HR, 19-02-2013, nr. 12/03826 CW
ECLI:NL:HR:2013:BX5566
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-02-2013
- Zaaknummer
12/03826 CW
- LJN
BX5566
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2013:BX5566, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑02‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BX5566
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ4726
ECLI:NL:HR:2013:BX5566, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑02‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BX5566
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ4726, Bekrachtiging/bevestiging
- Wetingang
- Vindplaatsen
VA 2014/22
JIN 2013/57 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
NbSr 2013/155
NJ 2013/402 met annotatie van M.J. Borgers
VA 2014/22
JIN 2013/57 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
SR-Updates.nl 2013-0063
NbSr 2013/155
Conclusie 19‑02‑2013
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang der wet. Is art. 591a Sv van toepassing bij een sepot en/of bij art. 12 Sv, als die procedure is geëindigd met een n-o of een afwijzing, of als die art. 12 Sv gegrond is verklaard maar uiteindelijk de strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr? Redelijke wetsuitleg brengt mee dat in geen van de in de middelen bedoelde situaties het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman o.g.v. art. 591a.2 Sv is uitgesloten.
Nr. 12/03826 CW
Mr. Fokkens
Zitting 10 augustus 2012
Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake
[Verdachte]
Inleiding
1. Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van het Hof's-Hertogenbosch van 3 augustus 2009 waarbij het hof ex art. 591a Sv schadevergoeding heeft toegekend aan [verdachte]. Een gewaarmerkt afschrift van de beschikking en het procesdossier is bijgevoegd.
2. Tegen de beschikking staat ingevolge art. 445 Sv geen gewoon beroep in cassatie open (HR 10 oktober 1978, NJ 1979, 156). Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk (art. 78 RO in verband met art. 456 Sv).
3. De reden om deze vordering in te stellen is dat er in de rechtspraak verdeeldheid bestaat over de vraag of kosten voor rechtsbijstand die worden gemaakt door een persoon wiens vervolging wordt verlangd in het kader van een art. 12 Sv procedure, op grond van art. 591a Sv voor vergoeding in aanmerking komen indien geen vervolging wordt bevolen of een wel bevolen vervolging niet tot een veroordeling leidt.
4. De uitleg van art. 591a Sv heeft in de loop der jaren tot een niet gering aantal beslissingen van de Hoge Raad geleid. Voor een overzicht verwijs ik naar de aantekeningen 6 tot en met 9 op art. 591a in Melai/Groenhuijsen e.a. en paragraaf 82.5.4 in Handboek strafzaken. Over de vraag die in deze zaak aan de orde wordt gesteld, heeft de Hoge Raad zich nog niet kunnen uitlaten.
De casus
5. De zaak die heeft geleid tot de beschikking van het hof waarop deze vordering betrekking heeft, kan als volgt worden geschetst.
6. Op 24 mei 2005 is door "Het Wapen van Willemstad" aangifte gedaan van oplichting door [betrokkene 1] en [verdachte] omdat zij hotelovernachtingen, genuttigde dranken en etenswaren niet betaald zouden hebben. Op 19 maart 2006 is [betrokkene 1] vervolgens aangehouden.
7. [Betrokkene 1] is op 26 juni 2007 door de Politierechter in de Rechtbank Breda wegens oplichting c.q. flessentrekkerij veroordeeld tot een week gevangenisstraf terwijl de Politierechter tevens de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen voor een bedrag tot € 594,75. De officier van justitie heeft bij brief van 26 januari 2007 aan [verdachte] laten weten dat hij niet zou worden vervolgd omdat er naar het oordeel van de officier van justitie onvoldoende wettig bewijs was.
8. In een klaagschrift, dat op 6 augustus 2007 is ingekomen ter griffie van het Hof's-Hertogenbosch, is namens "Het Wapen van Willemstad" het verzoek gedaan de vervolging van [verdachte] te bevelen.
9. Bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, uitvoerig ingegaan op de betrokkenheid van [verdachte] bij de oplichting c.q. flessentrekkerij waarvan "Het Wapen van Willemstad" het slachtoffer is geworden. In een ambtsbericht van een parketsecretaris, dat is opgesteld in het kader van de art. 12 Sv procedure, is het standpunt ingenomen dat 'niet is gebleken van een nauwe en volledige samenwerking waarbij beiden [[betrokkene 1] en [verdachte], JWF] zich inschreven in hotels met de intentie niet voor het verblijf te betalen'. In hetzelfde ambtsbericht wordt gewezen op een verklaring van [betrokkene 1] waaruit zou blijken dat [verdachte] tevoren niet op de hoogte was van het feit dat de rekeningen niet zouden worden voldaan. De raadsman voerde onder meer aan dat [verdachte] niet bij het inchecken in het hotel betrokken is geweest en dat afgesproken was dat [betrokkene 1] de rekening zou betalen.
10. Bij beschikking van 8 januari 2008 heeft het hof het beklag gegrond verklaard en de vervolging van beklaagde bevolen ter zake van oplichting c.q. flessentrekkerij.
11. De Politierechter in de Rechtbank te Breda heeft [verdachte] op 18 maart 2008 vrijgesproken van de hem tenlastegelegde oplichting c.q. flessentrekkerij. De vrijspraak is in de aantekening mondeling vonnis niet gemotiveerd.
12. Vervolgens heeft [verdachte] een verzoekschrift ex art. 591a Sv ingediend dat op 22 april 2008 ter griffie van de Rechtbank Breda is ingekomen. Het verzoekschrift betrof onder meer de kosten die de raadsman had gemaakt in de artikel 12 Sv procedure. De raadsman voerde daarover ter zitting onder meer aan, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal: 'Zonder deze procedure zou mijn cliënt niet zijn gedagvaard.'
13. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen voor zover het betrekking had op de kosten die zijn gemaakt in het kader van de zogenoemde artikel 12 Sv procedure. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen:
'De door de raadsman ingediende declaratie tot een bedrag van € 3.354,85 met betrekking tot de door hem gemaakte kosten in het kader van de zogenoemde artikel 12 strafvordering procedure komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu artikel 591 en 591a wetboek van strafvordering hiervoor geen wettelijke grondslag [...]bieden.'
14. Vervolgens heeft de rechtbank onder meer het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in verband met de strafzitting in Breda toegewezen.
15. In hoger beroep heeft het hof daarentegen geoordeeld dat, als er geen veroordeling of rechterlijk pardon is uitgesproken, ook de procedure van artikel 12 Sv die tot de strafzaak heeft geleid, valt binnen het bereik van het begrip 'zaak' ex art. 591a Sv, nu deze in rechtstreeks verband staat met de strafzaak.
16. Ten aanzien van het door [verdachte] ingediende verzoek tot schadevergoeding ex art. 591a Sv heeft het hof het volgende overwogen:
'Naar aanleiding van een aangifte van een strafbaar feit kunnen de navolgende fases worden onderscheiden:
* i. het opsporingsonderzoek naar aanleiding van die aangifte - in welke fase ook degene die als verdachte is aangemerkt zich kan laten bijstaan door een raadsman - , leidende - grofweg gezegd - tot een beslissing tot vervolging dan wel tot een sepot;
* ii. ingeval van sepot kan degene die de aangifte deed als klager een beklagprocedure als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering entameren, strekkende tot vervolging van degene, die in het opsporingsonderzoek als verdachte was aangemerkt; in die procedure kan degene die in het opsporingsonderzoek als verdachte was aangemerkt, thans als beklaagde, zich eveneens door een raadsman laten bijstaan; de klacht kan leiden tot een beslissing tot vervolging - vide onder iii. - dan wel - grofweg gezegd - tot afwijzing daarvan;
* iii. de onder ii. bedoelde procedure kan leiden tot vervolging van degene die in het opsporingsonderzoek als verdachte was aangemerkt. Ingeval van beslissing tot vervolging kan de verdachte zich ook in die fase door een raadsman laten bijstaan.
Indien de zaak - waaronder in elk geval begrepen voormelde fase i. en fase iii. - eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan aan de gewezen verdachte, voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn, een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman.
Het hof is gezien het systeem van de hierboven weergegeven wettelijke bepalingen van oordeel dat onder het begrip "zaak" als bedoeld in artikel 591a Sv van het Wetboek van Strafvordering niet alleen de strafvervolging dient te worden verstaan. Het hof is van oordeel dat ook een procedure als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering eveneens binnen het bereik van deze term valt, nu deze, gelet op de boven weergegeven fases i., ii. en iii., in rechtstreeks verband staat met de strafzaak.
Het hof merkt in dit verband op dat de beklaagde op grond van artikel 12f van het Wetboek van Strafvordering zich door een advocaat kan laten bijstaan en hem op grond van artikel 12g van voornoemd wetboek een zwijgrecht toekomt.
Het hof is dan ook van oordeel dat in het kader van een verzoek tot schadevergoeding een beklaagde die niet wordt vervolgd, omdat het beklag geen doel treft, gelijk moet worden gesteld met een gewezen verdachte wiens zaak eindigt met een sepot. Het hof overweegt dat de kosten van een raadsman die de gewezen beklaagde in de onderzoeksfase (fase i.) die geleid heeft tot een dergelijk sepot, ook op voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in beginsel kunnen worden vergoed.
Dit wordt naar het oordeel van het hof niet anders in het geval - gelijk het onderhavige - het beklag gegrond wordt verklaard en de vervolging wordt bevolen en de gewezen beklaagde uiteindelijk van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat nu juist tengevolge van de artikel 12 Sv-procedure de beklaagde - opnieuw - in een "zaak" wordt betrokken en derhalve de beklagprocedure onlosmakelijk met zijn eerdere en zijn latere positie als verdachte is verbonden.
Het hof is dan ook van oordeel dat de kosten van een raadsman die de beklaagde heeft moeten maken - in beginsel - bij een uiteindelijk gevolgde vrijspraak op voet van artikel 591a voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.'
17. Uit deze overwegingen valt op te maken dat het Hof 's-Hertogenbosch de volgende drie vragen bevestigend beantwoordt:
- Kan een gewezen verdachte wiens zaak is geseponeerd op grond van art. 591a Sv aanspraak maken op vergoeding van de kosten van een raadsman die hem heeft bijgestaan?
- Kunnen de kosten voor rechtsbijstand die zijn gemaakt door de persoon wiens vervolging werd verlangd in het kader van een art. 12 Sv-procedure, op grond van art. 591a Sv voor vergoeding in aanmerking komen, indien het beklag gegrond is verklaard en een bevel tot vervolging is gegeven terwijl de daaropvolgende zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr?
Op elk van deze vragen zal in deze vordering afzonderlijk worden ingegaan.
Het sepot
18. Over de eerste vraag is vrij veel rechtspraak. Zij bouwt voort op een arrest van de Hoge Raad van 24 mei 1966, NJ 1966, 443. In die zaak werd aan de Hoge Raad, eveneens in het belang der wet, de vraag voorgelegd of kosten gemaakt voor rechtskundige bijstand zijn aan te merken als schade als bedoeld in art. 89 Sv. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend en wees daarbij op art. 591a Sv. De Hoge Raad overwoog 'dat uit hoofde van dat artikel [591a, JWF], in het geval dat de zaak eindigt zonder straf of maatregel, een tegemoetkoming mogelijk wordt gemaakt ter zake van de kosten van een raadsman, onder welke de kosten voor verrichtingen van de raadsman gedurende het gehele strafproces vallen en derhalve ook voor die verrichtingen welke verband houden met de ondergane voorlopige hechtenis'.
