HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1243, NJ 2015/258.
HR, 18-04-2017, nr. 15/04319
ECLI:NL:HR:2017:701
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-04-2017
- Zaaknummer
15/04319
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:701, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 18‑04‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:271, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2015:2414, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2017:271, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑03‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:701, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑02‑2016
- Wetingang
art. 41 Wetboek van Strafrecht
- Vindplaatsen
NJ 2017/232 met annotatie van N. Rozemond
SR-Updates.nl 2017-0215
NbSr 2017/197
Uitspraak 18‑04‑2017
Inhoudsindicatie
Noodweer, art. 41.1 Sr. Nachtelijke schietpartij op parkeerterrein bij partycentrum waarbij de verdachte alsook het slachtoffer schoten lossen en het slachtoffer komt te overlijden. Gelet op de vaststellingen van het hof en in aanmerking genomen hetgeen voorop is gesteld, getuigt het oordeel van het hof dat "voor de verdachte de reële mogelijkheid [bestond] om nadat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van het slachtoffer te onttrekken" en dat van de verdachte ook gevergd mocht worden dat hij wegging, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Middel faalt. CAG gevolgd.
Partij(en)
18 april 2017
Strafkamer
nr. S 15/04319
SG/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 september 2015, nummer 22/002456-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.
2.2.
Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 5 september 2010 te Zoetermeer opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen kogels afgevuurd op het lichaam van [slachtoffer] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."
2.3.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Haag, zaaknummer 2010.09.03.32, d.d. 20 januari 2011, opgemaakt en ondertekend door de deskundige P.M.I. van Driessche, arts en patholoog. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 123 t/m 127 dossier forensische opsporing):
als relaas van deze deskundige:
Overledene
Naam [slachtoffer]
Geboortedatum [geboortedatum] 1988
Geboorteplaats [geboorteplaats]
Bij sectie werd het lichaam van een jongeman gezien met in totaal minimaal 3 en maximaal 5 schotletsels, bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig heftig perforerend geweld, die hebben geleid tot intern en extern zeer ernstig bloedverlies/verbloeding. Alle schotletsels aan de romp hebben ieder op zich en/of in combinatie geleid tot het overlijden. Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door verbloeding ten gevolge van schotletsel.
2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van de verdachte:
Ik was op 4 september (het hof begrijpt: in de avond/nacht van 4 op 5 september) 2010 op het feest in het partycentrum [A] in Zoetermeer. Ik liep samen met [betrokkene 1] naar buiten. [betrokkene 1] en ik liepen in de richting van mijn auto. [betrokkene 1] werd door drie jongens tegen gehouden. Die vroegen iets aan hem. Ik liep een stukje door. Ik draaide me om en liep terug. [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [slachtoffer] , en [betrokkene 3] waren in discussie. [betrokkene 1] en ik liepen op een gegeven moment richting mijn auto. Ik zag dat [betrokkene 3] , [slachtoffer] en [betrokkene 2] in de richting van hun auto liepen. [betrokkene 1] pakte een vest uit de auto. Ik liep terug naar [betrokkene 4] en praatte met haar. Plotseling stond hij (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) bij mij en schreeuwde hij allemaal dingen tegen mij. Onder andere dat ik moest laten zien dat ik stoer was. Ik zei tegen [slachtoffer] dat ik geen ruzie met hem had en dat hij me met rust moest laten.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 september 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010/182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 17 september 2010 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik word [verdachte] genoemd.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 september 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010/182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossier getuigen blz. 278 t/m 284):
als de op 14 september 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :
Ik ben vorige week in Groningen bij een verkeerscontrole gecontroleerd. Ik heb toen verteld dat ik getuige was geweest van een schietpartij bij het Partycentrum in Zoetermeer.
Ik hoorde mensen schreeuwen naar elkaar. Ik zag dat een man, die later werd neergeschoten, met een zilverkleurig pistool in zijn handen stond. Hij zwaaide met het pistool in zijn rechterhand in het rond. Ik hoorde en zag dat deze man boos was en liep te schreeuwen. De man schreeuwde. "Ik ben niet bang. Ik ben helemaal klaar met jullie. Doe wat jullie willen doen. Ik ben helemaal voorbereid."
De jongen die later werd neergeschoten zei tegen [verdachte] : "Laat zien dat je stoer bent. Nu moet je laten zien dat je stoer bent"; daarbij haalde de jongen die later werd neergeschoten zijn pistool uit zijn rechter broekzak. Hij hield het pistool tegen de zijkant van zijn been naar beneden gericht. [verdachte] antwoordde dat hij niets met hem te maken had en dat de jongen die later werd neergeschoten, door moest lopen en weg moest gaan.
[verdachte] rende eerst naar een auto. Hij deed de auto open en dicht en kwam rustig teruglopen. [verdachte] liep toen weer naar de plaats waar een 7 staat. Op dat moment kwam de jongen die later werd neergeschoten ook weer naar die plaats lopen.
Ik hoorde 8 knallen en keek waar de knallen vandaan kwamen.
Ik zag toen het slachtoffer op de grond, vallen. Ik zag het slachtoffer opstaan en vervolgens weer vallen. Nadat hij was gevallen, zag ik dat het slachtoffer, terwijl hij op de grond lag, het pistool uit zijn rechter broekzak haalde en richtte in de richting van [verdachte] . [verdachte] rende op dat moment in de richting van de auto bij cijfer 9. Ik zag en hoorde dat het slachtoffer één keer schoot in de richting van [verdachte] . Toen ik de knallen hoorde, draaide ik mij om. Ik zag het licht van een pistool terwijl de knallen nog kwamen, ik zag ook iets zwarts in één van de handen van [verdachte] . Ik begon toen te rennen. Toen zag ik het slachtoffer naar [verdachte] schieten. [verdachte] hield het wapen met één hand vast. Ik zag dat [verdachte] richtte en schoot in de richting van het slachtoffer.
[verdachte] is dik. Heeft een buik. Hij heeft een stoppelbaard. Hij had kort haar plat gekamd. Het haar was een paar centimeter lang. Zijn huidskleur is licht.
5. Een proces-verbaal van simultane fotobewijsconfrontatie (met één getuige) d.d. 28 oktober 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010/1820/28. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossier ambtshandelingen blz. 174 t/m 178):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op donderdag 21 oktober 2010 heb ik naar aanleiding van een op 5 september 2010 gepleegde schietpartij te Zoetermeer een simultane fotobewijsconfrontatie gehouden, waarbij de getuige [betrokkene 5] , werd geconfronteerd met 10 foto's van personen, waaronder een foto van de verdachte [verdachte] .
6. Een proces-verbaal van tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie d.d. 21 oktober 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010/1820/28. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossier ambtshandelingen blz. 180 t/m 181):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op donderdag 21 oktober 2010, omstreeks 13.50 uur, confronteerde ik als getuigenbegeleider op verzoek van de confrontatieleider [betrokkene 6] , de getuige
[betrokkene 5]
Geboortedatum: [geboortedatum] -1988,
met een fotoselectie van 10 personen.
De getuige keek aandachtig naar de foto's en klikte gelijk nummer 5 aan.
De getuige antwoordde: "het is die".
