Parketnummer 21-001968-21. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:10065.
HR, 09-12-2025, nr. 23/04828
ECLI:NL:HR:2025:1706
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-12-2025
- Zaaknummer
23/04828
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1706, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1057
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:10065
ECLI:NL:PHR:2025:1057, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 30‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1706
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
“Fipronilcrisis” in 2017. Medeplegen op de markt brengen van bestrijdingsmiddel “fipronil” (tegen bloedluis bij kippen) in wetenschap dat dit schadelijk is voor leven of gezondheid terwijl schadelijk karakter wordt verzwegen voor afnemers, waardoor miljoenen eieren in Nederland besmet raken met dit bestrijdingsmiddel, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 174.1 Sr en medeplegen gebruiken en in voorraad hebben van enkele andere verboden biociden, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 43.1 en 43.3 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. 1. Ontvankelijkheid OM in vervolging t.z.v. feiten die in België zijn gepleegd, art. 2 Sr. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging v.zv. tlgd. feiten zich in België hebben afgespeeld, nu feiten daar niet strafbaar zijn, art. 7 Sr. 2. Bewijsklachten “te koop aanbieden”, “verkopen” en “afleveren” a.b.i. art. 174 Sr, “schadelijkheid” a.b.i. art. 174 Sr, “wetenschap” a.b.i. art. 174 Sr, “inwisselbaarheid” van gedragingen van verdachte en andere vennootschap, “wetenschap” van niet-toegelaten biociden en pleegperiode. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04829, 23/04831 en 23/04975.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04828
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 november 2023, nummer 21-001968-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] V.O.F.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.H.J.G. van Voorthuizen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Conclusie 30‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Fipronilzaak. Art. 174.1 Sr. Art. 43 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Handel in schadelijke waren, waarvan schadelijkheid is verzwegen, begaan door rechtspersoon en overtredingen Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door rechtspersoon. Falend middel over rechtsmacht OM, voor zover feiten (ook) in België zijn begaan. Tevens falend middel dat met een zestal deelklachten tegen bewezenverklaringen opkomt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/04829, 23/04831. 23/04975.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04828 E
Zitting 30 september 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 29 november 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden1.wegens 1 primair “medeplegen van waren verkopen, te koop aanbieden of afleveren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgende, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, 2 en 3 “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” alsmede 4 en 5 “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 20.000,00 met een proeftijd van één jaar. Het hof heeft tevens beslist op het beslag.
1.2
Deze zaak hangt samen met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (23/04829 E), [medeverdachte 2] (23/04975 E) en [medeverdachte 3] VOF (23/04831 E). In de samenhangende zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte heeft A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat in Ede, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. De zaak
De zaak tegen de verdachte komt voort uit het onderzoek ‘Landseer’. Dat onderzoek houdt verband met de landelijk bekend geworden ‘fipronilcrisis’ uit 2017. In de zomer van dat jaar werd bekend dat miljoenen eieren uit Nederland besmet waren met het bestrijdingsmiddel ‘fipronil’. Dat bestrijdingsmiddel werd bij ongeveer 20% van alle pluimveehouders in Nederland gebruikt tegen bloedluis bij kippen. Het toepassen van dat middel was niet toegelaten bij voedselproducerende dieren. Aan de verdachte wordt onder meer verweten dat producten die dit bestrijdingsmiddel bevatten, zijn verhandeld en gebruikt, in de wetenschap dat die middelen schadelijk zijn voor het leven en de gezondheid, terwijl het schadelijk karakter is verzwegen.
3. De middelen van cassatie
3.1
Vanwege de overeenkomst in de schrifturen en de arresten van het hof in deze zaak en die in de zaak van [medeverdachte 3] VOF (23/04831 E), zal ik in deze zaak volstaan met de verwijzing naar mijn conclusie in de zaak tegen deze medeverdachte. Die conclusie is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2025:1056.
4. Slotsom
4.1
De middelen falen en in ieder geval het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑09‑2025