Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 24-10-2024, nr. C-227/23
ECLI:EU:C:2024:914
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
24-10-2024
- Magistraten
T. von Danwitz, A. Arabadjiev, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-227/23
- Conclusie
M. Szpunar
- Roepnaam
Kwantum Nederland en Kwantum België
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:914, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 24‑10‑2024
ECLI:EU:C:2024:698, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑09‑2024
Uitspraak 24‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Intellectuele en industriële eigendom — Auteursrecht — Richtlijn 2001/29/EG — Artikelen 2 tot en met 4 — Uitsluitende rechten — Auteursrechtelijke bescherming van voorwerpen van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong geen lidstaat is — Berner Conventie — Artikel 2, lid 7 — Materiële-reciprociteitstoets — Bevoegdheidsverdeling tussen de Europese Unie en haar lidstaten — Toepassing door de lidstaten van de materiële-reciprociteitstoets — Artikel 351, eerste alinea, VWEU
T. von Danwitz, A. Arabadjiev, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-227/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 31 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 11 april 2023, in de procedure
Kwantum Nederland BV,
Kwantum België BV
tegen
Vitra Collections AG,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend president van de Eerste kamer, A. Arabadjiev en I. Ziemele (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 maart 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Kwantum Nederland BV en Kwantum België BV, vertegenwoordigd door C. Garnitsch, R. Rijks en M. van Gerwen, advocaten,
- —
Vitra Collections AG, vertegenwoordigd door S. A. Klos en A. Ringnalda, advocaten, en M. A. Ritscher, Rechtsanwalt,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door E. M. M. Besselink en M. K. Bulterman als gemachtigden,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin en A. Van Baelen als gemachtigden, bijgestaan door A. Strowel, advocaat,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard en E. Timmermans als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Afonso, O. Glinicka, P.-J. Loewenthal en J. Samnadda als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10), van artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), gelezen in het licht van artikel 2, lid 7, van de te Bern op 9 september 1886 ondertekende Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs van 24 juli 1971), in de versie die voortvloeit uit de wijziging van 28 september 1979 (hierna: ‘Berner Conventie’), en van artikel 351, eerste alinea, VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding dat speelt tussen enerzijds Vitra Collections AG (hierna: ‘Vitra’), een vennootschap naar Zwitsers recht, en anderzijds Kwantum Nederland BV en Kwantum België BV (hierna gezamenlijk: ‘Kwantum’), in Nederland en België actieve exploitanten van een winkelketen in woonartikelen, waaronder meubilair, en dat voortvloeit uit het feit dat laatstgenoemden een stoel op de markt hebben gebracht die volgens Vitra inbreuk maakt op auteursrechten waarvan zij houder is.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
Berner Conventie
3
Artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie bepaalt:
‘Het is onverminderd de bepalingen van artikel 7, vierde lid, van de Conventie aan de wetgeving van de landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie voorbehouden om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. Voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, kan in een ander land van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie slechts de bijzondere bescherming worden ingeroepen welke in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend; indien echter in dat land geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend, worden deze werken beschermd als werken van kunst.’
4
Artikel 5, lid 1, van deze Conventie luidt:
‘De auteurs genieten voor de werken waarvoor zij krachtens deze Conventie zijn beschermd, in de landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen, alsmede de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend.’
5
Artikel 7, lid 8, van die Conventie is als volgt verwoord:
‘In alle gevallen wordt de duur geregeld door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen; tenzij de wetgeving van dat land anders beschikt overschrijdt hij evenwel niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur.’
6
Artikel 14 ter, lid 2, van die Conventie bepaalt:
‘De in het voorgaande lid voorziene bescherming kan in ieder land van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie slechts worden ingeroepen, indien de nationale wetgeving van de auteur deze bescherming erkent, en in de mate waarin de wetgeving van het land waar deze bescherming wordt ingeroepen, het toelaat.’
7
Artikel 19 van de Berner Conventie bepaalt:
‘De bepalingen van deze Conventie beletten niet dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming die door de wetgeving van een der landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie mocht zijn voorgeschreven.’
TRIPs-overeenkomst
8
De Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna: ‘TRIPs-overeenkomst’) is opgenomen als bijlage 1 C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die is ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994 en is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986–1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1). Artikel 3 van de TRIPs-overeenkomst draagt het opschrift ‘Nationale behandeling’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Elk lid kent aan onderdanen van andere leden een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke het toekent aan zijn eigen onderdanen met betrekking tot de bescherming van de intellectuele eigendom, onder voorbehoud van de uitzonderingen die reeds bepaald zijn in onderscheidenlijk het Verdrag van Parijs (1967), de Berner Conventie (1971), het Verdrag van Rome en het Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen. Wat betreft uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties geldt deze verplichting slechts met betrekking tot de in deze Overeenkomst bepaalde rechten. Een lid dat gebruikmaakt van de mogelijkheden bepaald in artikel 6 van de Berner Conventie (1971) of artikel 16, eerste lid, onder b), van het Verdrag van Rome dient een kennisgeving als voorzien in die bepalingen te richten aan de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom.
- 2.
Leden kunnen slechts gebruikmaken van de ingevolge het eerste lid toegestane uitzonderingen in verband met rechterlijke en administratieve procedures, met inbegrip van de keuze van domicilie of de aanwijzing van een vertegenwoordiger binnen het rechtsgebied van een lid, wanneer zulke uitzonderingen noodzakelijk zijn om de naleving te verzekeren van wetten en voorschriften die niet strijdig zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst en wanneer deze gedragingen niet plaatsvinden op een wijze die een verhulde beperking van het handelsverkeer vormt.’
9
Artikel 9 van de TRIPs-Overeenkomst heeft als opschrift ‘Verhouding tot de Berner Conventie’ en bepaalt in lid 1:
‘De leden leven de artikelen 1 tot en met 21 van en het aanhangsel bij de Berner Conventie (1971) na. De leden hebben evenwel geen rechten of verplichtingen krachtens deze Overeenkomst ten aanzien van de rechten verleend krachtens artikel 6 bis van de Conventie of van de daaraan ontleende rechten.’
WCT
10
Het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) inzake het auteursrecht (hierna: ‘WCT’), dat is aangenomen te Genève op 20 december 1996, is namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2000/278/EG van de Raad van 16 maart 2000 (PB 2000, L 89, blz. 6).
11
Artikel 1 van het WCT, met als opschrift ‘Verhouding tot de Berner Conventie’, bepaalt in lid 4 het volgende:
‘De verdragsluitende partijen dienen te voldoen aan de artikelen 1 tot en met 21 en het aanhangsel van de Berner Conventie.’
Unierecht
Richtlijn 2001/29
12
De overwegingen 6, 9 en 15 van richtlijn 2001/29 luiden als volgt:
- ‘(6)
Zonder harmonisatie op het niveau van de Gemeenschap zouden de wetgevende werkzaamheden op nationaal niveau waarmee reeds in een aantal lidstaten als reactie op de technologische uitdagingen een aanvang is gemaakt, kunnen leiden tot aanzienlijke verschillen in bescherming en daarmee tot beperkingen van het vrije verkeer van diensten en producten waarin intellectuele eigendom is belichaamd of die op intellectuele eigendom zijn gebaseerd, met een nieuwe verbrokkeling van de interne markt en een gebrek aan samenhang van de wetgeving van dien. […]
[…]
- (9)
Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend.
[…]
- (15)
De diplomatieke conferentie die in december 1996 is gehouden onder de auspiciën van de [WIPO], heeft geleid tot de aanneming van twee nieuwe verdragen, het [WCT] en het [te Genève op 20 december 1996 aangenomen en namens de Europese Gemeenschap bij besluit 2000/278 goedgekeurde] Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen, die respectievelijk betrekking hebben op de bescherming van auteurs en de bescherming van uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen. […] Met deze richtlijn wordt onder meer ook beoogd een aantal van de nieuwe internationale verplichtingen na te komen.’
13
Artikel 1 van richtlijn 2001/29 heeft als opschrift ‘Werkingssfeer’ en bepaalt in lid 1:
‘Deze richtlijn heeft betrekking op de rechtsbescherming van het auteursrecht en de naburige rechten in het kader van de interne markt, met bijzondere klemtoon op de informatiemaatschappij.’
14
In artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Reproductierecht’, staat te lezen:
‘De lidstaten voorzien ten behoeve van:
- a)
auteurs, met betrekking tot hun werken,
[…]
in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.’
15
Artikel 3 van die richtlijn draagt het opschrift ‘Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek’ en bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.’
16
Artikel 4 van die richtlijn, met als opschrift ‘Distributierecht’, bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden.’
17
Artikel 5 van richtlijn 2001/29 somt de gevallen op waarin de lidstaten beperkingen en restricties kunnen stellen op de in de artikelen 2 tot en met 4 van die richtlijn genoemde uitsluitende rechten.
18
Artikel 10 van die richtlijn, met als opschrift ‘Toepassing in de tijd’, bepaalt in lid 1:
‘De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle in deze richtlijn bedoelde werken en ander materiaal, welke op 22 december 2002 door de wetgeving van de lidstaten inzake het auteursrecht en de naburige rechten worden beschermd of aan de criteria voor bescherming krachtens deze richtlijn of de in artikel 1, lid 2, bedoelde bepalingen voldoen.’
Richtlijn 2001/84
19
Artikel 7 van richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (PB 2001, L 272, blz. 32) heeft als opschrift ‘Rechthebbenden uit derde landen’ en bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten bepalen dat auteurs die onderdaan zijn van een derde land en — behoudens artikel 8, lid 2 — hun rechtsopvolgers, alleen dan op het volgrecht overeenkomstig deze richtlijn en de wetgeving van de betrokken lidstaat aanspraak kunnen maken, wanneer de wetgeving van het land waarvan de auteur of zijn rechtsopvolger onderdaan is, de bescherming van het volgrecht erkent ten behoeve van auteurs uit de lidstaten en hun rechtsopvolgers.’
Richtlijn 2006/116
20
Artikel 7 van richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB 2006, L 372, blz. 12) draagt het opschrift ‘Bescherming ten opzichte van derde landen’ en bepaalt in lid 1:
‘Voor werken waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en de auteur van het werk geen onderdaan van een lidstaat van de Gemeenschap is, vervalt de door de lidstaten verleende bescherming op de dag waarop de bescherming in het land van oorsprong van het werk vervalt, zonder dat de in artikel 1 gestelde termijn mag worden overschreden.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
21
Vitra vervaardigt designmeubelen, waaronder ook stoelen die ontworpen zijn door het inmiddels overleden echtpaar Charles en Ray Eames, die onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika waren. Deze onderneming heeft intellectuele-eigendomsrechten op die stoelen.
22
Een van de door Vitra vervaardigde stoelen is de Dining Sidechair Wood (hierna: ‘DSW’), die dat echtpaar heeft ontworpen voor een door het Museum of Modern Art in New York (Verenigde Staten) in 1948 uitgeschreven meubelontwerpwedstrijd en die sinds 1950 in dit museum wordt tentoongesteld.
23
Kwantum exploiteert in Nederland en België een winkelketen in woonartikelen, waaronder met name binnenmeubilair.
24
In 2014 heeft Vitra geconstateerd dat Kwantum onder de naam ‘Paris-stoel’ een stoel verhandelde die volgens haar inbreuk maakte op haar auteursrechten op de DSW.
25
De rechtbank Den Haag (Nederland), die door Vitra was aangezocht, heeft geoordeeld dat Kwantum in Nederland en België geen inbreuk maakte op de auteursrechten van Vitra en niet onrechtmatig handelde door de Paris-stoel op de markt te brengen. Zij heeft de vorderingen van Vitra daarom afgewezen en de vorderingen van Kwantum grotendeels toegewezen.
26
Deze uitspraak is vernietigd door het gerechtshof Den Haag (Nederland), dat heeft geoordeeld dat Kwantum, door de Paris-stoel op de markt te brengen, in Nederland en België inbreuk maakte op de auteursrechten van Vitra op de DSW.
27
In cassatie is de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter, van oordeel dat het geding ziet op de toepasselijkheid en de reikwijdte van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie, dat voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd met name bepaalt dat in een ander land van de bij deze Conventie opgerichte Unie slechts de bijzondere bescherming kan worden ingeroepen die in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend en aldus een materiële-reciprociteitstoets hanteert.
28
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat de Europese Unie weliswaar geen partij is bij de Berner Conventie, maar dat zij zich in internationale verdragen ertoe heeft verbonden zich te voegen naar de artikelen 1 tot en met 21 van die Conventie. Bovendien ontbreekt er voor de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie regulering op Unieniveau, aldus die rechter, zodat aan de orde is of de lidstaten zelf mogen bepalen of zij die toets al dan niet buiten toepassing laten ten aanzien van een werk waarvan het land van oorsprong een derde land is en waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is.
