Rb. Zeeland-West-Brabant, 07-05-2026, nr. 02-186116-24, 02-077925-24, 02-141785-24, 02-002025-25 en 02-071960-25
ECLI:NL:RBZWB:2026:3806
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
02-186116-24, 02-077925-24, 02-141785-24, 02-002025-25 en 02-071960-25
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:3806, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 07‑05‑2026; (Op tegenspraak)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Verdachte wordt veroordeeld voor belaging, het meermalen opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, mishandeling en vernieling. Aan hem wordt een gevangenisstraf van vier maanden opgelegd en de maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidwege.
Partij(en)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-186116-24, 02-077925-24, 02-141785-24, 02-002025-25,
02-071960-25 (gevoegd)
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 mei 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1975 te [geboorteplaats 1] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] ,
raadsman mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. P. Kuipers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
02-141785-24: in de periode van 29 februari 2024 tot en met 25 april 2024 [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft belaagd;
02-186116-24, 02-002025-25 en 02-071960-25: in strijd met een gedagsaanwijzing heeft gehandeld;
02-077925-24, feit 1: [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft mishandeld;
02-077925-24, feit 2: een laadpaal en meerdere deursloten van [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) heeft vernield.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
02-141785-24, 02-186116-24, 02-002025-25 en 02-071960-25
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
02-077925-24
Volgens de officier van justitie moet verdachte van de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling worden vrijgesproken, omdat verdachte een beroep op noodweer toekomt waarmee de wederrechtelijkheid komt te vervallen. Feit 2 kan wel wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft dit feit ook bekend.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
02-141785-24
Verdachte moet van de belaging worden vrijgesproken, omdat hij hierop geen opzet heeft gehad.
02-002025-25
Verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken, omdat hij in lijn met de gedragsaanwijzing heeft gehandeld door in de brief te schrijven dat deze pas na 5 maart 2025 aan [slachtoffer 1] moest worden gegeven.
02-077925-24 feit 1
Voor dit feit wordt aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat verdachte vanwege een geslaagd beroep op noodweer moet worden vrijgesproken.
02-186116-24, 02-071960-25 en 02-077925-24 feit 2
Voor de bewezenverklaring van deze drie feiten wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-141785-24, 02-186116-24, 02-002025-25 en 02-071960-25
Verdachte wordt onder parketnummer 02-141785-24 verweten dat hij [slachtoffer 1] heeft belaagd. Onder de parketnummers 02-186116-24, 02-002025-25 en 02-071960-25 wordt hem verweten dat hij heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing. Gelet op de verdenking van de belaging is er namelijk op 25 april 2024 aan verdachte een gedragsaanwijzing opgelegd voor een periode van 90 dagen. Op 4 december 2024 is er opnieuw aan verdachte een gedragsaanwijzing opgelegd voor 90 dagen. Deze gedragsaanwijzing is op 24 februari 2025 met ingang van 4 maart 2025 verlengd voor 90 dagen. De gedragsaanwijzingen hielden allemaal onder andere in dat verdachte geen contact mocht hebben met [slachtoffer 1] .
02-141785-24: belaging
Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De rechtbank stelt op de grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in de periode van 1 maart 2024 tot en met 17 april 2024 veelvuldig e-mails en kaarten heeft gestuurd naar [slachtoffer 1] en haar familie. Ook heeft verdachte [slachtoffer 1] meerdere keren gebeld en haar voicemail ingesproken. Dit terwijl [slachtoffer 1] geen contact met verdachte wilde. Gelet op de inhoud en de frequentie van deze e-mails en kaarten en het aantal oproepen heeft verdachte met het sturen ervan en het bellen wederrechtelijk en stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] .
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van de gedragingen die zien op het sturen van cadeaus naar [slachtoffer 1] en het lopen langs haar woning. Uit het dossier blijkt namelijk dat dit zich heeft afgespeeld vóór de ten laste gelegde periode. De rechtbank zal verdachte ook partieel vrijspreken van de periodes 29 februari 2024 tot 1 maart 2024 en 18 april tot en met 25 april 2024, omdat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat verdachte in die periodes contact met [slachtoffer 1] heeft gezocht.
