Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.5.2
4.3.5.2 De uiterste gelegenheid om stellingen aan te voeren
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS381056:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 mei 2003, JOL 2003, 259
Deze regel strookt met art. 15 Gedragsregels voor advocaten 1992, waarin is bepaald dat het de advocaat niet is geoorloofd om zich zonder toestemming van de wederpartij tot de rechter te wenden, nadat om een uitspraak is gevraagd. Zie voor een voorbeeld van een zaak in hoger beroep waarin een partij met instemming van haar wederpartij nog een stuk aan de rechter overlegt, nadat partijen al hun stukken voor arrest hadden gefourneerd, maar nog voordat het hof arrest wees: HR 20 februari 1998 (Rainbow/De Ontvanger), NJ 1998, 474. De Hoge Raad oordeelde dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, het overgelegde stuk tot de stukken van het geding in hoger beroep moest worden gerekend, en daarmee tevens tot de stukken waarop in cassatie acht kon worden geslagen.
HR 6 december 1974, NJ 1975, 435 (WLH).
Doet de rechter dat wel, dan handelt hij daarmee naar het oordeel van de Hoge Raad in strijd met de eisen van een goede procesorde, zo blijkt onder meer uit HR 9 juni 1972 (Kraaijeveld/Neesman), NJ 1972, 379 (DJV). Zie ook, meer toegespitst op de situatie in hoger beroep, HR 6 oktober 2000 (KGS Diamonds/Hoebbel), NJ 2001, 186. Deze jurisprudentie zal hieronder in par. 53.6.4 nader worden besproken.
156. Vooropgesteld zij dat partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in beginsel met succes nieuwe stellingen kunnen aanvoeren tot aan het moment waarop de rechter de dag heeft bepaald waarop hij uitspraak zal doen. Stellingen die partijen daarna nog in het geding beogen te betrekken door een conclusie of een akte te nemen, zal de rechter doorgaans buiten beschouwing laten. Uit het arrest van de Hoge Raad in de zaak Transautex/De Staats1blijkt immers dat de goede procesorde zich in het algemeen tegen toelating van dergelijke conclusies en akten verzet:
'In het algemeen is het in strijd met een goede procesorde dat partijen zich nog door middel van conclusies of akten in de procedure uitlaten, als een zaak eenmaal in staat van wijzen is. Onder het hier toepasselijke, vóór 1 januari 2002 geldende recht was dat het geval nadat de stukken waren overgelegd voor het wijzen van vonnis of arrest. Naar huidig recht is dat vanaf het moment dat vonnis of arrest is bepaald.'
Hoewel dit oordeel betrekking heeft op het buiten beschouwing laten van een akte in hoger beroep in kort geding, is er geen reden om aan te nemen dat de reikwijdte van dit oordeel zich tot die specifieke situatie beperkt. In dit verband zij erop gewezen dat art. 2.14 LRR bepaalt dat de rechter geen kennis neemt van berichten van een partij die de rechter bereiken nadat vonnis is bepaald, tenzij blijkt dat de wederpartij ermee heeft ingestemd dat het bericht ter kennis van de rechter wordt gebracht.2
157. Ook stellingen die voor het eerst in het laatste toegelaten processtuk worden aangevoerd, mag de rechter in de beoordeling van het geschil betrekken.3 De enkele omstandigheid dat een dergelijke stelling door de wederpartij onweersproken is gelaten - ook al had zij deze kunnen betwisten door daartoe een akte ter rolle te nemen of pleidooi te vragen - kan echter geen grond opleveren om die stelling voor waar, juist of aannemelijk te houden.4 Wil de rechter een in het laatste processtuk geponeerde stelling aan zijn beslissing ten grondslag leggen, dan zal hij een onderzoek naar de juistheid van die stelling moeten instellen. Hij zal de wederpartij moeten verzoeken zich over die stelling uit te laten, uit hoofde van art. 22 Rv aanvullende inlichtingen of stukken kunnen verlangen van de partij die de nieuwe stelling poneerde, of hij moet bewijslevering gelasten. Bij dit alles dient de wederpartij vanzelfsprekend in de gelegenheid te worden gesteld om kennis te nemen van en zich uit te laten over alle ten gevolge daarvan in het geding gebrachte bescheiden en andere gegevens, alsook om, zo zij dat wenst, tegenbewijs te leveren.