HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.8.
HR, 18-02-2025, nr. 23/02703 B
ECLI:NL:HR:2025:216
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-02-2025
- Zaaknummer
23/02703 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:216, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1216
ECLI:NL:PHR:2024:1216, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:216
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op telefoon en auto onder klager t.z.v. verdenking van handel in harddrugs, waarna telefoon is teruggegeven aan klager en strafrechter heeft beslist over auto. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 134.2.a Sv. Uit door griffie HR ingewonnen inlichtingen blijkt dat OM teruggave van inbeslaggenomen telefoon aan rechthebbende door bewaarder heeft bevolen en dat telefoon status “Teruggegeven door bewaarder” heeft. Hieruit volgt dat inbeslaggenomen telefoon is teruggegeven aan klager en dat beslag op telefoon inmiddels is beëindigd. Daarom zal HR cassatieberoep van klager niet in behandeling nemen v.zv. dit ziet op telefoon. Verder bevindt zich bij stukken afschrift van uitspraak Pr in strafzaak tegen klager. In die uitspraak is beslist over inbeslaggenomen personenauto waarvan klager teruggave heeft verzocht. Deze beslissing over beslag in strafzaak betekent dat klager in zoverre geen belang meer heeft bij beroep tegen beschikking waarbij klaagschrift ongegrond is verklaard. Beroep moet daarom ook in zoverre n-o worden verklaard. In beschikking is immers beslissing gegeven in afwachting van oordeel van strafrechter over beslag. Door diens beslissing over beslag in strafzaak tegen klager kan op klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Klager n-o. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02703 B
Datum 18 februari 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juli 2023, nummer RK 23/006252, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Het gaat in deze zaak om de inbeslagneming onder de klager van een Samsung telefoon en een personenauto. De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager dat strekt tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen in zoverre ongegrond verklaard.
2.2.1
Uit de door de griffie van de Hoge Raad ingewonnen inlichtingen blijkt dat het openbaar ministerie op 23 september 2024 de teruggave van de inbeslaggenomen telefoon aan de rechthebbende door de bewaarder heeft bevolen en dat de telefoon de status “Teruggegeven door bewaarder” heeft. Hieruit volgt dat de inbeslaggenomen telefoon is teruggegeven aan de klager.
2.2.2
Artikel 134 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering luidt:
“Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij
a. het inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggegeven, dan wel de waarde daarvan wordt uitbetaald; (...).”
2.2.3
Hieruit volgt dat het beslag op de telefoon inmiddels is beëindigd. Daarom zal de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling nemen voor zover dit ziet op de telefoon.
2.3.1
Verder bevindt zich bij de stukken een afschrift van een uitspraak van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 december 2024 in de strafzaak tegen de klager. In die uitspraak is beslist over de inbeslaggenomen personenauto waarvan de klager de teruggave heeft verzocht.
2.3.2
Deze beslissing over het beslag in de strafzaak betekent dat de klager in zoverre geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking waarbij het klaagschrift ongegrond is verklaard. Het beroep moet daarom ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. In de beschikking is immers een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag. Door diens beslissing over het beslag in de strafzaak tegen de klager kan op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag a.b.i. art. 552a Sv. Terechte klacht dat de rechtbank ontoereikend heeft gemotiveerd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de onder de klager o.g.v. art. 94 Sv in beslag genomen personenauto verbeurd zal verklaren of onttrekken aan het verkeer. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02703 B
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 11 juli 2023 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, voor zover strekkende tot opheffing van het gelegde beslag op een telefoon en personenauto en tot teruggave van deze voorwerpen aan de klager, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 12 juli 2023 ingesteld namens de klager. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de telefoon en de personenauto verbeurd zal verklaren of onttrekken aan het verkeer.
1.3
Het middel is terecht voorgesteld. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak.
2. Het verloop van de zaak
2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
Op 2 maart 2023 is onder de klager op grond van art. 94 Sv in beslag genomen een jas, een paar schoenen, een telefoon en een personenauto.