Na afloop van de confrontatie deelde de confrontatieleider mij mede, dat de foto van de verdachte in de selectie op plaats 5 stond.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 september 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010 / 182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossier getuigen blz. 178 t/m 183):
als de op 9 september 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 7] :
De lichten gaan dus aan (het hof begrijpt: het feest was voorbij). Op dat moment wilde [slachtoffer] mijn autosleutels hebben.
Toen ik bij de auto aankwam, opende ik de auto. Ineens was [slachtoffer] ook bij de auto. Hij pakte iets uit de auto. [slachtoffer] liep weg bij mijn auto en liep langs de bestuurderskant weg. Op dat moment zag iets glimmen in zijn rechterhand.
Ik wist dat het een pistool moest zijn. Op dat moment ben ik in de auto gaan zitten en ben ik omgereden richting de ingang. Ik heb mijn auto tot stilstand gebracht. Ik zag in [slachtoffer] zijn rechterhand een pistool. Hij had het pistool in zijn rechterhand en had het pistool naar de grond gericht. Hij heeft daar heel lang ruzie gemaakt met het pistool in zijn hand. Op het moment dat ik weg wilde rijden, hoorde ik schoten.
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 november 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010/182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossier getuigen blz. 407 t/m 413):
als de op 2 november 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 8] :
Tijdens het laatste liedje ben ik weggegaan, door de zij- ingang. Toen ik naar buiten kwam een stukje naar rechts zag ik [verdachte] , [betrokkene 9] , een man en vermoedelijk die man die later dood is en ik hoorde hen discussiëren. Ik zag dat die man een pistool in zijn hand had en hoorde hem schreeuwen. Die jongen was aan het zwaaien met een pistool en ik denk dat dit die jongen is die dood is. Ik zag dat wapen en ben naar de auto gegaan. Het was denk ik twee minuten lopen naar de auto. Wij hebben nog even bij de auto gestaan, staan dollen en een jointje gedraaid. Ik stond bij de auto toen ik hoorde schieten. Ik ben toen gelijk ingestapt en wij zijn weggereden.
9. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 november 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossier getuigen blz. 244):
als de op 18 november 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 10] :
U vraagt mij hoe de nacht van 4 op 5 september is verlopen. Ik werkte die nacht voor Forces Security gevestigd in Alphen aan de Rijn. Mijn post was bij de voordeur bij de hoofdingang. Mijn taak was het om de mensen te controleren die binnenkwamen. Ik laat een aantal mensen binnen, bijvoorbeeld 3 personen, die dan achter mij worden gefouilleerd. Ook moeten de bezoekers door een metaaldetector.
10. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 november 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossier getuigen blz. 254 en 255):
als de op 24 november 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 11] :
Op 5 september 2010 was ik als beveiliger werkzaam bij een Antilliaans feest in partycentrum [A] in Zoetermeer. Ik stond die avond/nacht bij de hoofdingang en hield mij bezig met het visiteren/fouilleren van de bezoekers. Als een bezoeker het partycentrum binnenkwam ging hij of zij eerst door een detectiepoort, tevens moest men de zakken leegmaken. Tassen van bezoekers werden opengemaakt en gecontroleerd. Tevens werd iedere bezoeker aan de kleding gefouilleerd.
11. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 juni 2011. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 8 juni 2011 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Ik ben samen met [verdachte] op het feest geweest. Wij gingen naar buiten. Toen ik buiten was, werd ik opeens aangevallen door die jongen die is doodgeschoten en die jongen met één arm. Ik weet nu dat zij [slachtoffer] en [betrokkene 2] heten. Zij stonden voor mij en blokkeerden mijn doorgang. [slachtoffer] zei tegen mij: "Waarom heb jij hem vies aangekeken?" Hij wees daarbij op [betrokkene 2] . Vervolgens kwam [verdachte] erbij. [slachtoffer] of [betrokkene 2] maakte hem toen uit voor flikker en zei dat hij zich er niet mee moest bemoeien en beter door kon lopen. Ze gingen met hem bekvechten. Ik ben toen tussenbeide gekomen en ik heb gezegd: "Kom we gaan, laat dit probleem." Een jongen met rasta haar zei ook zoiets tegen [slachtoffer] en [betrokkene 2] . Hij nam ze mee in de richting van de auto's. Ik ben toen met [verdachte] naar onze auto gelopen. Daar heb ik mijn vest gepakt. [verdachte] ging vervolgens terug. Hij werd toen aangeroepen door een meisje in een auto. [verdachte] liep toen naar die auto. Ik ben met hem meegelopen. Toen we bij de auto stonden, stonden die [slachtoffer] en [betrokkene 2] opeens weer voor ons. Er ontstond toen een woordenwisseling. Het was vooral [slachtoffer] die tekeer ging. Hij richtte zich vooral tegen [verdachte] . Ik zag dat [slachtoffer] een pistool in zijn hand had.
12. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 11 mei 2011. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 11 mei 2011 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 12] :
Het was na het feest. Ik stond buiten. Ik stond bij een parkeerplaats. Ik heb gezien en gehoord dat een lichte man en een donkere man ruzie hadden. Ik zag en hoorde dat zij woorden met de mond hadden en dat zij schreeuwden. Ik hoorde de donkere man (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) zeggen dat hij niet bang was om dood te gaan. Ik zag de lichte man (het hof begrijpt: de verdachte) naar de geparkeerde auto's lopen. Ik zag hem ook weer terug lopen. Ik zag toen dat zij schoten. Ik hoorde die klappen, dat geluid van een geweer, en ik zag ook vuur, van die rode lichtjes. U vraagt mij bij wie ik dat zag. Bij allebei, dus bij die lichte man en bij die donkere man. Ik kan niet zeggen bij wie ik dat het eerste zag. Hierna zag ik die lichte man met zijn arm gestrekt weglopen van de donkere man. Vervolgens zag ik dat iedereen ging rennen en daarna zag ik die donkere jongen op de grond liggen.
U vraagt mij of ik denk of de donkere en de lichte man allebei hebben geschoten.
Ik denk het wel. Dat denk ik omdat zij de enige twee waren die ruzie hadden. Ik heb ook bij allebei vuur gezien.
De rechter-commissaris vraagt mij of ik dat heel zeker weet. Ja.
13. Een proces-verbaal van verhoor getuige volgens het proces-verbaal d.d. 7 april 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010 182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (dossier getuigen blz. 154 t/m 157):
als de op 6 september 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 12] :
Op zondag 5 september 2010 was ik op het Antilliaans feest te Zoetermeer. Ik zag en hoorde dat een donkere man en een lichtgetinte man ruzie met elkaar hadden. De lichtgetinte man liep weg van de donkere man. Korte tijd later zag ik dat de lichtgetinte man terug kwam. Hij schoot met een pistool op de donkere man. Ik zag vuur komen uit het pistool. Ik zag dat de donkere man neerviel in het gras.
De lichtgetinte man, de man die schoot, omschrijf ik als volgt:
Het was een breed gespierde man. De man droeg een wit T-shirt. Op de voorzijde was het T-shirt voorzien van een zwarte print.
14. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 augustus 2011. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 8 augustus 2011 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 13] :
Ik zat achter in de auto in het midden. [betrokkene 14] zat achter het stuur. Ik keek daarbij naar [betrokkene 14] . Ik hoorde opeens schoten. Het waren wel iets van vijf of zes schoten. Ik keek naar buiten en toen zag ik [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) naar achteren komen. Hij deed twee of drie stappen achteruit en toen viel hij. Ik zag verder dat één van die twee mannen waar [slachtoffer] ruzie mee had, op hem schoot. Die man leek op [verdachte]. Ik herkende hem aan zijn shirt en aan zijn postuur. Ik zag dat die man schoot. U vraagt mij wat ik dan precies zag. Ik zag hem met een gestrekte arm en met een vuurwapen. Ik zag ook vlammen. U vraagt mij in welke hand [verdachte] het vuurwapen had. Rechts. U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard over een grote man die leek op [verdachte] en dat ik hem herkende aan zijn blouse en zijn postuur. Dat klopt, ik had [verdachte] eerder op het feest al gezien dus ik wist wat voor een shirt hij aanhad.
[verdachte] heeft geschoten."
2.4.
Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman van de verdachte heeft - voor het geval het hof bewezen zou verklaren hetgeen de verdachte is ten laste gelegd - een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - betoogd dat het schieten van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zijn vuurwapen op de verdachte gericht en heeft schoten in zijn richting gelost. Daartegen kon en mocht de verdachte zich verdedigen. De raadsman is van mening dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Op 5 september 2010 zijn buiten partycentrum " [A] " te Zoetermeer met een vuurwapen schoten afgevuurd ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.
Die nacht vond in het partycentrum een feest plaats. Na afloop van het feest ontstond buiten het partycentrum een ruzie, waarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , het latere slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte waren betrokken. [slachtoffer] en [betrokkene 2] keerden zich tegen de verdachte en er werd geschreeuwd. [slachtoffer] was die avond heel boos en agressief en liep bovendien met een vuurwapen te zwaaien. Na deze ruzie is de verdachte, samen met [betrokkene 1] , naar zijn auto gelopen. Hierna is de verdachte terug gelopen en heeft hij bij de auto van [betrokkene 4] gestaan. Vervolgens is [slachtoffer] in de richting van de verdachte gelopen. [slachtoffer] ging verbaal tekeer tegen de verdachte en hij had nog steeds een wapen bij zich. Vervolgens hebben zowel [slachtoffer] als de verdachte op elkaar geschoten, waarbij [slachtoffer] dodelijk is geraakt.
Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn onder meer het al dan niet plotselinge karakter van de aanranding, de plaats waar de aanranding plaatsvond en het gedrag van de verdachte voorafgaand aan de aanranding.
Het hof is van oordeel dat het onttrekkingsvereiste in de onderhavige zaak aan de verdachte kan worden tegengeworpen.
Hoewel ook het hof er van uitgaat dat [slachtoffer] op enig moment met een vuurwapen schoten heeft gelost, bestond er naar het oordeel van het hof voor de verdachte de reële mogelijkheid om nadat het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van [slachtoffer] te onttrekken.
Weggaan en aldus een nadere confrontatie voorkomen kon naar 's hofs oordeel in de gegeven omstandigheden ook van de verdachte worden gevergd.
De verdachte en [betrokkene 1] hebben een confrontatie gehad met [betrokkene 2] en een agressief schreeuwende [slachtoffer] . De agressie van [slachtoffer] was kennelijk gericht tegen de verdachte en niet tegen de andere aanwezige personen. De verdachte wist dat ook. Daarna had de verdachte, gelet op de toestand van [slachtoffer] , zich kunnen en ook moeten realiseren dat de situatie kon escaleren.
Het hof gaat er daarbij - anders dan de verdediging heeft betoogd - op grond van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] van uit dat de verdachte tijdens het eerste conflict buiten heeft gezien dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had. Dat de verdachte het wapen pas heeft gezien ten tijde van de tweede confrontatie buiten, zoals de verdachte zelf heeft verklaard, acht het hof ongeloofwaardig.
Het hof gaat er op grond van de bewijsmiddelen tevens van uit dat de verdachte vervolgens - na de eerste confrontatie met [slachtoffer] en aldus na het zien van het vuurwapen van [slachtoffer] - naar zijn auto is gelopen om zijn eigen vuurwapen te halen. Het hof acht het uitgesloten dat de verdachte al eerder, ten tijde van het feest en de daaropvolgende eerste confrontatie met [slachtoffer] buiten, in het bezit was van een vuurwapen. Uit de verklaringen van de bewakers van partycentrum [A] blijkt immers dat sprake was van een strenge ingangscontrole, waar de bezoekers door een metaaldetector moesten, hun tassen moesten open maken om te worden gecontroleerd, hun zakken moesten leegmaken en zij bovendien werden gefouilleerd. Hetgeen na afloop van het feest buiten is gebeurd besloeg slechts een kort tijdsbestek en vervolgens is de verdachte één keer heen en weer gelopen naar de auto. Het dossier biedt geen enkel alternatief scenario dan dat de verdachte op dat moment het wapen uit zijn auto heeft gepakt.
Dit alles leidt tot de slotsom dat de verdachte niet alleen niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om te vertrekken, hoewel hij die gelegenheid wel had toen hij zich bij zijn auto bevond, maar bovendien zichzelf heeft bewapend alvorens in het bezit van een vuurwapen terug te lopen in de richting van waar [slachtoffer] zich bevond, wetende dat [slachtoffer] het die avond op hem gemunt had, agressief was en een vuurwapen bij zich droeg. Daarmee heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof welbewust in een situatie begeven waarin hem geen beroep op noodweer toekomt.
Het verweer wordt verworpen."
2.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 omtrent de in art. 41 Sr omschreven strafuitsluitingsgrond noodweer onder meer het volgende overwogen:
"Geboden door de noodzakelijke verdediging
(...)
Noodzaak van verdediging en onttrekkingsvereiste
3.5.2.
Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.
Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid - bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv optredend persoon - hier van belang zijn."
2.6.
Het Hof heeft onder meer vastgesteld dat:
(i) buiten een partycentrum waar een feest had plaatsgevonden, een ruzie was tussen onder meer de verdachte en [slachtoffer] waarbij [slachtoffer] zich heel boos en agressief gedroeg jegens de verdachte en stond te zwaaien met een vuurwapen;
(ii) [slachtoffer] tijdens die ruzie tegen de verdachte heeft geschreeuwd "Ik ben niet bang. Ik ben helemaal klaar met jullie. Doe wat jullie willen doen. Ik ben helemaal voorbereid" en "Laat zien dat je stoer bent. Nu moet je laten zien dat je stoer bent" en heeft gezegd dat hij niet bang was om dood te gaan;
(iii) de verdachte wist dat de agressie van [slachtoffer] alleen tegen hem was gericht en dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had;
(iv) de verdachte vervolgens naar zijn auto is gegaan, de gelegenheid had om te vertrekken maar in plaats daarvan een wapen heeft gepakt en is teruggelopen in de richting van [slachtoffer] waarna door zowel [slachtoffer] als de verdachte is geschoten.
