NJB 2025/934:Opzetvereiste dat verdachte ‘wist’ dat hij een skimapparaat voorhanden heeft gehad dat bestemd was tot het plegen van enig misdrijf genoemd in art. 232 lid 1 Sr: in casu kon het hof oordelen dat de verdachte zich opzettelijk schuldig maakte aan het in strijd met de wet voorhanden hebben van zodanig skimapparaat, onder meer erop gelet dat de verdacht de verdachte in een coffeeshop met hem onbekende uit een ander land afkomstige personen heeft afgesproken om een tas met een hem onbekende inhoud te vervoeren tegen een betaling van € 1000. De verdachte heeft gevraagd of er drugs in de tas zaten, waarop ontkennend werd geantwoord. De tas betrof ‘een flinke rugzak’. De verdachte heeft deze rugzak vervolgens samen met anderen in een door hem bestuurde auto vervoerd. Het hof kon grond van deze vaststellingen oordelen dat de verdachte, door ondanks deze op zijn minst geheimzinnige gang van zaken deze rugzak toch te vervoeren, zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de tas een voorwerp met een illegale bestemming zou bevatten, zoals een skimapparaat.