Vgl. HR 23 april 2002, LJN AD8860, NJ 2002/338; HR 5 juni 2007, LJN AZ8360, NJ 2007/339; HR 2 september 2008, LJN BD2446.
HR, 06-11-2012, nr. 10/04477
ECLI:NL:HR:2012:BX6732
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
06-11-2012
- Zaaknummer
10/04477
- Conclusie
Mr. Knigge
- LJN
BX6732
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX6732, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑11‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX6732
ECLI:NL:HR:2012:BX6732, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 06‑11‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX6732
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑07‑2011
- Wetingang
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2012-0235
NbSr 2012/423
Conclusie 06‑11‑2012
Mr. Knigge
Partij(en)
Nr. 10/04477
Mr. Knigge
Zitting: 28 augustus 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te 's-Hertogenbosch, heeft bij arrest van 19 augustus 2010 verdachte wegens 1. en 2. "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. Voorts heeft het Hof beslist op de vordering tot tenuitvoerlegging en de vordering van de benadeelde partij, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.
2.
Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3.
Namens verdachte heeft mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste middel
- 4.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek heeft bevolen, nu niet aan de verzendplicht van art. 588a lid 1 onder c Sv is voldaan.
- 4.2.
De stukken van het geding houden het volgende in:
- (i)
Op 23 april 2009 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 17 april 2009. In de akte rechtsmiddel staat als adres van de verdachte vermeld: [a-straat 1], [plaats].
- (ii)
Op 21 april 2010 is getracht de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van 5 augustus 2010 aan hem uit te reiken op het adres [woonplaats]. Omdat niemand werd aangetroffen, is een bericht van aankomst achtergelaten. Vervolgens is de dagvaarding met akte op 29 april 2010 teruggezonden aan de afzender en op 12 mei 2010 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Een afschrift van de dagvaarding is op dezelfde dag verzonden naar voornoemd adres van de verdachte.
- (iii)
De verdachte is niet ter terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2010 verschenen. Wel is verschenen de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte, die het volgende heeft medegedeeld:
"Ik constateer dat mijn cliënt niet is verschenen. Ik heb geen contact met hem gehad. Wel heb ik gisteren contact gehad met de broer van mijn cliënt. Hij deelde mij mede dat cliënt op dit moment met vakantie is in Marokko. Cliënt zou in totaal ongeveer één maand in Marokko verblijven. Over ongeveer twee weken zou hij terug in Nederland zijn. Ik heb geprobeerd mijn cliënt telefonisch te bereiken. Dit is niet gelukt. Ik ben niet gemachtigd om namens mijn cliënt de verdediging te voeren. Om deze reden verzoek ik het hof om de behandeling van de zaak aan te houden."
- (iv)
Het Hof heeft - zonder nadere motivering - het door de niet-gemachtigde raadsman gedane verzoek om aanhouding afgewezen, verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en bevolen dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
- (v)
Uit een zich bij de stukken bevindend GBA-overzicht van 12 mei 2010 volgt dat het adres [a-straat 1] te [plaats] het GBA-adres was van de verdachte ten tijde van het instellen van hoger beroep. Voorts volgt uit dit overzicht dat het adres [woonplaats] het GBA-adres was van de verdachte ten tijde van de aanbieding en uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2010.
- 4.3.
Ik stel voorop dat nu de raadsman van de verdachte niet gemachtigd was de verdediging te voeren, deze geen beroep kon doen op de niet-naleving van art. 588a Sv. Evenmin heeft het Hof hem in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten, zodat hier in cassatie over kan worden geklaagd.1.
- 4.4.
Op grond van art. 588a lid 1 onder c Sv dient een afschrift van de appeldagvaarding te worden toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Op grond van lid 3 geldt deze verzendplicht niet indien (a) het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge art. 588 Sv moet worden uitgereikt; (b) de verdachte uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven; (c) de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon dan wel aan een andere persoon als bedoeld in artikel 588 lid 3 onder b Sv is uitgereikt. Bij niet- of niet tijdige naleving van de verzendplicht van art. 588a Sv dient de rechter ingevolge art. 590 lid 3 Sv de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting te bevelen, tenzij (a) zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel (b) zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.
- 4.5.