Gelet op deze vaststellingen en in aanmerking genomen hetgeen onder 2.5 is vooropgesteld, getuigt het oordeel van het Hof dat "voor de verdachte de reële mogelijkheid [bestond] om nadat het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van [slachtoffer] te onttrekken" en dat van de verdachte ook gevergd mocht worden dat hij wegging, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Dat oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig zodat de overige tegen die verwerping gerichte klachten geen bespreking behoeven.
2.7.
Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2017.
Conclusie 07‑03‑2017
Inhoudsindicatie
Noodweer, art. 41.1 Sr. Nachtelijke schietpartij op parkeerterrein bij partycentrum waarbij de verdachte alsook het slachtoffer schoten lossen en het slachtoffer komt te overlijden. Gelet op de vaststellingen van het hof en in aanmerking genomen hetgeen voorop is gesteld, getuigt het oordeel van het hof dat "voor de verdachte de reële mogelijkheid [bestond] om nadat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van het slachtoffer te onttrekken" en dat van de verdachte ook gevergd mocht worden dat hij wegging, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Middel faalt. CAG gevolgd.
Nr. 15/04319 Zitting: 7 maart 2017 (bij vervroeging) | Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 7 september 2015 door het hof Den Haag wegens “doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden met de aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr. Voorts heeft het hof een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het arrest omschreven.
De onderhavige strafzaak wordt voor de tweede keer aan de Hoge Raad voorgelegd. Het hof Den Haag heeft de verdachte eerder bij arrest van 26 april 2013 wegens doodslag veroordeeld. Het van de kant van verdachte ingestelde cassatieberoep tegen de verwerping van het beroep op noodweer trof doel wegens het niet begrijpelijke oordeel van het hof dat verdachte zich aan de dreigende aanranding had moeten onttrekken. De Hoge Raad vernietigde het genoemde arrest en wees de zaak terug naar het hof Den Haag.1.Het thans bestreden arrest betreft het arrest van het hof Den Haag na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middelricht zich tegen de verwerping van het beroep op noodweer.
5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 5 september 2010 te Zoetermeer opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen kogels afgevuurd op het lichaam van [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
6. Het hof heeft – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – het volgende overwogen:
“De raadsman van de verdachte heeft - voor het geval het hof bewezen zou verklaren hetgeen de verdachte is ten laste gelegd - een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - betoogd dat het schieten van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zijn vuurwapen op de verdachte gericht en heeft schoten in zijn richting gelost. Daartegen kon en mocht de verdachte zich verdedigen. De raadsman is van mening dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Op 5 september 2010 zijn buiten partycentrum "[A]" te Zoetermeer met een vuurwapen schoten afgevuurd ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.
Die nacht vond in het partycentrum een feest plaats. Na afloop van het feest ontstond buiten het partycentrum een ruzie, waarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 2], het latere slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte waren betrokken. [slachtoffer] en [betrokkene 2] keerden zich tegen de verdachte en er werd geschreeuwd. [slachtoffer] was die avond heel boos en agressief en liep bovendien met een vuurwapen te zwaaien. Na deze ruzie is de verdachte, samen met [betrokkene 1], naar zijn auto gelopen. Hierna is de verdachte terug gelopen en heeft hij bij de auto van [betrokkene 4] gestaan. Vervolgens is [slachtoffer] in de richting van de verdachte gelopen. [slachtoffer] ging verbaal tekeer tegen de verdachte en hij had nog steeds een wapen bij zich. Vervolgens hebben zowel [slachtoffer] als de verdachte op elkaar geschoten, waarbij [slachtoffer] dodelijk is geraakt.
Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn onder meer het al dan niet plotselinge karakter van de aanranding, de plaats waar de aanranding plaatsvond en het gedrag van de verdachte voorafgaand aan de aanranding.
Het hof is van oordeel dat het onttrekkingsvereiste in de onderhavige zaak aan de verdachte kan worden tegengeworpen.
Hoewel ook het hof er van uitgaat dat [slachtoffer] op enig moment met een vuurwapen schoten heeft gelost, bestond er naar het oordeel van het hof voor de verdachte de reële mogelijkheid om, nadat het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van [slachtoffer] te onttrekken.
Weggaan en aldus een nadere confrontatie voorkomen kon naar 's hofs oordeel in de gegeven omstandigheden ook van de verdachte worden gevergd.
De verdachte en [betrokkene 1] hebben een confrontatie gehad met [betrokkene 2] en een agressief schreeuwende [slachtoffer]. De agressie van [slachtoffer] was kennelijk gericht tegen de verdachte en niet tegen de andere aanwezige personen. De verdachte wist dat ook. Daarna had de verdachte, gelet op de toestand van [slachtoffer], zich kunnen en ook moeten realiseren dat de situatie kon escaleren.
Het hof gaat er daarbij - anders dan de verdediging heeft betoogd - op grond van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] van uit dat de verdachte tijdens
het eerste conflict buiten heeft gezien dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had. Dat de verdachte het wapen pas heeft gezien ten tijde van de tweede confrontatie buiten, zoals de verdachte zelf heeft verklaard, acht het hof ongeloofwaardig.
Het hof gaat er op grond van de bewijsmiddelen tevens van uit dat de verdachte vervolgens - na de eerste confrontatie met [slachtoffer] en aldus na het zien van het vuurwapen van [slachtoffer] - naar zijn auto is gelopen om zijn eigen vuurwapen te halen. Het hof acht het uitgesloten dat de verdachte al eerder, ten tijde van het feest en de daaropvolgende eerste confrontatie met [slachtoffer] buiten, in het bezit was van een vuurwapen. Uit de verklaringen van de bewakers van partycentrum [A] blijkt immers dat sprake was van een strenge ingangscontrole, waar de bezoekers door een metaaldetector moesten, hun tassen moesten open maken om te worden gecontroleerd, hun zakken moesten leegmaken en zij bovendien werden gefouilleerd. Hetgeen na afloop van het feest buiten is gebeurd besloeg slechts een kort tijdsbestek en vervolgens is de verdachte één keer heen en weer gelopen naar de auto. Het dossier biedt geen enkel alternatief scenario dan dat de verdachte op dat moment het wapen uit zijn auto heeft gepakt.
Dit alles leidt tot de slotsom dat de verdachte niet alleen niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om te vertrekken, hoewel hij die gelegenheid wel had toen hij zich bij zijn auto bevond, maar bovendien zichzelf heeft bewapend alvorens in het bezit van een vuurwapen terug te lopen in de richting van waar [slachtoffer] zich bevond, wetende dat [slachtoffer] het die avond op hem gemunt had, agressief was en een vuurwapen bij zich droeg. Daarmee heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof welbewust in een situatie begeven waarin hem geen beroep op noodweer toekomt.
Het verweer wordt verworpen.
Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.”
7. De bespreking van het middel wordt enigszins gehinderd door de wijze waarop het middel is vorm gegeven. Het middel zelf houdt in dat het zich richt tegen de verwerping van het beroep op noodweer en als ik het goed zie eindigt de toelichting niet met een rechtsklacht, maar met (een) motiveringsklacht(en) (niet genummerde, maar twaalfde pagina van de schriftuur). De motiveringsklachten hebben enerzijds betrekking op het zogenaamde onttrekkingsvereiste en anderzijds op culpa in causa. Gelet daarop zal ik nu eerst de overwegingen over beide leerstukken uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad2.citeren.
