HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709 en HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1148.
HR, 09-06-2015, nr. 13/06206
ECLI:NL:HR:2015:1495, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-06-2015
- Zaaknummer
13/06206
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1495, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑06‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:830, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2013:5196, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
ECLI:NL:PHR:2015:830, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑04‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1495, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑04‑2014
- Vindplaatsen
NJ 2015/289 met annotatie van
SR-Updates.nl 2015-0277
Uitspraak 09‑06‑2015
Inhoudsindicatie
N-o verklaring van verdachte in h.b. Art. 416 Sv. In aanmerking genomen dat tijdig een appelschriftuur houdende grieven is ingediend en dat uit de stukken van het geding niet volgt dat verdachte de door hem bij appelschriftuur opgegeven bezwaren niet wenst te handhaven, geeft het oordeel van het Hof dat verdachte n-o moet worden verklaard in het h.b. omdat hij geen rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het h.b. heeft, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Partij(en)
9 juni 2015
Strafkamer
nr. 13/06206
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 3 december 2013, nummer 23/003722-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
2.2.1.
Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken behoren:
(i) een "aantekening mondeling vonnis" inhoudende dat de verdachte door de Politierechter in de Rechtbank Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen;
(ii) een akte instellen hoger beroep inhoudende dat mr. R.I. Takens - daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd - namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen voornoemd vonnis;
(iii) een tijdig ingediende appelschriftuur inhoudende grieven tegen voormeld vonnis en verzoeken tot het horen van getuigen;
(iv) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 augustus 2013 inhoudende dat de verdachte niet is verschenen, de raadsman uitdrukkelijk was gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen en het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst met bevel tot oproeping van de verdachte en de raadsman tegen een nader te bepalen tijdstip;
(v) de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2013, welke oproeping aan de griffier van de Rechtbank is uitgereikt, omdat van de verdachte in Nederland geen woon- of verblijfplaats bekend is;
(vi) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2013, inhoudende het volgende:
"De verdachte (...) is niet verschenen.
De raadsman van de verdachte R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter merkt op dat de oproeping van de verdachte voor deze regiezitting op 19 november 2013 aan de griffier van de rechtbank is uitgereikt. De verdachte heeft geen vaste woon- en verblijfsplaats in Nederland. De voorzitter merkt op dat de verdachte in zijn eerste verhoor bij de politie als postadres heeft opgegeven de [a-straat 1] te Amsterdam. In eerste aanleg is de verdachte gedagvaard op dit adres. Deze akte is destijds niet uitgereikt omdat de in de adressering aangegeven woning niet zou bestaan.
De advocaat-generaal merkt op dat zij een faxbericht van de raadsman van de verdachte gedateerd 3 december 2013 heeft ontvangen. De raadsman van de verdachte deelt in deze brief mede dat zijn cliënt recent geen contact meer met hem heeft opgenomen en dat hij zich derhalve niet gemachtigd voelt om ter terechtzitting te verschijnen en namens zijn cliënt het woord te voeren. De raadsman laat weten dat indien zijn cliënt wel ter terechtzitting verschijnt hij bereid is hem verder bij te staan.
Desgevraagd vordert de advocaat-generaal niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep, omdat noch de verdachte noch de raadsman zijn verschenen en daarmee te kennen geven geen belang meer te hebben bij een verdere behandeling van het hoger beroep. Andere redenen om de behandeling voort te zetten doen zich niet voor, aldus de advocaat-generaal."
2.2.2.
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:
"De verdachte heeft zonder enig bericht van verhindering verstek laten gaan, terwijl hij wist, althans kon weten van de onderhavige zitting. Evenmin heeft hij contact opgenomen met zijn raadsman. Deze laatste heeft zich voorts niet langer gemachtigd geacht en is om die reden niet verschenen. Verder weegt mee dat tijdens de onderhavige zitting de verdachte en zijn raadsman gehoord moesten worden over voor de voortgang van het proces van belang zijnde kwesties die samenhingen met verzoeken van de verdediging; het hof zou daarover beslissingen moeten nemen. Gezien het belang hiervan maakt het in dit geval niet uit of het om een regiezitting of een inhoudelijke zitting zou gaan: gezien de aard van hetgeen zou worden behandeld mocht van verdachte en zijn raadsman een actieve proceshouding worden verwacht. Niettemin is er niemand ter terechtzitting verschenen en er is evenmin een verzoek tot aanhouding gedaan. Bij deze stand van zaken kan het hof slechts de conclusie trekken dat de verdediging bij voortzetting van de behandeling in hoger beroep geen belang meer heeft. In dat licht behoeft niet meer op de verzoeken van de verdediging te worden beslist.