19. Uit deze beslissing van de Hoge Raad heeft bijvoorbeeld het Hof Den Haag de conclusie getrokken dat de kosten van rechtsbijstand ook voor vergoeding in aanmerking kunnen komen indien de zaak eindigt in een sepot. Ik noem Hof Den Haag 18 december 1997, LJN: AD2813, NJ 1998, 200. Daarin overwoog het hof:
"Het betreft hier een zaak die tijdens de opsporingsfase door middel van een mededeling sepot geëindigd is. Vooropgesteld dient te worden, dat het begrip 'zaak' in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering niet slechts ziet op strafvervolging, doch ook op strafrechtelijk onderzoek dat zich slechts in de opsporingsfase bevindt. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling dwingt niet tot de opvatting, dat kosten van een raadsman uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen indien de zaak na strafvervolging beëindigd wordt. Het hof wijst in dit verband op de beschikking van de Hoge Raad van 24 mei 1966, 1966, 443, waarin de Hoge Raad heeft beslist dat onder kosten van een raadsman de kosten voor verrichtingen van de raadsman gedurende het gehele strafproces vallen".
20. De opvatting dat ook na een sepot sprake is van het einde der zaak en dat dientengevolge de mogelijkheid bestaat op basis van art. 591a Sv een vergoeding te ontvangen voor de kosten van een raadsman lijkt gemeengoed. Ik noem als voorbeelden uit de laatste jaren: Hof 's-Hertogenbosch 29 december 2005, LJN: AV3592; Rechtbank Zwolle 2 juli 2008, LJN: BE9964 en Rechtbank Roermond 19 mei 2009, LJN: BK5910. In al deze zaken was sprake van een onvoorwaardelijk sepot van de officier van justitie. Over de vraag of ook een politiesepot als einde van de zaak in de zin van art. 591a kan worden beschouwd zijn de opvattingen verdeeld. Een politiesepot werd als afdoende beschouwd in de zaak waarin het Hof Amsterdam overwoog dat aan de raadsman niets in de weg stond een verzoek in te dienen op grond van de artikelen 89 en 591a Sv, 'nu ten aanzien van het politiesepot de zaak als geëindigd moet worden beschouwd' (20 augustus 2003, LJN AI1394). Dezelfde opvatting vinden we in een beschikking van Rechtbank Middelburg 7 december 2010, LJN: BR4365. Het Hof Arnhem overwoog in een beschikking van 24 april 2006, LJN: BC7864 echter: "Onder zaak in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden verstaan een zaak waarmee (tenminste) de officier van justitie of een gemandateerde parketsecretaris enige inhoudelijke bemoeienis heeft gehad". Dezelfde opvatting vinden we in Hof Amsterdam 31 januari 2000, LJN: AD3138. Ook de Rechtbank Utrecht oordeelde op 30 juli 1998 (LJN: AD2923) dat er geen sprake kan zijn van een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand na een politiesepot.
21. Dat laatste standpunt is ook in de literatuur terug te vinden. Van Woensel (Handboek strafzaken, 82.5.4) stelt dat ook na een sepot vergoeding van kosten van de raadsman mogelijk is, mits "het openbaar ministerie bemoeienis heeft gehad met het onderzoek, omdat anders moeilijk kan worden gesproken van een zaak (die geëindigd is)". Ook Pelser meent dat kosten gemaakt in de opsporingsfase na een sepot kunnen worden vergoed, behalve in geval van een politiesepot (Pelser 2011, T&C Sv, art. 591a Sv, aant. 6c).
22. In de opeenvolgende bewerkingen van het losbladige Wetboek van Strafvordering (Melai/Groenhuisen) zijn de verschillende opvattingen over de reikwijdte van art. 591a terug te vinden. In 1977 ging de tekst bij de beantwoording van de vraag wanneer de zaak geëindigd is uit van art. 36 Sv (de verklaring dat de zaak is geëindigd), art. 246 (de kennisgeving van niet verdere vervolging) en art. 250 Sv (de buitenvervolgingstelling). Alleen als een zaak waarin het niet is gekomen tot een onderzoek ter terechtzitting, op een van deze wijzen is beëindigd, is volgens het commentaar vergoeding van de kosten van de raadsman mogelijk (Melai, art. 591 Sv, aant. 4, suppl. 22, november 1977).
In de bewerking door Nijboer/Thiessen wordt een ruimere toepassing van art. 591a Sv voorgestaan. Onder het begrip 'zaak' wordt door hen eveneens begrepen 'een strafrechtelijk onderzoek dat zich slechts in de opsporingsfase bevindt'. Een zaak is volgens hen geëindigd indien het openbaar ministerie aan de verdachte mededeling doet van vervolging af te zien (Melai/Nijboer/Thiessen, art. 591a Sv, aant. 15; art. 591-592 Sv, aant. 4, suppl. 70, januari 1990).
Dane is in de meest recente bewerking van Melai terughoudender. Zij zoekt aansluiting bij de definitie die in artikel 132a Sv wordt gegeven van het begrip opsporingsonderzoek. Om kosten van een raadsman voor verrichtingen tijdens de opsporingsfase te vergoeden, moet dan ten minste het openbaar ministerie bemoeienis met het onderzoek hebben gehad (Melai/Dane, art. 591a Sv, aant. 6.3, suppl. 156, augustus 2006). Bij de bespreking van de vraag of de zaak eindigt door een sepot, is zij voorzichtiger. Zij besluit met de aanbeveling dat de Hoge Raad duidelijkheid verschaft in de kwestie of een door het openbaar ministerie gegeven sepot (eventueel beperkt tot onvoorwaardelijk sepot) ingang dient te geven op de procedures van art. 89 en art. 591a, aangezien de rechtspraak volgens haar te veel uiteenloopt zonder daarbij inzicht te geven in de achterliggende gedachte (Melai/Dane, art. 591a Sv, aant. 8.4, suppl. 156, augustus 2006).
