HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1680, r.o. 2.4.
HR, 09-05-2023, nr. 21/04004
ECLI:NL:HR:2023:637
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-05-2023
- Zaaknummer
21/04004
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:637, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑05‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:297
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:1718
ECLI:NL:PHR:2023:297, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:637
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑09‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0095
NJ 2023/241 met annotatie van J.M. ten Voorde
Uitspraak 09‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Belaging, meermalen gepleegd (art. 285b.1 Sr). 1. Duur van vrijheidsbeperkende maatregel en daaraan verbonden vervangende hechtenis. 2. HR maakt opmerkingen over gevallen waarin verdachte (al) vóór uitspraak in hoger beroep is onderworpen aan vrijheidsbeperkende maatregel die in eerste aanleg is opgelegd en daarbij dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Ad 1. O.g.v. art. 38v.3 Sr kan rechter aan verdachte voor periode van ten hoogste vijf jaren vrijheidsbeperkende maatregel opleggen waaraan in art. 38v.2 Sr genoemde verplichtingen worden verbonden. Zowel in e.a. als in h.b. kan rechter daarbij o.g.v. art. 38v.4 Sr bevelen dat maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat hof in h.b. vrijheidsbeperkende maatregel oplegt, nadat Rb in e.a. ook al vrijheidsbeperkende maatregel had opgelegd die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. In dat geval moet bij berekening van totale duur van maatregel periode worden meegerekend waarin verdachte was onderworpen aan in e.a. opgelegde maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Termijn van maatregel vangt aan op ogenblik waarop in e.a. gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ingaat, te weten op dag van einduitspraak in e.a.. Voorgaande geldt ook als verplichtingen die in h.b. zijn verbonden aan maatregel (in belangrijke mate) afwijken van in e.a. opgelegde verplichtingen. Bij oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel bepaalt rechter overeenkomstig art. 38w.2 Sr duur van vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan maatregel wordt voldaan. O.g.v. art. 38w.3 Sr geldt van rechtswege dat totale duur van ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt (vgl. HR:2021:841). Termijn van zes maanden omvat periode waarin verdachte vervangende hechtenis heeft ondergaan i.v.m. een in e.a. opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Daarbij geldt dat in executiefase moet worden bepaald welk deel van die zes maanden vervangende hechtenis al ten uitvoer is gelegd en welk deel daarvan nog resteert. Dictum van arrest van hof moet zo worden begrepen dat hof heeft bepaald dat duur van vrijheidsbeperkende maatregel in totaal vijf jaren is, en dat duur van ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis in totaal zes maanden is, te berekenen op hiervoor weergegeven wijze. Ad 2. Hoewel geen rechtsregel rechter daartoe verplicht, heeft het ter voorkoming van onduidelijkheden bij tul voorkeur dat hof (als het maatregel opnieuw oplegt) in dictum van arrest beveelt dat tijd die verdachte vóór tul van arrest onderworpen is geweest aan dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel bij uitvoering van opgelegde maatregel in mindering zal worden gebracht. Redelijke wetsuitleg brengt mee dat door hof gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van door hof opgelegde maatregel van rechtswege in plaats treedt van door Rb dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel. Het verdient in dat geval echter voorkeur dat hof door Rb gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid o.g.v. art. 6:6:6 Sv opheft ter voorkoming van onduidelijkheden bij tul. Dit is i.h.b. van belang als in h.b. andere verplichtingen aan de maatregel worden verbonden dan in e.a. of als hof eerder door Rb gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid o.g.v. art. 6:6:6 Sv heeft geschorst. Hof heft door Rb gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid in ieder geval op als het niet tot oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel komt dan wel het niet dadelijke uitvoerbaarheid beveelt van door hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Als hof tot opheffing van bevel van Rb overgaat, heeft die beslissing onmiddellijke werking (vgl. HR:2022:1319). Wat hiervoor onder is overwogen, geldt ook als o.g.v. art. 77h.4.f Sr vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd aan jeugdige of jongvolwassene, zij het dat dan geen vervangende hechtenis, maar vervangende jeugddetentie kan worden toegepast als niet aan maatregel is voldaan. Uit wetsgeschiedenis blijkt dat het bedoeling van wetgever is geweest dat in die gevallen bij formuleren van maatregel en bij vaststellen van maximale duur van vervangende jeugddetentie rekening wordt gehouden met jeugdige leeftijd van verdachte. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04004
Datum 9 mei 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 september 2021, nummer 22-004544-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof ten aanzien van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het voert daartoe onder meer aan dat het hof heeft miskend dat (i) de maximale duur van de vrijheidsbeperkende maatregel vijf jaren is en (ii) de daarbij te bepalen duur van de vervangende hechtenis maximaal zes maanden is.
Procesgang in eerste aanleg en in hoger beroep
2.2.1
Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is aan de verdachte onder meer een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaren met een maximum van zes maanden vervangende hechtenis, wegens belaging van drie slachtoffers. Zowel de rechtbank als het hof heeft daarbij een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel gegeven, zoals bedoeld in artikel 38v lid 4 Sr.
2.2.2
Het vonnis van de rechtbank van 8 november 2018 houdt hierover het volgende in:
“legt op de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat:
• de verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of onderhouden met:
- [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1980;
- [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1957;
- [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1961;
• de verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren zich niet bevindt bij en in een straal van 100 meter rondom de woning van [betrokkene 3] aan het [a-straat 1] te [plaats] ;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 (zes) maanden;
stelt vast dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
bepaalt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.”
2.2.3
Het arrest van het hof van 16 september 2021 houdt hierover het volgende in:
“Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
(...)
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren:
- zich niet zal ophouden in een straal van 100 meter rondom de woning van [betrokkene 3] te [plaats] aan het [a-straat 1] ;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met
[betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1980;
[betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1957;
[betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1961.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.”
Wettelijk kader en wetsgeschiedenis
2.3.1
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 38v leden 1 tot en met 5 Sr, zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
c. op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,
d. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.
3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.
4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
5. Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.”
- Artikel 38w Sr:
“1. In het vonnis waarbij de maatregel als bedoeld in artikel 38v wordt opgelegd, beveelt de rechter dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
2. De rechter bepaalt in het vonnis de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld en bedraagt ten minste drie dagen.
3. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
4. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel, bedoeld in artikel 38v, tweede lid, niet op.”
2.3.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod), Stb. 2011, 546, waarbij de artikelen 38v en 38w in het Wetboek van Strafrecht zijn ingevoegd, houdt onder meer het volgende in:
“5.3 Vervangende hechtenis
(...)
De uiteindelijk in totaal ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis kan op grond van het voorgestelde artikel 38w, vierde lid, Sr, de duur van zes maanden niet overschrijden.
(...)
6.3
Hoger beroep
(...)
Indien de rechter in eerste aanleg de dadelijke tenuitvoerlegging heeft bevolen, beoordeelt het gerechtshof of de dadelijke tenuitvoerlegging moet worden voortgezet. Wanneer het gerechtshof al snel tot het oordeel komt dat de maatregel niet in stand kan blijven, kan het gerechtshof het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid opheffen. In andere gevallen bepaalt het gerechtshof bij de bevestiging van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg of bij het opleggen van de (gewijzigde) maatregel of de directe tenuitvoerlegging moet worden voortgezet of moet worden bevolen. Het gerechtshof bepaalt dan opnieuw de duur en inhoud van de maatregel, met aftrek van de periode gedurende welke de maatregel al van kracht is geweest. De totale duur van de maatregel mag op grond van artikel 38v, derde lid, Sr de periode van ten hoogste twee jaren [de Hoge Raad: vijf jaren volgens het huidige artikel 38v lid 3 Sr] niet overschrijden. Indien het gerechtshof de oplegging van de maatregel, anders dan de rechter in eerste aanleg, niet nodig acht, of als de verdachte van het onderliggende feit wordt vrijgesproken, beveelt het gerechtshof de beëindiging van de tenuitvoerlegging. (...) Ook bij het bepalen van de duur van de vervangende hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd in het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, houdt het gerechtshof rekening met het aantal dagen gedurende welke de vervangende hechtenis mogelijk reeds is tenuitvoergelegd. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden (artikel 38w, derde lid, Sr). In het (theoretische) geval dat reeds vóór de behandeling van de zaak in hoger beroep de vervangende hechtenis geheel ten uitvoer is gelegd, kan het gerechtshof de maatregel en de vervangende hechtenis slechts bevestigen.