29
Ten tweede wijst de verwijzende rechter erop dat het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst een integrerend bestanddeel vormt van het door artikel 17, lid 2, van het Handvest verankerde recht op de bescherming van intellectuele eigendom. Volgens hem roept het arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers (C-265/19, EU:C:2020:677), waarin het Hof een bepaling heeft uitgelegd van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen, waarbij de Unie partij is, de vraag op of het Unierecht, in het bijzonder artikel 52, lid 1, van het Handvest, ook voor de beperking van de uitoefening van het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst door de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie, vereist dat deze beperking bij wet — te weten in een duidelijke en nauwkeurige regel — wordt gesteld. In dat verband kan uit dat arrest worden afgeleid, aldus de verwijzende rechter, dat het uitsluitend aan de Uniewetgever is — en niet aan de nationale wetgevers — om te bepalen of het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst in de Unie door toepassing van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie kan worden beperkt ten aanzien van een werk van toegepaste kunst dat afkomstig is uit een derde land en waarvan de auteur geen onderdaan van een lidstaat van de Unie is en, zo ja, om deze beperking op duidelijke en nauwkeurige wijze vast te leggen. Aangegeven wordt dat de Uniewetgever, bij de huidige stand van het Unierecht, niet heeft voorzien in een dergelijke beperking.
30
Ten derde merkt de verwijzende rechter op dat Kwantum voor hem naar voren heeft gebracht dat de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie onder de reikwijdte van artikel 351, eerste alinea, VWEU valt. Volgens die rechter moet worden vastgesteld in hoeverre die bepaling gevolgen kan hebben voor de toepassing van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van die Conventie waar het gaat om de vorderingen die betrekking hebben op het Koninkrijk België.
31
In die omstandigheden heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Valt de situatie die in dit geding aan de orde is, binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht?
Voor zover de hiervoor vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord, worden bovendien de hiernavolgende vragen voorgelegd.
- 2)
Brengt de omstandigheid dat het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst een integrerend bestanddeel vormt van het door art. 17, lid 2, Handvest verankerde recht op bescherming van intellectuele eigendom, mee dat het [Unierecht], in het bijzonder art. 52, lid 1, Handvest, voor de beperking van de uitoefening van het auteursrecht (in de zin van richtlijn [2001/29)] op een werk van toegepaste kunst door toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie], vereist dat deze beperking bij wet wordt gesteld?
- 3)
Moeten de art. 2, 3 en 4 van richtlijn [2001/29] en de art. 17, lid 2, en 52, lid 1, Handvest, gelezen tegen de achtergrond van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie], aldus worden uitgelegd dat het uitsluitend aan de [Uniewetgever] (en niet aan nationale wetgevers) is om te bepalen of de uitoefening van het auteursrecht (in de zin van richtlijn [2001/29]) in de [Unie] door toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie] kan worden beperkt ten aanzien van een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en waarvan de auteur geen onderdaan van een [lidstaat] is en, zo ja, om deze beperking op duidelijke en nauwkeurige wijze vast te leggen […]?
- 4)
Moeten de art. 2, 3 en 4 van richtlijn [2001/29], gelezen in samenhang met de art. 17, lid 2, en 52, lid 1, Handvest, aldus worden uitgelegd dat zolang de [Uniewetgever] niet heeft voorzien in een beperking van de uitoefening van het auteursrecht (in de zin van richtlijn [2001/29]) op een werk van toegepaste kunst door toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie], de [lidstaten] deze toets niet mogen toepassen ten aanzien van een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en waarvan de auteur geen onderdaan van een [lidstaat] is?
- 5)
Is in de omstandigheden als in dit geding aan de orde en gezien het totstandkomingstijdstip van (de voorloper van) art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie], voor België voldaan aan de voorwaarden van art. 351, [eerste alinea], VWEU, zodat het België om die reden vrijstaat om de materiële-reciprociteitstoets van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie] toe te passen, rekening houdend met het feit dat in deze zaak het land van oorsprong op 1 mei 1989 tot de [Berner Conventie] is toegetreden?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
32
In de eerste plaats voert Kwantum aan dat de verwijzende rechter niet heeft uiteengezet waarom ‘de situatie die in dit geding aan de orde is’ — een uitdrukking die hij in zijn eerste vraag gebruikt zonder deze te omschrijven — binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt en dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet noodzakelijk is om die rechter in staat te stellen in het hoofdgeding uitspraak te doen, zodat de door hem gestelde vragen hypothetisch zijn.
33
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de in artikel 267 VWEU geregelde procedure een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de elementen betreffende de uitlegging van het Unierecht verschaft die zij nodig hebben voor de beslechting van het bij hen aanhangige geding (arrest van 27 april 2023, Castorama Polska en Knor, C-628/21, EU:C:2023:342, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het in het kader van die procedure uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Op vragen die het Unierecht betreffen, rust bijgevolg een vermoeden van relevantie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter dan ook enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 27 april 2023, Castorama Polska en Knor, C-628/21, EU:C:2023:342, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Het is tevens vaste rechtspraak dat de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving dient te geven van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten waarop die vragen zijn gebaseerd moet uiteenzetten. Voorts moet de verwijzingsbeslissing de precieze redenen vermelden waarom de nationale rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen (arrest van 27 april 2023, Castorama Polska en Knor, C-628/21, EU:C:2023:342, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
In casu blijkt uit de overwegingen in de punten 28 tot en met 30 van het onderhavige arrest dat de verwijzende rechter de juridische en feitelijke context van het hoofdgeding duidelijk heeft uiteengezet. Zo is de eerste prejudiciële vraag er specifiek op gericht om te vernemen of dat geding binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt. Bovendien blijkt uit die punten ook dat die rechter rechtens genoegzaam heeft aangegeven waarom hij vragen heeft bij de uitlegging van een aantal bepalingen die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen, zodat niet kan worden aangenomen dat de gevraagde uitlegging geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding of dat het opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is. Het in punt 34 van het onderhavige arrest genoemde vermoeden van relevantie kan derhalve niet ter discussie worden gesteld.
37
In de tweede plaats voeren Kwantum en de Nederlandse regering in hun schriftelijke opmerkingen aan dat de kwesties die de verwijzende rechter in het hoofdgeding moet beslechten, uitsluitend betrekking hebben op artikel 2, lid 7, en artikel 5, lid 1, van de Berner Conventie, zodat het Hof geen enkele bepaling van Unierecht hoeft uit te leggen.
38
Dat argument, dat in wezen betrekking heeft op de vraag of het stellen van de prejudiciële vragen noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding, kan niet slagen. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, wenst de verwijzende rechter immers van het Hof te vernemen of het Unierecht — in het bijzonder richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met de relevante bepalingen van het Handvest, en artikel 351 VWEU — zich ertegen verzet dat de nationale rechter artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie toepast in het hoofdgeding.
39
Deze kwestie ziet op de inhoud van de gestelde vragen.
40
Bovendien is de Unie, zoals de verwijzende rechter terecht heeft opgemerkt, weliswaar geen partij bij de Berner Conventie, maar moet zij zich toch aan de artikelen 1 tot en met 21 van die Conventie houden krachtens, ten eerste, artikel 1, lid 4, van het WCT, waarbij zij wel partij is (arresten van 13 november 2018, Levola Hengelo, C-310/17, EU:C:2018:899, punt 38, en 12 september 2019, Cofemel, C-683/17, EU:C:2019:721, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en ten tweede, artikel 9 van de TRIP's-overeenkomst, met als gevolg dat die Conventie indirecte gevolgen heeft binnen de Unie (zie in die zin arresten van 15 maart 2012, SCF, C-135/10, EU:C:2012:140, punt 50, en 18 november 2020, Atresmedia Corporación de Medios de Comunicación, C-147/19, EU:C:2020:935, punt 36) en dat het Hof zich genoodzaakt kan zien de bepalingen ervan uit te leggen (zie in die zin arresten van 16 juli 2009, Infopaq International, C-5/08, EU:C:2009:465, punt 34; 16 maart 2017, AKM, C-138/16, EU:C:2017:218, punten 21 en 44, en 12 september 2019, Cofemel, C-683/17, EU:C:2019:721, punt 42).
41
De prejudiciële vragen zijn derhalve ontvankelijk.
Ten gronde
Eerste vraag
42
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt.
43
In casu staat vast dat het hoofdgeding ziet op een door Vitra bij de Nederlandse rechterlijke instanties ingestelde vordering waarmee die onderneming in Nederland en België auteursrechtelijke bescherming claimt voor de door onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika ontworpen en uit dat derde land afkomstige DSW, waarvan Kwantum — beweerdelijk — nagebootste exemplaren op de markt heeft gebracht.
44
In dit verband zij eraan herinnerd dat richtlijn 2001/29, zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, van die richtlijn, betrekking heeft op de rechtsbescherming van het auteursrecht en de naburige rechten in het kader van de interne markt.
45
Zoals de advocaat-generaal in de punten 31 en 33 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, wordt de werkingssfeer van richtlijn 2001/29 niet bepaald aan de hand van het criterium van het land van oorsprong van het werk of de nationaliteit van de auteur, maar onder verwijzing naar de interne markt, die overeenkomt met de in artikel 52 VEU neergelegde territoriale werkingssfeer van de Verdragen. Onder voorbehoud van artikel 355 VWEU bestaat die werkingssfeer uit het grondgebied van de lidstaten (zie in die zin arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C-265/19, EU:C:2020:677, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Voorts zijn overeenkomstig artikel 10, lid 1, van richtlijn 2001/29 de bepalingen van die richtlijn, die bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij harmoniseert, van toepassing op alle in die richtlijn bedoelde werken en ander materiaal, welke op de voor de omzetting vastgestelde datum aan de criteria voor bescherming krachtens die richtlijn voldoen. Bijgevolg kan richtlijn 2001/29 van toepassing zijn op het hoofdgeding.
47
In het bijzonder heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 een ondubbelzinnige definitie bevatten van het uitsluitende reproductierecht en het uitsluitende recht van mededeling aan het publiek waarover de houders van het auteursrecht in de Unie beschikken, en dat deze bepalingen een geharmoniseerd rechtskader bieden ter waarborging van een hoog en homogeen niveau van bescherming van het reproductierecht en het recht van mededeling aan het publiek, en maatregelen zijn die een volledige harmonisatie van de materiële inhoud van de aldaar bedoelde rechten bewerkstelligen (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C-469/17, EU:C:2019:623, punten 35–38). Wat voorts artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 betreft, blijkt uit de bewoordingen ervan dat die bepaling het daarin bedoelde uitsluitende recht van distributie onder het publiek ook op ondubbelzinnige wijze omschrijft, waarbij die maatregel net als de bovengenoemde bepalingen een volledige harmonisatie van de materiële inhoud van het daarin bedoelde recht bewerkstelligt.
48
Hieraan moet wat de vraag betreft of die bepalingen van toepassing zijn op een voorwerp van toegepaste kunst zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde DSW, worden toegevoegd dat het Hof heeft geoordeeld dat een dergelijk voorwerp als ‘werk’ in de zin van richtlijn 2001/29 kan worden aangemerkt indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste dient het betrokken voorwerp oorspronkelijk te zijn, in die zin dat het een eigen intellectuele schepping van de maker ervan is. Ten tweede kunnen alleen de bestanddelen die de uitdrukking van een dergelijke intellectuele schepping zijn, als een ‘werk’ in de zin van richtlijn 2001/29 worden aangemerkt (arrest van 13 november 2018, Levola Hengelo, C-310/17, EU:C:2018:899, punten 35–37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Wanneer een voorwerp van toegepaste kunst de in het vorige punt van het onderhavige arrest beschreven kenmerken heeft en derhalve een werk is, moet het in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming genieten overeenkomstig die richtlijn (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Cofemel, C-683/17, EU:C:2019:721, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Derhalve moet worden geoordeeld dat de bepalingen van richtlijn 2001/29 van toepassing zijn op voorwaarde dat aan de materiële voorwaarden van die richtlijn is voldaan en in het bijzonder dat een voorwerp van toegepaste kunst als dat in het hoofdgeding kan worden aangemerkt als een ‘werk’ in de zin van die richtlijn.
51
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat een situatie waarin een onderneming auteursrechtelijke bescherming claimt voor een in een lidstaat op de markt gebracht voorwerp van toegepaste kunst, binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt, mits dat voorwerp kan worden aangemerkt als een ‘werk’ in de zin van richtlijn 2001/29.
Tweede tot en met vierde vraag
52
Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven [arrest van 30 april 2024, M.N. (EncroChat), C-670/22, EU:C:2024:372, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53
Zoals de advocaat-generaal in punt 22 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, blijkt uit de aan het Hof ter beschikking staande stukken dat de litigieuze gedraging in het hoofdgeding bestaat in het op de markt brengen door Kwantum van voorwerpen, namelijk exemplaren van een stoel, met inbreukmaking op het gestelde auteursrecht van Vitra. Relevant zijn dan ook artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29, waarin aan de auteur van een werk respectievelijk het uitsluitende reproductierecht en het uitsluitende distributierecht voor dit werk worden toegekend. Daarentegen blijkt niet uit die stukken dat die gedraging een mededeling aan het publiek van een werk in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn kan vormen.
54
In die omstandigheden moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn tweede tot en met vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de lidstaten de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets toepassen op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is en waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is.
55
Voor de beantwoording van die vragen moet eerst worden nagegaan of de bovengenoemde bepalingen van toepassing zijn op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is of waarvan de auteur onderdaan van een derde land is, en vervolgens of die bepalingen in de weg staan aan de toepassing in het nationale recht van de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets.