8. Rechtsoverweging 3.5.2 betreft de noodzaak van verdediging en het onttrekkingsvereiste en deze overweging houdt (met weglating van een noot) in:
“Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.
Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid – bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv optredend persoon – hier van belang zijn.”
9. Rechtsoverweging 3.7.1 betreft culpa in causa en deze overweging houdt (met weglating van noten) in:
“Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.”
10. De concrete toepassing van de normatieve component3.van het onttrekkingsvereiste4.door het hof wordt door de steller van het middel onbegrijpelijk geoordeeld. Het is volgens hem niet begrijpelijk dat van verdachte gevergd kan worden dat hij zich onttrekt. Dat oordeel is volgens de steller van het middel namelijk gebaseerd op een vaststelling die geen steun vindt in de bewijsmiddelen of in de overige stukken van het dossier. De betwiste vaststelling van het hof is volgens de steller van het middel ‘dat verdachte wist dat na beëindiging van het eerdere conflict, [slachtoffer] het nog steeds op hem gemunt had’.5.De woorden ‘nog steeds’ komen in de overweging van het hof niet voor en leggen het accent anders. Het hof overweegt: “(…) wetende dat [slachtoffer] het die avond op hem gemunt had”. Dit sluit aan op een zin aan het begin van de overweging van het hof: “[slachtoffer] en [betrokkene 2] keerden zich tegen de verdachte en er werd geschreeuwd.” De vaststelling dat [slachtoffer] het die avond op verdachte gemunt had is zonder meer af te leiden uit de bewijsmiddelen 11 en 12. Deze deelklacht mist daarmee zijn doel.
11. Voor zover vervolgens wordt geklaagd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het hof heeft vastgesteld dat het eerdere conflict tussen verdachte en [slachtoffer] was beëindigd het volgende. Kennelijk baseert de steller van het middel zijn klacht op het uitgangspunt dat alleen als het conflict nog gaande is van verdachte kan worden gevergd dat hij zich onttrekt. Ik kan dat niet volgen. Ik zou menen dat juist omdat het eerdere conflict is beëindigd door weg te gaan voorkomen kan worden dat de vlam opnieuw in de pan slaat. Van verdachte kon gevergd worden te vertrekken om zo een nieuwe escalatie te voorkomen. Wat daar onbegrijpelijk aan is, ontgaat mij en daarmee faalt de deelklacht.
12. Opmerkelijk dat alle klachten in de toelichting vervolgens geheel zijn opgehangen aan de omstandigheid dat “het hof niet heeft vastgesteld dat verdachte de confrontatie met [slachtoffer] is aangegaan of de aanval heeft uitgelokt door provocatie.” De door de steller van het middel gekozen bewoordingen horen bij culpa in causa.6.Het hof heeft het oordeel dat het beroep op noodweer faalt echter niet gestoeld op culpa in causa en daarom is niet van belang dat het hof daaromtrent niets heeft vastgesteld. Voor zover de klachten hierop voortbouwen behoeven ze geen nadere bespreking. Het oordeel van het hof houdt nu eenmaal niet in dat verdachte de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht of een aanval van [slachtoffer] heeft uitgelokt. Er is verschil tussen een gedraging gericht op confrontatie (in het kader van culpa in causa) en - zoals in het onderhavige geval - de plicht om zich zo te gedragen dat een confrontatie wordt voorkomen (in het kader van het onttrekkingsvereiste).
13. Het hof heeft er de nadruk op gelegd dat verdachte zich niet heeft teruggetrokken, maar gewoon is gebleven en dat zelfs in de wetenschap dat [slachtoffer] een wapen had, terwijl hij zelf ook een wapen heeft gepakt. Waarom niet van verdachte mag worden gevergd dat hij vertrekt in een geval dat hij niet uit is op confrontatie zie ik niet in. Ik acht het mede in het licht van de gehele context niet onbegrijpelijk dat dit van verdachte wordt gevergd, in het bijzonder onder de drie door het hof genoemde omstandigheden: [slachtoffer] had het die avond op verdachte gemunt, [slachtoffer] was agressief en hij had een vuurwapen. Dat impliceert geenszins dat er altijd moet worden geweken voor dreigende agressie van een ander. Ik lees het oordeel van het hof zo dat verdachte zich in het licht van het risico voor (andere) personen die de uitgaansgelegenheid verlieten had moeten onthouden van gewapende terugkeer naar een plaats waar hij een agressieve, gewapende [slachtoffer] die het op hem had gemunt kon verwachten. Dat het hof daarbij betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat verdachte zich voorzag van een vuurwapen, terwijl daarbij niet door het hof is vastgesteld wat verdachte daarmee nu precies beoogde (aanval of verdediging) maakt niet onbegrijpelijk dat van verdachte onthouding gevergd kan worden. Niet aannemelijk is in ieder geval dat er voor verdachte op het moment dat hij zijn wapen pakte noodzaak voor verdediging was. Dat is niet anders als hij weet dat [slachtoffer] over een wapen beschikt.
14. Ik verwijs voor een vergelijkbaar geval naar HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2947, NJ 2013/166. In een café had zich een incident voorgedaan waarbij de verdachte was belaagd. Vervolgens buiten het café was de sfeer grimmig en heeft de verdachte zich begeven in de richting van de personen die hem later hebben aangevallen. Van hem kon kennelijk ter vermijding van de kans op escalatie worden verwacht dat hij een andere kant op was gegaan. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse bij HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1728 (art. 81 RO), waar het ging om een verdachte die bij de deur van zijn woning werd geslagen door een met een mes gewapende man. Verdachte rende naar boven nadat hij getracht had de deur te sluiten. Eenmaal terug en zelf bewapend met een samoeraizwaard bleek dat de aanvaller hem niet gevolgd was, maar in de tuin stond. Daar kwam het tot een confrontatie. De verdachte had zich moeten onttrekken en niet terugkeren.
15. Verder berusten de klachten op een andere selectie en waardering van feiten dan die bij de verwerping van het beroep op noodweer door het hof in aanmerking is genomen. Dat er een andere selectie en waardering mogelijk is, verbaast niet, maar dat de selectie en waardering die het hof heeft gevolgd onbegrijpelijk is, zie ik niet in.
16. Het middel faalt in alle onderdelen.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑03‑2017
HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond.
Vgl. J.P. Balkema en P.C. Vegter, ‘Vluchten kan niet meer’, in J.W. Fokkens e.a. (red.), Ad hunc modem. Opstellen over materieel strafrecht. Liber amicorum A.J. Machielse, Kluwer, Deventer 2013, p. 8.
Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval: HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3874, NJ 2010/301 en HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:106.
Zie de zevende pagina van de schriftuur. Ik citeer de zin niet helemaal omdat ik ten behoeve van de leesbaarheid een enkele verschrijving in de zin heb hersteld.