Bij het oordeel van het hof heeft daarnaast nog een rol gespeeld dat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats heeft. Hij is niet bekend bij het GBA en heeft overigens een adres opgegeven - [a-straat 1] te Amsterdam - dat blijkens opgave van de postbezorger niet bestaat. Dat betekent dat nu ook de raadsman het contact met zijn cliënt kwijt is, er geen enkele kans bestaat dat de verdachte van een eventuele voortzetting van de zaak op de hoogte zou komen.
Het hof heeft tenslotte de vraag onder ogen gezien of het ingekomen faxbericht van de raadsman dient te worden aangemerkt als een onttrekking aan de verdediging van de verdachte en of er voor het hof dan redenen zouden zijn om ambtshalve tot toevoeging van een andere raadsman of raadsvrouw aan de verdachte over te gaan. Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De mededeling van de raadsman dat hij niet ter terechtzitting zal verschijnen maar bereid is zijn bijstand aan de verdachte voort te zetten indien deze dat wenst houdt niet het eindigen van de toevoegingsrelatie in, zodat voor ambtshalve optreden van het hof geen aanleiding is.
Bij het verder ontbreken van een rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het hoger beroep zal het hof de verdachte daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren."
2.3.
Art. 416 Sv luidt, voor zover hier van belang:
"1. (...) Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."
2.4.
In aanmerking genomen dat tijdig een appelschriftuur houdende grieven is ingediend en dat uit de stukken van het geding niet volgt dat de verdachte de door hem bij appelschriftuur opgegeven bezwaren niet wenst te handhaven, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep omdat hij geen rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het hoger beroep heeft, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.5.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2015.
Conclusie 21‑04‑2015
Inhoudsindicatie
N-o verklaring van verdachte in h.b. Art. 416 Sv. In aanmerking genomen dat tijdig een appelschriftuur houdende grieven is ingediend en dat uit de stukken van het geding niet volgt dat verdachte de door hem bij appelschriftuur opgegeven bezwaren niet wenst te handhaven, geeft het oordeel van het Hof dat verdachte n-o moet worden verklaard in het h.b. omdat hij geen rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het h.b. heeft, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Nr. 13/06206 Zitting: 21 april 2015 | Mr. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte bij arrest van 3 december 2013 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel
4.1. Het middel klaagt over de (motivering van de) beslissing om verdachte niet ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep.
4.2. Voordat ik inga op de beslissing van het Hof schets ik eerst kort de voorgeschiedenis. De Rechtbank Amsterdam heeft verdachte bij vonnis van 31 augustus 2012 wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest. De Rechtbank heeft tevens de gevangenhouding van verdachte bevolen. Het gaat hier om een poging tot zakkenrollen.
4.3. Blijkens de tot het dossier behorende “akte instellen rechtsmiddel” heeft mr. R.I. Takens namens de verdachte op 31 augustus 2012, derhalve tijdig, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Amsterdam.
4.4. De raadsman van verdachte heeft bij appelschriftuur van 3 september 2012 een aantal grieven aangevoerd die betrekking hadden op de bewezenverklaring en de strafmaat. Voorts is in die appelschriftuur verzocht om een aantal – met naam en toenaam genoemde – getuigen te horen.
4.5. Op de zitting in hoger beroep van 1 augustus 2013 is de verdachte niet verschenen. Zijn raadsman is toen wél verschenen en heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij door verdachte uitdrukkelijk was gemachtigd om als advocaat de verdachte te verdedigen. In het proces-verbaal van de zitting van 1 augustus wordt gerefereerd aan de namens de verdachte ingediende appelschriftuur van 3 september 2012 en is besproken hoe het horen van de daarin opgegeven getuigen gerealiseerd zou kunnen worden. Aan het eind van de zitting van 1 augustus 2013 deelde de voorzitter als beslissing van het Hof mede dat het onderzoek zou worden geschorst voor onbepaalde tijd met bevel tot oproeping van de verdachte en de raadsman tegen het nader te bepalen tijdstip.
