. 5 lid 1 ALIB voorwaarden en/of ingevolge art. 6:52 en 6:59 BW in verzuim kwam te verkeren zodat op grond van art. 6:61 lid 2 BW [eiser] niet in verzuim kon komen. Ook daarom is de, zonder nadere overwegingen, vastgestelde toerekenbare tekortkoming onjuist dan wel onbegrijpelijk.
15.
Zie voor de stellingen bedoeld in nrs 13 en 14 van dit middel de nrs 5–12 MVG en nr. 19 spreekaantekeningen 6 oktober 2022 (over de werkwijze en de nadere keuzes door [verweerder]), nrs 28–29 en met name 101–102, 124 MVG (werk niet af en opschorting), PV 6 oktober 2022 p. 2 woordblok 9, 10 en 13 (mr Bosman en [eiser]) en p. 3 11e woordblok (mr Bosman) over het niet afronden en verzuim bij [verweerder]. Zie ook de nrs 6 en 28 MVG en nr. 16 spreekaantekeningen 6 oktober 2022 over de opschorting op grond van de ALIB voorwaarden en het BW.4.
C.2. Verzuim op grond van art. 6:58 BW in verbinding met art. 6:61 BW
16.
Indien het hof uit zou zijn gegaan van een toerekenbare tekortkoming van de garantie waarin wél de verplichting tot het (op zijn kosten) treffen van maatregelen door [eiser] was inbegrepen, gaat het bovendien uit van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het oordeel onbegrijpelijk om nog een reden. [verweerder] is immers in crediteursverzuim komen te verkeren. [eiser] stelde zich op het standpunt dat [verweerder] de door [eiser] in het kader van de gegarandeerde maatregelen voorgestelde adequate oplossingen dwarsboomde, daarmee in crediteursverzuim kwam en het verzuim van [eiser] daarmee eindigde op grond van art. 6:58 BW in verbinding met art. 6:61 lid 1 BW. Zie MVG 31 met verwijzing naar de dagvaarding en naar prod. 7 over de communicatie over de oplossingen, 32 tot en met 59 MVG over de verschillende voorstellen en de weigering van [verweerder] mee te werken (met name nrs 33–34, 39, 40, 46, 50, 52–54, 103–106, 124 MVG) en ook spreekaantekeningen 6 oktober 2022 nrs 6, 7, 22 en PV 6 oktober 2022, p. 3 3e en 4e e en 1 1e woordblok ([eiser] en mr Bosman), p. 4 laatste woordblok ([eiser]) over de gedane adequate voorstellen en het verzuim bij [verweerder].5.
17.
Bovendien heeft [eiser] omtrent de deugdelijkheid van de door hem gedane voorstellen een (getuigen)bewijsaanbod gedaan in nr. 35 MVG en op pp. 27–28 van de MVG dat door het hof zonder verdere motivering is gepasseerd, hetgeen een schending is van art. 166 lid 1 Rv.
C.2.2. Geen toerekenbaarheid door handelen en nalaten [verweerder]
18.
Voorts stelde [eiser] in 106 MVG dat door het handelen van [verweerder] de toerekenbaarheid ontbreekt ([eiser] werd immers door hem gedwarsboomd in het nakomen), zodat de door het hof in de aangevallen rechtsoverwegingen 3.1, 3.3, 3.4, 3.13 en het dictum vastgestelde toerekenbaarheid onbegrijpelijk is.
C.3. Conclusie handelen en nalaten [verweerder]
19.
Door over de stellingen genoemd in C.1 en C.2 niet te overwegen en de verklaring voor recht dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten toewijsbaar te achten, heeft het hof de rechtsgevolgen van het niet beëindigd en opgeleverd zijn van het werk, het opschorten door [eiser] en het verzuim bij [verweerder] miskend. Het heeft daarmee rechtens onjuist geoordeeld en/of essentiële stellingen van [eiser] niet (kenbaar) in zijn oordeel betrokken waardoor het oordeel van het hof dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming onvoldoende is gemotiveerd.
Met conclusie:
in het principaal cassatieberoep: tot verwerping van het cassatieberoep; met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met de wettelijk rente over die kostenveroordeling ingaande 14 dagen na het te dezen te wijzen arrest.
in het incidenteel cassatieberoep: tot vernietiging van het bestreden arrest op grond van het voorgedragen middel met zodanige verdere beslissing als Uw Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met de wettelijk rente over die kostenveroordeling ingaande 14 dagen na het te dezen te wijzen arrest.