23. In de rechtspraak komen ook nog andere vragen aan de orde waarop het antwoord niet vanzelfsprekend is. Wanneer eindigt de zaak bij een voorwaardelijk sepot met als enige voorwaarde dat geen nieuwe strafbare feiten worden begaan? Pas aan het einde van de proeftijd aldus de Rechtbank Den Haag, 26 januari 2010, LJN: BM1109 en de Rechtbank Utrecht, 19 februari 2008, LJN: BD0078. Hetzelfde oordeelde de Rechtbank Maastricht (28 mei 2008, LJN: BG6635) in de situatie dat een strafrechtelijke bemiddelingsovereenkomst was gesloten tussen een aantal partijen waaronder het openbaar ministerie met eveneens de voorwaarde dat er geen nieuwe strafbare feiten zouden worden gepleegd gedurende de proeftijd. De zaak is pas geëindigd als de proeftijd voorbij is, aldus de rechtbank en in hoger beroep het Hof 's-Hertogenbosch (10 november 2008, LJN:BG6929). Anders oordeelde de Rechtbank Zwolle een aantal jaren eerder, op 19 september 2003, LJN: AO0487. Volgens die rechtbank eindigt de zaak bij de kennisgeving van het voorwaardelijk sepot. En hoe te oordelen indien de zaak wordt geseponeerd nadat de officier van justitie heeft besloten de zaak af te doen met een zogenoemde HALT-afdoening?
24. Het voorgaande is voor mij een reden aan de Hoge Raad de vraag voor te leggen of een sepot betekent dat de zaak is geëindigd en dat dus in beginsel vergoeding van de kosten van een raadsman mogelijk is. Afhankelijk van het oordeel van de Hoge Raad ben ik voornemens een aantal van de hierboven aangeduide kwesties, waarover dan nog onduidelijkheid bestaat, vervolgens aan de Hoge Raad voor te leggen.
De beklagprocedure van 12 Sv; beklag niet-ontvankelijk of afgewezen
25. In de rechtspraak is het overheersende standpunt dat vergoeding van de kosten van een raadsman aan de beklaagde, nadat een beklag ex 12 Sv niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen, niet mogelijk is (Hof Den Haag 28 januari 2004, LJN: AO2525; Hof Leeuwarden 28 april 2004, LJN: AP7124; Hof Arnhem 25 juni 2004, LJN: AP4515 en Hof 's-Hertogenbosch, 12 december 2006, LJN: BA2766). Deze beslissingen berusten op de overweging dat er een essentieel verschil is tussen de verdachte die van overheidswege wordt vervolgd en vervolgens vrijuit gaat en de beklaagde die blijkens het niet slagen van het beklag door de klager ten onrechte in de beklagprocedure is betrokken. Indien een verdachte wordt vervolgd en vrijgesproken, heeft de overheid de verdachte ten onrechte vervolgd en is het redelijk kosten van een raadsman in beginsel te vergoeden. In de beklagprocedure gaat het initiatief niet van de overheid maar van de belanghebbende uit en ontbreekt de ratio om kosten van de beklaagde ten laste van de Staat te brengen. Bovendien heeft de wetgever de art. 12 Sv-procedure niet opgenomen in het rijtje bijzondere procedures waarop de regeling van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 591 lid 5 in verband met artikel 591a lid 4 Sv.(1)
26. Het is duidelijk dat de hierboven onder 16 weergegeven overweging uit de beschikking van het Hof 's-Hertogenbosch van 3 augustus 2009: "Het hof is van oordeel dat ook een procedure als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering eveneens binnen het bereik van deze term (bedoeld is de term zaak JWF) valt, nu deze, gelet op de boven weergegeven fases i., ii. en iii., in rechtstreeks verband staat met de strafzaak", afwijkt van de vaste jurisprudentie van de hoven hierover.
Beklag gegrond, bevel vervolging gegeven, zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr
27. De kwestie waarover in de onderhavige zaak is beslist (beklag gegrond, bevel vervolging gegeven, zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr) komt minder voor in de rechtspraak. Naast de beschikking van het Hof s-Hertogenbosch waarop deze vordering betrekking heeft, vond ik alleen een beschikking van het Hof Arnhem van 20 maart 2011, LJN BQ2826. Ook in die zaak ging het om de vraag of na een vrijspraak in een zaak waarin de vervolging door het hof was gelast, de kosten van bijstand van de beklaagde (de latere verdachte) voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof overwoog dat dit volgens vaste jurisprudentie niet het geval is en verklaarde verzoekster in zoverre niet-ontvankelijk in haar verzoek om vergoeding van de kosten van de raadsman. Aan de omstandigheid dat in geval van vervolging op last van het hof er een nauwe samenhang is tussen de beklagprocedure en de positie als verdachte, een omstandigheid die het hof in de onderhavige beschikking van 3 augustus 2009 noemt, werd geen betekenis toegekend. Navraag bij de overige gerechtshoven heeft bevestigd dat zij geen beslissingen over deze kwestie hebben genomen. Ook in de literatuur heb ik over deze vraag niets gevonden.