2.3
Op 9 maart 2023 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van de gelegde beslagen met last tot teruggave aan de klager van de in beslag genomen voorwerpen. Het klaagschrift houdt onder meer in:
“In de strafzaak met bovengenoemd mutatienummer zijn onder klager de onderstaande goederen in beslag genomen. Ondergetekende beschikt thans nog niet over de kennisgevingen van inbeslagname.
- Samsung telefoon;
- voertuig met kenteken [kenteken] ;
- jas (Canada Goose);
- schoenen (Burberry).
Klager is eigenaar van de inbeslaggenomen goederen en heeft hiervan geen afstand gedaan. Evenmin heeft hij de goederen door enig strafbaar feit verkregen of onttrokken aan een rechthebbende.
Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan, alsmede door het uitblijven van een last tot teruggave. Hij wordt immers in zijn eigendomsrecht beperkt nu hij niet vrijelijk over zijn spullen kan beschikken. Meer specifiek wordt opgemerkt dat klager zijn auto nodig heeft in verband met zijn werk. Hij werkt als kapper aan huis in (de omgeving van) Breda en Roosendaal. Nu hij geen beschikking heeft over zijn auto kan hij niet al zijn klanten bereiken. Daarnaast kan hij ook minder klanten helpen omdat hij afhankelijk is van het OV en het reizen nu enorm veel tijd in beslag neemt. Vanwege voornoemde omstandigheden loopt klager behoorlijk wat omzet mis.
Naar het oordeel van klager verzet het belang van strafvordering zich niet tegen de gevraagde teruggave. Het (voorduren van het) beslag is derhalve onrechtmatig c.q. onredelijk en disproportioneel.”
2.4
Het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 27 juni 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De raadsvrouw:
Ik weet niet wat de stand van het onderzoek is. Ik heb alleen een sociaal verhoor. De telefoons zijn al sinds maart bij het Openbaar Ministerie. Deze procedure kan ook een zetje aan het onderzoek geven.
De officier van justitie:
Daar zijn we hier niet voor. Het is erg druk met uitlezen van telefoons en deze zaak heeft geen prioriteit 1, maar ik zie wel dat er sprake is van een voornemen tot verbeurdverklaring. Heeft de verdediging daarover geen informatie gekregen?
De raadsvrouw:
Ik heb alleen een bericht dat het beslag gehandhaafd wordt.
De officier van justitie:
Ik houd u de stukken voor. Naar aanleiding van een MMA-melding over een dealer en klager zijn er zakjes drugs aangetroffen, ook in de woning. Er zijn getuigenverklaringen over het kopen van drugs. Klager zal vervolgd worden voor handel in verboden middelen en op zitting zal verbeurdverklaring van de telefoon en de auto gevraagd worden.
De raadsvrouw:
Ik heb andere stukken.
De rechter deelt mede een kennisgeving inbeslagname te hebben ontvangen. Daarin staat dat er na de aanhouding van klager diverse harddrugs zijn aangetroffen naast de politiebus op de plaats van aanhouding. Er zijn geen getuigenverklaringen en geen stukken over de aanhouding.
De raadsvrouw:
Op basis van deze stukken staat het dealen van drugs niet vast. Er zijn observaties die niks zeggen. Er is een telefoon aangetroffen en er zijn dingen uit het verleden, maar daaruit volgt niets. Misschien is het wel goed om nog te vertellen dat verdachte kapper is en de auto nodig heeft voor zijn werk.”