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑03‑2023
Tussen partijen staat vast dat dit 16 graden moet zijn, 25 MVG.
Zie ook dagvaarding p. 2 onderaan: [verweerder] kon met de voorgestelde oplossing niet leven, p. 3 tweede woordblok over wat nog afgemaakt moest worden, p. 8 4e woordblok: volgens [verweerder] moet er eerst worden hersteld voordat hij betaalt, p. 8 5e woordblok: [verweerder] houdt herstel tegen door extra eisen te stellen. Zie ook de CVA in reconventie tevens akte vragen aan deskundige nrs 2, 12, 15, 23, 25.
[verweerder] had destijds, en ook ten tijde van de procedure voor het hof, de temperaturen niet gemeten maar ‘had vragen bij het voldoen van de door [eiser] geplaatste installatie aan de minimale vraagspecificaties’, zie CVA teven EIR nr. 11 en de e-mail van [verweerder] d.d. 25 september 2011 waarin hij spreekt van ‘wat twijfels’ (productie 5 CVA teven EIR).
Ook in eerste aanleg werd dit standpunt ingenomen, zie de dagvaarding p. 2, p 3 2e woordblok en 3e woordblok, p. 4 5e woordblok en de CVA in reconventie tevens akte vragen aan deskundige nrs 2, 4, 11, 12, 13, 29, 34, 39, 40, 42, 44 en onder 2 van ‘in voorwaardelijke reconventie’.
Deze stellingen waren ook in eerste aanleg betrokken, zie dagvaarding p. 2 onderaan, p. 5 2e woordblok t/m p. 8 1e woordblok en p. 8 5e, 7e, 8e woordblok, p. 9 en de CVA in reconventie tevens akte vragen aan deskundige nrs 2, 15, 23, 25–29, 34, 42 laatste alinea en PV 18 oktober 2017, p. 3, 6e woordblok [eiser].
Beroepschrift 15‑02‑2023
PROCESINLEIDING CASSATIE (VORDERINGSZAAK)
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Datum indiening: | 15 februari 2023 |
Uiterste verschijndatum verweerder: | 23 maart 2023 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt op — de in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken (Stcrt. 2017/5928) genoemde — vrijdagen om 10.00 uur de zaken die vermeld zijn op het in art. 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken.
De hierna te vermelden verweerder in cassatie kan in dit geding bij de Hoge Raad uitsluitend verschijnen door tussenkomst van en vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad.
Partijen1. en advocaten
Eiser tot cassatie
Naam: | [eiser] (hierna: [eiser]) |
Wonende te: | [woonplaats] |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. J.M. Moorman |
Kantooradres: | Molenveldlaan 162 6523 RN Nijmegen |
Verweerder in cassatie
Naam: | [verweerder] (hierna: [verweerder]) |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. G.D. Bosman |
Kantooradres advocaat: | Bolwerk 18 5509 MH Veldhoven |
Bestreden arrest
Instantie: | gerechtshof Arnhem-Leeuwarden |
Datum arrest: | 15 november 2022 |
Zaaknummer: | 200.278.110/01 |
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen doordat het hof geoordeeld en beslist heeft zoals vervat is in zijn arrest van 15 november 2022, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
Inleiding
Deze zaak betreft de aansprakelijkheid van [verweerder] jegens [eiser]. [eiser] exploiteert een bedrijf dat houten trappen fabriceert.2. [verweerder] exploiteert een installatiebedrijf.3. [eiser] en [verweerder] hebben in 2008 een aannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [verweerder] verplicht is om aan [eiser] onder meer een warmtepompsysteem voor [eiser]'s bedrijfshal te leveren en te installeren.4. Zowel in eerste aanleg5. als in hoger beroep6. is voor recht verklaard dat [verweerder] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van deze overeenkomst door een warmtepompsysteem met te weinig verwarmingscapaciteit te leveren. Zoals het hof namelijk met juistheid geoordeeld7. heeft, staat tussen partijen vast dat [verweerder] aan [eiser] gegarandeerd heeft dat het warmtepompsysteem de bedrijfshal kan verwarmen tot 16 oC (ook bij een buitentemperatuur van -10 oC), maar dat het door [verweerder] geleverde en geïnstalleerde warmtepompsysteem niet voldoet aan deze garantie omdat de temperatuur van 16 oC vaak niet gehaald kan worden. De tekortkoming is naar 's hofs eveneens juiste oordeel8. toerekenbaar, gezien de deskundigheid van [verweerder] en de door hem gegeven garantie. [eiser] heeft geëist om [verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de schade, nader op te maken in de schadestaatprocedure. De kantonrechter heeft deze eis toegewezen bij vonnis van 10 maart 2020, maar het hof heeft deze eis afgewezen bij arrest van 15 november 2022. Dit middel bestrijdt 's hofs oordelen in rovv. 3.8 t/m 3.11 die aan deze afwijzing ten grondslag liggen. Deel A betreft de oordelen over de vervangende schade. Deel B betreft de oordelen over de gevolgschade.