(...)
Artikel 77h Sr
Binnen de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen is artikel 77h, vierde lid, aangevuld met de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in de artikelen 38v tot en met 38ij Sr. De voorgestelde vrijheidsbeperkende maatregel kan ook voor jeugdigen een passende maatregel zijn. Analoog aan de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr zijn in de artikelen 77a e.v. Sr geen aanvullende of afwijkende bepalingen voor jeugdigen opgenomen. De strafrechter kan bij het formuleren van de maatregel, daaronder begrepen het vaststellen van de duur van de vervangende hechtenis, rekening houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte.”
(Kamerstukken II 2010/11, 32551, nr. 3, p. 13, 14, 17, 18 en 27.)
2.3.3
De hiervoor onder 2.3.1 weergegeven regeling is nagenoeg gelijk gebleven bij de gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet van 22 februari 2017 (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen; ook wel Wet USB genoemd), Stb. 2017, 82. Wel is artikel 38v lid 5 (oud) Sr toen vervallen, in verband met de invoering van een algemene regeling over de opheffing of schorsing van een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid in artikel 6:6:6 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Deze bepaling luidt:
“De rechter die kennisneemt van het beroep kan, gehoord het openbaar ministerie, een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een straf of maatregel opheffen of schorsen.”
Oordeel van de Hoge Raad
2.4.1
Op grond van artikel 38v lid 3 Sr kan de rechter aan een verdachte voor een periode van ten hoogste vijf jaren een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen waaraan een of meer van de in artikel 38v lid 2 Sr genoemde verplichtingen worden verbonden. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep kan de rechter daarbij - in afwijking van de algemene regel dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer mag worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden - op grond van artikel 38v lid 4 Sr bevelen dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
2.4.2
Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat het hof in hoger beroep een (al dan niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren) vrijheidsbeperkende maatregel oplegt, nadat de rechtbank in eerste aanleg ook al een vrijheidsbeperkende maatregel had opgelegd die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. In dat geval moet - mede gelet op de hiervoor onder 2.3.2 weergegeven wetsgeschiedenis - bij de berekening van de totale duur van de vrijheidsbeperkende maatregel, de periode worden meegerekend waarin de verdachte was onderworpen aan de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. De termijn van de maatregel vangt aan op het ogenblik waarop het in eerste aanleg gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ingaat, te weten op de dag van de einduitspraak in eerste aanleg.
2.4.3
Het voorgaande geldt ook als de verplichtingen die in hoger beroep zijn verbonden aan die maatregel (in belangrijke mate) afwijken van de in eerste aanleg opgelegde verplichtingen (bijvoorbeeld in het geval dat de in eerste aanleg opgelegde verplichtingen een locatieverbod als bedoeld in artikel 38v lid 2, aanhef en onder a, Sr betreffen, terwijl het in hoger beroep een contactverbod als bedoeld in artikel 38v lid 2, aanhef en onder b, Sr betreft).
2.4.4
Bij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bepaalt de rechter overeenkomstig artikel 38w lid 2 Sr de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel - dat wil zeggen: aan een aan die maatregel verbonden verplichting - wordt voldaan. Op grond van artikel 38w lid 3 Sr geldt van rechtswege dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. (Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:841.)De termijn van zes maanden omvat de periode waarin de verdachte vervangende hechtenis heeft ondergaan in verband met een in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Daarbij geldt dat in de executiefase moet worden bepaald welk deel van die zes maanden vervangende hechtenis al ten uitvoer is gelegd en welk deel daarvan nog resteert.
2.5.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de in artikel 38v lid 2 en 38w lid 3 Sr bedoelde maximumduur van de vrijheidsbeperkende maatregel en de daaraan verbonden vervangende hechtenis niet in acht heeft genomen, omdat het hof - nadat de verdachte al ongeveer drie jaren was onderworpen aan de in eerste aanleg dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel - in hoger beroep opnieuw aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaren heeft opgelegd en daarbij de totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis heeft bepaald op zes maanden, waardoor “de facto de totale duur” van die vervangende hechtenis twaalf maanden zou bedragen.
2.5.2
Het onder 2.2.3 weergegeven dictum moet zo worden begrepen dat het hof heeft bepaald dat de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel in totaal vijf jaren is, en dat de duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis in totaal zes maanden is, te berekenen op de wijze zoals in 2.4 is weergegeven. Gelet daarop faalt de klacht.
2.6.1
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.6.2
Het cassatiemiddel faalt in al zijn onderdelen.
2.7.1
Opmerking verdient nog het volgende over gevallen als het onderhavige, waarin de verdachte (al) vóór de uitspraak in hoger beroep is onderworpen aan een vrijheidsbeperkende maatregel die in eerste aanleg is opgelegd en daarbij dadelijk uitvoerbaar is verklaard.
2.7.2
Hoewel geen rechtsregel de rechter daartoe verplicht, heeft het ter voorkoming van onduidelijkheden bij de tenuitvoerlegging de voorkeur dat het hof - als het deze maatregel opnieuw oplegt - in het dictum van het arrest beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan een dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
2.7.3
Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat een door het hof gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van rechtswege in de plaats treedt van een door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel. Het verdient in dat geval echter de voorkeur dat het hof het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op grond van artikel 6:6:6 Sv opheft ter voorkoming van onduidelijkheden bij de tenuitvoerlegging. Dit is in het bijzonder van belang als in hoger beroep andere verplichtingen aan de vrijheidsbeperkende maatregel worden verbonden dan in eerste aanleg of als het hof eerder het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op grond van artikel 6:6:6 Sv heeft geschorst.
2.7.4
Het hof heft het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid in ieder geval op als het niet tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel komt dan wel het niet de dadelijke uitvoerbaarheid beveelt van de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Als het hof tot de opheffing van het bevel van de rechtbank overgaat, heeft die beslissing onmiddellijke werking (vgl. HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1319, rechtsoverweging 3.3.1).
2.7.5
Wat hiervoor onder 2.4 en 2.7.2 tot en met 2.7.4 is overwogen, geldt ook als op grond van artikel 77h lid 4, aanhef en onder f, Sr een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd aan een jeugdige of jongvolwassene, zij het dat dan geen vervangende hechtenis, maar vervangende jeugddetentie kan worden toegepast als niet aan de maatregel is voldaan. Uit de onder 2.3.2 weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat in die gevallen bij het formuleren van de maatregel en bij het vaststellen van de maximale duur van die vervangende jeugddetentie rekening wordt gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 95 uren, subsidiair 47 dagen hechtenis, belopen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2023.
Conclusie 14‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Belaging. art. 285b Sr. Middel 1: klachten over opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel a.b.i. art. 38v Sr. AG wijdt algemene opmerkingen aan vraag hoe in hoger beroep moet worden omgegaan met situatie waarin de vrijheidsbeperkende maatregel door bevel dadelijke uitvoerbaarheid in eerste aanleg reeds een periode van kracht is geweest. AG leidt uit wetsgeschiedenis af dat hof duur van de maatregel dan moet bepalen met aftrek van deze periode. I.c. ligt in 's hofs oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel voor duur van vijf jaren besloten dat aftrek nog moet worden toegepast bij tenuitvoerlegging. Middel 2: schending inzendtermijn. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de inzendtermijn en verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04004
Zitting 14 maart 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 16 september 2021 door het gerechtshof Den Haag in de zaak met parketnummer 09-827246-17 wegens “belaging, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 09-765009-18 wegens “belaging” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een contactverbod met drie slachtoffers en een gebiedsverbod voor de duur van vijf jaren. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het arrest omschreven.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel klaagt over de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr en valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht richt zich tegen de motivering van de oplegging van deze maatregel. De tweede deelklacht houdt in dat de strafoplegging onjuist is, dan wel onvoldoende gemotiveerd, nu het hof de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd voor de duur van vijf jaren met een maximum van zes maanden vervangende hechtenis, terwijl de door de rechtbank in eerste aanleg opgelegde (nagenoeg gelijkluidende) vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar was verklaard, zodat reeds drie jaren ten uitvoer waren gelegd ten tijde van het arrest van het hof. Daar komt volgens de stellers van het middel nog bij dat “de facto de totale duur van de door de rechtbank en het hof daarbij bepaalde duur van de vervangende hechtenis meer bedraagt dat de maximumduur van 6 maanden te weten 12 maanden”, zodat de strafoplegging ook om die reden onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is.