2.5
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:
“Het klaagschrift strekt tot opheffing van de gelegde beslagen met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat onder klager in beslag is genomen een Samsung telefoon, een personenauto met kenteken [kenteken] , een Canada Goose jas en Burberry schoenen. Klager is eigenaar van de inbeslaggenomen goederen en heeft hiervan geen afstand gedaan. Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan, alsmede door het uitblijven van een last tot teruggave. Hij wordt immers in zijn eigendomsrecht beperkt nu hij niet vrijelijk over zijn spullen kan beschikken. Meer specifiek wordt opgemerkt dat klager zijn personenauto nodig heeft in verband met zijn werk. Hij werkt als kapper aan huis in (de omgeving van) Breda en Roosendaal. Nu hij geen beschikking heeft over zijn personenauto kan hij niet al zijn klanten bereiken. Daarnaast kan hij ook minder klanten helpen omdat hij afhankelijk is van het openbaar vervoer en het reizen nu enorm veel tijd in beslag neemt. Vanwege voornoemde omstandigheden loopt klager behoorlijk wat omzet mis. Naar het oordeel van klager verzet het belang van strafvordering zich niet tegen de gevraagde teruggave. Het (voorduren van het) beslag is derhalve onrechtmatig c.q. onredelijk en disproportioneel. In raadkamer is namens klager hieraan toegevoegd dat de jas en de schoenen inmiddels aan klager zijn teruggegeven.
De officier van justitie persisteert bij het verweerschrift van het Openbaar Ministerie en heeft in raadkamer hieraan toegevoegd dat hij blijkbaar over meer stukken beschikt dan klager en de rechtbank. Uit deze stukken blijkt dat klager zal worden vervolgd voor de handel in verdovende middelen en dat de zittingsofficier van justitie tijdens de behandeling van de strafzaak een verbeurd verklaring van het beslag zal eisen.”
2.6
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en heeft in dat verband overwogen:
“Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLE:NL:HR:2014:379).
De rechtbank stelt vast dat uit de stukken blijkt dat er na de aanhouding van klager harddrugs [zijn] aangetroffen op de plek van de aanhouding naast de politiebus. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de mededeling van de officier van justitie in raadkamer dat klager vervolgd zal worden voor de handel in verdovende middelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, […] de telefoon en de personenauto verbeurd zal verklaren of onttrekken aan het verkeer. Daarom zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag voor het overige ongegrond verklaren.”
3. Het middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank art. 94 Sv heeft geschonden, doordat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de telefoon en de personenauto verbeurd zal verklaren of onttrekken aan het verkeer.
3.2
Gelet op de toelichting op het middel wordt in het bijzonder geklaagd dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd wat “de link” is tussen de in beslag genomen telefoon en personenauto en het strafbare feit, in dit geval “het enkele aantreffen van verdovende middelen op de grond naast het politiebusje tijdens de aanhouding” van de verdachte, en dat deze link evenmin blijkt uit de ter beschikking gestelde stukken voor de raadkamerzitting. De rechtbank heeft zich volgens de steller van het middel in haar beslissing slechts gebaseerd op de niet nader toegelichte stelling van de officier van justitie “dat klager zal worden vervolgd voor de handel in verdovende middelen en dat de zittingsofficier van justitie tijdens de behandeling van de strafzaak een verbeurd verklaring van het beslag zal eisen”, zonder dat de door de officier van justitie aangehaalde stukken zijn verstrekt. Daardoor heeft de rechtbank ook niet inhoudelijk kunnen motiveren waarom het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend de verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen telefoon en personenauto zal bevelen, aldus de steller van het middel.
3.3
De rechtbank heeft vastgesteld dat de voorwerpen onder de klager in beslag zijn genomen op de voet van art. 94 Sv. In een dergelijk geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.1.Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen en wanneer het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.2.Het oordeel van de beklagrechter dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave dient door de rechter te worden gemotiveerd.3.Aan de motivering worden, gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure, geen hoge eisen gesteld.4.De omvang van de motivering hangt uiteraard wel af van hetgeen door en namens de klager (in het klaagschrift en in raadkamer) is aangevoerd en van hetgeen door de officier van justitie is betoogd.5.De motivering van het oordeel van de rechtbank kan besloten liggen in de vaststellingen van de rechtbank, bijvoorbeeld ten aanzien van de bestaande verdenking.6.Bovendien betekent het ontbreken van een nadere motivering van het oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring zal bevelen, niet zonder meer dat dat oordeel onbegrijpelijk is.7.