A. De vervangende schade
1. Omzettingsverklaring ligt besloten in [eiser]'s processtukken (rovv. 3.10 en 3.11)
1.1
Onjuist is het oordeel in rov. 3.11 dat de eis tot vergoeding van bij staat op te maken schade afgewezen zou moeten worden, voor zover dit oordeel, gezien rov. 3.10, erop berust dat [verweerder] gesteld heeft dat een omzettingsverklaring ontbreekt en dat [eiser] niet gesteld zou hebben dat dit anders is.
Immers, het hof miskent in deze rovv. 3.10 en 3.11 dat het, zo nodig ambtshalve op de voet van art. 25 Rv en/of door middel van interpretatie, moest onderzoeken of in de processtukken van [eiser] een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW besloten ligt, derhalve ook indien [eiser] niet met zoveel woorden gesteld heeft dat een omzettingsverklaring uitgebracht is. Voor omzetting in de zin van dit wetsartikel zijn tenslotte geen formele bewoordingen nodig; iedere schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, is voldoende voor omzetting.9. De wet bepaalt bovendien niet op welk moment zo'n mededeling gedaan moet worden, zodat een dergelijke mededeling niet alleen voor het geding (bijvoorbeeld in een ingebrekestelling10.) maar ook tijdens het geding gedaan kan worden (bijvoorbeeld in een processtuk11.). De rechter moet mededelingen die onvoldoende duidelijk zijn interpreteren.12. Het hof heeft echter verzuimd om te onderzoeken of in [eiser]'s processtukken een omzettingsverklaring besloten ligt. Dit is van belang, omdat deze processtukken geen andere conclusie toelaten dan dat daarin besloten ligt dat [eiser] als schuldeiser geen nakoming maar vervangende schadevergoeding wenst.13. [eiser] heeft immers geëist om [verweerder] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding en heeft zodanige feitelijke stellingen aan deze eis ten grondslag gelegd dat deze, eventueel in onderling verband en in samenhang bezien, duidelijk genoeg waren voor de rechter en de wederpartij om toewijzing op de door de rechter bij te brengen rechtsgrond kunnen rechtvaardigen.14.
1.2
Althans is het door subonderdeel 1.1 bestreden oordeel in rovv. 3.10 en 3.11 onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, voor zover het hof met dit oordeel tot uiting gebracht heeft dat in de processtukken van [eiser] niet besloten zou liggen dat [eiser] als schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst.
Immers, deze processtukken laten geen andere conclusie toe, dan dat daarin besloten ligt dat [eiser] als schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, zodat in die processtukken een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW besloten ligt. Uit deze processtukken blijkt namelijk dat [eiser] vervangende schadevergoeding van [verweerder] wenst om de warmtepomp zelf, door een derde, te laten herstellen respectievelijk vervangen.15. [eiser] heeft in dit geding daartoe een reconventionele eis16. ingesteld, die ertoe strekt dat voor recht verklaard wordt dat [verweerder] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en dat [verweerder] veroordeeld wordt tot het betalen van een nog te begroten schadevergoeding aan [eiser]. Deze eis houdt (dus) niet in dat [verweerder] veroordeeld zou moeten worden tot nakoming van de overeenkomst. Ter onderbouwing van deze schadevergoedingseis heeft [eiser] de volgende stellingen betrokken.
Eerste aanleg17.
- a.
[eiser] gaat ervan uit dat [verweerder] niet langer de juiste prestatie gaat leveren, aangezien [verweerder] naar aanleiding van [eiser]'s klachten geen relevante of adequate voorstellen gedaan heeft om de geconstateerde problemen op te lossen en [verweerder] heeft [eiser] zelfs gedagvaard. [eiser] is daarom gerechtigd om schadevergoeding te eisen.18.