Drie middelen van cassatie
28. Het voorgaande betekent dat ik het, gelet op de verschillen in beschikkingen over deze kwesties, van belang acht dat de Hoge Raad zich niet alleen uitlaat over de vraag of de kosten van de raadsman die een beklaagde heeft gemaakt in een art. 12 Sv-procedure voor vergoeding in aanmerking komen, indien het hof vervolging heeft gelast en de zaak daarna eindigt zonder straf of maatregel en ook zonder schuldigverklaring zonder toepassing van straf, maar ook een antwoord geeft op de vraag of de kosten van de raadsman die een beklaagde heeft gemaakt in een art. 12 Sv-procedure voor vergoeding in aanmerking komen, indien het hof het beklag afwijst of de klager niet-ontvankelijk verklaart in zijn beklag. Met de vraag of een sepot aanleiding kan geven tot een vergoeding van de kosten van de raadsman betekent dit dat drie middelen van cassatie zullen worden voorgesteld.
29. Dat niet alle voorgestelde middelen zijn gericht tegen een overweging die de beslissing draagt, staat aan bespreking van de middelen door de Hoge Raad mijns inziens niet in de weg. Ook niet dragende overwegingen, waarin een rechtsopvatting is gelegen, kunnen door de Hoge Raad in het belang der wet worden getoetst indien voor de rechtspraak de opvatting van de Hoge Raad van belang is. Aan het doel van het buitengewone rechtsmiddel van cassatie in het belang der wet, het verkrijgen van een uitdrukkelijke beslissing omtrent een omstreden rechtspunt, wordt dan immers ook voldaan.(2)
Middel I
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen doordat het hof heeft overwogen dat aan de gewezen verdachte, wiens zaak eindigt met een sepot, voor zover daartoe gronden van billijkheid aanwezig zijn, een vergoeding kan worden toegekend voor de kosten van een raadsman.
Toelichting
30. Artikel 591a Sv kent de mogelijkheid van vergoeding van de kosten van de raadsman, indien de zaak is geëindigd zonder straf of maatregel en zonder schuldigverklaring zonder toepassing van straf. Die situatie kan zich niet alleen voordoen als de zaak met een einduitspraak is geëindigd, maar ook als het niet tot een onderzoek ter terechtzitting is gekomen omdat de rechter op verzoek van de verdachte heeft verklaard dat de zaak geëindigd is, de verdachte na een bezwaarschrift tegen de dagvaarding of kennisgeving van verdere vervolging buiten vervolging is gesteld dan wel de officier van justitie een kennisgeving van niet verdere vervolging aan de verdachte heeft gestuurd. In het laatste geval is de zaak mijns inziens pas geëindigd nadat de termijn voor het doen van beklag is verstreken. Dat is drie maanden nadat de klachtgerechtigde met de kennisgeving bekend is geworden (art. 12k Sv). Het hof breidt het aantal gevallen uit door ook andere sepots dan de kennisgeving van niet verdere vervolging als het einde van de zaak als bedoeld in art. 591a Sv te bestempelen. Een verschil met de kennisgeving van niet verdere vervolging is in ieder geval dat de zaak door een vormvrij sepot niet definitief is geëindigd zolang er nog door de belanghebbende beklag kan worden gedaan. Daarvoor bestaat geen wettelijke termijn en in zoverre is het moment waarop de zaak is geëindigd onzeker. Voor het overige valt te verdedigen dat een sepot door of vanwege de officier van justitie als het einde van de zaak kan worden beschouwd omdat dit op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad - afgezien van de beklagtermijn - dezelfde rechtsgevolgen heeft als een kennisgeving van niet verdere vervolging (HR 13 september 1983, NJ 1984, 151). Dat laatste is niet zonder meer het geval bij een politiesepot. Dat betekent dat het oordeel van het hof dat de zaak eindigt met een sepot niet juist is voor zover voor zover aan dat sepot geen nadere voorwaarden worden gesteld, tot welke voorwaarden in ieder geval zouden moeten behoren dat de sepotbeslissing is genomen door het openbaar ministerie en dat het gaat om een onvoorwaardelijk sepot.
Middel II
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen doordat het hof heeft overwogen dat ook een procedure als bedoeld in art. 12 Sv valt binnen het bereik van de term zaak in art. 591a Sv en dat een beklaagde die niet wordt vervolgd omdat het beklag geen doel treft, de kosten van een raadsman in beginsel vergoed kan krijgen op basis van het bepaalde in art. 591a Sv.
Toelichting
31. Zoals in de hierboven in nr. 25 besproken rechtspraak van de hoven is weergegeven, is de aard van de beklagprocedure zodanig anders dan de strafvervolging dat daarin geen grond kan worden gevonden om van overheidswege een vergoeding voor de kosten van een raadsman toe te kennen. De kosten zijn immers veroorzaakt door een andere partij. Er zou voor gekozen kunnen worden dergelijke kosten wel te vergoeden, maar daarvoor zou m.i. gelet op het eigen karakter van de beklagprocedure noodzakelijk zijn dat deze procedure afzonderlijk wordt genoemd bij de in art. 591 lid 5 Sv bedoelde procedures.
32. Ook een rechtsvergelijkende blik op vergelijkbare regelingen in enkele Europese landen lijkt ervoor te pleiten om de kosten voor de raadsman tijdens een art. 12 Sv-procedure niet krachtens art. 591a Sv ten laste van de Staat te laten komen. In het Duitse recht komen de kosten voor de procedure in het zogenoemde Klageerzwangverfahren voor rekening van de verzoeker (§ 177 StPO) indien het verzoek wordt afgewezen omdat het ongegrond is (§ 174 StPO). In België beschikt het slachtoffer over de mogelijkheid om een zaak zelf bij de strafrechter of de onderzoeksrechter aan te brengen. In beide gevallen moet de burgerlijke partij een borgsom storten.(3)
Middel III
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen doordat het hof heeft geoordeeld dat ook de door [verdachte] gemaakte kosten voor rechtsbijstand die betrekking hebben op de kosten van de raadsman in de beklagprocedure op de voet van art. 12 Sv voor vergoeding in aanmerking komen.