4.6. De zaak is vervolgens op 3 december 2013 hervat. De oproeping van de verdachte voor die zitting van 3 december 2013 is op 19 november 2011 aan de griffier van de Rechtbank te Amsterdam uitgereikt. Een afschrift van deze oproeping is op 20 november 2013 aan de raadsman van de verdachte verstrekt. Op die oproeping van de verdachte staat met grote letters “regie” gestempeld.
4.7. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 3 december 2013 is de verdachte toen niet verschenen en zijn raadsman evenmin. Het proces-verbaal van die zitting vermeldt voorts - voor zover hier van belang - het volgende:
“De voorzitter merkt op dat de oproeping van de verdachte voor de regiezitting op 19 november 2013 aan de griffier van de rechtbank is uitgereikt. De verdachte heeft geen vaste woon- en verblijfplaats in Nederland. De voorzitter merkt op dat de verdachte in zijn eerste verhoor bij de politie als postadres heeft opgegeven de [a-straat 1] te Amsterdam. In eerste aanleg is de verdachte gedagvaard op dit adres. Deze akte is destijds niet uitgereikt omdat de in de adressering aangegeven woning niet zou bestaan.
De advocaat-generaal merkt op dat zij een faxbericht van de raadsman van de verdachte gedateerd 3 december 2013 heeft ontvangen. De raadsman van de verdachte deelt in deze brief mede dat zijn cliënt recent geen contact meer met hem heeft opgenomen en dat hij zich derhalve niet gemachtigd voelt om ter terechtzitting te verschijnen en namens zijn cliënt het woord te voeren. De raadsman laat weten dat indien zijn cliënt wel ter terechtzitting verschijnt hij bereid is hem verder bij te staan.
Desgevraagd vordert de advocaat-generaal niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep, omdat noch de verdachte noch de raadsman zijn verschenen en daarmee te kennen geven geen belang meer te hebben bij een verdere behandeling van het hoger beroep. Andere redenen om de behandeling voort te zetten doen zich niet voor, aldus de advocaat-generaal.”
4.8. In het bestreden arrest van 3 december 2013 heeft het Hof eerst het procesverloop in hoger beroep weergegeven. Vervolgens heeft het ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep als volgt overwogen:
“De verdachte heeft zonder enig bericht van verhindering verstek laten gaan, terwijl hij wist, althans kon weten van de onderhavige zitting. Evenmin heeft hij contact opgenomen met zijn raadsman. Deze laatste heeft zich voorts niet langer gemachtigd geacht en is om die reden niet verschenen. Verder weegt mee dat tijdens de onderhavige zitting de verdachte en zijn raadsman gehoord moesten worden over voor de voortgang van het proces van belang zijnde kwesties die samenhingen met verzoeken van de verdediging; het hof zou daarover beslissingen moeten nemen. Gezien het belang hiervan maakt het in dit geval niet uit of het om een regiezitting of een inhoudelijke zitting zou gaan: gezien de aard van hetgeen zou worden behandeld mocht van verdachte en zijn raadsman een actieve proceshouding worden verwacht. Niettemin is er niemand ter terechtzitting verschenen en er is evenmin een verzoek tot aanhouding gedaan. Bij deze stand van zaken kan het hof slechts de conclusie trekken dat de verdediging bij voortzetting van de behandeling in hoger beroep geen belang meer heeft. In dat licht behoeft niet meer op de verzoeken van de verdediging te worden beslist.
Bij het oordeel van het hof heeft daarnaast nog een rol gespeeld dat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats heeft. Hij is niet bekend bij het GBA en heeft overigens een adres opgegeven - [a-straat 1] te Amsterdam - dat blijkens opgave van de postbezorger niet bestaat. Dat betekent dat nu ook de raadsman het contact met zijn cliënt kwijt is er geen enkele kans bestaat dat de verdachte van een eventuele voortzetting van de zaak op de hoogte zou komen.