- b.
[eiser] wenst de schade op [verweerder] te verhalen. Deze schade laat zich momenteel echter nog niet geheel becijferen. Een voorlopige opstelling voor een all-electric warmtepomp-oplossing ging uit van herstelkosten ten bedrage van € 74.000. Deze kosten waren inclusief de kosten voor de installatie van een extra bron en de aanpassingen aan de hydrauliek en regeltechniek, maar nog exclusief de kosten voor aanpassingen aan het gebouw en het parkeerterrein.19.
Hoger beroep
- c.
[eiser] moet de warmtepompinstallatie laten herstellen of vervangen, hetgeen de nodige kosten voor [eiser] met zich brengt. Omdat het complex is om deze kosten goed te begroten, verzoekt [eiser] een verwijzing naar de schadestaatprocedure teneinde deze kosten goed in kaart te kunnen brengen.20.
- d.
[eiser] verwijst, voor het geval dat het hof reeds zou willen oordelen over de schade, naar een door [eiser] bij Koninklijk Damstra Installatietechniek aangevraagde offerte voor het herstellen van warmtepompinstallatie. De herstelkosten bedragen € 83.325, onder meer omdat er een nieuwe bron van 30kW geplaatst zal moeten worden.21.
- e.
De conclusie is ‘dat [eiser] schadevordering heeft op [verweerder] [sic], en wel in de vorm van de herstelkosten die hij moet maken om te zorgen dat de warmtepompinstallatie voldoende capaciteit heeft teneinde de bedrijfshal tot 16 C te kunnen verwarmen. ’22.
Gezien [eiser]'s eis en daaraan ten grondslag liggende stellingen, is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd 's hofs in rovv. 3.10 en 3.11 tot uiting gebrachte oordeel dat in [eiser]'s processtukken geen omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW besloten zou liggen. [eiser] wenst onmiskenbaar schadevergoeding in plaats van nakoming. Dit klemt nog temeer, omdat een schuldeiser bij een tekortkoming moet kiezen23. tussen nakoming (art. 3:296 BW), schadevergoeding bij ontbinding (art. 6:277 BW) of schadevergoeding zonder ontbinding (art. 6:74 BW), en [eiser] gekozen24. heeft voor schadevergoeding op de voet van art. 6:74 BW, wat past bij een beroep op vervangende schadevergoeding25., en niet gekozen heeft voor nakoming of ontbinding met schadevergoeding.
2. Onverhoopt ontbreken van omzettingsverklaring laat mogelijkheid van schade onverlet (rovv. 3.10 en 3.11)
Onjuist en/of onbegrijpelijk is het door onderdeel 1 bestreden oordeel in rovv. 3.10 en 3.11 evenzeer, indien dat onderdeel niet tot cassatie zou leiden en in cassatie dus uitgangspunt zou zijn dat in [eiser]'s processtukken geen omzettingsverklaring besloten zou liggen.
Immers, het hof miskent (of onderkent onvoldoende, gezien rov. 3.9) dat voor verwijzing naar de schadestaat voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk geworden is.26. Indien in [eiser]'s processtukken geen omzettingsverklaring besloten zou liggen, laat dat onverlet dat [eiser] de mogelijkheid heeft om wat betreft zijn vervangingsschade alsnog een omzettingsverklaring uit te brengen, zodat uit de enkele constatering dat thans nog geen omzettingsverklaring uitgebracht zou zijn (rov. 3.10), niet kan volgen dat de mogelijkheid van schade ‘dus’ niet aannemelijk zou zijn en dat de eis tot vergoeding van bij staat op te maken schade daarom ‘dus’ afgewezen zou moeten worden (rov. 3.11). Althans is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom de mogelijkheid van schade niet aannemelijk geworden zou zijn ondanks dat [eiser] de mogelijkheid heeft om wat betreft de vervangingsschade alsnog een omzettingsverklaring uit te brengen (non sequitur).