56
Om te beginnen zij in herinnering gebracht dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie op autonome en eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de context van die bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C-265/19, EU:C:2020:677, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 betreft, moet worden opgemerkt dat de lidstaten volgens die bepalingen ten behoeve van auteurs voorzien in het uitsluitende recht om de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van hun werken, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden en het uitsluitende recht om elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden.
58
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat in die bepalingen niet uitdrukkelijk wordt aangegeven of het daarin bedoelde begrip ‘werk’ ook betrekking heeft op een werk van toegepaste kunst dat afkomstig is uit een derde land, noch of het begrip ‘auteur’ in de zin van die bepalingen zich uitstrekt tot de auteur van een dergelijk werk die onderdaan is van een derde land.
59
Zoals in de punten 48 en 49 van het onderhavige arrest is opgemerkt, heeft het Hof evenwel reeds geoordeeld dat wanneer een voorwerp kan worden aangemerkt als een ‘werk’ in de zin van richtlijn 2001/29, het in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming moet genieten overeenkomstig die richtlijn, waaraan moet worden toegevoegd dat de richtlijn geen voorwaarden stelt wat het land van oorsprong van het betrokken werk of de nationaliteit van de auteur betreft.
60
Wat in de tweede plaats de context van die bepalingen betreft, moet ten eerste, gelet op hetgeen blijkt uit de punten 44 en 45 van het onderhavige arrest, worden vastgesteld dat de Uniewetgever bij de bepaling van de werkingssfeer van richtlijn 2001/29 aan de hand van een territoriaal criterium noodzakelijkerwijs is uitgegaan van alle werken waarvan op het grondgebied van de Unie om bescherming wordt verzocht, ongeacht het land van oorsprong van deze werken of de nationaliteit van hun auteur.
61
Ten tweede moet worden opgemerkt dat bepaalde instrumenten van de geharmoniseerde wetgeving inzake het auteursrecht voorzien in een specifieke regeling voor werken waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en waarvan de auteur geen onderdaan van een lidstaat is. Zo bepaalt richtlijn 2006/116, in het bijzonder artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, dat de auteursrechtelijke bescherming die door de lidstaten aan dergelijke werken wordt verleend, vervalt op de dag waarop de bescherming in het land van oorsprong van het werk vervalt, zonder dat de in die richtlijn vastgestelde termijn mag worden overschreden. Zoals Vitra betoogt, zou een dergelijke regeling, die specifiek betrekking heeft op de bescherming van de rechten van auteurs van wie en van werken waarvan het land van oorsprong een derde land is, geen nut hebben indien de bescherming van de betrokken werken niet werd gewaarborgd door richtlijn 2001/29.
62
In de derde plaats is de in punt 60 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging in overeenstemming met de doelstellingen van richtlijn 2001/29.
63
Ten eerste heeft deze richtlijn, zoals in overweging 6 staat te lezen, met name tot doel te voorkomen dat er aanzienlijke verschillen in bescherming ontstaan en daarmee ook beperkingen van het vrije verkeer van diensten en producten waarin intellectuele eigendom is belichaamd of die op intellectuele eigendom zijn gebaseerd, hetgeen zou leiden tot een nieuwe verbrokkeling van de interne markt en een gebrek aan samenhang van de wetgeving van dien, waarbij volgens overweging 9 van die richtlijn bij een harmonisatie van het auteursrecht steeds van een hoog beschermingsniveau moet worden uitgegaan. Aan dat doel zou afbreuk worden gedaan indien richtlijn 2001/29 in de Unie enkel de auteursrechtelijke bescherming zou regelen van werken die afkomstig zijn uit een lidstaat of waarvan de auteur onderdaan is van een lidstaat.
64
Ten tweede wordt met richtlijn 2001/29 volgens overweging 15 ook beoogd om uitvoering te geven aan bepaalde internationale verplichtingen die voortvloeien uit het WCT. In dit verband moet de Unie zich overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de TRIPs-overeenkomst en artikel 1, lid 4, van het WCT houden aan de artikelen 1 tot en met 21 van de Berner Conventie, zoals is aangegeven in punt 40 van het onderhavige arrest, en voorts ook aan het aanhangsel bij die Conventie. Uit artikel 5, lid 1, van de Berner conventie blijkt dat de auteurs voor de werken waarvoor zij krachtens deze Conventie zijn beschermd, in de landen van de bij de Conventie opgerichte Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten genieten welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen.
65
Zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou het dus in strijd zijn met de internationale verplichtingen van de Unie waaraan richtlijn 2001/29 uitvoering geeft op het gebied van intellectuele eigendom, dat deze richtlijn het auteursrecht harmoniseert voor werken waarvan het land van oorsprong een lidstaat is of waarvan de auteur onderdaan is van een lidstaat, terwijl het aan het nationale recht van de lidstaten wordt overgelaten om te bepalen welke juridische regeling van toepassing is op werken waarvan het land van oorsprong een derde land is of waarvan de auteur onderdaan is van een derde land.
66
67
Wat de vraag betreft of deze bepalingen eraan in de weg staan dat de lidstaten in het nationale recht de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets toepassen op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is of waarvan de auteur onderdaan is van een derde land, is in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebracht dat de lidstaten volgens artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 ten behoeve van auteurs voorzien in de uitsluitende rechten om de reproductie van hun werken en de distributie daarvan onder het publiek toe te staan of te verbieden. Bovendien zijn die bepalingen, zoals blijkt uit het vorige punt van het onderhavige arrest, ook van toepassing op werken van toegepaste kunst die afkomstig zijn uit derde landen of waarvan de auteurs onderdaan zijn van dergelijke landen.
68
Het toepassen door een lidstaat van die materiële-reciprociteitstoets zou niet alleen in strijd zijn met de bewoordingen van die bepalingen, zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft benadrukt, maar zou ook de doelstelling van die richtlijn, namelijk de harmonisatie van het auteursrecht in de interne markt, ondermijnen. Wordt die toets toegepast, dan zouden werken van toegepaste kunst uit derde landen immers in verschillende lidstaten mogelijkerwijs verschillend worden behandeld op grond van verdragsrechtelijke bepalingen die bilateraal van toepassing zijn tussen een lidstaat en een derde land.
69
Voorts is het in elk geval zo dat, aangezien de in punt 66 van het onderhavige arrest bedoelde intellectuele-eigendomsrechten worden beschermd op grond van artikel 17, lid 2, van het Handvest, beperkingen op de uitoefening van deze rechten overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest bij wet moeten worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen.
70
In casu moet worden geoordeeld dat de toepassing door een lidstaat van de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets een dergelijke beperking kan vormen, aangezien die toepassing de eventuele houder van die rechten het genot en de uitoefening ervan kan ontnemen op een deel van de interne markt, namelijk op het grondgebied van de lidstaat die deze toets toepast.
71
Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, moet een dergelijke beperking bij wet worden gesteld.
72
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een regel van Unierecht de bescherming van het auteursrecht harmoniseert, het uitsluitend aan de Uniewetgever en niet aan de nationale wetgevers staat om te bepalen of de toekenning van dat recht in de Unie moet worden beperkt voor werken waarvan het land van oorsprong een derde land is of waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is (zie in die zin arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C-265/19, EU:C:2020:677, punt 88).
73
Met de vaststelling van richtlijn 2001/29 wordt de Uniewetgever immers geacht de bevoegdheden te hebben uitgeoefend die op het betrokken gebied voordien toevielen aan de lidstaten. Binnen de werkingssfeer van die richtlijn moet de Unie dus worden geacht zich in de plaats te hebben gesteld van de lidstaten, die niet meer bevoegd zijn om de relevante bepalingen van de Berner Conventie ten uitvoer te leggen (arrest van 26 april 2012, DR en TV2 Danmark, C-510/10, EU:C:2012:244, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74
In casu bevat, zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, noch artikel 2, onder a), noch artikel 4, lid 1, noch enige andere bepaling van richtlijn 2001/29 bij de huidige stand van het Unierecht een beperking als die welke in punt 70 van het onderhavige arrest is vermeld.
75
Voorts is het juist dat richtlijn 2001/29 daadwerkelijk ten doel heeft slechts bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten te harmoniseren, aangezien uit verschillende bepalingen naar voren komt dat de Uniewetgever de lidstaten bij de tenuitvoerlegging ervan een discretionaire ruimte heeft willen toekennen (arresten van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C-469/17, EU:C:2019:623, punt 34, en 29 juli 2019, Spiegel Online, C-516/17, EU:C:2019:625, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76
Het Hof heeft echter ook geoordeeld dat de in artikel 5 van richtlijn 2001/29 opgenomen opsomming van beperkingen en restricties op de in de artikelen 2 tot en met 4 van die richtlijn genoemde uitsluitende rechten uitputtend is, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan de effectiviteit van de door de richtlijn tot stand gebrachte harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten, aan de nagestreefde rechtszekerheid en aan de eis om deze beperkingen en restricties coherent toe te passen (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C-469/17, EU:C:2019:623, punten 56, 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Artikel 5 van richtlijn 2001/29 bevat bij de huidige stand van het Unierecht geen beperking die vergelijkbaar is met die van de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie.
77
Richtlijn 2001/29 onderscheidt zich in dit opzicht dus van andere instrumenten tot harmonisatie van het auteursrecht die de Uniewetgever overeenkomstig de bepalingen van die Conventie heeft vastgesteld.
78
In het bijzonder voorziet de Berner Conventie onder meer in beperkte uitzonderingen die betrekking hebben op werken van toegepaste kunst, de beschermingsduur en het volgrecht en op grond waarvan de partijen bij deze Conventie een materiële-reciprociteitstoets kunnen toepassen en als zodanig niet verplicht zijn om overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de Conventie de regel van nationale behandeling toe te passen.
79
Hoewel de Uniewetgever heeft besloten overeenkomstig artikel 7, lid 8, en artikel 14 ter, lid 2, van de Berner Conventie een materiële-reciprociteitstoets te hanteren, ten eerste, in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2006/116 wat de beschermingsduur betreft en, ten tweede, in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2001/84 wat het volgrecht betreft, heeft die wetgever daarentegen noch in richtlijn 2001/29, noch in een andere bepaling van Unierecht voor de in artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van die richtlijn aan auteurs verleende uitsluitende rechten voorzien in een beperking op die rechten in de vorm van een materiële-reciprociteitstoets als die van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie. Zoals in punt 72 van het onderhavige arrest is vermeld, staat het overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest uitsluitend aan de Uniewetgever en niet aan de nationale wetgevers om in Uniewetgeving te bepalen of de toekenning van de in artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van die richtlijn genoemde rechten in de Unie moet worden beperkt (zie in die zin arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C-265/19, EU:C:2020:677, punten 88 en 91).
80
Gelet op een en ander moet op de tweede tot en met de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij er bij de huidige stand van het Unierecht aan in de weg staan dat de lidstaten in het nationale recht de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets toepassen op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is en waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is. Het staat overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest uitsluitend aan de Uniewetgever om in Uniewetgeving te bepalen of de toekenning van de in artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van die richtlijn genoemde rechten moet worden beperkt in de Unie.
Vijfde vraag
81
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 351, eerste alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het een lidstaat toestaat om, in afwijking van de bepalingen van Unierecht, de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie opgenomen materiële-reciprociteitstoets toe te passen op een werk waarvan het land van oorsprong de Verenigde Staten van Amerika is.
82
Volgens artikel 351, eerste alinea, VWEU worden de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten die vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding zijn gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, niet aangetast door de bepalingen van de Verdragen.
83
Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, vertoont de Berner Conventie de kenmerken van een internationale overeenkomst in de zin van artikel 351 VWEU (arrest van 9 februari 2012, Luksan, C-277/10, EU:C:2012:65, punt 58).
84
Artikel 351, eerste alinea, VWEU beoogt om overeenkomstig de beginselen van internationaal recht te preciseren dat de toepassing van het Verdrag geen afbreuk doet aan de verbintenis van de betrokken lidstaat om de rechten van derde staten te eerbiedigen die voortvloeien uit een vóór zijn toetreding gesloten overeenkomst en om zijn daarmee samenhangende verplichtingen na te komen (arrest van 9 februari 2012, Luksan, C-277/10, EU:C:2012:65, punt 61).
85
In dit verband moet, gelet op het antwoord op de tweede tot en met de vierde vraag, worden geoordeeld dat de lidstaten zich niet meer kunnen beroepen op de mogelijkheid om de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie toe te passen, ook al is deze Conventie vóór 1 januari 1958 in werking getreden.
86
Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof is het namelijk zo dat wanneer een lidstaat vóór zijn toetreding tot de Unie een internationale overeenkomst heeft gesloten die hem toestaat — zoals in casu het geval is — een maatregel te nemen die in strijd blijkt met het Unierecht, maar hem niet daartoe verplicht, die lidstaat zich van een dergelijke maatregel dient te onthouden (arresten van 28 maart 1995, Evans Medical en Macfarlan Smith, C-324/93, EU:C:1995:84, punt 32, en 9 februari 2012, Luksan, C-277/10, EU:C:2012:65, punt 62).