4. Het hof heeft ten aanzien van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel het volgende overwogen:
“Het hof zal gelet op de ernst en de duur van het intimiderende gedrag van de verdachte en het feit dat de daaraan ten grondslag liggende problemen nog niet geheel lijken te zijn opgelost, ter beveiliging van de maatschappij en het voorkomen van strafbare feiten aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen, te weten een contactverbod met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Dit houdt in het verbod om direct of indirect contact met hen op te nemen, op straffe van hechtenis voor de duur van twee weken bij elke overtreding van deze maatregel met een maximum van zes maanden.
Daarnaast zal het hof een gebiedsverbod opleggen, inhoudende dat de verdachte zich niet in een straal van 100 meter rondom de woning van [betrokkene 3] te [plaats] mag begeven. Het hof zal deze vrijheidsbeperkende maatregel opleggen voor de duur van 5 jaar, gelet op de intensiteit van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de chronische aard van de problematiek die hieraan ten grondslag lijkt te liggen.
Het hof ziet voorts aanleiding om te beslissen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard, nu voldaan is aan het criterium van artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Uit de overgelegde brief van [betrokkene 4], behandelend psychotherapeute, d.d. 4 augustus 2021 blijkt dat ondanks de door de verdachte doorgemaakte positieve ontwikkelingen er nog steeds sprake is van klachten, die voortkomen uit (vroeg-)kinderlijke traumata. De verdachte is volgens de psychotherapeute een chronisch kwetsbare vrouw met een fragiele balans tussen draagkracht en draaglast. Voorts overweegt het hof dat de verdachte zich in een bepaalde periode schuldig heeft gemaakt aan ernstige belaging van drie slachtoffers.
Het hof is gelet op het voornoemde van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend jegens genoemde slachtoffers zal gedragen. Op basis van hetgeen [betrokkene 4] heeft overwogen over de verdachte acht het hof het risico op recidive nochtans aanwezig. Het enkele feit dat de verdachte een behandeling heeft gevolgd, is voor het hof onvoldoende om te kunnen concluderen dat er thans geen vrees meer is dat de verdachte wederom een dergelijk feit zal plegen, nu [betrokkene 4] heeft aangegeven, dat ondanks de positieve ontwikkelingen er nog steeds sprake blijft van klachten, voortkomend uit (vroeg)kinderlijke traumata. Verdachte is een chronisch kwetsbare vrouw met een fragiele balans tussen draagkracht en draaglast.”
5. De oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel is geregeld in art. 38v en de daarbij te bepalen vervangende hechtenis in art. 38w Sr.
- Art. 38v Sr luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en voor zover hier van belang:
“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
c. op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,
d. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.
3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.
4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
[…]”
- Art. 38w Sr luidt:
“1. In het vonnis waarbij de maatregel als bedoeld in artikel 38v wordt opgelegd, beveelt de rechter dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
2. De rechter bepaalt in het vonnis de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld en bedraagt ten minste drie dagen.
3. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
4. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel, bedoeld in artikel 38v, tweede lid, niet op.”
De eerste deelklacht
6. De eerste deelklacht houdt in dat het hof de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel – in het licht van hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd en gelet op de omstandigheid dat de feiten zijn gepleegd jaren voordat het hof de maatregel oplegde – ontoereikend heeft gemotiveerd. Het betoog van de raadsman in hoger beroep waarop de stellers van het middel doelen, houdt – kort gezegd – in dat de verdachte in 2017 een langdurig behandelingstraject is ingegaan, dat de verdachte sindsdien goede resultaten heeft geboekt en dat zij ook niet meer in aanraking is geweest met politie en/of justitie ter zake van soortgelijke feiten.
7. De vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v lid 1 Sr kan worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten.1.Dat brengt volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot invoering van dat artikel mee dat de rechter de maatregel alleen kan opleggen “indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen.”2.Gelet daarop dient de rechter de oplegging van deze vrijheidsbeperkende maatregel te motiveren.3.
8. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat geen al te hoge eisen worden gesteld aan de motivering van de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel. In HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916 vond de Hoge Raad het bijvoorbeeld voldoende dat uit de overweging van het hof bleek dat de maatregel was opgelegd “ter voorkoming van strafbare feiten” en dat daarbij acht was geslagen “op een eerdere veroordeling van de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging”.4.Wel geldt dat de motivering er blijk van moet geven dat de maatregel is opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Dat volgt bijvoorbeeld uit HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1680.5.Daarin had het hof vastgesteld dat de verdachte na het bewezenverklaarde feit weliswaar geen contact meer met het slachtoffer had gezocht, maar dat het “voor het gevoel van veiligheid van het slachtoffer” toch wenselijk was de maatregel op te leggen. Dat achtte de Hoge Raad geen toereikende motivering, waarbij expliciet werd overwogen dat de maatregel kan worden opgelegd “ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten.”
9. In de onderhavige zaak heeft het hof blijkens zijn motivering acht geslagen op de ernst en de duur van het intimiderende gedrag van de verdachte en op het feit dat de daaraan ten grondslag liggende problemen nog niet geheel lijken te zijn opgelost. Het hof overweegt vervolgens dat het “ter beveiliging van de maatschappij en het voorkomen van strafbare feiten” een vrijheidsbeperkende maatregel op zal leggen. Uit de overwegingen blijkt dat het hof acht heeft geslagen op het door de verdediging benadrukte behandelingstraject van de verdachte, maar dat het daarin onvoldoende aanleiding ziet om te concluderen dat er geen vrees meer is dat de verdachte wederom een soortgelijk feit zal plegen. Het hof overweegt omtrent de dadelijke uitvoerbaarheid in dat verband dat uit de overlegde brief van de behandelend psychotherapeute blijkt dat de verdachte weliswaar positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, maar dat er “nog steeds sprake is van klachten, die voortkomen uit (vroeg-)kinderlijke traumata.” De verdachte is volgens de psychotherapeute een chronisch kwetsbare vrouw met een fragiele balans tussen draagkracht en draaglast. Op basis hiervan is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend jegens genoemde slachtoffers zal gedragen.
10. Gelet op hetgeen onder randnummer 8 is overwogen, heeft het hof hiermee de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel toereikend gemotiveerd.
11. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
12. De tweede deelklacht houdt in dat de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel door het hof onjuist is, althans onvoldoende met redenen omkleed. Door de stellers van het middel wordt aangevoerd dat het hof een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaren heeft opgelegd, terwijl de door de rechtbank in eerste aanleg opgelegde (nagenoeg gelijkluidende) vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar was verklaard en zodoende ten tijde van het arrest van het hof reeds ongeveer drie jaren ten uitvoer was gelegd. Verder betogen de stellers van het middel dat “de facto de totale duur van de door de rechtbank en het hof” opgelegde duur van de vervangende hechtenis meer bedraagt dan de maximumduur van zes maanden, te weten twaalf maanden.
13. De rechtbank heeft in eerste aanleg blijkens het dictum de volgende vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd:
“legt op de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dat:
• de verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of onderhouden met:
- [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1980;
- [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1957;
- [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1961;
• de verdachte voor de duur van 5 (vijf) jaren zich niet bevindt bij en in een straal van 100 meter rondom de woning van [betrokkene 3] aan [a-straat 1] te [postcode] [plaats];
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 (zes) maanden;
stelt vast dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
bepaalt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn;”
14. Het dictum van het hof houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
[…]
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren:
- zich niet zal ophouden in een straal van 100 meter rondom de woning van [betrokkene 3] te [postcode] [plaats] aan [a-straat 1];
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met
[betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1980;
[betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1957;
[betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1961.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.”