B. De gevolgschade
3. Verkeerde (te strenge) toepassing van de maatstaf voor verwijzing naar de schadestaat (rovv. 3.8, 3.9 en 3.11)
3.1
Onjuist is het concluderende oordeel in rov. 3.11 dat de eis tot vergoeding van bij staat op te maken schade afgewezen zou moeten worden, voor zover het berust op:
- i.
het oordeel in rov. 3.8 dat het procesdossier geen aanwijzingen zou bevatten voor schade die geleden is als gevolg van de tekortkoming van [verweerder]; en
- ii.
het oordeel in rov. 3.9 dat [eiser] de mogelijkheid van gevolgschade niet voldoende onderbouwd zou hebben om de redenen [1] dat [eiser] voor het eerst ter zitting in hoger beroep gesteld zou hebben dat hij zijn bedrijfsprocessen aangepast zou hebben en dat hij daarvoor de nodige kosten gemaakt zou hebben, maar dat [eiser] niet toegelicht en onderbouwd zou hebben waaruit die aanpassingen en kosten daarvan bestaan zouden hebben en wat de omvang daarvan (ongeveer) geweest is, [2] dat [eiser] zelf onderkend heeft dat het moeilijk is om een en ander in geld uit te drukken, en [3] dat [eiser] de mogelijkheid dat schade veroorzaakt is door de tekortkoming van [verweerder] slechts in zeer algemene termen omschreven zou hebben en daarmee niet voldoende onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt zou hebben.
Immers, het hof heeft in rov. 3.9 weliswaar de juiste maatstaf vooropgesteld, namelijk dat voor verwijzing naar de schadestaat de mogelijkheid van schade aannemelijk geworden moet zijn27., maar het heeft met dit concluderende oordeel (rov. 3.11) en die oordelen waarop het berust (rovv. 3.8 en 3.9) deze maatstaf verkeerd, want te streng, toegepast. Het hof miskent zijn uit art. 6:97 BW voortvloeiende taak door te hoge eisen te stellen aan de stelplicht van [eiser] omtrent zijn gevolgschade. [eiser] hoefde immers nog slechts de feiten te stellen waaruit kan volgen dat hij gevolgschade geleden heeft.28. Het hof heeft te hoge eisen gesteld aan [eiser]'s stelplicht voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure door in rov. 3.9 van [eiser] te vereisen dat hij reeds toegelicht en onderbouwd zou hebben [1] dat en hoe hij zijn bedrijfsprocessen precies aangepast zou hebben, en [2] wat de precieze omvang van de daarmee gepaard gaande kosten geweest zouden zijn. Het hof miskent in essentie dat een zaak verwezen moet worden naar de schadestaat indien er ‘ook maar enige twijfel’29. is over de aanwezigheid van schade. [eiser]'s stellingen laten evenwel geen andere conclusie toe dan dat de mogelijkheid van gevolgschade aannemelijk geworden is.30.
3.2
Althans zijn het door subonderdeel 3.1 bestreden concluderende oordeel (rov. 3.11) en de oordelen waarop het berust (rovv. 3.8 en 3.9) onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Immers, de door [eiser] betrokken stellingen, die het hof deels vermeld heeft in rov. 3.8 en die in cassatie hypothetisch feitelijke grondslag hebben, laten geen andere conclusie toe, dan dat de mogelijkheid van gevolgschade aannemelijk geworden is uit de door [eiser] betrokken stellingen, want die stellingen komen erop neer dat de productie van de trappen gehinderd en vertraagd werd doordat het warmtepompsysteem de bedrijfshal niet steeds kon verwarmen tot 16 oC. [eiser] heeft namelijk gesteld:
- a.
dat voor het produceren van houten trappen een minimale temperatuur van 16 oC vereist is, onder meer omdat [1] houtlijm een langere droogtijd heeft onder de 16 oC, [2] houtverf een minimale verwerkingstemperatuur heeft van 16 oC, zowel wat betreft viscositeit als droging; [3] CNC-(frees)machines voorzien zijn van automatische oliesmering, waarvoor een minimale temperatuur van 14 oC nodig is, en [4] in de fabriek minder condensvorming optreedt bij een temperatuur van 16 oC;31.
- b.
dat [eiser] daarom met [verweerder] overeengekomen is dat de ruimtetemperatuur in de bedrijfshal 16 oC bedraagt (ook bij een buitentemperatuur van -10 oC);32.
- c.
dat er problemen waren bij buitentemperaturen onder de 0 oC, omdat [1] traptreden bij elkaar wegvielen omdat de verlijming niet goed was en daarom onder de 14 oC gewacht moest worden met lijmen tot de temperatuur gestegen was, hetgeen het productieproces nadelig beïnvloed heeft; [2] verf spuiten niet goed gaat met 14 oC, [3] de CNC-machines in de winter veel problemen opleverden in verband met te koude en daarom stroperige olie, en [4] in de fabriek last is van condensatie en roestvorming, hetgeen mogelijk verband houdt met de koude momenten, want hoe hoger de temperatuur, hoe minder kans op condensatie;33.