De steller van het middel wijst er terecht op dat geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verstuurd naar het in de appelakte vermelde adres [a-straat 1] te [plaats]. De vraag is echter of dat strijd oplevert met art. 588a Sv. Vóór de inwerkingtreding van art. 588a Sv gold blijkens het standaardarrest van de Hoge Raad van 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317 dat indien uit de appelakte blijkt dat de verdachte een adres heeft opgegeven dat afwijkt van het GBA-adres, een afschrift van de appeldagvaarding naar dat adres moet zijn gezonden wil aangenomen kunnen worden dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Verzending van een afschrift kon in een dergelijk geval echter achterwege blijven als het opgegeven adres een inmiddels achterhaald GBA-adres was.2. Deze jurisprudentie heeft door de inwerkingtreding van art. 588a Sv - dat voorziet in een vorm van domiciliekeuze - niet alle betekenis verloren. Zij heeft gelding behouden voor gevallen waarin het opgegeven adres niet kan worden aangemerkt als een formele domiciliekeuze, als een adres waarop de verdachte in de toekomst gerechtelijke mededelingen wenst te ontvangen.3. Een en ander betekent dat onderscheid gemaakt moet worden tussen twee situaties. De - historisch gezien - eerste situatie is de situatie waarin de verdachte bij het instellen van het beroep een ander adres als woonplaats heeft opgegeven dan het GBA-adres waarop de dagvaarding betekend moet worden. De tweede - door art. 588a Sv geregelde - situatie is de situatie waarin de verdachte een - eventueel van zijn woonadres afwijkend - adres heeft opgegeven voor de ontvangst van gerechtelijke mededelingen. Eén van de verschillen tussen beide situaties is dat in de eerste situatie nog steeds geldt dat een inmiddels achterhaald GBA-adres niet meetelt4., terwijl in de tweede situatie niet van belang is of het opgegeven adres een achterhaald GBA-adres is.5.
- 4.6.
Uit de stukken blijkt in dit geval dat genoemd adres een achterhaald GBA-adres van de verdachte is. De vraag waarop het aankomt, is gelet op het voorgaande of het Hof dit adres had moeten aanmerken als een adres als bedoeld in art. 588a Sv, als een adres dus dat door of namens de verdachte is opgegeven als een adres "waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden". In deze zaak is namens de verdachte hoger beroep ingesteld door een advocaat die verklaarde daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn. De appelakte houdt aan adresgegevens het volgende in:
"naam [achternaam verdachte]
voornamen [voornaam verdachte]
geboren [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]
wonende te [plaats]
adres [a-straat 1]"
In de akte ontbreekt de inmiddels niet ongebruikelijke zinsnede dat de griffier de comparant erop heeft gewezen dat de mogelijkheid bestaat een adres op te geven dat afwijkt van het GBA-adres van de verdachte. Evenmin bevat de akte de mededeling dat de verdachte van deze mogelijkheid wel of juist geen gebruik heeft gemaakt. Een voorgedrukte ruimte voor een adresopgave in de zin van art. 588a Sv ontbreekt in de akte.
- 4.7.
In het ontbreken in de akte van enigerlei vorm van verwijzing naar de door art. 588a Sv geboden mogelijkheid verschilt deze zaak van eerdere jurisprudentie waarin de Hoge Raad oordeelde dat het Hof het opgegeven adres niet had hoeven op te vatten als een adres in de zin van art. 588a Sv.6. Toch meen ik dat het kennelijke oordeel van het Hof dat het niet om een dergelijk adres gaat, niet onbegrijpelijk is. De - door de advocaat ondertekende - akte bevat nu eenmaal geen enkele aanduiding waaruit valt op te maken dat het vermelde adres als gekozen domicilie was bedoeld. Het meest aannemelijk lijkt mij daarom dat de adresgegevens het resultaat zijn geweest van het automatisch vermelden van het GBA-adres van de verdachte door de griffier.7.
- 4.8.
Het middel faalt.
5.
Het tweede middel
- 5.1.
Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek om aanhouding van de zaak in verband met de afwezigheid van de verdachte.
- 5.2.
Het in het middel bedoelde verzoek is weergegeven onder 4.2 (iii). Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 augustus 2011 houdt het volgende in:
"Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.
Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de zaak af."
- 5.3.
Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.8.
- 5.4.
Het Hof heeft verzuimd de hiervoor bedoelde belangenafweging te maken en in te gaan op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
6.
Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.
7.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑11‑2012
Rov. 3.38.
Zie o.m. HR 6 juli 2010, LJN BM5086 en HR 3 november 2009, LJN BJ6744.
Zie o.m. HR 13 januari 2009, LJN BG4240, NJ 2009/59 en het op voet van art. 81 RO afgedane HR 1 juni 2010, LJN BM0245.