De steller van het middel heeft mogelijk een messcherp onderscheid tussen het onttrekkingsvereiste en culpa in causa voor ogen, maar zelfs dat betekent nog niet dat het voorkomen van een aanranding (de plicht om een confrontatie te vermijden) een belangrijke factor kan zijn bij onttrekking. Anders gezegd: culpa in causa is weliswaar een zelfstandige beoordelingsfactor bij een beroep op noodweer, maar de plicht om confrontatie te voorkomen kan een rol spelen bij het onttrekkingsvereiste. Zie J.H. Blomsma en A.H. Klip, Noodweer en noodweerexces, DD 2009/13 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, Wolters Kluwer, Deventer 2015, p. 330-331. Bij de beoordeling wegen de feitelijke omstandigheden zwaar. Niet volledig uitgesloten is de feitelijke omstandigheden hier anders te waarderen. Het hof had er voor kunnen kiezen te overwegen dat het teruglopen na uit de auto een wapen te hebben gepakt naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een handeling is gericht op confrontatie. Dat is een bouwsteen om verdachte het beroep op noodweer wegens culpa in causa te ontzeggen.
Beroepschrift 05‑02‑2016
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage (straf)
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
[Stichting Beheer Derdengelden
Buitenhof Advoaten
te Den Haag
No 64.23.64.664]
[Hoge Raad der Nederlanden
Straf Griffie
INGEKOMEN 8 (…) 2016
DATUM: 13.00
NR:]
Griffienummer: S 15/04319
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE:
Edelhoogachtbaar College,
Daartoe door de rekwirant in cassatie, [rekwirant], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, bepaaldelijk gevolmachtigd, heeft ondergetekende, mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's‑Gravenhage aan het Buitenhof 24, hierbij de eer aan Uw Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur in cassatie als vervolg op het ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage van 7 september 2015.
Als cassatiemiddel worden opgevoerd:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebreng;
[Hoge Raad der Nederlanden
PDA BALIE
Ingekomen
05 FEB. 2016]
[Behandelaar:]
Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte op 5 september 2010 te Zoetermeer opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen kogels afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde , [slachtoffer] is overleden.
Het Hof heeft het beroep van de verdachte op noodweer verworpen en het bewezen verklaarde strafbaar verklaard en de verdachte strafbaar.
Tegen dat oordeel richt het middel zich.
Toelichting:
Door de raadsman van de verdachte, verder ook te noemen ‘[rekwirant]’, is ter terechtzitting van he Hof een beroep op noodweer gedaan, waardoor de verdachte diende te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dat verweer is door het Hof verworpen.
Het hof overweegt hieromtrent in het arrest het na volgende:
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Op 5 september 2010 zijn buiten partycentrum ‘[A]’ te Zoetermeer met een vuurwapen schoten afgevuurd ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.
Die nacht vond in het partycentrum een feest plaats. Na afloop van het feest ontstond buiten het partycentrum een ruzie, waarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 2], het latere slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte waren betrokken.
[slachtoffer] en [betrokkene 2] keerden zich tegen de verdachte en er werd geschreeuwd. [slachtoffer] was die avond heel boos en agressief en liep bovendien met een vuurwapen te zwaaien. Na deze ruzie is de verdachte, samen met [betrokkene 1], naar zijn auto gelopen. Hierna is de verdachte terug gelopen en heeft hij bij de auto van mevrouw [betrokkene 4] gestaan.
Vervolgens is [slachtoffer] in de richting van de verdachte gelopen. [slachtoffer] ging verbaal tekeer tegen de verdachte en hij had nog steeds een wapen bij zich. Vervolgens hebben zowel [slachtoffer] als de verdachte op elkaar geschoten, waarbij [slachtoffer] dodelijk is geraakt.
Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de dreigende aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Bij beantwoording van de vraag of aan de U verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn onder meer het al dan niet plotselinge karakter van de aanranding, de plaats waar de aanranding plaatsvond en het gedrag van de verdachte voorafgaand aan de aanranding.
Het hof is van oordeel dat het onttrekkingsvereiste in de onderhavige zaak aan de verdachte kan worden tegengeworpen. Hoewel ook het hof er van uitgaat dat [slachtoffer] op enig moment met een vuurwapen schoten heeft gelost, bestond er naar het oordeel van het hof voor de verdachte de reële mogelijkheid om, nadat het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van [slachtoffer] te onttrekken.
Weggaan en aldus een nadere confrontatie voorkomen kon naar 's hofs oordeel in de gegeven omstandigheden ook van de verdachte worden gevergd.
De verdachte en [betrokkene 1] hebben een confrontatie gehad met [betrokkene 2] en een agressief schreeuwende [slachtoffer]. De agressie van [slachtoffer] was kennelijk gericht tegen de verdachte en niet tegen de andere aanwezige personen. De verdachte wist dat ook. Daarna had de verdachte, gelet op de toestand van [slachtoffer], zich kunnen en ook moeten realiseren dat de situatie kon escaleren.
Het hof gaat er daarbij — anders dan de verdediging heeft betoogd — op grond van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] van uit dat de verdachte tijdens het eerste conflict buiten heeft gezien dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had. Dat de verdachte het wapen pas heeft gezien ten tijde van de tweede confrontatie buiten, zoals de verdachte zelf heeft verklaard, acht het hof ongeloofwaardig.
Het hof gaat er op grond van de bewijsmiddelen tevens van uit dat de verdachte vervolgens — na de eerste confrontatie met [slachtoffer] en aldus na het zien van het vuurwapen van [slachtoffer] — naar zijn auto is gelopen om zijn eigen vuurwapen te halen. Het hof acht het uitgesloten dat de verdachte al eerder, ten tijde van het feest en de daaropvolgende eerste confrontatie met [slachtoffer] buiten, in het bezit was van een vuurwapen. Uit de verklaringen van de bewakers van partycentrum [A] blijkt immers dat sprake was van een strenge ingangscontrole, waar de bezoekers door een metaaldetector moesten, hun tassen moesten open maken om te worden gecontroleerd, hun zakken moesten leegmaken en zij bovendien werden gefouilleerd. Hetgeen na afloop van het feest buiten is gebeurd besloeg slechts een kort tijdsbestek en vervolgens is de verdachte één keer heen en weer gelopen naar de auto. Het dossier biedt geen enkel alternatief scenario dan dat de verdachte op dat moment het wapen uit zijn auto heeft gepakt.
Dit alles leidt tot de slotsom dat de verdachte niet alleen niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om te vertrekken, hoewel hij die gelegenheid wel had toen hij zich bij zijn auto bevond, maar bovendien zichzelf heeft bewapend alvorens in het bezit van een vuurwapen terug te lopen in de richting van waar [slachtoffer] zich bevond, wetende dat [slachtoffer] het die avond op hem gemunt had, agressief was en een vuurwapen bij zich droeg.
Daarmee heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof welbewust in een situatie begeven waarin hem geen beroep op noodweer toekomt.
Het verweer wordt verworpen.
Vooropgesteld dient te worden dat van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval (vgl. Onder meer HR 6 oktober 2009, LJN BM7508, NJ 2010/301 en HR 5 maart 2013, BZ2947, zaaknummer 11/00591) (laatstelijk herhaald in HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:106) .
In de overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat [rekwirant] geen beroep toekomt op noodweer omdat hij niet heeft voldaan aan het onttrekkingsvereiste, en zich daardoor welbewust in een situatie heeft begeven waarin hem geen beroep op noodweer toekomt.
Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg kunnen aan het slagen van een beroep op noodweer, indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie (HR 28 maart 2006, LJN AU8087, NJ 2006, 509, NbSr 2006, 172).