Het hof heeft tenslotte de vraag onder ogen gezien of het ingekomen faxbericht van de raadsman dient te worden aangemerkt als een onttrekking aan de verdediging van de verdachte en of er voor het hof dan redenen zouden zijn om ambtshalve tot toevoeging van een andere raadsman of raadsvrouw aan de verdachte over te gaan. Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De mededeling van de raadsman dat hij niet ter terechtzitting zal verschijnen maar bereid is zijn bijstand aan de verdachte voort te zetten indien deze dat wenst houdt niet het eindigen van de toevoegingsrelatie in, zodat voor ambtshalve optreden van het hof geen aanleiding is.
Bij het verder ontbreken van een rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het hoger beroep zal het hof de verdachte daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.”
4.9. Het middel richt zich, als gezegd, tegen deze beslissing. Volgens de steller van het middel is de beslissing gebaseerd op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
4.10. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende voorop te worden gesteld. Art. 416 lid 2 Sv geeft de appelrechter de bevoegdheid om het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren indien de verdachte geen appelschriftuur heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven. Van belang is voorts dat intrekking van een ingesteld hoger beroep niet mogelijk is als het onderzoek op de terechtzitting reeds is aangevangen. Wel kan dan een met intrekking vergelijkbaar effect worden bewerkstelligd door toepassing van art. 416 lid 2 Sv. De Hoge Raad heeft namelijk het niet handhaven van opgegeven bezwaren voor de toepassing van genoemd artikellid gelijkgesteld met het niet (bij appelschriftuur of mondeling) opgeven van bezwaren.1.
4.11. Deze stand van zaken brengt mee dat voor het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het hoger beroep op grond van een uit de proceshouding van de verdachte blijkend gebrek aan belang buiten de strikte grenzen van art. 416 lid 2 Sv geen plaats is.2.Ik zie daarbij niet over het hoofd dat er gevallen zijn waarin de verdachte wegens misbruik van procesrecht niet-ontvankelijk kan worden verklaard in het hoger beroep. Het gaat daarbij om het ontbreken van belang bij het instellen van het beroep, niet om een gebrek aan belang dat blijkt uit de na het instellen van beroep ingenomen proceshouding.
4.12. Aan de voorwaarden van art. 416 lid 2 Sv is in dit geval niet voldaan. Bij appelschriftuur zijn bezwaren tegen het vonnis opgegeven die blijkens het verhandelde op de terechtzitting van 1 augustus 2013 door de verdediging zijn gehandhaafd. Uit het enkele feit dat de verdachte zonder bericht van verhindering niet op de terechtzitting van 3 december 2013 verscheen en dat de raadsman te kennen gaf dat hij, omdat hij geen contact met de verdachte kon krijgen, niet als gemachtigde raadsman de verdediging kon voeren, kan niet worden afgeleid dat de verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis niet langer handhaafde. Ik merk daarbij op dat van een ‘intrekking’ van het hoger beroep door het niet langer handhaven van de bezwaren tegen het vonnis slechts sprake kan zijn als die niet-handhaving ondubbelzinnig geschiedt. Er moet sprake zijn van een geuite “wens tot ‘intrekking’”.3.Een andere opvatting zou al snel meebrengen dat de strikte voorwaarden waaraan art. 416 lid 2 Sv een niet-ontvankelijkverklaring wegens gebrek aan belang bindt, tot een dode letter worden.
4.13. Het middel slaagt.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑04‑2015
De Hoge Raad bewaakt die grenzen streng. Zie HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6741 en HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9223.
Vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, rov. 3.5.
Beroepschrift 15‑04‑2014
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: S13/06206
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDEL VAN CASSATIE
van mr. R.I. Takens die verklaart door nagenoemde [verdachte] ter zake bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd
in de zaak van:
[verdachte],
Geboren op [geboortedatum] 1991,
verzoeker tot cassatie van de te zijnen laste door het hof te Amsterdam op 3 december 2013 in de strafzaak onder ressortnummer 23-003722-12 gedane uitspraak.
Middel.
1.
Schending en / of onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 404 en 422 Sv en / of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen heeft geoordeeld dat het ontbreekt aan een rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het hoger beroep en verzoeker in dat hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Toelichting
2.
Bij mondeling vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam d.d. 31 augustus 2012 werd verzoeker tot cassatie veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek van voorarrest terzake van poging tot diefstal in vereniging (kortweg: zakkenrollerij).
Tegen dat vonnis is tijdig, op 31 augustus 2012, hoger beroep ingesteld.
3.