87
Indien een door een lidstaat krachtens de door een eerdere internationale overeenkomst verleende bevoegdheid getroffen wetgevende maatregel door ontwikkelingen in het Unierecht in strijd met dit recht blijkt te zijn, kan de betrokken lidstaat zich bovendien niet op deze overeenkomst beroepen om zich te onttrekken aan de later ontstane Unierechtelijke verplichtingen (arrest van 9 februari 2012, Luksan, C-277/10, EU:C:2012:65, punt 63).
88
Hieraan moet worden toegevoegd dat in casu artikel 2, lid 7, eerste volzin, van de Berner Conventie een beoordelingsmarge aan de partijen bij deze Conventie toekent door met name te bepalen dat het aan de wetgeving van de landen van de bij de Conventie opgerichte Unie voorbehouden is om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen.
89
Zoals de advocaat-generaal in de punten 59 tot en met 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt ten eerste uit de bewoordingen van die bepaling niet dat zij een staat die partij is bij de Berner Conventie verbiedt om auteursrechtelijke bescherming te verlenen aan een werk van toegepaste kunst dat in het land van oorsprong van dat werk slechts krachtens een bijzondere regeling als tekening of model wordt beschermd. Ten tweede zou een dergelijk verbod in tegenspraak zijn met het doel van die Conventie, dat tot uitdrukking komt in het beginsel van ‘nationale behandeling’ en het uit de materiële bepalingen van de Conventie voortvloeiende minimumbeschermingsniveau en dat erin gelegen is dat aan auteurs bescherming wordt geboden buiten het land van oorsprong van een werk. Ten derde en ten slotte is het in elk geval zo dat uit artikel 19 van die Conventie expliciet blijkt dat de bepalingen ervan niet beletten dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming die door de wetgeving van een staat die partij is bij die Conventie mocht zijn voorgeschreven.
90
In die omstandigheden kan een lidstaat zich niet op artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie beroepen om zich te onttrekken aan de uit richtlijn 2001/29 voortvloeiende verplichtingen.
91
Gelet op een en ander moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 351, eerste alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het een lidstaat niet toestaat om, in afwijking van de bepalingen van Unierecht, de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie opgenomen materiële-reciprociteitstoets toe te passen op een werk waarvan het land van oorsprong de Verenigde Staten van Amerika is.
Kosten
92
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Een situatie waarin een onderneming auteursrechtelijke bescherming claimt voor een in een lidstaat op de markt gebracht voorwerp van toegepaste kunst, valt binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht, mits dat voorwerp kan worden aangemerkt als een ‘werk’ in de zin van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij.
- 2)
Artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij er bij de huidige stand van het Unierecht aan in de weg staan dat de lidstaten in het nationale recht de materiële-reciprociteitstoets die is neergelegd in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de te Bern op 9 september 1886 ondertekende Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs van 24 juli 1971), in de versie die voortvloeit uit de wijziging van 28 september 1979, toepassen op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is en waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is. Het staat overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten uitsluitend aan de Uniewetgever om in Uniewetgeving te bepalen of de toekenning van de in artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van die richtlijn genoemde rechten moet worden beperkt in de Unie.
- 3)
Artikel 351, eerste alinea, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
het een lidstaat niet toestaat om, in afwijking van de bepalingen van Unierecht, de materiële-reciprociteitsclausule die is opgenomen in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de te Bern op 9 september 1886 ondertekende Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs van 24 juli 1971), in de versie die voortvloeit uit de wijziging van 28 september 1979, toe te passen op een werk waarvan het land van oorsprong de Verenigde Staten van Amerika is.
von Danwitz | Arabadjiev | Ziemele |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 oktober 2024.
De griffier | De president | |
A. Calot Escobar | K. Lenaerts |
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑10‑2024
Conclusie 05‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Intellectuele eigendom — Auteursrecht — Richtlijn 2001/29/EG — Artikelen 2 en 4 — Reproductie- en distributierecht — Auteursrechtelijke bescherming van voorwerpen van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong geen lidstaat is — Berner Conventie — Artikel 2, lid 7 — Materiële-reciprociteitstoets — Bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en haar lidstaten — Artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Grondrecht op bescherming van intellectuele eigendom — Artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten — Beperkingen — Artikel 351, eerste alinea, VWEU
M. Szpunar
Partij(en)
Zaak C-227/231.
Kwantum Nederland BV,
Kwantum België BV
tegen
Vitra Collections AG
[verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
Het is algemeen bekend dat het auteursrecht zijn oorsprong vindt in de koninklijke privileges die aan drukkers-uitgevers werden verleend. Waarschijnlijk vanwege deze oorsprong, die is geworteld in persoonlijke privileges, en in tegenstelling tot wat de algemene regel is in het burgerlijk recht, beschermt het auteursrecht in beginsel werken van nationale auteurs of werken die voor het eerst op nationaal grondgebied worden gepubliceerd, en sluit het auteurs van buitenlandse werken van deze bescherming uit.2.
2.
Alleen op grond van internationale verdragen genieten auteurs de genoemde bescherming buiten het grondgebied van hun respectieve landen. Momenteel is de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst3. wereldwijd het belangrijkste instrument van het internationale auteursrecht. De Europese Unie is geen partij bij deze Conventie. Alle lidstaten zijn dat echter wel en de Unie dient op grond van haar andere internationale verplichtingen de materiële bepalingen van deze Conventie na te leven.4.
3.
De Berner Conventie is gebaseerd op het beginsel van nationale behandeling, met andere woorden het gelijkstellingsbeginsel. Overeenkomstig dit beginsel genieten auteurs die onderdaan zijn van landen die deze Conventie hebben ondertekend, in de andere ondertekenende landen in beginsel dezelfde rechten als nationale auteurs met betrekking tot het gebied dat door de genoemde Conventie wordt bestreken.
4.
Het beginsel van nationale behandeling kent in de Berner Conventie echter enkele zeldzame uitzonderingen. Eén daarvan betreft de bescherming van werken van toegepaste kunst. Wegens de grote verschillen in de middelen en de omvang van de bescherming van dergelijke werken konden de overeenkomstsluitende partijen het immers niet eens worden over een gemeenschappelijke beschermingsregeling ter zake. Bijgevolg is een afwijkende regeling vastgesteld, die de materiële-reciprociteitsclausule bevat, volgens welke werken van toegepaste kunst die afkomstig zijn uit landen waar dergelijke werken uitsluitend als tekening of model worden beschermd, in de andere ondertekenende landen geen aanspraak kunnen maken op de cumulatie van deze bescherming met auteursrechtelijke bescherming.
5.
Naar Unierecht worden werken van toegepaste kunst auteursrechtelijk beschermd, niettegenstaande het feit dat zij ook onder een bijzondere beschermingsregeling als tekening of model kunnen vallen. In de onderhavige zaak rijst in wezen de vraag of de lidstaten vrij zijn om de in de Berner Conventie vervatte reciprociteitsclausule toe te passen op werken van toegepaste kunst die afkomstig zijn uit derde landen die deze werken enkel krachtens een bijzondere regeling beschermen.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
Berner Conventie
6.
- ‘1)
De term ‘werken van letterkunde en kunst’ omvat alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals: […] werken van toegepaste kunst […].
[…]
- 7)
Het is […] aan de wetgeving van de landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie voorbehouden om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. Voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, kan in een ander land van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie slechts de bijzondere bescherming worden ingeroepen die in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend. Indien echter in dat land geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend, worden deze werken beschermd als werken van kunst.’
7.
Artikel 5, leden 1 tot en met 3, van de Berner Conventie luidt als volgt:
- ‘1)
De auteurs genieten voor de werken waarvoor zij krachtens deze Conventie zijn beschermd, in de landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen, alsmede de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend.
- 2)
Het genot en de uitoefening van die rechten zijn aan geen enkele formaliteit onderworpen. Dat genot en die uitoefening zijn onafhankelijk van het bestaan van de bescherming in het land van oorsprong van het werk. Bijgevolg worden, buiten de bepalingen van deze Conventie, de omvang van de bescherming, zowel als de rechtsmiddelen die de auteur worden gewaarborgd ter handhaving van zijn rechten uitsluitend bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen.
- 3)
De bescherming in het land van oorsprong wordt geregeld door de nationale wetgeving. Wanneer de auteur evenwel geen onderdaan is van het land van oorsprong van het werk waarvoor hij door deze Conventie wordt beschermd, heeft hij in dat land dezelfde rechten als de auteurs die onderdaan van dat land zijn.’
8.
Artikel 19 van de Berner Conventie, ten slotte, luidt:
‘De bepalingen van deze Conventie beletten niet dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming, die door de wetgeving van een der landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie mocht zijn voorgeschreven.’
TRIPs-overeenkomst en WIPO-verdrag inzake het auteursrecht
9.
Artikel 9, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom5. (hierna: ‘TRIPs-overeenkomst’) bepaalt dat WTO-leden de artikelen 1 tot en met 21 van de Berner Conventie en de bijlage bij deze Conventie moeten naleven.
10.
De Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) heeft op 20 december 1996 te Genève het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht6. vastgesteld. Krachtens artikel 1, lid 4, van dit verdrag moeten de verdragsluitende partijen de artikelen 1 tot en met 21 van en de bijlage bij de Berner Conventie naleven.
Unierecht
11.
‘Artikel 2
De lidstaten voorzien ten behoeve van:
- a)
auteurs, met betrekking tot hun werken,
[…]
in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.
Artikel 3
- 1.
De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.
[…]
Artikel 4
1.
De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden.’
Nederlands recht
12.
De artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29 zijn in het Nederlandse recht omgezet door de artikelen 1, 12 en 13 van de Wet van 23 september 1912 houdende nieuwe regeling van het auteursrecht (Auteurswet 1912)8., zoals gewijzigd. Artikel 10, lid 1, punt 11, van deze wet vermeldt werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid bij de categorieën van beschermde werken. Aangezien de Berner Conventie in Nederland rechtstreeks van toepassing was, hoefden de bepalingen ervan niet te worden omgezet in Nederlands recht.
Feiten van het hoofdgeding, procedure en prejudiciële vragen
13.
Vitra Collections AG (hierna: ‘Vitra’), een vennootschap naar Zwitsers recht, vervaardigt designmeubelen, met name door het inmiddels overleden echtpaar Charles en Ray Eames, burgers van de Verenigde Staten van Amerika, ontworpen stoelen, waaronder de Dining Sidechair Wood (hierna: ‘DSW’). De DSW behoort tot een groep stoelen die dit echtpaar heeft ontworpen in het kader van een meubelontwerpwedstrijd die door het Museum of Modern Art in New York (Verenigde Staten) in 1948 was uitgeschreven, en wordt sinds 1950 in dit museum tentoongesteld. Vitra is houder van de eventuele auteursrechten op deze stoelen.
14.
Kwantum Nederland BV en Kwantum België BV, vennootschappen naar Nederlands recht (hierna gezamenlijk: ‘Kwantum’), exploiteren in Nederland en België een winkelketen in woonartikelen, waaronder meubilair.
15.
In de loop van 2014 heeft Vitra vastgesteld dat Kwantum sinds 8 augustus 2014 onder de naam ‘Paris’ een stoel te koop aanbood en in de handel bracht waarvan de vorm volgens haar inbreuk maakte op haar auteursrechten op de DSW. De rechtbank Den Haag (Nederland), die door Vitra was aangezocht, heeft evenwel geoordeeld dat Kwantum in Nederland en België geen inbreuk maakte op de auteursrechten van Vitra en niet onrechtmatig handelde door de Paris-stoel op de markt te brengen. Derhalve heeft zij de vorderingen van Vitra afgewezen en de vorderingen van Kwantum grotendeels toegewezen.
16.
Dit vonnis is vernietigd door het gerechtshof Den Haag, dat heeft geoordeeld dat Kwantum met de Paris-stoel sinds 22 maart 2017 in Nederland en België inbreuk maakte op de auteursrechten van Vitra op de DSW en dat zij sinds 8 augustus 2014 onrechtmatig had gehandeld jegens Vitra door de Paris-stoel in Nederland en België op de markt te brengen. Deze rechter heeft met name geoordeeld dat de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie in casu niet van toepassing was overeenkomstig vaste rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland), aangezien de Verenigde Staten, het land van oorsprong van het betrokken werk, tekeningen en modellen niet in het algemeen van auteursrechtelijke bescherming uitsluiten. Dat deze stoel in casu geen dergelijke bescherming genoot, betekent niet dat de genoemde clausule van toepassing is.
17.
Partijen in het hoofdgeding hebben tegen het in beroep gewezen arrest principaal en incidenteel hoger beroep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter. Met haar principaal hoger beroep betwist Kwantum de wijze waarop het gerechtshof Den Haag de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie heeft uitgelegd en toegepast. In haar incidenteel hoger beroep stelt Vitra zich daarentegen op het standpunt dat deze clausule geenszins van toepassing is op het geschil. De verwijzende rechter acht het noodzakelijk om eerst dit incidentele beroep te analyseren, daar het de verste strekking heeft.
18.
In deze omstandigheden heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Valt de situatie die in dit geding aan de orde is, binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht?