15. Deze deelklacht gaat over het geval waarin het hof in hoger beroep een vrijheidsbeperkende maatregel oplegt, terwijl deze maatregel ook in eerste aanleg was opgelegd en vanwege een door die rechter gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid reeds gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd. In de uitvoeringspraktijk blijkt enige onduidelijkheid te bestaan over de manier waarop in zo’n geval met de door het hof vastgestelde duur van de maatregel moet worden omgegaan. Daarom zie ik aanleiding om – voorafgaand aan de inhoudelijke bespreking van de tweede deelklacht – enige algemene opmerkingen te maken over deze problematiek.
Algemene opmerkingen
16. Art. 38v lid 4 Sr bepaalt dat de rechter de dadelijke uitvoerbaarheid van een vrijheidsbeperkende maatregel kan bevelen. Dat bevel brengt mee dat de maatregel direct op de dag van de uitspraak van kracht wordt en dat de tenuitvoerlegging niet – zoals op grond van artikel 6:1:16 lid 1 Sv te doen gebruikelijk – pas kan aanvangen nadat de uitspraak van de rechter onherroepelijk is geworden. Het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid kan zowel worden gegeven door de rechtbank in eerste aanleg als door het hof in hoger beroep.6.Over de vraag of – en zo ja, hoe – het hof bij het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in hoger beroep rekening dient te houden met het feit dat een in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel vanwege een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid reeds gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd, bevat de wet geen nader voorschrift.
17. De parlementaire geschiedenis die betrekking heeft op art. 38v Sr besteedt wel bijzondere aandacht aan deze vraag. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de invoering van de vrijheidsbeperkende maatregel als sanctiemodaliteit, wordt in dat verband het volgende opgemerkt:
“Indien de rechter in eerste aanleg de dadelijke tenuitvoerlegging heeft bevolen, beoordeelt het gerechtshof of de dadelijke tenuitvoerlegging moet worden voortgezet. Wanneer het gerechtshof al snel tot het oordeel komt dat de maatregel niet in stand kan blijven, kan het gerechtshof het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid opheffen. In andere gevallen bepaalt het gerechtshof bij de bevestiging van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg of bij het opleggen van de (gewijzigde) maatregel of de directe tenuitvoerlegging moet worden voortgezet of moet worden bevolen. Het gerechtshof bepaalt dan opnieuw de duur en inhoud van de maatregel, met aftrek van de periode gedurende welke de maatregel al van kracht is geweest. De totale duur van de maatregel mag op grond van artikel 38v, derde lid, Sr de periode van ten hoogste twee jaren [bij wet van 30 juni 2015 (Stb. 2015, 255) verhoogt naar vijf jaren, DP] niet overschrijden.”7.
18. Uit deze memorie van toelichting blijkt dat het hof bij het bevelen van een vrijheidsbeperkende maatregel rekening moet houden met de omstandigheid dat deze maatregel ook in eerste aanleg is opgelegd en reeds gedurende een periode van kracht is geweest. Deze periode dient in de ogen van de wetgever in mindering te komen op de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel die het hof los daarvan geëigend acht. Daarbij geldt dat de maatregel op grond van art. 38v lid 3 Sr ten hoogste voor een periode van vijf jaren kan worden opgelegd en dat de totale duur van de maatregel die periode niet mag overschrijden.
19. Een blik op de jurisprudentie van de gerechtshoven laat zien dat het expliciet toepassen van de in de wetsgeschiedenis bedoelde aftrek eerder uitzondering dan regel is. In het overgrote deel van de zaken waarin in hoger beroep opnieuw een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd, komt de in hoger beroep opgelegde duur daarvan overeen met de duur van de in eerste aanleg opgelegde maatregel en blijkt uit het arrest niet dat het hof reeds aftrek heeft toegepast wegens de periode gedurende welke de maatregel vanwege de in eerste aanleg bevolen dadelijke uitvoerbaarheid al van kracht is geweest, noch dat deze aftrek bij de tenuitvoerlegging van de maatregel zal moeten worden toegepast. Hierdoor kan onduidelijkheid ontstaan over de vraag hoe de door het hof vastgestelde duur van de maatregel moet worden begrepen. Heeft het hof bij die vaststelling al rekening gehouden met de periode gedurende welke de in eerste aanleg opgelegde maatregel reeds van kracht is geweest of dient de door het hof vastgestelde duur van de maatregel in de fase van de tenuitvoerlegging daarmee nog te worden verminderd? Voor zover de in hoger beroep opgelegde duur van de maatregel overeenkomt met de duur van de in eerste aanleg opgelegde maatregel, wekt een arrest zonder verdere verduidelijking de indruk dat het hof ervan uitgaat dat die aftrek door de uitvoeringsorganisatie zelfstandig zal worden toegepast, ook in gevallen waarin art. 38v lid 3 Sr niet tot die aftrek dwingt omdat de in hoger beroep vastgestelde duur van maatregel en de periode waarin de maatregel reeds van kracht is geweest in totaal minder dan een periode van vijf jaren bedraagt.
20. Voor de toekomst lijkt het mij – mede gelet op de wetsgeschiedenis – aangewezen dat het hof hierover steeds duidelijkheid verschaft. Naar het mij voorkomt, is een voor de hand liggende manier om aan de bedoeling van de wetgever invulling te geven en tegelijkertijd duidelijkheid te verschaffen aan de uitvoeringsinstantie, dat het hof in gevallen als hier bedoeld – overeenkomstig hetgeen bij de aftrek van voorarrest gebeurt – zelf geen aftrek toepast, maar in het dictum van het arrest opneemt dat de periode waarin de vrijheidsbeperkende maatregel reeds van kracht is geweest in mindering moet worden gebracht op de door het hof bepaalde duur van de maatregel.8.Een alternatief kan zijn dat het hof de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel bevestigt. Daarnaast zal dan dienen te worden beslist of de directe tenuitvoerlegging moet worden voortgezet.
Bespreking van de tweede deelklacht
21. In de kern wordt met de tweede deelklacht betoogd dat het hof bij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel in hoger beroep ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan het feit dat de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel reeds gedurende een periode van kracht is geweest als gevolg van een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.
22. In de onderhavige zaak is aan de verdachte in eerste aanleg een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaren. Daarbij heeft de rechtbank tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel bevolen. Het hof heeft vervolgens in hoger beroep wederom de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaren. Nu de duur van de maatregel die in eerste aanleg is opgelegd overeenkomt met die in hoger beroep, terwijl de totale duur van de vrijheidsbeperkende maatregel ten hoogste een periode van vijf jaren kan bedragen, ligt in het oordeel van het hof besloten dat het hof bij de vaststelling van de duur van deze maatregel nog geen aftrek heeft toegepast van de periode gedurende welke de maatregel sinds het vonnis in eerste aanleg reeds van kracht is geweest en moet het er naar mijn oordeel voor worden gehouden dat het hof van oordeel is dat die aftrek bij de tenuitvoerlegging nog zal dienen plaats te vinden. In zoverre kan de tweede deelklacht niet slagen.
23. Voor zover de tweede deelklacht voorts een klacht bevat over de overschrijding van de maximumduur van de door het hof bepaalde vervangende hechtenis, mist die feitelijke grondslag. Het hof heeft de maximaal toe te passen vervangende hechtenis bij niet-naleving van de maatregel in zijn arrest immers – geheel conform art. 38w lid 3 Sr – bepaald op zes maanden.
24. De tweede deelklacht is tevergeefs voorgesteld.
Het tweede middel
25. Het middel bevat de klacht dat er sprake is van overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden.
26. Namens de verdachte is op 24 september 2021 cassatie ingesteld. De inzendtermijn bedraagt acht maanden, terwijl de stukken van het geding pas op 4 juli 2022 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Nu een voortvarende behandeling van de zaak in cassatie niet meer tot de mogelijkheden behoort, dient dit verzuim te leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren.9.
Slotsom
27. Het eerste middel faalt en het tweede middel slaagt.
28. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof ten aanzien van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑03‑2023
HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, r.o. 2.6.
Zie HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, r.o. 2.4.2.
Zie HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1680, r.o. 2.4.