Bij appelschriftuur van 3 september 2012 is door de raadsman als grieven opgegeven:
‘Cliënt kan zich niet verenigen met de bewezenverklaring daar hij stelt geen ondersteunende rol te hebben gehad bij het zakkenrollen en geen opzet te hebben gehad op het plegen van het delict. Cliënt kan zich om die reden ook niet verenigen met de opgelegde strafmaat.’
Daarbij is met het oog op het hoger beroep verzocht om verhoor van 5 getuigen.
4.
Ter terechtzitting van 1 augustus 2013 is een aanvang gemaakt met het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat de appelschriftuur van de raadsman onderdeel uitmaakt van het strafdossier en de appelschriftuur is op de terechtzitting besproken.
5.
Vervolgens is het onderzoek op de terechtzitting hervat op 3 december 2013. Terzake is een oproeping van de verdachte aan de griffier van de rechtbank uitgereikt voor de regiezitting. Vooraf is aangekondigd dat het onderzoek ter terechtzitting geen verdere inhoudelijke behandeling zou betreffen, maar slechts een regiezitting om de stand van zaken omtrent het ter terechtzitting van 1 augustus 2013 bevolen onderzoek te bezien en zo nodig te bespreken.
Terzake blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 3 december 2013 (voor zover hier van belang):
‘De voorzitter merkt op dat de oproeping van de verdachte voor deze regiezitting op 19 november 2013 aan de giffier van de rechtbank is uitgereikt.’
6.
Uit het arrest van 3 december 2013 blijkt dat het gerechtshof verzoeker tot cassatie niet ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep en overwoog daarbij:
‘De verdachte heeft zonder enig bericht van verhindering verstek laten gaan, terwijl hij wist, althans kon weten van de onderhavige zitting. Evenmin heeft hij contact opgenomen met zijn raadsman. Deze laatste heeft zich voorts niet langer gemachtigd geacht en is om die reden niet verschenen. Verder weegt mee dat tijdens de onderhavige zitting de verdachte en zijn raadsman gehoord moesten worden over voor de voortgang van het proces van belang zijnde kwesties die samenhingen met verzoeken van de verdediging; het hof zou daarover beslissingen moeten nemen. Gezien het belang hiervan maakt het in dit geval niet uit of het om een regiezitting of een inhoudelijke zitting zou gaan: gezien de aard van hetgeen zou worden behandeld mocht van verdachte en zijn raadsman een actieve proceshouding worden verwacht. Niettemin is er niemand ter terechtzitting verschenen en er is evenmin een verzoek tot aanhouding gedaan. Bij deze stand van zaken kan het hof slechts de conclusie trekken dat de verdediging bij voortzetting van de behandeling in hoger beroep geen belang meer heeft. In dat licht behoeft niet meer op de verzoeken van de verdediging te worden beslist. Bij het oordeel van het hof heeft daarnaast nog een rol gespeeld dat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats heeft. Hij is niet bekend bij het GBA en heeft overigens een adres opgegeven — [a-straat 1] te [a-plaats] — dat blijkens opgave van de postbezorger niet bestaat. Dat betekent dat nu ook de raadman het contact met zijn cliënt kwijt is er geen enkele kans bestaat dat de verdachte van een eventuele voortzetting van de zaak op de hoogte zou komen.
(…)
Bij het verder ontbreken van een rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het hoger beroep zal het hof de verdachte daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.’
7.
Aan het oordeel van het gerechtshof ligt ten grondslag dat een verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als hij geen rechtens te respecteren belang heeft bij het ingestelde hoger beroep. Dat een verdachte om die reden niet-ontvankelijk kan worden verklaard in het hoger beroep bleek al uit het arrest van uw Hoge Raad d.d. 9 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX5516): in dat arrest ging het evenwel om een hoger beroep van de verdachte tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie door de rechtbank. De beslissing van het gerechtshof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren dient op haar begrijpelijkheid te worden getoetst.
8.
Verzoeker tot cassatie meent dat het oordeel van het gerechtshof om hem niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep onbegrijpelijk is.