3.4
De officier van justitie heeft in raadkamer gesteld dat naar aanleiding van een MMA-melding over een dealer en de klager er zakjes drugs zijn aangetroffen, waaronder in “de” woning en dat er getuigenverklaringen zijn over het kopen van drugs, dat de klager zal worden vervolgd voor handel in verboden middelen en dat op zitting verbeurdverklaring van de telefoon en de auto gevraagd zal worden. De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de stukken blijkt dat na de aanhouding van de klager diverse harddrugs zijn aangetroffen naast de politiebus op de plaats van aanhouding. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het geen reden ziet om te twijfelen aan de mededeling van de officier van justitie in raadkamer dat de klager vervolgd zal worden voor de handel in verdovende middelen, en dat zij daarom van oordeel is dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, later de telefoon en de personenauto verbeurd zal verklaren of onttrekken aan het verkeer.
3.5
Met de steller van het middel meen ik dat de rechtbank ontoereikend heeft gemotiveerd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de personenauto verbeurd zal verklaren of onttrekken aan het verkeer. Uit de enkele vaststelling van de rechtbank dat na de aanhouding van de klager diverse harddrugs zijn aangetroffen naast de politiebus op de plaats van aanhouding blijkt immers nog niet dat de personenauto betrokken is bij de handel in verdovende middelen.8.Dat kan evenmin worden afgeleid uit de mededelingen van de officier van justitie in raadkamer, inhoudende dat naar aanleiding van een MMA-melding over een dealer en de klager er zakjes drugs zijn aangetroffen, waaronder in “de” woning en dat er getuigenverklaringen zijn over het kopen van drugs, dat de klager zal worden vervolgd voor handel in verboden middelen en dat op zitting verbeurdverklaring van de telefoon en de auto gevraagd zal worden. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat door of namens de klager tijdens de behandeling van de raadkamer niets is aangevoerd over de (on)mogelijkheid van verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer van de telefoon en personenauto, zeker niet nu uit het proces-verbaal van die behandeling blijkt dat de klager daartoe nauwelijks relevante stukken tot zijn beschikking had.
3.6
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
3.7
Het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de telefoon verbeurd zal verklaren acht ik gelet op de verdenking van de handel in harddrugs, anders dan de steller van het middel, niet ontoereikend gemotiveerd.
3.8
Ten overvloede merk ik ten aanzien van het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de personenauto en telefoon zal onttrekken aan het verkeer, op dat dit oordeel eveneens ontoereikend is gemotiveerd, nu zonder nadere motivering niet goed valt in te zien waarom het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen in strijd zou zijn met de wet of het algemeen belang, zoals art. 36c Sr vereist. Over dat motiveringsgebrek wordt in cassatie echter niet geklaagd.
4. Slotsom
4.1
Het middel is terecht voorgesteld.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt dat de strafzaak tegen de klager op 15 december 2024 op zitting staat bij de politierechter en dat de strafrechter derhalve nog geen onherroepelijke beslissing heeft gegeven met betrekking tot de in beslag genomen personenauto en telefoon van de klager.
4.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.9 en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.1.
Art. 24 lid 1 Sv. Zie ook HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1687, rov. 2.5.
Vgl. HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2300, NJ 2010/548, rov. 2.4 en HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9384, rov. 2.4 en 2.5.
Vgl. o.m. HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9151, rov. 2.6, HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6737, rov. 2.5, HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4.2 en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3. Vgl. ook HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6668, rov. 3.6, HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:166, rov. 3.6.2 en HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:387, rov 2.5.
HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:73, rov. 2.5.2; HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1971, rov. 3.6.
HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:245, rov. 2.4.
In HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149 m.nt. P.A.M. Mevis, waarin de rechtbank meer omstandigheden die een verdenking van drugshandel rechtvaardigen had vastgesteld dan in de onderhavige zaak, achtte de Hoge Raad die motivering waar het ging om de verbeurdverklaring van een auto en de verdenking van drugshandel wel toereikend.