Vgl. HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:910, NJ 2015/235, m.nt. F. Vellinga-Schootstra, r.o. 2.5.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32551, nr. 3, p. 18.
In een aantal zaken is door het hof reeds voor deze weg gekozen. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11542 en Hof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:104.
In zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, r.o. 3.6.2 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat geen vermindering van de opgelegde taakstraf wordt toegepast bij overschrijding van de redelijke termijn indien de opgelegde taakstraf minder dan honderd uren beloopt. In onderhavige zaak heeft het hof precies honderd uren taakstraf opgelegd, zodat de opgelegde taakstraf m.i. voor vermindering in aanmerking komt.
Beroepschrift 27‑09‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 21/04004
Betekening aanzegging: 17 augustus 2022
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en S. van den Akker
dossiernummer: D20220354
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 16 september 2021, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren. Het hof heeft tevens de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan de verdachte, inhoudende contactverboden ten aanzien van 3 personen en een gebiedsverbod.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij (verkort zakelijk weergegeven) (feit 1) op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van augustus 2016 tot en met 20 april 2017 te [c-plaats], althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]. Voorts is haar tenlastegelegd dat zij (verkort zakelijk weergegeven) (feit 2) zij in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 18 juli 2017 te [b-plaats] en/of [a-plaats] en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 3].
De Rechtbank Den Haag heeft de verdachte in eerste aanleg in haar vonnis van 8 november 2018 veroordeeld ter zake van genoemde belagingen. In het vonnis heeft de rechtbank verdachte voor de duur van 5 jaren een aantal vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd, bestaande uit contactverboden en een gebiedsverbod. Daarbij is bevolen dat de maatregelen daadwerkelijk uitvoerbaar zijn, zodat de maatregelen zijn ingegaan op 8 november 2018.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat (verkort zakelijk weergegeven) de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn. Voorts is aangevoerd dat er geen aanleiding meer bestaat verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat verdachte haar verantwoordelijkheid heeft genomen om een langdurig behandelingstraject in te gaan, teneinde zo haar psychische stoornissen het hoofd te kunnen bieden, zodat anderen geen last hebben van haar levenslange trauma's; in dit behandelingstraject zij onder meer heeft geleerd om situaties die tot overprikkeling/triggers leiden niet op te zoeken in plaats van, zoals zij in het verleden deed, lijnrecht hiertegen in te gaan; verdachte juist heel graag aan haar problematiek wilde werken teneinde voor zichzelf rust te brengen en ervoor te zorgen dat ook anderen geen last van haar zouden hebben; verdachte geen pre-occupatie met een slachtoffer heeft gehad hetgeen ook a-typisch is voor een stalker; de behandeling in april 2017 aanving; verdachte woord heeft gehouden en een voor haar enorme inspanning heeft verricht om aan haar leven een structurele wending te geven en hierin is geslaagd; verdachte sinds haar vrijlating inzicht en verantwoordelijkheid heeft getoond, met name door haar probleem te erkennen en hulp te zoeken; de behandeling goede resultaten heeft geboekt en verdachte sindsdien niet meer in aanraking is geweest met politie en/of justitie terzake soortgelijke feiten.
In het arrest van 16 september 2021 heeft het hof vastgesteld dat de redelijke termijn van de berechting is geschonden zodat het hof de opgelegde straf heeft gematigd. Het hof heeft verdachte voorts dezelfde vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd als in eerste aanleg waarbij (ook) het hof bevolen heeft dat maatregelen daadwerkelijk uitvoerbaar zijn.
In het licht van de omstandigheid dat de feiten gepleegd zijn jaren voordat het hof de maatregel heeft opgelegd en hetgeen door de verdediging is aangevoerd, te weten dat verdachte haar verantwoordelijkheid genomen om een langdurig behandelingstraject in te gaan, teneinde zo haar psychische stoornissen het hoofd te kunnen bieden, zodat anderen geen last hebben van haar levenslange trauma's; in dit behandelingstraject zij onder meer heeft geleerd om situaties die tot overprikkeling/triggers leiden niet op te zoeken in plaats van, zoals zij in het verleden deed, lijnrecht hiertegen in te gaan; verdachte juist heel graag aan haar problematiek wilde werken teneinde voor zichzelf rust te brengen en ervoor te zorgen dat ook anderen geen last van haar zouden hebben; verdachte geen pre-occupatie met een slachtoffer heeft gehad hetgeen ook a-typisch is voor een stalker; de behandeling in april 2017 aanving; verdachte woord heeft gehouden en een voor haar enorme inspanning heeft verricht om aan haar leven een structurele wending te geven en hierin is geslaagd; verdachte sinds haar vrijlating inzicht en verantwoordelijkheid heeft getoond, met name door haar probleem te erkennen en hulp te zoeken, de behandeling goede resultaten heeft geboekt en verdachte sindsdien niet meer in aanraking is geweest met politie en/of justitie terzake soortgelijke feiten is de oplegging van de maatregelen onvoldoende met redenen omkleed.
Voorts is het volgende van belang. In eerste aanleg is verdachte voor de duur van 5 jaren 2 vrijheidsbeperkende maatregelen (bestaande uit contactverboden en een gebiedsverbod) opgelegd waarbij (telkens) vervangende hechtenis is bepaald van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregelen wordt voldaan met een maximum van 6 maanden. Daarbij is bevolen dat de maatregelen daadwerkelijk uitvoerbaar zijn, zodat de maatregelen zijn ingegaan op 8 november 2018. Bijna 3 jaar later, 16 september 2021, heeft het hof verdachte eveneens (vrijwel) dezelfde vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd. Ook daarbij is vervangende hechtenis bepaald van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden en is de maatregel daadwerkelijk uitvoerbaar verklaard.
Nu op grond van 38v Sr de maximumduur van een vrijheidsbeperkende maatregel 5 jaar bedraagt; de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen bestaande uit 3 contactverboden en een gebiedsverbod dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard zodat deze met ingang van de datum van het vonnis reeds ten uitvoer zijn gelegd; het hof ongeveer 3 jaar later, te weten op 16 september 2021 dezelfde maatregelen heeft opgelegd voor eveneens de duur van 5 jaren terwijl op dat moment reeds 3 jaren ten uitvoer waren gelegd is de strafoplegging onjuist is althans onvoldoende met redenen is omkleed. Daar komt nog bij dat de facto de totale duur van de door de rechtbank en het hof daarbij bepaalde duur van de vervangende hechtenis meer bedraagt dat de maximumduur van 6 maanden te weten 12 maanden is de strafoplegging ook om die reden onjuist, althans onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Aan de verdachte is (kortgezegd) een tenlastegelegd dat zij (verkort zakelijk weergegeven) (feit 1) op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van augustus 2016 tot en met 20 april 2017 te [c-plaats], althans in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]. Voorts is haar tenlastegelegd dat zij (verkort zakelijk weergegeven) (feit 2) zij in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 18 juli 2017 te [b-plaats] en/of [a-plaats] en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 3].
1.2
De Rechtbank Den Haag heeft de verdachte in eerste aanleg in haar vonnis van 8 november 2018 veroordeeld terzake van genoemde belagingen. In het vonnis heeft de rechtbank overwogen en /geoordeeld:
‘Maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
Voorts zal de rechtbank, gelet op de ernst en de duur van het intimiderende gedrag van de verdachte en het feit dat de daaraan ten grondslag liggende problemen nog niet lijken te zijn opgelost, ter beveiliging van de maatschappij en het voorkomen van strafbare feiten aan de verdachte een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen, te weten een contactverbod met [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Dit houdt in het verbod om direct of indirect contact met hen op te nemen, op straffe van hechtenis voor de duur van twee weken bij elke overtreding van deze maatregel met een maximum van zes maanden. Deze maatregel is niet disproportioneel, alleen al omdat verdachte geen banden met genoemde personen onderhoudt.
Daarnaast zal de rechtbank een gebiedsverbod opleggen, inhoudende dat verdachte zich niet rondom de woning van aangeefster [betrokkene 3] mag begeven. De rechtbank zal deze maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor de duur van 5 jaar, gelet op de intensiteit van de inbreuk in de persoonlijke levenssfeer, de chronische aard van de problematiek die hieraan ten grondslag lijkt te liggen en het feit dat verdachte al eerder een contactverbod heeft overtreden.