- d.
dat het bij een te lage temperatuur natuurlijk ook gaat over behaaglijkheid;34.
- e.
dat [eiser], gezien voornoemde problemen, aanpassingen heeft moeten doen aan het bedrijfsproces, hetgeen gepaard ging met de nodige kosten;35. en
- f.
dat [eiser] plannen heeft om zijn bedrijf te verkopen, maar dat hij niet goed weet wat hij tegen de nieuwe koper moet zeggen, en dat hij in zoverre de rekening vroeg of laat retour krijgt.36.
Gezien deze stellingen, is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd 's hofs in rovv. 3.8, 3.9 en 3.11 tot uiting gebrachte oordeel dat [eiser] de mogelijkheid van gevolgschade niet voldoende onderbouwd zou hebben om deze gevolgschade aannemelijk te doen zijn en dat het procesdossier ‘dus’ geen aanwijzingen zou bevatten voor schade als gevolg van [verweerder]'s tekortkoming.
Op grond van dit middel moge het de Hoge Raad behagen om het arrest te vernietigen, met zodanige beslissing als de Hoge Raad passend acht; kosten rechtens, met bepaling dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑02‑2023
Dit geding is aangevangen tussen [a] B.V. en [b] B.V. De Kantonrechter te Leeuwarden heeft bij vonnis in incident van 14 november 2017 evenwel bepaald 1. dat niet [a] B.V. maar [verweerder] eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie is, en 2. dat niet [b] B.V. maar [eiser] verweerder in conventie, eiser in reconventie is. In deze procesinleiding worden partijen, ondanks deze partijwisselingen, steeds aangeduid als [eiser] en [verweerder].
Zie vonnis 10 april 2018-rov. 2.2.
Zie vonnis 10 april 2018-rov. 2.1.
Zie arrest 15 november 2022-rov. 2.2.
Zie vonnis 10 maart 2020-rovv. 2.12 t/m 2.21 alsmede letter d van het dictum.
Zie arrest 15 november 2022-rovv. 3.2 t/m 3.4, 3.13, alsmede nummer 1 van het dictum.
Zie arrest 15 november 2022-rov. 3.2 en vonnis 10 maart 2020-rovv. 2.14 en 2.21.
Zie arrest 15 november 2022-rov. 3.3.
Zie Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, blz. 305 (M.v.A. II): ‘dat voor de omzetting geen formele bewoordingen nodig zijn, maar dat iedere schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, voldoende is. ’ Zie ook M.M. Olthof, T&C BW, commentaar op art. 6:87 BW, aant. 2b, en P.S. Bakker, GS Verbintenissenrecht, art. 6:87 BW, aant. 16.
Zie Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, blz. 305 (M.v.A. II).
Zie bijvoorbeeld A-G Hartlief in zijn conclusie (§ 4.69) voor HR 4 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1954: ‘Evenmin is vereist dat de omzetting buitengerechtelijk plaatsvindt; een omzettingsverklaring kan ook besloten liggen in een processtuk (denk aan het instellen van een rechtsvordering tot (vervangende) schadevergoeding in een procedure). ’ Zie verder HR 2 december 2016, NJ 2017/20, rov. 3.5.2, alsmede A-G De Bock in haar conclusie (§ 3.3) voor dit arrest. Zie voorts A-G Wissink in zijn conclusie (voetnoot 21 bij § 2.24) voor HR 8 juli 2011, NJ 2012/684, A-G Langemeijer in zijn conclusie (§ 2.22) voor HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:213, en A-G Langemeijer in zijn conclusie (§ 2.16, slotzin) voor HR 31 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0418.
Zie Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, blz. 303 (T.M.): ‘Het is aan de crediteur de keuze te maken; komt deze in zijn kennisgeving niet zonder meer duidelijk tot uiting, dan zal de rechter zijn verklaring moeten interpreteren. ’
Zie ook subonderdeel 1.2.
