Zie o.a. HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309 (rov. 3.9), HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.9) en HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094.
HR, 15-12-2020, nr. 19/05046
ECLI:NL:HR:2020:2058
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-12-2020
- Zaaknummer
19/05046
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:2058, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑12‑2020; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:999
ECLI:NL:PHR:2020:999, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑11‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:2058
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Verduistering in dienstbetrekking (meermalen gepleegd) door als kassamedewerker van tankstation geldbedragen af te romen, art. 322 Sr. Strafmotivering. Overwegingen t.a.v. door AG gevorderde straf en overschrijding redelijke termijn in h.b. (zonder te vermelden welke straf zou zijn opgelegd indien redelijke termijn niet zou zijn overschreden) begrijpelijk? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/05046
Datum 15 december 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 oktober 2019, nummer 20-000595-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te
's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2020.
Conclusie 03‑11‑2020
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Motivering strafoplegging. Klachten gaan over de begrijpelijkheid van de strafmotivering in het licht van de overweging dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf onvoldoende passend is en over een gesteld verzuim dat door het hof niet is vermeld welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/05046
Zitting 3 november 2020
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 23 oktober 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven weken.
Namens de verdachte heeft mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel keert zich tegen de motivering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf en valt in twee deelklachten uiteen.
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:
“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
- de omstandigheid dat verdachte door zijn handelwijze de eigenaren van [A] vermogensschade heeft toegebracht;
- de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin en hij er geenszins blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 augustus 2019, waaruit blijkt dat hij eerder meerdere malen door een strafrechter in verband met vermogensdelicten onherroepelijk tot een gevangenisstraf is veroordeeld;
- de overige persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.
Gelet [op] de hiervoor overwogen ernst van het bewezenverklaarde en recidive acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf onvoldoende passend. Op grond van genoemde ernst en recidive kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt voor de duur als hierna vermeld. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de (geringe) overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase.”
5. De eerste deelklacht luidt dat de door het hof opgelegde gevangenisstraf niet begrijpelijk is in het licht van de overweging dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf onvoldoende passend is.
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2019 heeft de advocaat-generaal aldaar het woord tot requisitoir gevoerd en bij die gelegenheid naar voren gebracht dat het vonnis kan worden bevestigd met aanvulling van de bewijsmiddelen. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken bevindt zich een ‘Vordering ter terechtzitting’. Dit stuk houdt in dat de advocaat-generaal vordert dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen. Aan de verdachte is in eerste aanleg een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opgelegd.
7. Met de overweging dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf “niet voldoende passend” is, heeft het hof kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat een van de door de advocaat-generaal gevorderde straf afwijkende straf zal worden opgelegd. Dat de gevorderde straf niet voldoende passend is, impliceert niet (altijd) dat de op te leggen straf hoger dient te zijn dan gevorderd. Kennelijk heeft het hof de met de vordering tot bevestiging van het vonnis (impliciet) gevorderde gevangenisstraf van twee maanden niet voldoende passend geacht, omdat deze hoger was dan het hof gepast vond. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Overigens ontgaat mij welk belang de steller van het middel met deze klacht voor ogen staat.
8. De eerste deelklacht treft geen doel.
9. De tweede deelklacht houdt in dat het hof heeft verzuimd te vermelden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
10. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.1.
11. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2019 blijkt dat de zaak is behandeld in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman. Niet blijkt dat daar door of namens de verdachte verweer is gevoerd omtrent de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.2.
12. Het middel faalt in beide onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑11‑2020
De raadsman heeft slechts opgemerkt dat het vonnis in 2017 is gewezen, dat het inmiddels oktober 2019 is, dat het nu beter gaat met de verdachte en dat de verdachte probeert zijn zaken op de rit te krijgen. De raadsman heeft het hof verzocht “hiermee” rekening te houden. Een verweer omtrent de overschrijding van de redelijke termijn valt daarin niet te herkennen, zodat ik aanneem dat het hof ambtshalve tot de constatering van de geringe overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase is gekomen.