Uit de overwegingen van het hof, kan als het oordeel van het Hof niet zonder meer volgen of de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat hij door zijn gedragingen de aanval heeft uitgelokt door provocatie of hij zich had moeten onttrekken aan een (dreigende) aanval door het latere slachtoffer of dat door zich niet te onttrekken aan een (dreigende) aanval deze heeft uitgelokt door provocatie.
Van belang is dat het hof heeft vastgesteld dat:
- —
Een ruzie/conflict is ontstaan waarbij [betrokkene 1], [betrokkene 2], het later slachtoffer [slachtoffer] en verdachte waren betrokken
- —
[slachtoffer] daarbij heel boos was en met een vuurwapen liep te zwaaien.
- —
De ruzie/conflict was beëindigd.
- —
Verdachte naar zijn auto is gelopen en zich heeft bewapend met een vuurwapen.
- —
Verdachte naar de auto van mevrouw [betrokkene 4] is gelopen en daar heeft gestaan.
- —
[slachtoffer] in de richting van verdachte gelopen, daarbij verbaal tekeer ging tegen verdachte met een wapen in zijn hand.
- —
Vervolgens hebben zowel [slachtoffer] als de verdachte op elkaar geschoten.
Uit de overwegingen van het Hof is op te maken dat van verdachte gevergd kon worden, om nadat het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, weg te gaan en zich aan verder agressief gedrag van [slachtoffer] te onttrekken. De vraag of aan dat normatieve deel van het onttrekkingsvereiste is voldaan, kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar is dien beoordeeld te worden op basis van de specifiek omstandigheden.
Voor die beoordeling heeft het hof betekenis toegekend aan de omstandigheid dat verdachte wist dat na beëindiging van het eerdere conflict [slachtoffer] het die avond nog steeds op hem gemunt had, en verdachte aldus door het gaan staan/praten met [betrokkene 4] een nadere aanval had te vrezen.
De door het Hof gestelde omstandigheid dat verdachte wist dat na beeiniging van het eerdere conflict, [slachtoffer] het nog steeds op hem had, vindt echter geen steun in de bewijsmiddelen of in het overige stukken in het dossier, ook heeft het Hof die feitelijke vaststelling niet nader gemotiveerd. Dat onderdeel waarop het Hof het oordeel heeft gebaseerd, is derhalve onvoldoende gemotiveerd.
Dat oordeel is voorts onbegrijpelijk, omdat het Hof heeft vastgesteld dat het eerdere conflict tussen verdachte en [slachtoffer] was beëindigd. En daarbij het Hof nadat het heeft vastgesteld dat verdachte zich daarna heeft bewapend, niet heeft gesteld dat verdachte de confrontatie met [slachtoffer] is aangegaan of de aanval heeft uitgelokt door provocatie, en aldus uit was op een confrontatie.
Het Hof stelt daarentegen juist vast dat verdachte richting [betrokkene 4] is gelopen, hetgeen niet in de richting is van [slachtoffer] was, hetgeen blijkt uit de verdere vaststelling door het Hof, die inhoudt dat het [slachtoffer] is die in de richting van verdachte is gelopen en dat het [slachtoffer] was die met een vuurwapen in de hand verbaal agressief naar verdachte toekwam, en aldus de confrontatie heeft gezocht.
Het oordeel in de overwegingen van het Hof dat aan [rekwirant] geen beroep op noodweer toekomt, omdat hij bij een mevrouw [betrokkene 4] is gaan staan praten terwijl of waardoor hij een (nadere) aanval van [slachtoffer] had te vrezen, is ook onbegrijpelijk omdat dat oordeel niet inhoudt dat [rekwirant] door dat handelen de confrontatie heeft gezocht of door dat handelen de (nadere) aanval van [slachtoffer] heeft uitgelokt.
's Hofs overwegingen kunnen ook niet de conclusie dragen dat de verdachte uit was op een confrontatie. Voor zover het hof van oordeel is dat verdachte de confrontatie had kunnen en moeten vermijden door alsnog weg te gaan, is dat oordeel — mede in het licht van de omstandigheid dat de verdachte niet de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht, of diens aanval heeft uitgelokt, niet zondermeer begrijpelijk.
Daarbij dient tevens betekenis toegekend te worden aan de omstandigheid dat het Hof niet heeft gesteld, en overigens kan ook niet blijken, dat verdachte zich voorzien heeft van een vuurwapen, met als doel een aanval door [slachtoffer] af te kunnen weren.
Het Hof heeft voor het oordeel van belang geacht dat [rekwirant] tijdens het eerste conflict al gezien zou hebben dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had. Die omstandigheid zou doorslaggevend zijn voor de vraag of verdachte zich na beëindiging van dat eerste conflict had dienen te verwijderen en door dat niet te doen, hem een beroep op noodweer voor een latere aanval met dat wapen, niet toekomt. De omstandigheid dat bij [rekwirant] wetenschap was van aanwezigheid, kan echter slechts een factor zijn die van belang is voor de beoordeling van de vraag of de later met dat vuurwapen aangevallene een beroep op noodweer kan doen, indien die aangevallene zelf de confrontatie is aangegaan of de aanval heeft uitgelokt door provocatie.
Dat geen sprake is geweest van het aangaan door [rekwirant] van de confrontatie of dat hij de aanval heeft uitlokt, kan ook blijken door de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen, in het bijzonder hetgeen getuige [betrokkene 5] heeft verklaard (maar dan in de juiste chronologische volgorde).
‘[rekwirant] rende eerst naar een auto. Hij deed de auto open en dicht en kwam rustig teruglopen. [rekwirant] liep toen weer naar de plaats waar een 7 staat. Op dat moment kwam de jongen die later werd neergeschoten ook weer naar die plaats lopen.
Die jongen die later werd neergeschoten zei tegen [rekwirant]: ‘Laat zien dat je stoer bent. Nu moet je laten zien dat je stoer bent’; daarbij haalde de jongen die later werd neergeschoten zijn pistool uit zijn rechter broekzak. Hij hield het pistool tegen de zijkant van zijn been naar beneden gericht. [rekwirant] antwoordde dat hij niets met hem te maken had en dat die jongen die later werd neergeschoten, door moest lopen en weg moest gaan.
Ik hoorde 8 knallen en keek waar de knallen vandaan kwamen.’
Dat [rekwirant] de confrontatie niet is aangegaan of de aanval van [slachtoffer] heeft uitgelokt door provocatie kan ook blijken uit hetgeen door de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd omtrent diezelfde verklaring van [betrokkene 5] en voorts heeft aangevoerd:
Getuige [betrokkene 5] ziet [slachtoffer] met een zilverkleurig pistool rondzwaaien en schreeuwen. ‘Ik ben niet bang, ik ben helemaal klaar met jullie, doe wat jullie willen doen. Ik ben helemaal voorbereid’.