Voor zover de hiervoor vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord, worden bovendien de hiernavolgende vragen voorgelegd.
- 2)
Brengt de omstandigheid dat het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst een integrerend bestanddeel vormt van het door art. 17, lid 2, [van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’)] verankerde recht op bescherming van intellectuele eigendom, mee dat het [Unierecht], in het bijzonder art. 52, lid 1, [van het] Handvest, voor de beperking van de uitoefening van het auteursrecht (in de zin van richtlijn [2001/29]) op een werk van toegepaste kunst door toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie], vereist dat deze beperking bij wet wordt gesteld?
- 3)
Moeten de art. 2, 3 en 4 van richtlijn [2001/29] en de art. 17, lid 2, en 52, lid 1, [van het] Handvest, gelezen tegen de achtergrond van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie], aldus worden uitgelegd dat het uitsluitend aan de [Uniewetgever] (en niet aan nationale wetgevers) is om te bepalen of de uitoefening van het auteursrecht (in de zin van richtlijn [2001/29]) in de [Unie] door toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie] kan worden beperkt ten aanzien van een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en waarvan de auteur geen onderdaan van een [lidstaat] is en, zo ja, om deze beperking op duidelijke en nauwkeurige wijze vast te leggen [zie arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers (C-265/19, EU:C:2020:677; hierna: ‘arrest RAAP’)]?
- 4)
Moeten de art. 2, 3 en 4 van richtlijn [2001/29], gelezen in samenhang met de art. 17, lid 2, en 52, lid 1, [van het] Handvest, aldus worden uitgelegd dat zolang de [Uniewetgever] niet heeft voorzien in een beperking van de uitoefening van het auteursrecht (in de zin van richtlijn [2001/29]) op een werk van toegepaste kunst door toepassing van de materiële-reciprociteitstoets van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie], de [lidstaten] deze toets niet mogen toepassen ten aanzien van een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en waarvan de auteur geen onderdaan van een [lidstaat] is?
- 5)
Is in de omstandigheden als in dit geding aan de orde en gezien het totstandkomingstijdstip van (de voorloper van) art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie], voor België voldaan aan de voorwaarden van art. 351, [eerste alinea], VWEU, zodat het België om die reden vrijstaat om de materiële-reciprociteitstoets van art. 2, lid 7, [van de Berner Conventie] toe te passen, rekening houdend met het feit dat in deze zaak het land van oorsprong op 1 mei 1989 tot de Berner Conventie is toegetreden?’
19.
De prejudiciële verwijzing is ter griffie van het Hof ingekomen op 11 april 2023. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de partijen in het hoofdgeding, de Nederlandse, de Belgische en de Franse regering en de Europese Commissie. Partijen in het hoofdgeding, de Franse regering en de Commissie waren vertegenwoordigd ter terechtzitting van 20 maart 2024.
Analyse
20.
De verwijzende rechter stelt het Hof in de onderhavige zaak vijf prejudiciële vragen. De eerste vraag is zeer algemeen geformuleerd en betreft de toepasselijkheid van het Unierecht in het hoofdgeding. Met de tweede, de derde en de vierde vraag wenst deze rechter te vernemen of het de lidstaten in het licht van een aantal Unierechtelijke bepalingen, met name de relevante bepalingen van richtlijn 2001/29 en artikel 17, lid 2, van het Handvest, vrijstaat om de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie toe te passen op werken van toegepaste kunst. De vijfde vraag ten slotte betreft de toepasselijkheid van artikel 351, eerste alinea, VWEU.
21.
Ofschoon de verwijzende rechter een bevestigend antwoord op de eerste vraag als voorwaarde stelt voor zijn andere vragen, is het naar mijn mening juist de analyse van de in de tweede, de derde en de vierde vraag genoemde bepalingen, met name de bepalingen van richtlijn 2001/29, die het mogelijk zal maken om deze eerste vraag te beantwoorden. Ik stel daarom voor om direct over te gaan tot de analyse van de tweede, de derde en de vierde vraag. Vervolgens zal ik kort het specifieke geval analyseren dat in de vijfde vraag aan de orde wordt gesteld.
Tweede, derde en vierde prejudiciële vraag
22.
Om te beginnen merk ik op dat de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vragen weliswaar verwijst naar de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29, maar dat artikel 3 daarvan, waarin het recht van mededeling aan het publiek is neergelegd, niet relevant lijkt te zijn voor het hoofdgeding. Niets in het dossier wijst er immers op dat een inbreuk op dit recht in het hoofdgeding aan de orde zou zijn, aangezien de litigieuze gedraging bestaat in de productie en verhandeling van stoelen, zijnde materiële voorwerpen, die imitaties zouden zijn van de voorwerpen die worden beschermd door het auteursrecht waarvan Vitra houder is. Ik ben derhalve van mening dat dit artikel 3 bij de analyse in de onderhavige zaak buiten beschouwing kan worden gelaten. Bovendien gaat het in de onderhavige zaak om het auteursrecht in strikte zin, zodat specifiek artikel 2, onder a), van deze richtlijn aan de orde is.
23.
Met zijn tweede, derde en vierde prejudiciële vraag, die ik samen zal behandelen, vraagt de verwijzende rechter in wezen of artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29 en artikel 17, lid 2, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat lidstaten de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie toepassen op werken van toegepaste kunst die afkomstig zijn uit derde landen. Ik stel voor om hiertoe eerst de bepalingen van deze richtlijn te analyseren.
Artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29
24.
Artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29 verlenen auteurs het uitsluitende recht om respectievelijk de reproductie en de distributie van hun werken toe te staan of te verbieden. Het hoofdgeding betreft een uit de Verenigde Staten afkomstig werk van toegepaste kunst, waarvan de auteurs Amerikaanse onderdanen zijn.9. In het kader van de onderhavige zaak moet dus worden vastgesteld, ten eerste, of deze bepalingen van toepassing zijn op dergelijke werken en, ten tweede, of zij toestaan dat de lidstaten de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie op deze werken toepassen.
— Toepasselijkheid van artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29 op werken van toegepaste kunst van oorsprong uit derde landen
25.
Ter herinnering, artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29 verlenen uitsluitende rechten aan ‘auteurs’ met betrekking tot hun ‘werken’10.. In deze richtlijn wordt voor de definitie van die twee begrippen niet naar het nationale recht van de lidstaten verwezen, derhalve moeten zij volgens vaste rechtspraak worden beschouwd als autonome begrippen van het Unierecht die op uniforme wijze moeten worden uitgelegd en toegepast.11.
26.
Wat het begrip ‘werk’ betreft, heeft het Hof specifiek met betrekking tot werken van toegepaste kunst met name geoordeeld dat dit begrip impliceert dat het betrokken voorwerp oorspronkelijk is, in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan. Bovendien dekt auteursrechtelijke bescherming alleen de uitdrukking van deze schepping, die voldoende nauwkeurig en objectief moet kunnen worden geïdentificeerd.12. Opdat een voorwerp als oorspronkelijk kan worden beschouwd, is het zowel noodzakelijk als voldoende dat het de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelt en uiting geeft aan zijn vrije creatieve keuzen.13. Wanneer een voorwerp die kenmerken heeft en dus een werk vormt, moet het auteursrechtelijke bescherming genieten overeenkomstig richtlijn 2001/29.14.
27.
Noch richtlijn 2001/29, noch de rechtspraak betreffende het begrip ‘werk’ in de zin van deze richtlijn stelt daarentegen een voorwaarde op grond waarvan de toepasselijkheid ervan beperkt zou zijn tot werken die afkomstig zijn uit de lidstaten of uit landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte (EER). Naar mijn mening kan genoemde richtlijn dus niet anders worden uitgelegd dan in die zin dat het voor de bescherming van een werk op grond van de richtlijn niet van belang is of het land van oorsprong een lidstaat van de EER dan wel een derde land is.15.
28.
Het Hof heeft reeds de gelegenheid gehad om een vergelijkbare oplossing te hanteren. Geconfronteerd met een soortgelijke vraag betreffende het begrip ‘uitvoerende kunstenaars’ in de zin van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG16., heeft het Hof immers geoordeeld dat, aangezien deze bepaling niet de voorwaarde stelt dat er een band met een EER-lidstaat bestaat, zij door de lidstaten niet aldus kan worden toegepast dat het door deze bepaling verleende recht wordt beperkt tot uitvoerende kunstenaars die een dergelijke band met een EER-lidstaat hebben, met uitsluiting van onderdanen van derde landen die deze band niet hebben.17. Voor deze uitkomst heeft het Hof zich met name gebaseerd op de in artikel 4 van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake uitvoeringen en fonogrammen18. neergelegde verplichting om de onderdanen van landen die dit verdrag hebben ondertekend, een nationale behandeling te verzekeren, met name wat het in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 bedoelde recht op een billijke vergoeding betreft.19.
29.
Evenzo is de Unie op grond van artikel 9, lid 1, van de TRIPs-overeenkomst en artikel 1, lid 4, van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht, die de naleving van de materiële bepalingen van de Berner Conventie voorschrijven, verplicht om overeenkomstig artikel 5 van deze Conventie de nationale behandeling — te weten de behandeling waarin de geharmoniseerde bepalingen op het gebied van auteursrecht voorzien — te garanderen aan auteurs van werken die afkomstig zijn uit landen die deze internationale instrumenten hebben ondertekend (waaronder met name de Verenigde Staten). Deze verplichting betreft met name de uitsluitende rechten die zijn neergelegd in artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29, welke richtlijn volgens overweging 15 ervan onder meer tot doel heeft het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht ten uitvoer te leggen.20.
30.
Het zou in strijd zijn met deze internationale verplichtingen van de Unie om het auteursrecht te harmoniseren voor werken waarvan de landen van oorsprong lidstaten zijn, en om het aan het nationale recht van de lidstaten over te laten om het lot van werken uit derde landen te regelen. In een dergelijke situatie zou de doelstelling om ervoor te zorgen dat deze tweede categorie werken de ‘nationale behandeling’ krijgt, te weten dezelfde behandeling als die waarin de geharmoniseerde regels voorzien, immers gemakkelijk in het gedrang komen. De internationale verplichtingen van de Unie staan dus niet toe dat de bepalingen van richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat zij alleen betrekking hebben op werken van oorsprong uit de lidstaten.
31.
Naar mijn mening is het echter niet eens nodig om hier naar de internationale verplichtingen van de Unie te verwijzen. De tekst van richtlijn 2001/29 spreekt voor zich. Volgens lid 1 van artikel 1 (‘Werkingssfeer’) heeft deze richtlijn ‘betrekking op de rechtsbescherming van het auteursrecht en de naburige rechten in het kader van de interne markt’. De werkingssfeer van de genoemde richtlijn wordt dus niet bepaald aan de hand van het criterium van de oorsprong van het werk of de nationaliteit (of woonplaats) van de auteur, maar territoriaal, onder verwijzing naar de interne markt, die overeenkomt met de territoriale werkingssfeer van de Verdragen.21. Werken van oorsprong uit derde landen of voorwerpen die imitaties zijn van dergelijke werken, kunnen op dezelfde wijze op de interne markt circuleren als werken van oorsprong uit lidstaten, waardoor de nood ontstaat om het auteursrecht op dergelijke werken ‘in het kader van de interne markt’ te beschermen overeenkomstig artikel 1, lid 1, van richtlijn 2001/29. Door in deze richtlijn het begrip ‘werken’ zonder enig voorbehoud te gebruiken en door de werkingssfeer van deze richtlijn op basis van het territoriale criterium te bepalen, diende de Uniewetgever noodzakelijkerwijs rekening te houden met alle werken waarvoor bescherming op het grondgebied van de Unie wordt gevraagd, ongeacht het land van oorsprong ervan.
32.
Deze conclusie wordt bevestigd door artikel 10, lid 1, van richtlijn 2001/29, dat betrekking heeft op de toepassing ervan in de tijd. Krachtens deze bepaling is die richtlijn immers niet alleen van toepassing op werken die op de datum van de omzetting ervan werden beschermd door de wetgeving van de lidstaten inzake het auteursrecht, maar ook op werken die op diezelfde datum ‘[voldeden] aan de criteria voor bescherming krachtens deze richtlijn’, zijnde met name de in punt 26 van deze conclusie genoemde criteria. Met name werken als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die op de datum van omzetting van die richtlijn geen bescherming krachtens het nationale recht van de lidstaten genoten wegens de toepassing van de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie, maar die niettemin voldoen aan de beschermingscriteria van richtlijn 2001/29, zoals uitgelegd door het Hof, worden dus beschermd.
33.
Diezelfde redenering kan worden toegepast op het begrip ‘auteur’. Ten eerste staan de internationale verplichtingen van de Unie niet toe dat auteurs die onderdaan zijn van een derde land buiten het geharmoniseerde kader van het auteursrecht worden gehouden, ongeacht het land van oorsprong van hun werken.22. Ten tweede heeft de Uniewetgever de term ‘auteurs’ gebruikt zonder de nationaliteit of woonplaats van deze auteurs te specificeren, zodat deze term dient te worden uitgelegd als verwijzend naar iedere auteur die zijn rechten binnen de interne markt wil beschermen.
34.