Vgl. HR 24 februari 2012, NJ 2012/143, rov. 4.5.2, en T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Rv, aant. 3.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2020/403, met verwijzing naar Hijma in zijn annotatie (§ 3) onder HR 25 april 2002, NJ 2004/210, waar Hijma schrijft: ‘Vervangende schadevergoeding komt dus neer op vergoeding van de waarde van de uitgebleven prestatie. Als waarderingsmethode ligt een objectieve voor de hand, die afstemt op de vervangingswaarde in het economisch verkeer. De vervangende vergoeding moet de crediteur in staat stellen de gemiste prestatie alsnog bij een derde te verwerven. Zie tevens A-G Keus, sub 2.8. ’
Zie conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie-blz. 22 (bij nummers 2 en 4).
Deze stellingen moest het hof ambtshalve in zijn oordeelsvorming betrekken, gezien de positieve devolutieve werking van het hoger beroep.
Zie conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie-§ 34. Vgl. proces-verbaal van mondelinge behandeling van 18 oktober 2017-blz. 3: ‘[eiser] is steeds niet tevreden over de geboden oplossingen en geeft er ook blijk van geen vertrouwen meer te hebben. ’
Zie conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie-§ 42, met verdere onderbouwing in §§ 33 en 35 t/m 37.
Zie memorie van antwoord-§§ 66 en 67. Zie ook reeds -§§ 16 en 62.
Zie memorie van antwoord-§§ 68 en 69, met verwijzing naar de als MvA-prod. 3 overgelegde offerte.
Zie memorie van antwoord-§ 73.
Zie Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, blz. 300 (T.M.): ‘hij [de schuldeiser, adv.] heeft dan de keuze tussen het eisen van nakoming en het vorderen van vervangende schadevergoeding; betreft het een wederkerige overeenkomst, dan kan hij ook ontbinding kiezen. ’
Zie memorie van antwoord-§§ 54 en 59 t/m 61.
Zie A-G Hartlief in zijn conclusie (§ 4.67) voor HR 4 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1954 (voetnoot weggelaten): ‘Schadevergoeding, aanvullend (in aanvulling op nakoming) dan wel vervangend (dat wil zeggen in plaats van nakoming; bij wege van schadevergoeding wordt dan in wezen de waarde van de primaire prestatie vergoed), is steeds (de gevallen van ontbinding ex art. 6:265 BW daargelaten) gebaseerd op art. 6:74 BW. ’ Zie ook G.T. de Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW nr. B33) 2017/32: ‘De schuldeiser die een gedeeltelijk ondeugdelijke prestatie ontvangt, kan — wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan — er voor kiezen de gebrekkige prestatie te accepteren en vervangende schadevergoeding te vorderen voor het feit dat de prestatie niet geheel voldoet aan de verbintenis. De basis hiervoor is te vinden in art. 6:87 BW en 6:74 lid 2 BW. ’
Zie (over deze maatstaf) ook de volgende voetnoot.
Zie bijvoorbeeld A-G Drijber in zijn conclusie (§ 4.64) voor HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1234, alsmede A-G Vlas in zijn conclusie (§ 3.26) voor HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1444.
Zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5211, rov. 3.5.
Zie A-G Vlas in zijn conclusie (§ 3.26) voor HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1444, met verwijzing naar T.F.E. Tjong Tjin Tai, De ambivalente regeling van de schadestaatprocedure, TCR 2008/1, blz. 3 (voetnoten weggelaten), waar Tjong Tjin Tai schrijft ‘Niet vereist is dat aannemelijk is dat er schade is geleden; aannemelijk moet slechts zijn de mogelijkheid dat schade is geleden. Deze drempel is betrekkelijk laag, zodat er snel aan is voldaan. Dat is ook de bedoeling. Indien de rechter immers zou oordelen dat er geen schade is, kapt hij daarmee de gehele discussie af voordat deze in een schadestaatprocedure toereikend is gevoerd. Heeft hij ook maar enige twijfel, dan dient hij schade op te maken bij staat toe te wijzen. Aan een beslissing om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure worden dan ook geen strenge eisen gesteld. ’
Zie ook subonderdeel 3.2.
Zie memorie van antwoord-§ 7. Zie ook conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie-§ 6.
Zie memorie van antwoord-§ 8. Zie ook conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie-§ 7.
Proces-verbaal van mondelinge behandeling van 6 oktober 2022-blz. 4 en 5, alsmede (wat betreft het lijmen van de traptreden) proces-verbaal van mondelinge behandeling van 18 oktober 2017-blz. 3.
Proces-verbaal van mondelinge behandeling van 6 oktober 2022-blz. 5.
Proces-verbaal van mondelinge behandeling van 6 oktober 2022-blz. 5.