Hij ziet [slachtoffer] tegen een man zeggen: ‘Laat zien dat je stoer bent’ waarna hij het pistool uit zijn broekzak haalde. Die man zei dat hij niets met hem te maken wilde hebben en dat ze door moesten lopen en weg moesten gaan. [slachtoffer] zei ‘ben je stoer’ en liep achteruit terwijl hij dat zei. Die man stond daar alleen maar en zegt ‘Ik praat niks met jullie, Ik ben helemaal klaar ga gewoon verder. Ik heb niks met jullie te praten.’ [betrokkene 5] hoort vervolgens 8 knallen, en ziet [slachtoffer] op de grond vallen.
Bij de rechter-commissaris verklaart [betrokkene 5] dat [rekwirant] heeft gezegd dat hij niets met [slachtoffer] te maken wilde hebben en dat hij door moest lopen en [slachtoffer] achteruit liep en tegen [rekwirant] zei: ‘ laat zien dat je stoer bent’.
[betrokkene 5] verklaart dat hij het idee had dat [slachtoffer] zou gaan schieten. Hij was agressief en hij richtte het wapen op [rekwirant] en zag dat hij schoot. [rekwirant] kon niet weglopen.
Getuige [betrokkene 8] verklaart bij de Rechter-commissaris dat [slachtoffer] bij [rekwirant] en [betrokkene 1] stond en nog harder ging schreeuwen en boos was, hij explodeerde. Hij zag hem een paar passen achteruit lopen met zijn arm gestrekt richting [rekwirant], waarbij [rekwirant] steeds zeiden dat hij rustig moest blijven.
[betrokkene 1] verklaart bij de rechter-commissaris dat toen hij met [rekwirant] bij de auto van [betrokkene 4] was [slachtoffer] en [betrokkene 2] daar ineens weer waren(Rc4). Dat [slachtoffer] met een pistool stond te zwaaien en in de richting van [rekwirant] wees en zei dat hij niet bang was en [rekwirant] zei dat hij geen problemen wilde. [slachtoffer] richtte het vuurwapen op [rekwirant] en hij hoorde een schot en zag ook vuur uit het pistool komen.
Getuige [betrokkene 4] verklaart bij de Rechter-Commissaris dat zij met [rekwirant] bij haar auto stond te praten toen [slachtoffer] kwam en die bleef maar tegen [rekwirant] schreeuwen, waarop [rekwirant] zei dat hij geen problemen met hem wilde en hij weg moest gaan. Waarop ze vervolgens hoorde schieten. Op het moment dat ze het eerste schot hoorde stond [rekwirant] met zijn armen over elkaar met haar te praten (rc 12).
[betrokkene 1] verklaart bij de rechter-commissaris bevestigt dat [rekwirant] met [betrokkene 4] bij de auto stonden toen [slachtoffer] daar schreeuwend naar toeliep. [slachtoffer] maakte bewegingen waaruit het leek alsof hij een pistool had en [rekwirant] maakte gebaren dat hij rustig moest doen en ze hoorde schoten.
[rekwirant] zelf verklaart (ter ttz) dat [slachtoffer] plotseling met het vuurwapen ongeveer 2 meter bij hem vandaag stond, hem onder schot hield en allerlei dingen tegen hem schreeuwde. ‘Ik zei tegen [slachtoffer] dat ik geen ruzie met hem had en dat hij me met rust moest laten. Op een gegeven moment deed hij twee stappen naar achteren en schoot hij op mij…. Ik ben geraakt door een schot van [slachtoffer].’
Daarbij is ook van belang hetgene de raadsman van verdachte heeft aangegeven op grond van welke omstandigheden kan worden aangenomen, het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, er geen aanleiding was om aan te nemen dat [slachtoffer] een volgende aanval zou gaan uitvoeren en dat [rekwirant] niet in de richting van [slachtoffer] is gegaan, maar [slachtoffer] naar hem toe is gekomen en de confrontatie heeft gezocht, terwijl uit het gedrag van [rekwirant] blijkt dat hij niet uit was op een confrontatie:
Maar uit de andere verklaringen blijkt [slachtoffer] en [betrokkene 2] nog maar kort achter [rekwirant] en [betrokkene 1] zijn gelopen, om vervolgens een andere richting op te gaan naar de auto van [betrokkene 15].
[betrokkene 16] verklaart namelijk bij de politie (361) dat hij met [betrokkene 17] in de auto van [betrokkene 15] was. Ze zagen onenigheid en [slachtoffer] werd door [betrokkene 17] geroepen en [slachtoffer] kwam naar de auto en er werd een sigaret uitgewisseld. [betrokkene 17] bevestigt dit (383).
[betrokkene 7] verklaart ook dat [slachtoffer] naar een auto liep die tegenover haar (auto) stil stond (rc 11) [betrokkene 1] verklaart dat ook (rc 18) gezien te hebben dat [slachtoffer] bij de auto is geweest, en daar een minuut of 4 heeft staan praten(rc 26) vanaf die auto liep hij vervolgens naar [rekwirant] , die op dat moment bij de auto met het meisje stond. (Rc 11, rc 23 en rc 25).
Getuige [betrokkene 8] verklaart dat de jongen is weggelopen en weer terugkwam bij [rekwirant] en [betrokkene 9] (rc 18)
[betrokkene 1] verklaart dat [slachtoffer] werd meegenomen in de richting van auto's en dat hij toen met [rekwirant] naar hun auto is gelopen (rc 4) en toen se bij de auto van [betrokkene 4] stonden ze ([slachtoffer] en [betrokkene 2]) ineens weer voor hun stonden, (rc 4)
[betrokkene 2] verklaart bij de Rechter-Commissaris (22) terug te zijn gelopen naar de mannen ([rekwirant] en [betrokkene 1]). (En om terug te kunnen lopen moet je eerst weg zijn gegaan)
Getuige [betrokkene 4] verklaart bij de Rechter-commissaris dat ze, toen [rekwirant] bij haar kwam praten niet het idee had dat er iets aan de hand was (Rc 13) en dat ze ongeveer één minuut met [rekwirant] in gesprek was (rc 20) toen die jongen zich indrong in het gesprek en [rekwirant] zei dat hij geen problemen met hem wilde en dat hij weg moest gaan. ‘Die jongen bleef echter tegen [rekwirant] schreeuwen terwijl [rekwirant] en ik verder spraken.’
Ook [rekwirant] verklaart ter terechtzitting bij de rechtbank dat hij zag dat [slachtoffer] in de richting van zijn auto zag lopen en dat hij dacht dat hij was weggegaan.
Doordat dat de eerdere aanval van [slachtoffer] was geëindigd, en er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat door het gaan staan bij [betrokkene 4] de verdachte een nieuwe aanval moest vrezen, maar bovenal door de afwezigheid van enige aanwijzing dat [rekwirant] de confrontatie is aangegaan of een (nadere) aanval heeft uitgelokt provocatie, lijkt het andersluidend oordeel van het Hof uit te gaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans een te beperkt begrip van de gebodenheid van het handelen en de noodzakelijkheid van de verdediging in de zin van artikel 41 van het wetboek van strafrecht.
Het oordeel van het Hof is onvoldoende gemotiveerd, althans zonder een nadere motivering onbegrijpelijk.
Mitsdien
Op vorenstaande gronden moge het Uw Edelhoogachtbaar College behagen gemeld arrest te vernietigen met zodanige verdere uitspraak, als aan Uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
's‑Gravenhage, 5 februari 2016
R.A.J. Verploegh