De rechtbank ziet voorts aanleiding om te beslissen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard, nu voldaan is aan het criterium van artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend jegens genoemde slachtoffers zal gedragen.’
1.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2021 is onder meer gerelateerd dat mr. G. Martin, advocaat te Purmerend, het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Hierin is onder meer volgt aangevoerd:
‘Cliënte is vandaag niet aanwezig op deze zitting omdat het juist naar omstandigheden goed met haar gaat en zij haar proces van heling niet wenst te verstoren. Deze zitting vormt een te grote bedreiging tot overprikkeling. Zij heeft haar verantwoordelijkheid genomen om een langdurig behandelingstraject in te gaan, teneinde zo haar psychische stoornissen het hoofd te kunnen bieden, zodat anderen geen last hebben van haar levenslange trauma's. In dit behandelingstraject heeft zij onder meer geleerd om situaties die tot overprikkeling/triggers leiden niet op te zoeken in plaats van, zoals zij in het verleden deed, lijnrecht hiertegen in te gaan.
()
Inleidende opmerkingen
Sinds enkele jaren biedt De Waag behandelingen voor stalkers, zo blijkt de website van het behandelcentrum. Het is geen nieuws dat de behandeling van stalkers om specifieke expertise vraagt en derhalve bestaan er sinds enkele jaren behandelmethodes aan de hand van het Australische instrument Stalking Risk Profile, kortweg SRP. Wereldwijd is er echter nog steeds geen evidence-based zorgprogramma.
Pas in de loop van 2017 is het programma verder ontwikkeld en heeft in 2018 meer vorm gekregen.
Hoewel er verschillende types Stalkers zijn, zijn er enkele kenmerken die voor bijna alle stalkers gelden: een gevoel van ergens recht op hebben, zoals op aandacht van het slachtoffer. Ook is er vaak sprake van een gebrek aan empathie, inlevingsvermogen en besef van wat er wordt aangericht. Stalkers vinden hun gedrag doorgaans niet problematisch en staan doorgaans niet open voor behandeling. De SRP-gebaseerde methode is erop gericht om de motivatie voor behandeling te prikkelen.
De ervaring leert dat stalkers op allerhande obsessief bezig zijn met hun slachtoffer. Zodra het stalken is weggevallen, veelal doordat de stalker is gepakt, blijft er voor de stalker niets meer over. De behandelmethode ziet erop toe dat de stalker voor andere zaken te interesseren, hen perspectief te bieden en kwaliteit van leven te geven.
Het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving concludeerde op 7 november 2011 dat veroordeelde belagers in geval van recidive doorgaans ook snel opnieuw de fout in gaan en dat door deze groep veroordeelden keer op keer een nieuw excuus wordt gevonden om met hun doelwit in contact te treden, ongeacht op welke wijze (bron: https://www.nemokennislink.nl/publicaties/stalkers-die-ophieuw-de-fout-in-gaan-doen-dat-snel/).
In het geval van cliënte zien wij dat allemaal niet. Zij wilde juist heel graag aan haar problematiek werken teneinde voor zichzelf rust te brengen en ervoor te zorgen dat ook anderen geen last van haar zouden hebben.
Ik veroorloof mij de opmerking (in ken en volg cliënte nu 5 jaar) dat ik de overtuiging heb dat ik geen stalker bijsta, maar iemand voor wie alles, na een decennia durend meervoudig psychotrauma, te veel werd.
Met geen van de aangevers heeft mijn cliënte ook maar enige pre-occupatie. Als zij al een pre-occupatie heeft, dan heeft zij die met haar vader. Cliënte blijkt niet door het slachtoffer geobsedeerd zijn, is iets dat a-typisch is voor een stalker. Op 24 mei 2016 werd cliënte voor het eerst verhoord door de politie te Amsterdam. Ook dit gesprek ging uitsluitend over haar vader en zoals uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt, komt geen enkele pre-occupatie met aangeefster [betrokkene 3] of wie dan ook naar voren. Het gaat alleen maar over onverwerkte rouw en een concrete herinnering aan haar vader. Kort na deze confrontatie met de politie (en zichzelf) heeft cliënte professionele hulp gezocht van een bij haar in de buurt gevestigde gz-psycholoog en kwam zij op een wachtlijst te staan Haar behandeling ving aan op 10 april 2017.
Cliënte is was zich toen al bewust van haar problematiek en wilde zij zich laten behandelen teneinde zichzelf en anderen geen overlast te bezorgen van problematiek die louter haarzelf betrof. In de strafzaak werd de Rechtbank en later Uw Hof met regelmatige tussenpozen geïnformeerd omtrent het verloop van de behandeling. Uw Hof heeft op de vorige pro forma zitting nog kennis kunnen nemen van het verslag d.d. 13 januari 2021 van mevrouw [psychotherapeute] (psycholoog/psychotherapeut).
Op 22 april 2017, nadat zij was aangehouden, beloofde zij uitdrukkelijk dat zij zou stoppen met het vertonen van grensoverschrijdend gedrag. Zij kon dat ook toezeggen, omdat zij wist dat zij inmiddels bij een gz-psycholoog in goede handen was en haar focus gericht was op het succesvol doorlopen van dat behandelingstraject. Cliënte heeft overigens in het verleden meerdere malen aangeklopt bij behandelaars, werd weer vriendelijk de deur gewezen, omdat zij het gelet op haar sterke karakter hoogstwaarschijnlijk wel zelf zou redden. Wel, gebleken is dat dat niet zo was en dat kon niet anders dan tot escalatie leiden.
Het mag gezegd worden dat cliënte woord heeft gehouden en een voor haar enorme inspanning heeft verricht om aan haar leven een structurele wending te geven en hierin geslaagd is. Cliënte heeft spijt dat zij niet veel eerder deze route is gegaan en dat het op een escalatie in haar leven heeft moeten komen om in beweging te komen.
()
Voorts merkt de verdediging op dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen niet aan de verdediging of aan de verdachte te wijten is. Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, moet het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.13 tot en met 3.16.)
()
In het kader van de straftoemeting stel ik voor om cliënte te veroordelen tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, daarnaast haar te veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf, met enkel de gebruikelijke algemene voorwaarden met een proeftijd van 2 jaar, omdat cliënte sinds haar vrijlating inzicht en verantwoordelijkheid heeft getoond, met name door haar probleem te erkennen en hulp te zoeken, de behandeling goede resultaten heeft geboekt en sindsdien cliënte niet meer in aanraking is geweest met politie en/of justitie terzake soortgelijke feiten.
De verdediging acht het voorts niet opportuun (om dezelfde redenen voornoemd) om een maatregel ex art. 38v Sr. op te leggen, aangezien hier geen directe aanleiding (lees: noodzaak) toe bestaat en het gevaar van recidive over de boeg van een voorwaardelijke straf voldoende kan worden ondervangen. Met betrekking tot aangeefster [betrokkene 3] zij opgemerkt dat jegens cliënte geen bijzondere voorwaarden zijn opgelegd in de vorm van een contactverbod.
Tot slot merk ik op dat de lange duur van de procedure een negatief effect heeft gehad op het succes van het behandelingstraject voornoemd. Vanuit de strafzaak werd cliënte regelmatig geconfronteerd met het voortduren daarvan, hetgeen niet alleen een zeker onzekerheid met zich mee bracht, maar veelal een terugslag gaf in de behandeling. Twee stappen vooruit en een stap terug, kort samengevat.
()’
1.4
Het hof heeft de tenlastegelegde belagingen bewezen verklaard. De feiten zijn gepleegd op (feit 1) tijdstippen in de periode van augustus 2016 tot en met 20 april 2017 respectievelijk (feit 2) in de periode van 1 september 2015 tot en met november 2016. Het hof heeft de feiten gekwalificeerd als belaging, meermalen gepleegd, respectievelijk belaging. Het hof heeft met betrekking tot oplegging van de straf onder meer geconstateerd dat de redelijke termijn van de berechting is geschonden. Ten aanzien van de opgelegde straf/maatregel heeft het hof overwogen/geoordeeld:
‘Maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
Het hof zal gelet op de ernst en de duur van het intimiderende gedrag van de verdachte en het feit dat de daaraan ten grondslag liggende problemen nog niet geheel lijken te zijn opgelost,, ter beveiliging van de maatschappij en het voorkomen van strafbare feiten aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen, te weten een contactverbod met [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Dit houdt in het verbod om direct of indirect contact met hen op te nemen, op straffe van hechtenis voor de duur van twee weken bij elke overtreding van deze maatregel met een maximum van zes maanden.