Toelichting
33. Hierboven, in de toelichting op het tweede middel, is besproken waarom de kosten gemaakt ten behoeve van rechtsbijstand van de beklaagde in een art. 12 Sv-procedure niet voor vergoeding op de voet van art. 591a in aanmerking komen, als de klager niet-ontvankelijk is of het beklag wordt afgewezen. Er is dan geen zaak als bedoeld in art. 591a Sv. Dit middel stelt de vraag aan de orde of de kosten wel voor vergoeding in aanmerking komen als het hof de vervolging heeft bevolen en de zaak eindigt zonder veroordeling of rechterlijk pardon. De beklagprocedure staat dan niet op zich, maar zou kunnen worden beschouwd als een onderdeel van de zaak tegen de verdachte. Redelijke wetstoepassing brengt m.i. mee dat in die situatie ook kosten van de raadsman in het kader van de beklagprocedure voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet op de verdeeldheid in de jurisprudentie is het van belang dat de Hoge Raad deze vraag beantwoordt indien hij het tweede middel gegrond acht. Daarom stel ik mij op het standpunt dat de beslissing van het hof niet juist is.
34. Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak van het Hof te 's-Hertogenbosch van 3 augustus 2009 in het belang der wet zal vernietigen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Hof Leeuwarden 3 mei 2004, NJ 2004, 380; Hof Den Haag 7 april 2004, NJ 2004, 471.
2 Zie W.H.B. den Hartog Jager, Cassatie in het belang der wet, Arnhem 1994, p.191.
3 Art. 86 Koninklijk Besluit houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, Belgisch Staatsblad van 25 mei 2007, p. 28209.
Uitspraak 19‑02‑2013
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang der wet. Is art. 591a Sv van toepassing bij een sepot en/of bij art. 12 Sv, als die procedure is geëindigd met een n-o of een afwijzing, of als die art. 12 Sv gegrond is verklaard maar uiteindelijk de strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr? Redelijke wetsuitleg brengt mee dat in geen van de in de middelen bedoelde situaties het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman o.g.v. art. 591a.2 Sv is uitgesloten.
19 februari 2013
Strafkamer
nr. S 12/03826 CW
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op de voordracht en vordering tot cassatie in het belang van de wet van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, nr. 000376/09, van 3 augustus 2009, gegeven op een verzoek in de zin van art. 591a Sv in de zaak van:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.
1. Procesgang en de bestreden beschikking
1.1.1. Bij brief van 26 januari 2007 heeft de officier van justitie aan [verdachte] te kennen gegeven hem niet te zullen vervolgen ter zake van oplichting dan wel flessentrekkerij wegens - kort gezegd - gebrek aan bewijs. Op 6 augustus 2007 is bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch een klaagschrift ingediend als bedoeld in art. 12 Sv met het verzoek [verdachte] te vervolgen. Bij beschikking van 8 januari 2008 heeft het Hof het beklag gegrond verklaard en de vervolging van [verdachte] bevolen. De Politierechter in de Rechtbank Breda heeft [verdachte] op 18 maart 2008 vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Op 22 april 2008 is ter griffie van de Rechtbank Breda ingekomen een verzoekschrift als bedoeld in art. 591a Sv, waarin [verdachte] schadevergoeding vordert voor onder meer de kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt in het kader van de art. 12 Sv procedure.
1.1.2. Bij de bestreden beschikking is aan [verdachte] als gewezen verdachte ten laste van de Staat een vergoeding toegekend ten bedrage van in totaal € 7.497,52.
1.2. Het Hof heeft daartoe, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende overwogen:
"Naar aanleiding van een aangifte van een strafbaar feit kunnen de navolgende fases worden onderscheiden:
• i. het opsporingsonderzoek naar aanleiding van die aangifte - in welke fase ook degene die als verdachte is aangemerkt zich kan laten bijstaan door een raadsman -, leidende - grofweg gezegd - tot een beslissing tot vervolging dan wel tot een sepot;
• ii. ingeval van sepot kan degene die de aangifte deed als klager een beklagprocedure als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering entameren, strekkende tot vervolging van degene, die in het opsporingsonderzoek als verdachte was aangemerkt; in die procedure kan degene die in het opsporingsonderzoek als verdachte was aangemerkt, thans als beklaagde, zich eveneens door een raadsman laten bijstaan; de klacht kan leiden tot een beslissing tot vervolging - vide onder iii. - dan wel - grofweg gezegd - tot afwijzing daarvan;
• iii. de onder ii. bedoelde procedure kan leiden tot vervolging van degene die in het opsporingsonderzoek als verdachte was aangemerkt. Ingeval van beslissing tot vervolging kan de verdachte zich ook in die fase door een raadsman laten bijstaan.
Indien de zaak - waaronder in elk geval begrepen voormelde fase i. en fase iii. - eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan aan de gewezen verdachte, voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn, een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman.
Het hof is gezien het systeem van de hierboven weergegeven wettelijke bepalingen van oordeel dat onder het begrip "zaak" als bedoeld in artikel 591a Sv van het Wetboek van Strafvordering niet alleen de strafvervolging dient te worden verstaan. Het hof is van oordeel dat ook een procedure als bedoeld in
artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering eveneens binnen het bereik van deze term valt, nu deze, gelet op de boven weergegeven fases i., ii. en iii., in rechtstreeks verband staat met de strafzaak.
Het hof merkt in dit verband op dat de beklaagde op grond van artikel 12f van het Wetboek van Strafvordering zich door een advocaat kan laten bijstaan en hem op grond van artikel 12g van voornoemd wetboek een zwijgrecht toekomt.