De belaging in de periode van 1 maart 2024 tot en met 17 april 2024 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
02-186116-24: handelen in strijd met een gedragsaanwijzing
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 25 april 2024 tot en met 31 mei 2024 heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing door [slachtoffer 1] meerdere malen tekstberichten, kaarten en e-mails (ook aan haar moeder) te versturen, zoals hierna onder 4.4. weergegeven.
02-002025-25: handelen in strijd met een gedragsaanwijzing
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 29 december 2024 een brief die gericht was aan [slachtoffer 1] naar de buurvrouw van [slachtoffer 1] heeft gestuurd. Dit heeft verdachte ook bekend. Deze brief is op 31 december 2024 bij de buurvrouw aangekomen.
Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de gedragsaanwijzing gold tot 5 maart 2025 en dat het zijn bedoeling was dat de brief pas na 5 maart 2025 aan [slachtoffer 1] werd gegeven. De rechtbank is van oordeel dat alleen het schrijven en versturen van de brief al een overtreding van de gedragsaanwijzing oplevert. Daarbij komt dat in de brief duidelijk stond vermeld dat de brief bij [slachtoffer 1] terecht moest komen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 29 december 2024 tot en met 31 december 2024 heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing.
02-071960-25: handelen in strijd met een gedragsaanwijzing
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 maart 2025 tot en met 8 maart 2025 heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing, te weten de (verlenging van de) gedragsaanwijzing van 24 februari 2025. De rechtbank constateert dat de in de tenlastelegging genoemde gedragsaanwijzing van 24 februari 2025 in gaat op 4 maart 2025. Dit maakt dat de rechtbank in beginsel uitgaat van de periode van 4 maart 2025 tot en met 8 maart 2025.
Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte op 4, 5 en 8 maart 2025 contact met [slachtoffer 1] heeft gezocht. De rechtbank zal verdachte van die periodes partieel vrijspreken. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 6 maart 2025 tot en met 7 maart 2025 heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing door [slachtoffer 1] onder meer via anderen meerdere malen e-mails te versturen, zoals hierna onder 4.4. weergegeven.
02-077925-24
Feit 1
De rechtbank stelt op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte vast dat verdachte [slachtoffer 2] in totaal drie keer heeft geslagen in zijn gezicht.
Volgens de officier van justitie en de verdediging komt verdachte een geslaagd beroep op noodweer toe. Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Op basis van de aangifte en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte op 6 maart 2024 naar de woning van [slachtoffer 2] is gegaan. Verdachte heeft daar vuilniszakken en een kliko verplaatst en deze als een barricade voor de voordeur van [slachtoffer 2] gezet. Ook heeft verdachte een eetlepel op de deurklink van [slachtoffer 2] gelegd. Hierop heeft [slachtoffer 2] de politie gebeld. Om te voorkomen dat verdachte wegging, heeft [slachtoffer 2] de fiets van verdachte op slot gezet en verdachte vastgepakt aan zijn arm/jas. In reactie hierop heeft verdachte [slachtoffer 2] één keer geslagen in zijn gezicht. Verdachte is vervolgens weer weggelopen waarop aangever hem nog een keer heeft vastgepakt. Hierna heeft verdachte [slachtoffer 2] nog twee keer geslagen in zijn gezicht. Naar het oordeel van de rechtbank was er op de momenten dat verdachte [slachtoffer 2] sloeg geen sprake van een wederrechtelijke aanranding. Het is immers verdachte zelf die op het terrein van [slachtoffer 2] aan de spullen van [slachtoffer 2] heeft gezeten en hem vervolgens heeft geslagen. Dat [slachtoffer 2] daarop verdachte tot twee keer toe heeft vastgepakt om te voorkomen dat hij wegging in afwachting van de komst van de politie, is naar het oordeel van de rechtbank een geoorloofde reactie op het handelen van verdachte. Verdachte komt dan ook geen beroep op noodweer toe. Het verweer wordt verworpen.