Zie m.n. HR 27 september 2011, LJN BR2079, NJ 2011/457. Vgl. mijn conclusie voor HR 13 januari 2009, LJN BG4240, NJ 2009/59 (onder 8) en de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg voor HR 26 april 2011, LJN BP8503 (niet gepubliceerd; onder 11).
Zie HR 13 januari 2009, LJN BG4240, NJ 2009/59 en HR 29 mei 2012, LJN BW9347 (81 RO).
Vgl. HR 6 april 2010, LJN BL4095, waarin als ik het goed begrijp in de schriftelijke volmacht aan de griffier een ander ('nieuw') adres was opgegeven dan het oude GBA-adres dat de griffier in de appelakte vermeldde. Uit het feit dat de Hoge Raad de zaak met art. 81 RO afdeed, lijkt te kunnen worden afgeleid dat het Hof in de schriftelijke volmacht niet een gekozen domicilie had hoeven lezen.
HR 26 januari 1999, LJN ZD1314, NJ 1999/294; HR 18 januari 2011, LJN BO6127, NJ 2011/48; HR 25 januari 2011, LJN BO6482; HR 8 mei 2012, LJN BU7334, NJ 2012/325.
Uitspraak 06‑11‑2012
Inhoudsindicatie
Aanwezigheidsrecht. Art. 588a Sv. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AD4727. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de raadsman blijkens het p-v van de tz. in h.b. in de gelegenheid is gesteld de afwezigheid van verdachte toe te lichten doch daartoe niet heeft aangevoerd dat geen afschrift van de dagvaarding was verzonden naar het in het middel vermelde adres, kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd dat het Hof ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ttz. heeft bevolen wegens niet-naleving van art. 588a Sv. Voorts herhaalt de HR relevante overwegingen uit HR LJN ZD1314 t.a.v. de beslissing op een aanhoudingsverzoek. Het Hof heeft de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet gemotiveerd, zodat derhalve niet kan blijken of het Hof de in genoemd arrest omschreven afweging van belangen heeft gemaakt.
Partij(en)
6 november 2012
Strafkamer
nr. S 10/04477
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te 's-Hertogenbosch, van 19 augustus 2010, nummer 20/000721-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen, nu niet op de voet van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv een afschrift van de appeldagvaarding was verzonden naar het in de appelakte vermelde adres van de verdachte [a-straat 1] in [plaats]. Het tweede middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
"De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte genaamd
(...)
wonende te [woonplaats],
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam.
(...)
De raadsman deelt mede als volgt.
Ik constateer dat mijn cliënt niet is verschenen. Ik heb geen contact met hem gehad. Wel heb ik gisteren contact gehad met de broer van mijn cliënt. Hij deelde mij mede dat cliënt op dit moment met vakantie is in Marokko. Cliënt zou in totaal ongeveer één maand in Marokko verblijven. Over ongeveer twee weken zou hij terug in Nederland zijn. Ik heb geprobeerd mijn cliënt telefonisch te bereiken. Dit is niet gelukt. Ik ben niet gemachtigd om namens mijn cliënt de verdediging te voeren. Om deze reden verzoek ik het hof om de behandeling van de zaak aan te houden.
De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding in hoger beroep op 12 mei 2010 als gerechtelijke brief aan het GBA-adres van verdachte is verzonden.
De advocaat-generaal deelt desgevraagd het volgende mede.
Ik stel vast dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding niet op het bekende GBA-adres zou verblijven.
Het is onaannemelijk dat verdachte op 12 mei 2010 reeds in Marokko zou verblijven, ook gelet op de omstandigheid dat verdachte een eigen bedrijf heeft. Nu de verdachte niet tijdig heeft gereageerd, kunnen we er vanuit gaan dat hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
Naar mijn mening dient het door de raadsman gedane verzoek tot aanhouding te worden afgewezen.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.
Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de zaak af.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."
2.3.
In HR 23 oktober 2001, LJN AD4727, NJ 2002/77 is beslist dat een raadsman die niet op de voet van art. 279 Sv is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte, geen van de bij de wet aan de raadsman toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld, en dat bij gebreke van een zodanige machtiging de behandeling van de zaak geldt als een procedure bij verstek.
2.4.
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de gelegenheid is gesteld de afwezigheid van de verdachte toe te lichten doch daartoe niet heeft aangevoerd dat geen afschrift van de dagvaarding was verzonden naar het in het middel vermelde adres, kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd dat het Hof ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen wegens niet-naleving van art. 588a Sv. Het eerste middel is dus vruchteloos voorgesteld.
2.5.