Het hof is dan ook van oordeel dat in het kader van een verzoek tot schadevergoeding een beklaagde die niet wordt vervolgd, omdat het beklag geen doel treft, gelijk moet worden gesteld met een gewezen verdachte wiens zaak eindigt met een sepot. Het hof overweegt dat de kosten van een raadsman die de gewezen beklaagde in de onderzoeksfase (fase i.) die geleid heeft tot een dergelijk sepot, ook op voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in beginsel kunnen worden vergoed.
Dit wordt naar het oordeel van het hof niet anders in het geval - gelijk het onderhavige - het beklag gegrond wordt verklaard en de vervolging wordt bevolen en de gewezen beklaagde uiteindelijk van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat nu juist tengevolge van de artikel 12 Sv-procedure de beklaagde - opnieuw - in een "zaak" wordt betrokken en derhalve de beklagprocedure onlosmakelijk met zijn eerdere en zijn latere positie als verdachte is verbonden.
Het hof is dan ook van oordeel dat de kosten van een raadsman die de beklaagde heeft moeten maken - in beginsel - bij een uiteindelijk gevolgde vrijspraak op voet van artikel 591a voor vergoeding in aanmerking kunnen komen."
2. De voordracht en vordering
De voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet van de Procureur-Generaal Fokkens strekken ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking in het belang der wet zal vernietigen. De voordracht en vordering zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
3. Wettelijk kader
Art. 591a, tweede lid, Sv bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten van een raadsman en luidt als volgt:
"Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdsverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten."
In art. 591a, vierde lid, Sv zijn onder meer de art. 90 Sv en 591, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze bepalingen luiden als volgt:
Art. 90, eerste lid, Sv:
"De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn."
Art. 591, tweede lid, Sv:
"Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. De vaststelling geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, en wel door de rechter of raadsheer in de enkelvoudige kamer die de zaak heeft behandeld of, indien de behandeling van de zaak plaatsvond door een meervoudige kamer, door de voorzitter daarvan. De rechter of raadsheer geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging af."
4. Beoordeling van de middelen
4.1. De middelen stellen vragen aan de orde met betrekking tot de grenzen die de wet stelt aan de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a Sv. De middelen zien op drie verschillende situaties. In het eerste middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan - kort gezegd - een gewezen verdachte wiens zaak is geseponeerd een dergelijke vergoeding kan worden toegekend. In het tweede middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan iemand, nadat een op hem betrekking hebbend beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen, een dergelijke vergoeding kan worden toegekend. In het derde middel wordt de vraag aan de orde gesteld of aan de gewezen verdachte de kosten van een raadsman in verband met de beklagprocedure als bedoeld in art. 12 Sv voor vergoeding in aanmerking komen indien het beklag wordt gegrondverklaard, maar uiteindelijk eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr.
4.2.1. Voor de beoordeling van de middelen is in het bijzonder de betekenis van belang van de in art. 591a, tweede lid, Sv opgenomen omschrijving 'indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht'. Bij de invoeging van art. 591a Sv bij Wet van 28 maart 1963, Stb. 1963, 130 is niet expliciet aandacht besteed aan de precieze betekenis van deze termen.
4.2.2. In dat verband kunnen wel de wetssystematiek en de betekenis van min of meer gelijkluidende termen in met art. 591a Sv samenhangende bepalingen worden onderzocht. De wetsgeschiedenis biedt daarvoor enige aanknopingspunten en werpt ook licht op de bedoeling die de wetgever met art. 591a Sv had en de rol die hij bij de beoordeling van verzoeken op basis van die bepaling aan de rechter heeft toebedacht.
4.3.1. In 1926 is in het Wetboek van Strafvordering in art. 89 e.v. een regeling opgenomen op grond waarvan door de rechter aan de gewezen verdachte wiens zaak, voor zover hier van belang, "eindigt zonder oplegging van straf of maatregel" een geldelijke tegemoetkoming kan worden toegekend ten laste van de Staat voor schade geleden door ondergane voorlopige hechtenis. Deze toekenning diende volgens de in art. 90 neergelegde maatstaf plaats te hebben "indien en voor zoover daartoe, naar het oordeel van den rechter, gronden van billijkheid aanwezig zijn". Een aspect dat volgens de Memorie van Toelichting bij het billijkheidsoordeel van de rechter omtrent het toekennen van een tegemoetkoming en bij het bepalen van de hoogte daarvan een belangrijke rol kan spelen is in hoeverre de verdachte de voorlopige hechtenis "aan zijne eigen houding te wijten heeft"
(Kamerstukken II, 1913-1914, 286, nr. 3, p. 77).
4.3.2. Het eveneens in 1926 ingevoerde art. 591 Sv voorzag in de mogelijkheid tot toekenning door de rechter van een tegemoetkoming aan de gewezen verdachte voor bepaalde kosten die door hem zijn gemaakt in verband met het onderzoek en de terechtzitting "indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel". Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling moet worden afgeleid dat de wetgever - zoals ook bij art. 89 Sv het geval is - heeft beoogd de regeling ook toepassing te kunnen laten vinden in gevallen waarin de zaak eindigt "zonder einduitspraak tegen den verdachte"
(Kamerstukken II, 1913-1914, 286, nr. 3, p. 250 in verbinding met Kamerstukken II, 1917-1918, 77, nr. 1, p. 106 en Kamerstukken II, 1917-1918, 77, nr. 1, p. 139).
4.3.3. De in art. 591a, tweede lid, Sv geschapen mogelijkheid tot het toekennen van een tegemoetkoming voor schade geleden door "tijdsverzuim" werd blijkens de Memorie van Toelichting beschouwd "als het verlengstuk van de mogelijkheid van toekenning van een tegemoetkoming voor reis- en verblijfkosten", zoals geregeld in art. 591 Sv. Om de rechter bij de beoordeling van verzoeken op grond van art. 591a Sv de ruimte te geven rekening te houden met de omstandigheden van het geval is art. 90 Sv van overeenkomstige toepassing verklaard
4.3.4. Bij wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 is in de art. 89 en 591a Sv de term tegemoetkoming vervangen door schadevergoeding en is de mogelijke vergoeding van kosten van de raadsman toegevoegd. De Memorie van Toelichting bij deze wet houdt over de voorgestelde aanpassing van art. 89 Sv onder meer in:
"De beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding vindt hier immers niet haar antwoord in de onrechtmatigheid van de overheidsmaatregel, maar in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen. (...)