Aan deze conclusies wordt niet afgedaan door artikel 17 van richtlijn 98/71/EG23.noch door artikel 96, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/200224., volgens welke krachtens deze instrumenten beschermde tekeningen en modellen tevens bescherming genieten krachtens het auteursrecht van de lidstaten, waarbij de omvang en de voorwaarden van deze bescherming, met inbegrip van het vereiste gehalte aan oorspronkelijkheid, door elke lidstaat worden bepaald.
35.
In de eerste plaats zijn deze bepalingen immers van toepassing onder voorbehoud van de latere harmonisatie van het auteursrecht op het niveau van het Unierecht, die met name door richtlijn 2001/29 is doorgevoerd.25. Dienaangaande heeft het Hof, na analyse van de betrokken bepalingen26., geoordeeld dat ‘ervan [moet] worden uitgegaan dat modellen als ‘werken’ in de zin van [deze richtlijn] kunnen worden aangemerkt indien zij aan de twee [in punt 26 van deze conclusie] genoemde vereisten voldoen’27., namelijk de beschermingsvoorwaarden die het Hof op grond van genoemde richtlijn voor alle categorieën van werken heeft vastgesteld.
36.
In de tweede plaats zijn artikel 17 van richtlijn 98/71 en artikel 96, lid 2, van verordening nr. 6/2002 volgens hun duidelijke bewoordingen niet van toepassing op werken van toegepaste kunst in het algemeen, maar alleen op tekeningen en modellen die overeenkomstig deze richtlijn zijn ingeschreven of gemeenschapsmodellen die krachtens deze verordening zijn beschermd28.. Daarentegen vallen werken van toegepaste kunst die in de Unie nooit als tekening of model zijn beschermd, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde werk, niet onder deze bepalingen, zodat daarvoor hoe dan ook de algemene regels van het auteursrecht, met name die van richtlijn 2001/29, gelden. Die bepalingen bevatten derhalve geen algemeen toepasselijk beginsel dat de bescherming van werken van toegepaste kunst krachtens het auteursrecht van de Unie regelt, maar een regel inzake de cumulatie van beschermingsregelingen die beperkt is tot de materiële werkingssfeer van de betrokken handelingen, namelijk voorwerpen die krachtens deze handelingen als tekening of model worden beschermd.
37.
Artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29 zijn aldus van toepassing op werken van toegepaste kunst die afkomstig zijn uit derde landen waarvan de auteurs van die werken onderdaan zijn. De stelling van Kwantum en de Nederlandse en de Belgische regering dat in het hoofdgeding niet het Unierecht maar uitsluitend de Berner Conventie van toepassing is, is derhalve onjuist.
— Mogelijkheid om de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie toe te passen
39.
Aangezien de auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst van oorsprong uit derde landen door het Unierecht is geharmoniseerd, kan alleen dit recht de toepassing van de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie toestaan. Derhalve moet worden nagegaan of het Unierecht die toepassing daadwerkelijk toestaat.
40.
Richtlijn 2001/29 bevat geen enkele bepaling in de zin van deze clausule, en zelfs geen enkele bepaling die een gedifferentieerde behandeling van werken van toegepaste kunst naargelang van het land van oorsprong ervan voorstelt. Een dergelijke bepaling komt ook nergens anders in een Unierechtelijke handeling voor. Derhalve moet worden vastgesteld dat het Unierecht niet expliciet in de toepassing van genoemde clausule voorziet. Thans moet nog worden nagegaan of dit recht impliciet in die clausule voorziet.
41.
Deze vraag moet volgens mij duidelijk ontkennend worden beantwoord.
42.
De betrokken clausule, die de auteursrechtelijke bescherming van bepaalde werken afhankelijk stelt van de voorwaarde dat in het land van oorsprong een soortgelijke bescherming, dus een auteursrechtelijke bescherming, als werken van kunst bestaat, zou een duidelijke afwijking vormen van de regel die is vervat in artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29, zoals uitgelegd door het Hof, volgens welke alle werken worden beschermd zodra zij voldoen aan de criteria om als werken te worden aangemerkt29.. In een dergelijke afwijking zou uitdrukkelijk moeten worden voorzien.
43.
Andere Unierechtelijke teksten op het gebied van auteursrecht bevestigen deze conclusie systematisch. Twee andere reciprociteitsclausules betreffende de beschermingstermijn en het volgrecht30., waarin de Berner Conventie voorziet, zijn immers uitdrukkelijk omgezet in het Unierecht.31. Het feit dat richtlijn 2001/29 daarentegen geen reciprociteitsclausule bevat die de clausule van artikel 2, lid 7, van deze Conventie overneemt, wijst er dus duidelijk op dat deze clausule niet van toepassing is in het Unierecht. Elke andere uitlegging zou de samenhang van het auteursrechtstelsel van de Unie ondermijnen.
44.
In dit verband ben ik niet overtuigd door de argumenten van de Franse regering, volgens welke dit verschil voortvloeit uit de formulering van verschillende reciprociteitsclausules in de Berner Conventie. Volgens deze regering vereisen de clausules van artikel 7, lid 8, en artikel 14 ter, lid 2, van deze Conventie voor hun toepassing een positieve tussenkomst van de nationale wetgever (in casu de Uniewetgever), terwijl de clausule van artikel 2, lid 7, van de genoemde Conventie automatisch van aard is, zodat niet de toepassing maar de opheffing van deze clausule in voorkomend geval een uitdrukkelijke bevestiging vereist.
45.
Vanuit dit oogpunt zijn de twee clausules in kwestie niet wezenlijk anders geformuleerd dan de clausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie. Volgens artikel 7, lid 8, van deze Conventie ‘wordt de duur [van de bescherming] geregeld door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen; tenzij de wetgeving van dat land anders beschikt overschrijdt hij evenwel niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur’. Het resultaat dat de Uniewetgever wou bereiken met artikel 7, lid 1, van richtlijn 2006/116, namelijk het beperken van de beschermingstermijn van werken van oorsprong uit derde landen tot de in die landen verleende termijn, wordt hier dus automatisch bereikt. Het is de opheffing of beperking van deze regel die een tussenkomst van de wetgever vereist, overeenkomstig de woorden ‘tenzij de wetgeving van dat land anders beschikt’. Evenzo bepaalt artikel 14 ter, lid 2, van de genoemde Conventie dat ‘[d]e in het voorgaande lid voorziene bescherming[, namelijk het volgrecht,] […] in ieder land van de [bij diezelfde Conventie opgerichte] Unie slechts [kan] worden ingeroepen, indien de nationale wetgeving van de auteur deze bescherming erkent, en in de mate waarin de wetgeving van het land waar deze bescherming wordt ingeroepen, het toelaat’. Dit is in wezen dezelfde regel als die welke voortvloeit uit artikel 7, lid 1, van richtlijn 2001/8432.. Hij kan rechtstreeks worden toegepast.
46.
De twee in het vorige punt genoemde clausules zijn derhalve niet van dien aard dat zij uitdrukkelijk in het nationale recht ten uitvoer moeten worden gelegd. De reden waarom de Uniewetgever het desondanks noodzakelijk achtte om die clausules in het afgeleide recht over te nemen, is dat — in tegenstelling tot wat de Franse regering stelt — de Berner Conventie geen rechtstreekse werking heeft in het Unierecht.
47.
Ik herinner eraan dat de Europese Unie geen partij is bij de Berner Conventie, die overeenkomstig artikel 29, lid 1, alleen openstaat voor toetreding door staten, met uitsluiting van internationale organisaties. Krachtens artikel 9, lid 1, van de TRIPs-overeenkomst en artikel 1, lid 4, van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht heeft de Unie zich er daarentegen wel toe verbonden de materiële bepalingen van deze Conventie na te leven. Zelfs in de veronderstelling dat als gevolg van deze verbintenissen de materiële bepalingen van de genoemde Conventie moeten worden geacht dezelfde gevolgen teweeg te brengen als die van deze twee internationale instrumenten33., hebben deze laatste echter geen rechtstreekse werking34.. Dit ontbreken van rechtstreekse werking geldt voor alle reciprociteitsclausules die zijn vervat in die Conventie, met inbegrip van de clausule van artikel 2, lid 7.
48.
Bijgevolg deel ik niet de mening van de Franse regering, die ook door de Nederlandse regering naar voren is gebracht, dat er voor de opheffing van de toepassing van de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie behoefte zou zijn aan een uitdrukkelijke regel in die zin, waarbij een dergelijke regel ontbreekt in richtlijn 2001/29.
49.
In het recht kan stilte net zo uitdrukkelijk zijn als woorden. Zo vormt het gebruik in richtlijn 2001/29 van de termen ‘werken’ en ‘auteurs’, zonder enige precisering met betrekking tot de landen van oorsprong van deze werken en de nationaliteit of woonplaats van deze auteurs, een voldoende duidelijke uitdrukking van de wil van de Uniewetgever om af te zien van de toepassing van de betrokken reciprociteitsclausule. Hier is geen extra bevestiging nodig.
50.
Wat ten slotte het argument van de Nederlandse regering betreft dat uit de toelichting en de eerste voorstellen voor richtlijn 98/71 en verordening nr. 6/2002 volgt dat de Uniewetgever enkel de bedoeling had om een beroep op de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie te verbieden in de betrekkingen tussen de lidstaten, maar de toepassing ervan in de betrekkingen met derde landen onaangetast te laten, volstaat de vaststelling dat deze documenten dateren van 1993 en, zoals met name blijkt uit de toelichting bij deze verordening35., zijn opgesteld in afwachting van een meer volledige harmonisatie van het auteursrecht. Thans blijkt uit artikel 17 van richtlijn 98/71 en artikel 96, lid 2, van verordening nr. 6/2002 — zoals uiteindelijk vastgesteld en die voor de onderhavige zaak overigens niet relevant zijn36. — alleen dat wat betreft de voorwerpen waarop deze handelingen zien, te weten ingeschreven tekeningen en modellen en gemeenschapsmodellen, voor zover zij ook auteursrechtelijke bescherming kunnen genieten, de reciprociteitsclausule niet van toepassing is, aangezien deze bepalingen het beginsel van cumulatie van bescherming invoeren, ongeacht het land van oorsprong van die voorwerpen als werken van toegepaste kunst.
51.
Op grond van deze overwegingen kom ik tot de conclusie dat noch richtlijn 2001/29, noch enige andere rechtshandeling van de Unie expliciet of impliciet een reciprociteitsclausule bevat als die waarin artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie voorziet.
52.
Voor zover artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29 zonder voorbehoud van toepassing zijn op werken van toegepaste kunst, kunnen de lidstaten voorts de reciprociteitsclausule niet toepassen met betrekking tot de door deze bepalingen geharmoniseerde rechten, zonder daaraan afbreuk te doen. Zoals het Hof reeds eerder heeft verklaard, wordt de Uniewetgever door het vaststellen van deze richtlijn geacht de bevoegdheden te hebben uitgeoefend die voordien toevielen aan de lidstaten op het gebied van intellectuele eigendom. Binnen de werkingssfeer van genoemde richtlijn moet de Unie worden geacht zich in de plaats te hebben gesteld van de lidstaten, die niet meer bevoegd zijn om de relevante bepalingen van de Berner Conventie ten uitvoer te leggen.37.
53.
Hieraan moet worden toegevoegd dat, indien het de lidstaten zou vrijstaan om de reciprociteitsclausule in kwestie naar eigen goeddunken toe te passen, dit niet alleen in strijd zou zijn met de duidelijke bewoordingen van artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29, maar ook de doelstelling van deze richtlijn zou ondermijnen, namelijk de harmonisatie van het auteursrecht in de interne markt. Dit zou er immers noodzakelijkerwijs toe leiden dat werken van toegepaste kunst van oorsprong uit derde landen in verschillende lidstaten anders zouden worden behandeld. Bijgevolg zou alleen de Uniewetgever eventueel kunnen beslissen om deze reciprociteitsclausule in de rechtsorde van de Unie toepasselijk te maken, door daartoe een uitdrukkelijke afwijking van de bepalingen van deze richtlijn vast te stellen.
54.
Het door Kwantum aangevoerde feit dat Vitra zich in het hoofdgeding niet op de bepalingen van richtlijn 2001/29 heeft beroepen, doet hieraan niet af. De bepalingen van een richtlijn zijn in beginsel niet rechtstreeks toepasselijk, maar moeten worden omgezet in het nationale recht van de lidstaten, dat vervolgens de rechten en verplichtingen van particulieren moet regelen. Het Koninkrijk der Nederlanden laat werken van oorsprong uit derde landen niet binnen de werkingssfeer van zijn nationale auteursrecht vallen, door rechtstreekse toepassing van de bepalingen van de Berner Conventie. Volgens mij is dit geen correcte maatregel tot omzetting van richtlijn 2001/29 omdat, zoals uit de onderhavige zaak blijkt, deze Conventie regels kan bevatten die onverenigbaar zijn met deze richtlijn. Niettemin moet in een rechtssituatie als die in Nederland de genoemde Conventie worden beschouwd als een maatregel tot omzetting van genoemde richtlijn. Het is daarom vanzelfsprekend dat particulieren zich op diezelfde Conventie beroepen om bescherming van hun rechten te vorderen. Dit betekent echter niet dat deze richtlijn hierdoor niet-toepasbaar wordt.