Gelet op het voorgaande en op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem meerdere keren te slaan in zijn gezicht.
Feit 2
De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de aangifte van [benadeelde] en de op dit punt bekennende verklaring van verdachte.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-141785-24
in de periode van 1 maart 2024 tot en met 17 april 2024 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] veelvuldig kaarten en e-mailberichten te versturen en te bellen en berichten op de voicemail van die [slachtoffer 1] in te spreken en door meermalen contact te zoeken met een of meerdere contacten van die [slachtoffer 1] met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden;
02-186116-24
in de periode van 25 april 2024 tot en met 31 mei 2024 in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 25 april 2024 gegeven door de officier van justitie te Zeeland-West-Brabant, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, op geen enkele wijze contact mag opnemen met [slachtoffer 1] , door
- die [slachtoffer 1] veelvuldig tekstberichten te versturen en
- die [slachtoffer 1] meerdere malen kaarten te versturen en
- die [slachtoffer 1] meerdere malen e-mailberichten te versturen en
- meerdere malen e-mailberichten te versturen aan de moeder van voornoemde [slachtoffer 1] ;
02-002025-25
in de periode van 29 december 2024 tot en met 31 december 2024 in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 4 december 2024, gegeven door de officier van justitie te Zeeland-West-Brabant, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zicht niet op mag houden in de gemeente [plaats 2] en op geen enkele wijze contact mag opnemen met [slachtoffer 1] , door de buurvrouw van die [slachtoffer 1] op 29 december 2024 een brief te sturen mede gericht aan die [slachtoffer 1] ;
02-071960-25
in de periode van 6 maart 2025 tot en met 7 maart 2025 in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 24 februari 2025, gegeven door de officier van justitie te Breda (arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant), kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich niet op mag houden in de gemeente [plaats 2] en op geen enkele wijze contact mag opnemen met [slachtoffer 1] , door telkens (onder meer via een ander of anderen) [slachtoffer 1] meerdere emails te sturen;
02-077925-24
Feit 1
op 6 maart 2024 te [plaats 3] , [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermaals te slaan in het gezicht;
Feit 2
op 6 maart 2024 te [plaats 3] opzettelijk en wederrechtelijk een laadpaal en meerdere deursloten die aan [benadeelde] toebehoorden heeft vernield en/of onbruikbaar gemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
5.1.
De strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
5.2.
De strafbaarheid van verdachte
De verdediging is van mening dat dat de feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat verdachte om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Bij de beoordeling of verdachte strafbaar is, heeft de rechtbank gekeken naar de Pro Justitia rapportages van 30 december 2025 die over verdachte zijn opgemaakt door de [psychiater] en de [psycholoog] . Uit deze rapporten blijkt dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie als gevolg waarvan verdachte chronisch psychotisch is. Hierdoor lijdt verdachte aan oordeels- en kritiekstoornissen waarin hij fantasie en werkelijkheid vervormt. Ook is er sprake van paranoïde wanen en was er ten tijde van het plegen van de feiten sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van lachgas.
Volgens de psychiater en de psycholoog waren deze stoornissen ten tijde van het plegen van de feiten aanwezig en beschikte verdachte nog maar in zeer beperkte mate over de keuzevrijheid om zich aan de invloed van de psychotische stoornis te onttrekken. Zij komen tot de conclusie dat de feiten sterk verminderd tot geheel niet aan verdachte moeten worden toegerekend.