De thans geldende regeling belet de rechter, door het gebruik van het woord "tegemoetkoming", een volledige vergoeding van de geleden schade toe te kennen. Het ontwerp vervangt deze term door "schadevergoeding", teneinde aan te geven dat, indien de rechter deze billijk acht, algehele vergoeding mogelijk is. Zo'n geval kan zich met name voordoen, indien op iemand door omstandigheden, buiten hem zelf gelegen, zonder dat hem enige schuld treft, de verdenking is gevallen. (...)
De voorgestelde regeling dwingt intussen de rechter niet, in alle gevallen waarin hij voor toekenning aanleiding ziet, de gehele schade voor vergoeding in aanmerking te laten komen."
(Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3)
En over de voorgestelde aanpassing van art. 591a Sv:
"Met het gebruik van het woord "tegemoetkoming" is bij de totstandkoming van deze bepaling aansluiting gezocht bij de beperkte strekking van de regeling van art. 89 e.v. De argumenten die pleiten voor een verruiming van laatstgenoemde regeling zijn ook aan te voeren voor een overeenkomstige verruiming van het bepaalde in art. 591a, tweede lid. De daarin bedoelde schade en kosten zijn immers vergelijkbaar met de schade tengevolge van ondergane detentie. (...)
Voorts acht de ondergetekende een vergoeding van de kosten van de raadsman wenselijk. Daaronder vallen
- aldus de Hoge Raad (NJ 1966/443) - de kosten van de advocaat gedurende het gehele strafproces, met inbegrip van de voorlopige hechtenis."
(Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 4)
Nadien is, voor zover hier relevant, bij wet van 31 maart 1983, Stb. 1983, 153 aan art. 591a, tweede lid, Sv het tekstgedeelte toegevoegd dat betrekking heeft op het geval waarin toepassing is gegeven aan art. 9a Sr.
4.4. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat - zoals dat ook in art. 89 e.v. Sv het geval is - de in art. 591a, tweede lid, Sv neergelegde voorwaarde voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, naar de bedoeling van de wetgever niet betekent dat de zaak dient te zijn geëindigd door een rechterlijke einduitspraak in de zin van art. 348 en 350 Sv. Ook na andere wijzen van beëindiging van de zaak bestaat op de voet van art. 591a, tweede lid, Sv de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman. Beslissend is daarbij of in het concrete geval voor toekenning van zo'n vergoeding gronden van billijkheid aanwezig zijn; dat oordeel is aan de rechter overgelaten, die daarbij rekening dient te houden met alle omstandigheden van het geval.
Afgezien van de gevallen waarin de zaak eindigt in een veroordeling tot een straf of maatregel of in de toepassing van art. 9a Sr, en waarin aldus is komen vast te staan dat de gewezen verdachte de aandacht van de justitiële autoriteiten - en het maken van kosten voor een raadsman - aan zichzelf te wijten heeft, kan uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 591a Sv niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een dergelijke vergoeding te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure.
Het bovenstaande past ook bij eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. In HR 24 mei 1966, NJ 1966/443 is geoordeeld dat uit hoofde van art. 591a, tweede lid, Sv "in het geval dat de zaak eindigt zonder straf of maatregel, een tegemoetkoming mogelijk wordt gemaakt ter zake van de kosten van een raadsman, onder welke de kosten voor verrichtingen van de raadsman gedurende het gehele strafproces vallen en derhalve ook voor die verrichtingen welke verband houden met de ondergane voorlopige hechtenis". In HR 20 mei 1986, NJ 1987/28, is geoordeeld dat "Onder 'de kosten van een raadsman' waarvoor een vergoeding uit 's Rijks kas kan worden toegekend, als bedoeld in de eerste volzin van het 591a, tweede lid Sv, zijn te verstaan de kosten van een raadsman die in rechtstreeks verband staan met een strafzaak tegen een gewezen verdachte, welke is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr" en dat onder die kosten ook vallen de kosten ter zake van advisering en opstelling van een verzoekschrift strekkende tot toepassing van art. 591a Sv. Deze kosten, zo overwoog de Hoge Raad in dat arrest, zijn weliswaar ontstaan na beëindiging van de strafzaak tegen de gewezen verdachte doch hangen met die zaak rechtstreeks samen.
Opmerking verdient ook nog dat de wetgever in dit verband geen nadere en daardoor mogelijk tot nadere clausulering van art. 591a Sv nopende voorzieningen in het leven heeft geroepen, zoals bijvoorbeeld een kostenveroordeling voor het geval dat de rechter die heeft te oordelen over een beklag in de zin van art. 12 Sv, dat beklag elke redelijke grond acht te missen.
4.5. In het licht van het vorenstaande moet dan ook worden geoordeeld dat een redelijke uitleg van de wet meebrengt, dat in geen van de drie in de middelen bedoelde situaties het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a, tweede lid, Sv is uitgesloten.
Indien en voor zover naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman, kan hij daartoe op de voet van art. 591a, tweede lid, Sv ook besluiten indien de zaak is geëindigd in een sepot, of indien een beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet gegrond is verklaard dan wel een dergelijk beklag wel gegrond is verklaard, maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, de vice-president W.A.M. van Schendel, en de raadsheren J. de Hullu, W.F. Groos en N. Jörg in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 februari 2013.