— Verenigbaarheid met de Berner Conventie bij niet-toepassing van de reciprociteitsclausule
55.
Thans wens ik te benadrukken dat het naar mijn mening geenszins in strijd is met de verplichtingen die krachtens deze Conventie op de Unie of de lidstaten rusten om de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie niet toe te passen in het Unierecht. Volgens mijn lezing van deze bepaling en in tegenstelling tot wat Kwantum en de Nederlandse, de Belgische en de Franse regering stellen, is deze reciprociteitsclausule immers niet dwingend voor de ondertekenende landen. Op dit punt ben ik het eens met de standpunten van Vitra en de Commissie.
56.
Ten eerste vloeit dit voort uit de bewoordingen zelf van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie. Deze bepaling bevat drie rechtsregels. De eerste regel (eerste volzin) legt het beginsel neer dat het de partijen bij deze Conventie vrijstaat om werken van toegepaste kunst te beschermen door het auteursrecht of door een bijzonder regeling van bescherming als tekening of model, waarbij deze twee beschermingsregelingen elkaar niet uitsluiten. De tweede regel (tweede volzin) vormt de eigenlijke reciprociteitsclausule, volgens welke voor een werk dat in het land van oorsprong slechts door een bijzondere regeling als tekening of model wordt beschermd, alleen de bescherming van deze bijzondere regeling kan worden ingeroepen in een ander land waar een cumulatie van beschermingsregelingen voor deze categorie van werken bestaat. Ten slotte bepaalt de derde regel (derde volzin) dat wanneer het land waar om bescherming wordt verzocht, niet in een bijzondere regeling voor tekeningen en modellen voorziet, het betrokken werk auteursrechtelijke bescherming moet genieten volgens het algemene beginsel van nationale behandeling.
57.
Deze bepalingen van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie zijn gemakkelijk te verklaren. Aangezien deze Conventie, in afwijking van de algemene regels ervan, toestaat dat werken van toegepaste kunst — die nochtans worden vermeld in de in artikel 2, lid 1, ervan opgenomen lijst van beschermde voorwerpen — mogelijk niet in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming of voor de door de genoemde Conventie vastgestelde minimumbescherming, zou er bij toepassing van het algemene beginsel van nationale behandeling een onevenwicht bestaan tussen werken van oorsprong uit landen die een cumulatieve bescherming toepassen en werken van oorsprong uit landen die enkel een bijzondere bescherming38. toepassen. De reciprociteitsclausule maakt het mogelijk om een dergelijk onevenwicht te vermijden.
58.
Niettemin laat artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie het aan de partijen bij deze Conventie over om de wijze van bescherming van werken van toegepaste kunst te regelen, zoals uitdrukkelijk is bepaald in de eerste volzin van dit lid. De tweede volzin, volgens welke ‘slechts de bijzondere bescherming [kan] worden ingeroepen’, geeft alleen aan dat er geen verplichting bestaat om auteursrechtelijke bescherming te verlenen aan werken die in hun land van oorsprong slechts door een bijzondere regeling als tekening of model worden beschermd. Dit betekent echter niet dat het land waar bescherming wordt gevraagd, een dergelijk werk niet uit eigen beweging dubbele bescherming kan verlenen. Een dergelijke uitlegging zou immers in strijd zijn met de eerste volzin en met de vrijheid die aan de partijen wordt gelaten om de bescherming van werken van toegepaste kunst te regelen. Bovendien sluit artikel 2, lid 7, van de genoemde Conventie niet absoluut uit dat werken die in hun land van oorsprong slechts als tekening of model worden beschermd, in andere landen auteursrechtelijk worden beschermd. Volgens de derde regel is auteursrechtelijke bescherming immers verplicht in landen die geen bijzondere regeling toepassen, ongeacht het soort bescherming dat in het land van oorsprong wordt verleend.
59.
Aldus verbiedt artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie volgens de bewoordingen ervan niet dat werken van toegepaste kunst die in hun land van oorsprong slechts door een bijzondere regeling als tekening of model worden beschermd, (ook) auteursrechtelijk worden beschermd.
60.
Ten tweede zou het dwingende karakter van de reciprociteitsclausule in tegenspraak zijn met de doelstelling van de Berner Conventie, die erin bestaat dat auteurs bescherming wordt geboden buiten het land van oorsprong van hun werken39., ook voor werken van toegepaste kunst. Deze Conventie streeft deze doelstelling na met twee middelen: het beginsel van nationale behandeling, dat de hoeksteen van deze regeling vormt, en het ‘conventionele minimum’ van bescherming dat uit de materiële bepalingen ervan voortvloeit. Krachtens artikel 5, leden 1 en 3, van de genoemde Conventie is zowel de nationale behandeling (vanzelfsprekend) als het conventionele minimum van toepassing op werken waarvoor bescherming wordt gevraagd in een ander land dan het land van oorsprong van het werk.40. Diezelfde Conventie heeft daarentegen geenszins tot doel om beschermingsniveaus tussen ondertekenende landen te vergelijken of om een algemeen beginsel van materiële reciprociteit in te voeren.41. De gehele regeling van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie, die in wezen in strijd is met het doel en de beginselen van deze Conventie, is een veiligheidsklep die het mogelijk heeft gemaakt om werken van toegepaste kunst op te nemen in de — overigens niet uitputtende — lijst van categorieën van beschermde werken.42.
61.
De opstellers van de Berner Conventie hadden dus geen enkele reden om de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van deze Conventie dwingend te maken. Het staat de ondertekenende landen vrij om er gebruik van te maken, maar het is de volle werking van het beginsel van nationale behandeling waarmee de doelstellingen van deze Conventie het best kunnen worden bereikt.
62.
Ten derde en ten laatste, zelfs indien de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie dwingend zou worden geacht, is deze verplichting zeer betrekkelijk, aangezien artikel 19 van deze Conventie de ondertekenende landen uitdrukkelijk toestaat om te voorzien in een grotere mate van bescherming dan die waarin de genoemde Conventie voorziet, en auteurs toestaat om de toepassing van deze ruimere bescherming te vorderen en vanzelfsprekend te verkrijgen. Een eventueel verbod om werken van toegepaste kunst dubbele bescherming te verlenen ondanks het ontbreken van een dergelijke bescherming in het land van oorsprong, zou daarom hoe dan ook onwerkzaam zijn.
63.
Overigens wordt het standpunt dat de reciprociteitsclausule in kwestie facultatief is, ook in de rechtsleer breed gedeeld.43.
64.
Naar mijn mening staat niets in de Berner Conventie er dus aan in de weg dat het Unierecht auteursrechtelijke bescherming erga omnes verleent aan werken van toegepaste kunst en afziet van de toepassing van de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van deze Conventie.
— Samenvatting van dit deel
65.
Op grond van bovenstaande overwegingen kom ik tot de conclusie dat artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29 zich ertegen verzetten dat lidstaten de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie toepassen met betrekking tot de rechten die onder deze bepalingen vallen. Deze vaststelling volstaat als antwoord op de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter, met inbegrip van de eerste vraag, aangezien hieruit duidelijk volgt dat het Unierecht van toepassing is op het hoofdgeding.
Artikel 17, lid 2, van het Handvest
66.
Deze overwegingen leiden ook tot de conclusie dat het niet nodig is om een beroep te doen op het Handvest om de verwijzende rechter een antwoord te geven dat nuttig is voor de beslechting van het hoofdgeding.
67.
Indien het Hof mijn analyse volgt en van oordeel is dat de situatie in het hoofdgeding wordt beheerst door richtlijn 2001/29, die niet voorziet in een soortgelijke reciprociteitsclausule als die van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie, en de lidstaten niet toestaat om deze clausule rechtstreeks toe te passen, is voor een wijziging van deze situatie immers hoe dan ook een tussenkomst van de Uniewetgever vereist, zonder dat een beroep behoeft te worden gedaan op artikel 52, lid 1, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 2, ervan. De vraag of een dergelijke hypothetische tussenkomst van de wetgever in overeenstemming zou zijn met het Handvest, valt buiten het bestek van deze zaak.
68.
Indien het Hof daarentegen oordeelt dat richtlijn 2001/29 niet van toepassing is op werken van toegepaste kunst die afkomstig zijn uit derde landen en waarvan de auteurs geen onderdaan van een van de lidstaten zijn, valt het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het Unierecht, zoals Kwantum en de Nederlandse en de Belgische regering stellen. Bijgevolg zou het Handvest niet van toepassing zijn.
69.
Aangezien de Berner Conventie niet rechtstreeks toepasselijk is in de rechtsorde van de Unie44., is de vraag naar de overeenstemming van de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van deze Conventie met het Handvest bovendien niet aan de orde.
Antwoord op de prejudiciële vragen en slotopmerking
70.
In het licht van de voorgaande overwegingen stel ik voor om op de tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de lidstaten de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie toepassen.
71.
Ook al stelt de verwijzende rechter hierover geen vraag, het lijkt mij volledigheidshalve toch nuttig om de kwestie van de gevolgen van een dergelijk antwoord voor het hoofdgeding te behandelen.
72.
Artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29 verlenen auteurs van werken van toegepaste kunst van oorsprong uit derde landen, op voldoende nauwkeurige en onvoorwaardelijke wijze het uitsluitende recht om elke reproductie van deze werken en elke distributie van kopieën daarvan toe te staan of te verbieden. Het hoofdgeding betreft evenwel een geschil tussen particulieren, namelijk Kwantum en Vitra. Volgens vaste rechtspraak van het Hof45. kunnen deze bepalingen dan ook niet rechtstreeks door Vitra tegen Kwantum worden ingeroepen, tenzij het Nederlandse recht zelf toestaat dat een regel van nationaal recht (in het onderhavige geval artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie) die in strijd is met een nauwkeurige en onvoorwaardelijke Unierechtelijke bepaling, buiten toepassing wordt gelaten, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.46.
73.
Indien het Nederlandse recht dit niet toestaat, is de verwijzende rechter niettemin gehouden om zijn nationale recht, in casu artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie, dat rechtstreeks toepasselijk is in het Nederlandse recht, aldus uit te leggen dat het nuttig effect van richtlijn 2001/29 — dat wil zeggen de toekenning van de uit deze richtlijn voortvloeiende rechten aan auteurs van werken van toegepaste kunst van oorsprong uit derde landen — zoveel mogelijk wordt gewaarborgd.47. Dit zou de verwijzende rechter ertoe kunnen brengen de reikwijdte van de betrokken reciprociteitsclausule tot een minimum te beperken, door in geval van twijfel de uitlegging te kiezen die het gunstigst is voor de bescherming van de betrokken werken krachtens de nationale behandeling, zoals vastgesteld in artikel 5 van deze Conventie. De verwijzende rechter zou dus de door de rechter in tweede aanleg in het hoofdgeding gegeven uitlegging kunnen bevestigen.
74.
Dit zou het mogelijk maken om in het kader van het hoofdgeding de tekortkomingen van het Nederlandse rechtsstelsel tijdelijk te verhelpen. Voor de volledige overeenstemming van dit stelsel met richtlijn 2001/29 is echter een tussenkomst van de nationale wetgever vereist. Wat de door deze richtlijn geharmoniseerde rechten betreft, moet het nationale auteursrecht van elke lidstaat immers rechtstreeks van toepassing zijn op alle werken, ongeacht het land van oorsprong van de werken en de nationaliteit of woonplaats van de auteur ervan.
Vijfde prejudiciële vraag
75.
Met zijn vijfde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 351, eerste alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het een lidstaat toestaat om, in afwijking van de Unierechtelijke bepalingen, de thans in artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie opgenomen reciprociteitsclausule toe te passen jegens de houder van de auteursrechten op een werk waarvan het land van oorsprong de Verenigde Staten is, wanneer aan de voorwaarden ratione temporis voor de toepassing van die Verdragsbepaling is voldaan. Deze vraag is uiteraard alleen relevant als het Hof het door mij voorgestelde antwoord op de tweede, de derde en de vierde prejudiciële vraag volgt.
76.
De verwijzende rechter stelt deze vraag met betrekking tot België wellicht omdat de door Vitra aan Kwantum verweten feiten deels in die lidstaat hebben plaatsgevonden en volgens deze rechter onder het Belgische recht vallen. In België, net als in Nederland, is de Berner Conventie rechtstreeks van toepassing op werken die afkomstig zijn uit derde landen. De verwijzende rechter stelt die vraag niet met betrekking tot Nederland, aangezien de betrokken reciprociteitsclausule ten aanzien van deze lidstaat na de in artikel 351, eerste alinea, VWEU genoemde datum in werking is getreden.
77.
Ter herinnering, krachtens deze bepaling worden de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten die voor 1 januari 1958 zijn gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, door de bepalingen van de Verdragen niet aangetast.
78.
De reciprociteitsclausule van het huidige artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie is ingevoerd bij de Akte van Brussel van 26 juni 1948 tot herziening van deze Conventie. Deze akte is op 1 augustus 1951 in België in werking getreden. De Verenigde Staten zijn tot de Berner Conventie toegetreden op 1 maart 1989.48.
79.