In onderhavige strafzaak gaat het om het tijdig namens de verdachte ingestelde hoger beroep waarbij de verdachte in eerste aanleg werd veroordeeld tot een voor hem zware en ingrijpende vrijheidsbenemende straf, namelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Bovendien is tijdig bij appelschriftuur, welke appelschriftuur in hoger beroep aan de orde is gekomen, uiteengezet dat de verdachte zich niet kon verenigen met de bewezenverklaring en daardoor ook niet met de hem opgelegde strafmaat. Daarin ligt het belang van de verdachte bij het hoger beroep besloten: om de bewezenverklaring en de op te leggen straf aan te kunnen (laten) vechten en, in geval van een vrijspraak, schadevergoeding te kunnen verzoeken ex art. 89 Sv wegens — in ieder geval achteraf bezien — een onterecht ondergane vrijheidsbeneming.
9.
De oproeping voor de terechtzitting van 3 december 2013 is voorzien van een grote stempel ‘REGIE’. Dat de oproeping betrekking had op een regiezitting blijkt ook uit de mededeling van de voorzitter, zoals genoteerd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 december 2013.
Hieruit volgt dat het onderzoek ter terechtzitting zich zou beperken tot een regiezitting. Verdachte mocht er dan ook op vertrouwen dat er geen verdere inhoudelijke behandeling zou plaatsvinden en mocht erop vertrouwen dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op een andere, nadere, terechtzitting zou gaan plaats vinden.
10.
De overweging van het hof dat slechts de conclusie getrokken kan worden dat de verdediging bij voortzetting van de behandeling in hoger beroep geen belang meer heeft, is onbegrijpelijk. Wegens de afwezigheid van de verdachte en zijn verdediging ter terechtzitting van 3 december 2013 had het gerechtshof te oordelen over het wel of niet laten uitvoeren van de eerder door de (toen nog) gemachtigde raadsman namens de verdachte gedane verzoeken tot getuigenverhoren van de medeverdachten. Dat de verdachte bij die gelegenheid verstek heeft laten gaan en terzake niet zijn raadsman heeft gemachtigd om hem ter terechtzitting het woord ter verdediging te laten voeren, maakt dat door de verdachte slechts geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid om terzake te worden verhoord of zijn raadsman terzake aanvullend het woord te voeren. Daaraan kan niet de conclusie verbonden worden dat de verdachte afziet van het reeds gedane verzoek tot verhoor van de medeverdachten, laat staan dat hij geen belang meer zou hebben bij verhoor van die medeverdachten en geen belang meer zou hebben bij voortzetting van de behandeling in hoger beroep.
11.
De overweging van het gerechtshof dat er geen enkele kans bestaat dat de verdachte van een eventuele voortzetting van de zaak op de hoogte zou komen is eveneens onbegrijpelijk. De verdachte dient immers opgeroepen te worden voor de nadere terechtzitting welke nog zou gaan plaatsvinden. Alsdan dient bij de betekening van de oproeping van de verdachte voor die nadere zitting een onderzoek in het GBA plaats te vinden als ook een onderzoek of de verdachte inmiddels gedetineerd is. Het is onbegrijpelijk dat het gerechtshof reeds ter regiezitting van 3 december 2013 heeft aangenomen dat de verdachte alsdan niet op de hoogte zou raken van de terechtzitting. De verdachte kan zich immers opnieuw hebben laten inschrijven in het GB, kan alsdan gedetineerd zijn en uit diens hoofde bereikbaar voor uitreiking van de oproeping voor de zitting en kan zijn contact met de raadsman hebben hernieuwd, zodat hij via de raadsman op de hoogte geraakt van de terechtzitting.
12.
Gelet op het voorstaande moet worden aangenomen dat ingestelde hoger beroep een hoger beroep betreft als bedoeld in art. 404 Sv, dat de oproeping van de verdachte in het hoger beroep rechtsgeldig is geweest, dat het hoger beroep rechtsgeldig is ingesteld (als bedoeld in art. 422 Sv) en het belang van verzoeker tot cassatie bij het hoger beroep bovendien bij appelschriftuur is opgegeven welk appelschriftuur in hoger beroep ter terechtzitting is behandeld. Het oordeel van het gerechtshof dat het ontbreekt aan een rechtens te respecteren belang bij voortzetting van het hoger beroep en dat verzoeker tot cassatie in dat hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard is in het licht van hetgeen hiervoor is aangevoerd onbegrijpelijk. Het arrest kan om die reden niet in stand blijven.
Amsterdam, 15 april 2014
Bepaaldelijk gevolmachtigde,
mr. R.I. Takens