Vgl. HR 7 mei 1985, NJ 1985, 845.
HR, 16-03-2010, nr. 07/10116
ECLI:NL:HR:2010:BL0612
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
16-03-2010
- Zaaknummer
07/10116
- Conclusie
Mr. Jörg
- LJN
BL0612
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL0612, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 16‑03‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL0612
ECLI:NL:PHR:2010:BL0612, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑01‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL0612
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑03‑2010
Inhoudsindicatie
Ex art. 27.1 Sr dient de rechter bij het opleggen van een tijdelijke gevangenisstraf te bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in detentie in het buitenland ingevolge een NL verzoek om uitlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. I.c. heeft het Hof nagelaten art. 27.1 Sr in acht te nemen. De HR doet wat het Hof had behoren te doen.
16 maart 2010
Strafkamer
nr. 07/10116
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, zitting houdende te Arnhem, van 25 juni 2007, nummer 21/001971-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging in dier voege dat de straf zal worden verlaagd en dat de Hoge Raad zal bepalen dat de door de verdachte ingevolge een Nederlands uitleveringsverzoek in het buitenland in detentie doorgebrachte tijd op de opgelegde straf in mindering wordt gebracht.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd te bevelen dat de tijd die de verdachte in Duitsland in detentie heeft doorgebracht ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering, bij de uitvoering van de opgelegde straf in mindering wordt gebracht.
3.2. Ingevolge het eerste lid van art. 27 Sr dient de rechter voor zover hier van belang bij het opleggen van een tijdelijke gevangenisstraf te bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.
3.3. De stukken van het geding houden in dat de verdachte op 19 juli 2005 in Duitsland is aangehouden en van zijn vrijheid is beroofd ingevolge een Nederlands verzoek tot zijn uitlevering. Het Hof heeft evenwel nagelaten art. 27, eerste lid, Sr in acht te nemen voor zover het deze detentie betreft. Het middel is dus gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, alsmede voor zover daarbij is verzuimd ter zake van de door de verdachte als gevolg van een Nederlands uitleveringsverzoek in het buitenland in detentie doorgebrachte tijd art. 27, eerste lid, Sr toe te passen;
vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze twee jaren en acht maanden beloopt;
beveelt dat op de opgelegde gevangenisstraf, naast de reeds in mindering gebrachte tijd wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, in mindering zal worden gebracht de tijd welke de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest ingevolge een Nederlands uitleveringsverzoek in het buitenland in detentie heeft doorgebracht;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 16 maart 2010.
Conclusie 19‑01‑2010
Mr. Jörg
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1.
Het gerechtshof te 's‑Gravenhage zitting houdende te Arnhem heeft bij arrest van 25 juni 2007 verzoeker wegens kort gezegd het ontvangen, zich verschaffen, in voorraad hebben, vervoeren en invoeren van valse bankbiljetten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
2.
Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel klaagt over schending van de inzendtermijn.
4.
Het cassatieberoep is ingesteld op 6 juli 2007. De stukken zijn op 5 augustus 2008 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de destijds geldende inzendtermijn van acht maanden met bijna zes maanden overschreden.
5.
Het middel slaagt, hetgeen zal dienen te leiden tot een vermindering van de opgelegde straf.
6.
Het tweede middel klaagt erover dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 27, eerste lid, Sr voor wat betreft de ingevolge een Nederlands uitleveringsverzoek in het buitenland ondergane detentie.
7.
Artikel 27 lid 1 Sr bepaalt het volgende:
‘1.
Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of taakstraf beveelt de rechter, dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis, in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor klinische observatie bestemd ingevolge een bevel tot observatie of in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering of om overlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. (…).’
8.
De stukken van het geding houden in dat verzoeker op 19 juli 2005 in Duitsland is aangehouden en van zijn vrijheid is beroofd ingevolge een Nederlands verzoek tot zijn uitlevering.
9.
Het hof heeft in het dictum van het arrest het volgende vermeld:
‘Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.
Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.’
10.
Het middel wijst er aldus terecht op dat het hof de uitleveringsdetentie niet, althans niet met zoveel woorden op de opgelegde straf in mindering heeft gebracht.1.De Hoge Raad zal het verzuim zelf kunnen herstellen door het arrest van het hof in zoverre te vernietigen en opnieuw recht te doen.2.
11.
De voorgestelde middelen slagen.
12.
Ambtshalve vraag ik nog aandacht voor de omstandigheid dat inmiddels een termijn van twee jaar in de cassatiefase inmiddels is verstreken, nu namens verdachte op 6 juli 2007 cassatie is ingesteld. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM ook in deze zin zal worden overschreden, hetgeen tot strafvermindering dient te leiden.
13.
Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van de bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging in dier voege dat de straf zal worden verlaagd en dat de Hoge Raad zal bepalen dat de door verdachte ingevolge een Nederlands uitleveringsverzoek in het buitenland in detentie doorgebrachte tijd op de opgelegde straf in mindering wordt gebracht.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑01‑2010
Vgl. HR 17 april 2007, LJN AZ6131.