NJ 2025/138
Het bestaan van een vordering uit ‘unjust enrichment’ maakt niet dat de klaagster als belanghebbende kan worden aangemerkt aan wie het bedrag van de vordering ‘toekomt’ als bedoeld in artikel 552b Sv.
HR 22-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:653
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 april 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, M. Kuijer
- Zaaknummer
23/05076 B
- Conclusie
A-G mr. A.E. Harteveld
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD13667:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Materieel strafrecht / Sancties
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:653, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:186, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑05‑2024
- Wetingang
Art. 552b Sv
Essentie
Beklag als bedoeld in artikel 552b Sv; OM-cassatie. De klaagster heeft een vordering op de veroordeelde op grond van ‘unjust enrichment’ en maakt in dat verband aanspraak op een geldbedrag van € 4.000.000, welk geldbedrag in de strafzaak tegen de veroordeelde verbeurd is verklaard. Het oordeel van de rechtbank dat de klaagster daarmee als belanghebbende kan worden aangemerkt en dat het bedrag aan haar toekomt als bedoeld in artikel 552b Sv, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Samenvatting
De rechtbank heeft geoordeeld dat de klaagster kan worden aangemerkt als belanghebbende, omdat de klaagster aan het klaagschrift ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.