Bij de beslissing op een verzoek tot schorsing van het onderzoek op de terechtzitting dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, LJN ZD1314, NJ 1999/294).
2.6.
Het Hof heeft de afwijzing van het door de raadsman gedane verzoek niet gemotiveerd. Derhalve kan niet blijken of het Hof de hiervoor bedoelde afweging van belangen heeft gemaakt. Het tweede middel klaagt daarover terecht.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 6 november 2012.
Beroepschrift 13‑07‑2011
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
De heer [requirant], geboren [geboortedatum] 1988, te dezer zake domilicie kiezende ten kantore van mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam, van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zittinghoudende te ' s‑Hertogenbosch, uitgesproken op 19 augustus 2010, de volgende middelen van cassatie voordraagt:
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder is het bepaalde in artt. 588a en 590 Sv doordat het Gerechtshof ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek heeft bevolen, nu niet was voldaan aan de verzendplicht van artikel 588a (lid 1 sub c) Sv.
Toelichting
Requirant is ter zitting van het Gerechtshof niet verschenen. De voorzitter van het Gerechtshof heeft, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting, medegedeeld dat de dagvaarding in hoger beroep op 12 mei 2010 als gerechtelijke brief aan het GBA-adres van requirant is gezonden, hetgeen blijkt uit de opgemaakte akte van uitreiking.
Uit de akte van uitreiking blijkt dat toezending heeft plaatsgevonden naar het adres [a-straat] [1] te [a-plaats].
Bij het instellen van het hoger beroep is, gelet op de akte rechtsmiddel d.d. 23 april 2009, echter als adres van requirant opgegeven [b-straat] [1] te [b-plaats].
Op grond van artikel 588a lid 1 sub c Sv dient een afschrift van de dagvaarding te worden toegezonden aan het laatste door verdachte opgegeven adres indien door of namens belanghebbende bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
Uit de akte van uitreiking blijkt dat geen gevolg is gegeven aan de verzendplicht, zodat het Gerechtshof, gelet op artikel 590 lid 3 Sv de schorsing van het onderzoek had moeten bevelen.
Door zulks niet te doen heeft het Gerechtshof het recht geschonden.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder is het in artikel 6 EVRM vervatte aanwezigheidsrecht van requirant geschonden in doordat het Gerechtshof het door de niet bepaaldelijk gevolmachtigd raadsman gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, in verband met afwezigheid van requirant ter zitting van het Gerechtshof, niet, dan wel onvoldoende, gemotiveerd heeft afgewezen.
Toelichting
Namens requirant is ter zitting van het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats 's‑Hertogenbosch, verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak, in verband met de afwezigheid van requirant ter zitting van het Gerechtshof.
Blijkens het van het onderzoek ter terechtzitting opgemaakte proces-verbaal heeft de niet uitdrukkelijk gemachtigde raadsman van requirant in verband het navolgende aangevoerd:
‘Ik constateer dat mijn cliënt niet is verschenen. Ik heb geen contact met hem gehad. Wel heb ik gisteren contact gehad met de broer van mijn cliënt. Hij deelde mij mede dat cliënt op dit moment met vakantie is in Marokko. Cliënt zou in totaal ongeveer één maand in Marokko verblijven. Over ongeveer twee weken zou hij terug in Nederland zijn. Ik heb geprobeerd mijn cliënt telefonisch te bereiken. Dit is niet gelukt. Ik ben niet gemachtigd om namens mijn cliënt de verdediging te voeren. Om deze reden verzoek ik het hof om de behandeling van de zaak aan te houden’.
Het Hof heeft het verzoek tot aanhouding van de zaak afgewezen. Het proces-verbaal van voornoemde zitting houdt op dat punt het volgende in:
‘Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de zaak af’ .
Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, LJN ZD1314, HR 18 januari 2011, LJN B06127 en HR 25 januari 2011, LJN B06482).
Door het ontbreken van een motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting blijkt niet dat het Gerechtshof de hiervoor bedoelde afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl voorts niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd.
Het Gerechtshof heeft niet aangegeven waarom de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag liggende redenen niet aannemelijk, onvoldoende onderbouwd of van onvoldoende gewicht zijn en waarom het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging, voorrang moeten hebben boven het aanwezigheidsrecht van requirant.
De afwijzing van het aanhoudingsverzoek is dan ook ontoereikend gemotiveerd.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam, aldaar kantoor houdende aan de (3022 CG) Heemraadssingel 165, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant.
(plaats en dagtekening)
(handtekening)