Artikel 351, eerste alinea, VWEU is reeds door het Hof uitgelegd. Met name ten aanzien van een bepaling van de Berner Conventie (niet artikel 2, lid 7) heeft het Hof eraan herinnerd dat artikel 351, eerste alinea, VWEU beoogt om overeenkomstig de beginselen van internationaal recht te preciseren dat de toepassing van het Verdrag geen afbreuk doet aan de verbintenis van de betrokken lidstaat om de rechten van derde staten te eerbiedigen die voortvloeien uit een vóór zijn toetreding gesloten overeenkomst en om zijn daarmee samenhangende verplichtingen na te komen. Wanneer een dergelijke overeenkomst een lidstaat toestaat om een maatregel te nemen die in strijd blijkt met het Unierecht, zonder evenwel deze lidstaat daartoe te verplichten, dient de lidstaat zich echter van een dergelijke maatregel te onthouden.49.
80.
Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat deze rechtspraak mutatis mutandis toepassing moet vinden wanneer een door een lidstaat krachtens de door een eerdere internationale overeenkomst verleende bevoegdheid getroffen wetgevende maatregel door ontwikkelingen in het Unierecht in strijd met dit recht blijkt te zijn. In een dergelijke situatie kan de betrokken lidstaat zich niet op deze overeenkomst beroepen om zich te onttrekken aan de later ontstane Unierechtelijke verplichtingen.50.
81.
Zoals uit het voorgaande blijkt51., is de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie volgens mij niet dwingend voor de partijen bij deze Conventie; zij wijkt slechts af van hun onvoorwaardelijke verplichting om een nationale behandeling voor werken van toegepaste kunst te verzekeren. In de onderhavige zaak bevinden wij ons dus in de situatie als bedoeld in de rechtspraak van het Hof, waarin een internationale overeenkomst een lidstaat toestaat om een maatregel te nemen die in strijd blijkt met het Unierecht, zonder evenwel deze lidstaat daartoe te verplichten. In een dergelijk geval dient de betrokken lidstaat zich van deze maatregel te onthouden.52.
82.
Aangezien de betrokken reciprociteitsclausule in strijd is met artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29, moeten de lidstaten zich van het gebruik ervan onthouden, ook al waren zij vóór 1958 toegetreden tot de Akte van Brussel tot herziening van de Berner Conventie. Ik ben het dan ook met Vitra eens dat het Koninkrijk België jegens de Verenigde Staten geen enkele uit deze Conventie voortvloeiende verplichting heeft om werken van toegepaste kunst van oorsprong uit dit laatste land te discrimineren.
83.
Ik betwijfel daarentegen dat de datum van toetreding van de Verenigde Staten tot de Berner Conventie, namelijk na 1 januari 1958, enige invloed heeft op de mogelijke toepassing van artikel 351, eerste alinea, VWEU.
84.
Het is zeker juist dat, ondanks het multilaterale karakter van de Berner Conventie, de verplichtingen die met name uit de materiële bepalingen ervan voortvloeien eerder moeten worden beschouwd als een bundel van bilaterale verplichtingen van de landen waar auteursrechtelijke bescherming wordt gevraagd jegens de landen van oorsprong van de betrokken werken.
85.
De Berner Conventie staat echter slechts in een zeer beperkt aantal gevallen een voorbehoud toe en staat niet toe dat de toepassing ervan ten aanzien van nieuwe leden wordt beperkt. Dit betekent dat verbintenissen die de lidstaten vóór 1958 in het kader van deze Conventie zijn aangegaan53., automatisch van toepassing zijn op alle landen die na die datum partij bij de genoemde Conventie zijn geworden, zonder dat deze lidstaten daartegen bezwaar kunnen maken. Artikel 351, eerste alinea, VWEU moet derhalve aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op deze verbintenissen, ongeacht de datum van toetreding van het betrokken derde land tot die Conventie.
86.
Dit geldt echter alleen voor de dwingende bepalingen van de Berner Conventie, waartoe de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van deze Conventie niet behoort. Het probleem is overigens van theoretische aard, aangezien de Unie door de TRIPs-overeenkomst en het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht gebonden is aan de materiële bepalingen van de genoemde Conventie, zodat gevallen van onverenigbaarheid van het Unierecht met diezelfde Conventie zich niet zouden mogen voordoen.
87.
Ik stel daarom voor om op de vijfde prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 351, eerste alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het een lidstaat niet toestaat om, in afwijking van de Unierechtelijke bepalingen, de thans in artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie opgenomen reciprociteitsclausule toe te passen jegens de houder van de auteursrechten op een werk waarvan het land van oorsprong de Verenigde Staten is.
Conclusie
88.
Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Hoge Raad der Nederlanden als volgt te beantwoorden:
- 1)
Artikel 2, onder a), en artikel 4 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich ertegen verzetten dat de lidstaten de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), in de versie die voortvloeit uit de wijziging van 28 september 1979, toepassen.
- 2)
Artikel 351, eerste alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het een lidstaat niet toestaat om, in afwijking van de Unierechtelijke bepalingen, de thans in artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie opgenomen reciprociteitsclausule toe te passen jegens de houder van de auteursrechten op een werk waarvan het land van oorsprong de Verenigde Staten van Amerika is.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑09‑2024
Oorspronkelijke taal: Frans.
Zie bijvoorbeeld von Lewinski, S., International Copyright Law and Policy, Oxford University Press, Oxford, 2008, blz. 8 en 9.
Conventie ondertekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), in de versie die voortvloeit uit de wijziging van 28 september 1979 (hierna: ‘Berner Conventie’).
Zie de punten 9 en 10 van deze conclusie.
Overeenkomst opgenomen als bijlage 1 C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die is ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994 en goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-ronde (1986–1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1).
Verdrag goedgekeurd bij besluit 2000/278/EG van de Raad van 16 maart 2000 houdende goedkeuring namens de Europese Gemeenschap van het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht en het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen (PB 2000, L 89, blz. 6; hierna: ‘WIPO-verdrag inzake het auteursrecht’).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).
Stb. 1912, 308.
Het land van oorsprong van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde werk wordt bepaald overeenkomstig artikel 5, lid 4, van de Berner Conventie, volgens hetwelk het land van oorsprong van een gepubliceerd werk in wezen het land van de eerste publicatie is. Voor de toepassing van de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van deze Conventie is dus het land van oorsprong van het werk bepalend. De verwijzende rechter vermeldt echter ook de nationaliteit van de auteurs van het betrokken werk, waarschijnlijk omdat het Nederlandse recht niet alleen werken beschermt waarvan het land van oorsprong Nederland is, maar ook werken waarvan de auteurs Nederlandse onderdanen zijn en, bij uitbreiding, werken van auteurs uit andere lidstaten (zie de artikelen 47 en 51 van de wet van 23 september 1912 houdende nieuwe regeling van het auteursrecht). De situatie in het hoofdgeding had dus anders kunnen zijn indien de auteurs van het werk onderdanen van een lidstaat waren geweest.
Artikel 4 specificeert dat het gaat om zowel het origineel als kopieën van het werk.
Zie met name arrest van 12 september 2019, Cofemel (C-683/17, EU:C:2019:721, punt 29; hierna: ‘arrest Cofemel’).
Arrest Cofemel (punten 29 en 32).
Arrest Cofemel (punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest Cofemel (punt 35).
De bescherming is daarentegen territoriaal beperkt (zie punt 31 van deze conclusie).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB 2006, L 376, blz. 28).
Zie arrest RAAP (punten 49, 61, 68 en 71).
Verdrag gesloten te Genève op 20 december 1996 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2000/278 (PB 2000, L 89, blz. 6).
Zie arrest RAAP (punten 62–68).
Bovendien regelt het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht, net als de Berner Conventie, de auteursrechtelijke bescherming in andere landen dan het land van oorsprong van het werk. Logischerwijs kan een maatregel tot uitvoering van dit verdrag dus geen werken van oorsprong uit een derde land uit de werkingssfeer ervan uitsluiten.
Zie, naar analogie, met betrekking tot de werkingssfeer van richtlijn 2006/115, arrest RAAP (punten 58 en 59).
Aangezien volgens de Berner Conventie het belangrijkste criterium voor het bepalen van het land van oorsprong van een werk de plaats van publicatie is, valt dit land niet noodzakelijkerwijs samen met de nationaliteit of de woonplaats van de auteur.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (PB 1998, L 289, blz. 28).
Verordening van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).
Zie met name mijn conclusie in de zaak Cofemel (C-683/17, EU:C:2019:363, punten 33–48).
Arrest Cofemel (punten 44–47).
Arrest Cofemel (punt 48). Het Hof verwijst uiteraard naar het relevante punt van dat arrest.
Die al dan niet kunnen zijn ingeschreven.
Zijnde de in punt 26 van deze conclusie genoemde criteria.
Zie respectievelijk artikel 7 van richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB 2006, L 372, blz. 12), en artikel 7 van richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (PB 2001, L 272, blz. 32).
Het is juist dat deze bepaling, volgens welke de lidstaten het volgrecht garanderen aan auteurs en hun rechtsopvolgers uit derde landen op voorwaarde dat de wetgeving van het derde land in kwestie hetzelfde recht erkent ‘ten behoeve van auteurs uit de lidstaten en hun rechtsopvolgers’, nauwkeuriger blijkt dan die van de Berner Conventie (‘indien de nationale wetgeving van de auteur deze bescherming erkent’). Aangezien artikel 5, lid 1, van deze Conventie echter voorschrijft dat auteurs van werken die afkomstig zijn uit andere ondertekenende landen een nationale behandeling moeten krijgen, zal het resultaat van deze twee bepalingen hetzelfde zijn, namelijk wederzijdse erkenning van het volgrecht van auteurs en hun rechtsopvolgers die onderdaan zijn van de lidstaten en van het betrokken derde land.
Zie naar analogie arrest van 27 februari 2024, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann (C-382/21 P, EU:C:2024:172, punt 62).
Zie met betrekking tot de TRIPs-overeenkomst, arrest van 27 februari 2024, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann (C-382/21 P, EU:C:2024:172, punt 63), en met betrekking tot het WIPO-verdrag inzake het auteursrecht, naar analogie, arrest van 15 maart 2012, SCF (C-135/10, EU:C:2012:140, punten 47 en 48). Bovendien vormt het feit dat de Berner Conventie niet in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, naar mijn mening een extra contra-indicatie voor de rechtstreekse werking van de bepalingen van deze Conventie in het Unierecht (zie in die zin arrest van 11 december 2007, Skoma-Lux, C-161/06, EU:C:2007:773, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
COM(93) 342 def., blz. 54 en 55.
Zie punt 36 van deze conclusie.
Arrest van 26 april 2012, DR en TV2 Danmark (C-510/10, EU:C:2012:244, punt 31).
Die meestal minder uitgebreid is dan auteursrechtelijke bescherming.
Zoals ik in de inleiding van deze conclusie heb opgemerkt, beschermt de wetgeving inzake het auteursrecht van vele landen alleen nationale werken en auteurs.
De bescherming in de landen van oorsprong wordt overgelaten aan de wetgeving van die landen.
Zie over het ontstaan en de geschiedenis van deze regeling met name Goldstein, P., en Hugenholtz, P. B., International Copyright, Oxford University Press, Oxford, 2019, blz. 198–202.
Zie met name Schaafsma, S. J., Intellectual Property in the Conflict of Laws: The Hidden Conflict-of-Law Rule in the Principle of National Treatement, Edward Elgar Publishing, Cheltenham, 2022, blz. 334 en 358. Zie in die zin ook met name Goldstein, P., en Hugenholtz, P. B., International Copyright, Oxford University Press, Oxford, 2019, blz. 202, en von Lewinski, S., International Copyright Law and Policy, Oxford University Press, Oxford, 2008, blz. 114. Het is juist dat de European Copyright Society zich in haar advies over de onderhavige zaak op het standpunt stelt dat de reciprociteitsclausule van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie dwingend is. Deze organisatie erkent evenwel dat de partijen bij deze Conventie er door middel van artikel 19 van kunnen afwijken. Het resultaat is dan ook hetzelfde (zie: Opinion of the European Copyright Society on certain selected aspects of Case C-227/23, Kwantum Nederland and Kwantum België, 16 april 2024, beschikbaar op de website europeancopyrightsociety.org).
Zie punt 47 van deze conclusie.
Arrest van 11 april 2024, Gabel Industria Tessile en Canavesi (C-316/22, EU:C:2024:301, punt 22).
Arrest van 11 april 2024, Gabel Industria Tessile en Canavesi (C-316/22, EU:C:2024:301, punten 23 en 24).
Zie laatstelijk arrest van 25 april 2024, Maersk en Mapfre España (C-345/22–C-347/22, EU:C:2024:349, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
En niet op 1 mei 1989, zoals aangegeven in de vijfde prejudiciële vraag.
Arrest van 9 februari 2012, Luksan (C-277/10, EU:C:2012:65, punten 61 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 9 februari 2012, Luksan (C-277/10, EU:C:2012:65, punt 63).
Zie de punten 55–64 van deze conclusie.
Zie punt 79 van deze conclusie.
Of, voor lidstaten die na die datum tot de Unie zijn toegetreden, vóór de datum van hun toetreding.