Daarnaast zal het hof een gebiedsverbod opleggen, inhoudende dat de verdachte zich niet in een straal van 100 meter rondom de woning van mevrouw, [betrokkene 3] te [a-plaats] mag begeven. Het hof zal deze vrijheidsbeperkende maatregel opleggen voor de duur van 5 jaar, gelet op de intensiteit van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de chronische aard van de problematiek die hieraan ten grondslag lijkt te liggen.
Het hof ziet voorts aanleiding om te beslissen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard, nu voldaan is aan het criterium van artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Uit de overgelegde brief van [psychotherapeute], behandelend psychotherapeute, d.d. 4 augustus 2021 blijkt dat ondanks de door de verdachte doorgemaakte positieve ontwikkelingen er nog steeds sprake is van klachten, die voortkomen uit (vroeg-)kinderlijke traumata. De verdachte is volgens de psychotherapeute een chronisch kwetsbare vrouw met een fragiele balans tussen draagkracht en draaglast. Voorts overweegt het hof dat de verdachte zich in een bepaalde periode schuldig heeft gemaakt aan ernstige belaging van drie slachtoffers.
Het hof is gelet op het voornoemde van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend jegens genoemde slachtoffers zal gedragen. Op basis van hetgeen mevrouw [psychotherapeute] heeft overwogen over de verdachte acht het hof het risico op recidive nochtans aanwezig. Het enkele feit dat de verdachte een behandeling heeft gevolgd, is voor het hof onvoldoende om te kunnen concludéren dat er thans geen vrees meer is dat de verdachte wederom een dergelijk feit zal plegen, nu mevrouw [psychotherapeute] heeft aangegeven, dat ondanks de positieve ontwikkelingen er nog steeds sprake blijft van klachten, voortkomend uit (vroeg)kinderlijke traumata.
Verdachte is een chronisch kwetsbare vrouw met een fragiele balans tussen draagkracht en draaglast.
()
Beslissing
Het hof:
()
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van
5 jaren:
- —
zich niet zal ophouden in een straal van 100 meter rondom de woning van mevrouw [betrokkene 3] te [postcode] [a-plaats] aan het [a-straat 1];
- —
op geen enkele wijze — direct of indirect — contact zal opnemen, zoeken of hebben met
- ○
[betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1980;
- ○
[betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1957;
- ○
[betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1961.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van, de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
()’
1.5
Art. 38v Sr luidt:
- ‘1.
Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
- 1o.
waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
- 2o.
waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
- 2.
De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
- a.
zich niet op te houden in een bepaald gebied,
- b.
zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
- c.
op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,
- d.
zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.
- 3.
De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.
- 4.
De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
- 5.
Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.
- 6.
De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.’
1.6
Art. 38w Sr luidt:
- ‘1.
In het vonnis waarbij de maatregel als bedoeld in artikel 38v wordt opgelegd, beveelt de rechter dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan.
- 2.
De rechter bepaalt in het vonnis de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld en bedraagt ten minste drie dagen.
- 3.
De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
- 4.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel, bedoeld in artikel 38v, tweede lid, niet op.’
1.7
De strafoplegging wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De feitenrechter is — binnen de grenzen van het ter zake geldende strafmaximum — vrij in de keuze van de straf, waaronder ook is te verstaan de keuze van de strafsoort, en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht.1. Het in art. 359.2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat rechter zijn beslissing over strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van verdediging of OM. De straftoemetingsvrijheid stelt feitenrechter in staat om bij beslissing over oplegging van straf a.b.i. art. 350 Sv, te komen tot strafoplegging die is afgestemd op ernst van feit, persoon van verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van feitenrechter mee om inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot opgelegde straf. In feitenrechtspraak bestaat in algemene zin ook ruim aandacht voor belang van behoorlijke strafmotivering. Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt volgens de Hoge Raad ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is. Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo'n standpunt. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom — gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan — een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo'n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.2.
1.8
Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel vergt de oplegging daarvan, gelet op het mogelijk ingrijpende karakter en de potentieel lange duur van het toezicht steeds een beoordeling van de individuele feiten en de omstandigheden van het voorliggende geval. Blijkens de wetsgeschiedenis dient de rechter die de maatregel oplegt volgens de Hoge Raad onder meer een inschatting te maken van het toekomstige recidiverisico, waarbij hij rekening houdt met het type delict (in het bijzonder of aan dat delict mogelijk een verhoogd recidiverisico kleeft), de omstandigheden waaronder dat is begaan en eventuele eerdere strafbare feiten. De wetgever achtte het daarbij van belang dat de rechter ten behoeve van deze beoordeling over een recent opgemaakt gemotiveerd reclasseringsadvies beschikt dat ook een risicotaxatie omvat.3. Zo is eerder wel de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel wel eens onbegrijpelijk gevonden in een zaak waarin niet was gebleken dat de verdachte in de jaren nadat het feit was gepleegd contact heeft gezocht of gehad met het slachtoffer maar waarin gesteld was dat de oplegging wenselijk was voor het gevoel van veiligheid van het slachtoffer.4.
1.9
In het licht van de omstandigheid dat de feiten gepleegd zijn jaren voordat het hof de maatregel heeft opgelegd en hetgeen door de verdediging is aangevoerd, te weten dat verdachte haar verantwoordelijkheid genomen om een langdurig behandelingstraject in te gaan, teneinde zo haar psychische stoornissen het hoofd te kunnen bieden, zodat anderen geen last hebben van haar levenslange trauma's; in dit behandelingstraject zij onder meer heeft geleerd om situaties die tot overprikkeling/triggers leiden niet op te zoeken in plaats van, zoals zij in het verleden deed, lijnrecht hiertegen in te gaan; verdachte juist heel graag aan haar problematiek wilde werken teneinde voor zichzelf rust te brengen en ervoor te zorgen dat ook anderen geen last van haar zouden hebben; verdachte geen pre-occupatie met een slachtoffer heeft gehad hetgeen ook a-typisch is voor een stalker; de behandeling in april 2017 aanving; verdachte woord heeft gehouden en een voor haar enorme inspanning heeft verricht om aan haar leven een structurele wending te geven en hierin is geslaagd; verdachte sinds haar vrijlating inzicht en verantwoordelijkheid heeft getoond, met name door haar probleem te erkennen en hulp te zoeken, de behandeling goede resultaten heeft geboekt en verdachte sindsdien niet meer in aanraking is geweest met politie en/of justitie ter zake soortgelijke feiten is de oplegging van de maatregel onvoldoende met redenen omkleed.
1.8
Voorts is het volgende van belang. In eerste aanleg is verdachte voor de duur van 5 jaren 2 vrijheidsbeperkende maatregelen (bestaande uit contactverboden en een gebiedsverbod) opgelegd waarbij (telkens) vervangende hechtenis is bepaald van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregelen wordt voldaan met een maximum van 6 maanden. Daarbij is bevolen dat de maatregelen daadwerkelijk uitvoerbaar zijn, zodat de maatregelen zijn ingegaan op 8 november 2018. Bijna 3 jaar later, 16 september 2021, heeft het hof verdachte eveneens (vrijwel) dezelfde vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd. Ook daarbij is vervangende hechtenis bepaald van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden en is de maatregel daadwerkelijk uitvoerbaar verklaard. Eerder heeft de Hoge Raad uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat de rechter aan een verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel kan opleggen waaraan meerdere in artikel 38v lid 2 Sr genoemde verplichtingen worden verbonden. Daarbij bepaalt de rechter overeenkomstig artikel 38w lid 2 Sr de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel — dat wil zeggen: aan een aan die maatregel verbonden verplichting — wordt voldaan. Op grond van artikel 38w lid 3 Sr geldt van rechtswege dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.5.
