NJB 2018/1113:Verkort arrest in ontnemingsprocedures, art. 365a jo art. 511g lid 2 Sv jo 415 Sv: de toepasselijkheid van art. 365a Sv in procedures tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel betekent dat in een dergelijke procedure alle beslissingen omtrent de opgelegde maatregel dienen te worden opgenomen in het verkorte arrest en dat de daartoe gebezigde bewijsmiddelen, met inbegrip van eventuele nadere overwegingen omtrent het bewijs, mogen worden opgenomen in de aanvulling zoals bedoeld in art. 365a lid 2 Sv. In casu heeft het hof in plaats van de in het verkorte arrest vermelde grond waarop de maatregel steunt in de aanvulling op het verkorte arrest alsnog een andere grond aangewezen voor de ontneming. Gelet op art. 365a Sv jo art. 138b Sv en het stelsel van de wet zoals daarvan onder meer uit art. 36e Sr blijkt, had deze beslissing in het verkorte arrest dienen te worden opgenomen. Het betreft hier een zo wezenlijke regel dat veronachtzaming daarvan nietigheid van het bestreden arrest meebrengt