1.9
Nu op grond van 38v Sr de maximumduur van een vrijheidsbeperkende maatregel 5 jaar bedraagt; de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen bestaande uit 3 contactverboden en een gebiedsverbod dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard zodat deze met ingang van de datum van het vonnis reeds ten uitvoer zijn gelegd; het hof ongeveer 3 jaar later, te weten op 16 september 2021 dezelfde maatregelen heeft opgelegd voor eveneens de duur van 5 jaren terwijl op dat moment reeds 3 jaren ten uitvoer waren gelegd is de strafoplegging onjuist is althans onvoldoende met redenen is omkleed. Daar komt nog bij dat de facto de totale duur van de door de rechtbank en het hof daarbij bepaalde duur van de vervangende hechtenis meer bedraagt dat de maximumduur van 6 maanden te weten (in totaal) 12 maanden is de strafoplegging ook om die reden onjuist, althans onvoldoende met redenen omkleed.
Middel II
Op 24 september 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 4 juli 2022 zijn de stukken ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee heeft het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad gezonden, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.
Toelichting
2.1
Op 24 september 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 16 september 2022 hebben de raadslieden van verdachte zich bij de Hoge Raad als advocaten voor verdachte gesteld. Op 4 juli 2022 zijn de stukken ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee heeft het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad gezonden, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.6.
2.2
De omstandigheid dat verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd doet niet af aan het bovenstaande nu het hof verdachte eveneens vrijheidsbeperkende maatregelen heeft opgelegd. Aan de verdachte zal ook niet kunnen worden tegengeworpen dat zij onvoldoende belang heeft bij haar klacht nu zij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. De raadslieden van verdachte zijn immers pas in staat geweest de stukken van de zaak te bestuderen nadat hen de stukken waren toegezonden. Voorts zijn de raadslieden pas in staat geweest een cassatieschriftuur in te dienen nadat de aanzegging van de Hoge Raad was betekend. De Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest nadat het hof de stukken van het geding naar de Hoge Raad had gezonden. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn te wijten is aan de te late inzending van het dossier door het hof.
2.3
Van belang is voorts het volgende. In zijn arrest van 11 september 2012 heeft de Hoge Raad gesteld klachten over schending van de redelijke termijn af te zullen doen m.b.v. art. 80a RO, indien in die zaken alleen zou worden geklaagd over schending van de redelijke termijn, of indien in die zaken ook over andere kwesties zou worden geklaagd, welke klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.7. Op Nederland rust evenwel de plicht de rechtspleging zo in te richten, dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld.8. Geconstateerd moet worden dat Nederland, ondanks meerdere pogingen daartoe, er nog steeds niet in is geslaagd er zorg voor te dragen dat in de cassatieprocedures de Hoge Raad uitspraak doet binnen de vereiste redelijke termijn. Integendeel. In 2014 heeft de raadsman van verdachte in 39 strafzaken ook geklaagd over schending van de redelijke termijn. In 2015 heeft de raadsman in 43 cassatieprocedures (onder meer) geklaagd over schending van de redelijke termijn na het instellen van cassatie. In 2016 en 2017 is beide jaren meer dan 50 keer geklaagd over de schending van de redelijke termijn, terwijl in 2018 hieromtrent meer dan 60 klachten zijn ingediend. In 2019 zijn maar liefst 75 klachten ingediend over de schending van de redelijke termijn. Bij deze aantallen zijn dus niet zaken meegerekend waarin geen (andere) klacht in de cassatieprocedure kon worden gevoerd. Ook in de nabije toekomst behoeft een verbetering niet te worden verwacht. Zo blijkt uit het in 2014 verschenen rapport ‘Werkdruk bewezen’ van de NVvR dat een te hoge werkdruk de kwaliteit van de rechtspraak ondergraaft. Overigens heeft de (voormalig) president van de Hoge Raad reeds in februari 2013 in een brief de noodklok geluid over de werkdruk.9. Zie voorts de opmerkingen van de Procureur-Generaal in het Jaarverslag 2012.10. Nog op 1 maart 2015 heeft de voorzitter van de Raad voor Rechtsspraak aangegeven dat door gebrek aan capaciteit de werkdruk voor rechters zo hoog is dat er achterstanden ontstaan, waarbij gebrek aan geld de belangrijkste oorzaak voor het capaciteitsprobleem wordt aangewezen.11. Onder deze omstandigheden dient thans te worden geconcludeerd dat er sprake is van een verzuim dat — naar uit objectieve gegevens — blijkt zozeer bij herhaling voor te komen dat zijn structurele karakter vaststaat èn dat de verantwoordelijke autoriteiten, te weten de Regering en het Parlement zich onvoldoende inspanningen hebben getroost herhaling te voorkomen. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.4
Voorkomen moet worden dat ‘onder de zegel’ van cassatie de norm ten aanzien van de duur van de berechting steeds maar weer wordt verlegd waardoor er ook vanwege alle bezuinigingen en reorganisaties geen substantiële druk meer op de overheid wordt gelegd om een onredelijke procesduur zoveel mogelijk te vermijden.12. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.5
Voorts in de onderhavige schriftuur de verdachte ook nog andere klachten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de ‘prior criminal proceedings’, zodat ook om deze reden niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij haar klacht over de schending van de redelijke termijn.13.
2.6
Bovendien is afdoening op basis van art. 80a RO niet aangewezen, gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en omdat afdoening op basis van art. 80a RO inbreuk maakt op het recht van ‘effective remedy’.14. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat afdoening van de zaak door middel van art. 80a RO in zaken als de onderhavige geen inbreuk lijkt te maken op het EVRM, is veroordeelde van mening dat de Hoge Raad deze kwestie zal dienen voor te leggen aan het EHRM en wel door middel van het stellen van prejudiciële vragen. Uit hetgeen hierboven is aangevoerd volgt dat in zaken als de onderhavige, waarin sprake is van schending van de redelijke termijn die het gevolg is van het door het hof niet in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven termijnen, art. 13 EVRM immers een ‘effective remedy’ vereist. De vragen zouden kunnen luiden:
- 1.
Vereisen de artikelen 6 en 13 EVRM dat de cassatierechter een inhoudelijk oordeel velt over een klacht betreffende de schending van redelijke termijn in zaken waarin de redelijke termijn van de berechting in cassatie wordt geschonden doordat de laatste feitelijke rechter geldende termijnen met betrekking tot het opstellen van relevante stukken en het opsturen van die stukken niet in acht neemt?
- 2.
Maakt het daarbij verschil uit of in cassatie ook andere klachten naar voren zijn gebracht?
- 3.
Maakt het daarbij verschil uit of deze andere klachten een behandeling in cassatie rechtvaardigen?
- 4.
Maakt het daarbij verschil uit of de verdachte/veroordeelde in de betreffende zaak gedetineerd is?
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 27 september 2022
Advocaten
R.J. Baumgardt
S.van den Akker
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑09‑2022
HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006: AY7805. Zie voorts o.m. HR 15 januari 2019, ECLI 46, NJ 2019/60.
HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975.
HR 1 juni 2021, NJ 2021/220, ECLI:NL:HR:2021:771.
HR 27 oktober 2020, NJ 2020/414.
HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:841.
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241 – 245, m.nt. F.W. Bleichrodt.
EHRM 26 mei 1993, NJ 1993/466, m.nt. E.A. Alkema en EHRM 23 februari 1999, nr. 34966/97 (De Groot/Nederland), NJ 1999/641, m.nt. G. Knigge.
NRC 4 februari 2013.
Jaarverslag 2012, p. 23/24.
Noot van T.M. Schalken onder HR 27 oktober 2015, NJ 2015/469.
EHRM 27 augustus 2013, nr. 12810/13 (Celik/Nederland).
Zie in dit verband de reeds door F.W. Bleichrodt in zijn noot onder HR 22 januari 2013, NJ 2013/245 gemaakte opmerking en —met name— de door het EHRM aan Nederland gestelde vragen in EHRM 18 december 2018, nr. 585/19 (Nelissen/Nederland).