De rechtbank stelt voorop dat volgens de Hoge Raad alleen sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid (in de zin van artikel 39 Sr) wanneer een verdachte als gevolg van de stoornis ‘geen enkel inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ervan’ had. Dit is een streng criterium waaraan niet snel wordt voldaan, nu wordt vereist dat het inzicht bij de verdachte geheel ontbrak. De rechtbank constateert dat zowel de psychiater als de psycholoog noch uitsluiten noch concluderen dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was. Volgens de deskundigen is onduidelijk gebleven waarom verdachte ondanks zijn stoornis eerder wel in staat is gebleken zich te conformeren aan het contactverbod. Daarnaast is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het dossier aanknopingspunten bevat dat verdachte ondanks zijn stoornis voldoende doordrongen was van de wederrechtelijkheid van de feiten en - getuige zijn handelen en de verklaring hiervoor - ook in staat is gebleken om zijn handelen daarop af te stemmen. Uit het dossier volgt namelijk dat verdachte op een aantal momenten berekenend te werk is gegaan, zoals dat verdachte in de brief die hij op 29 december 2024 heeft geschreven voor [slachtoffer 1] schrijft dat de brief pas op 5 maart 2025 aan [slachtoffer 1] mag worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat verdachte wel degelijk wist dat er aan hem een gedragsaanwijzing was opgelegd en heeft hij er bewust voor gekozen om toch een brief gericht aan [slachtoffer 1] te schrijven. Bovendien heeft verdachte op zitting over de belaging verklaard dat hij “de wettekst erop heeft nageslagen” en hij gelet daarop van mening is dat hij niet strafbaar heeft gehandeld. Ook hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de keuzevrijheid en sturingsmogelijkheden niet zodanig werden belemmerd dat ieder inzicht in de wederrechtelijkheid van zijn handelen ontbrak. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte dan ook niet als volledig toerekeningsvatbaar worden aangemerkt. Verdachte komt daardoor geen geslaagd beroep toe op artikel 39 Sr.
De rechtbank constateert dat de deskundigen gebruik hebben gemaakt van de vijfpuntenschaal voor de mate van toerekenbaarheid, terwijl de rechtspraak in beginsel uitgaat van de driepuntenschaal. De rechtbank zal de feiten daarom in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
6. De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van het voorarrest en de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege. Daarnaast wordt gevorderd de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien verdachte wordt vrijgesproken van de belaging, kan aan hem geen tbs worden opgelegd. Indien hij daarvoor wel wordt veroordeeld, wordt verzocht aan hem een gevangenisstraf op te leggen die lager is dan het voorarrest. Ook wordt verzocht geen tbs met verpleging van overheidswege op te leggen. Verdachte is medicatietrouw en staat inmiddels open voor behandeling. Bovendien is er geen sprake van gevaar voor de algemene veiligheid van personen. Een zorgmachtiging is daarom een reële optie. Er is geen maatregelenrapport door de reclassering opgesteld, waardoor een tbs met voorwaarden op dit moment niet aan verdachte kan worden opgelegd. Er wordt dan ook een voorwaardelijk verzoek gedaan de behandeling van de zaak aan te houden om te kijken of tbs met voorwaarden mogelijk is.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende de periode van 1 maart 2024 tot en met 17 april 2024 schuldig gemaakt aan het stalken van [slachtoffer 1] (belaging). Dit deed hij door haar onder andere ontzettend veel e-mails en kaarten te sturen en te bellen. Op 25 april 2024 is een gedragsaanwijzing aan verdachte opgelegd. Deze hield in dat hij geen contact mocht hebben met [slachtoffer 1] . Deze gedragsaanwijzing is op 4 december 2024 nogmaals aan verdachte opgelegd en op 24 februari 2025 verlengd. Verdachte heeft desondanks meerdere keren contact gezocht met [slachtoffer 1] door haar opnieuw e-mails, kaarten, brieven en berichten te versturen. Ook anderen in de omgeving van die [slachtoffer 1] zijn lastig gevallen door verdachte. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . Belaging is een ernstig feit. Slachtoffers ondervinden door belaging vaak gevoelens van angst en onveiligheid. Dat [slachtoffer 1] zich ook zo heeft gevoeld, blijkt uit haar aangifte en de schriftelijke slachtofferverklaring. Zij heeft een angststoornis ontwikkeld en heeft last van paniekaanvallen. Ook voelt zij zich niet meer veilig, is zij bang en gespannen en slaapt zij slecht.
Verdachte heeft zich daarnaast op 6 maart 2024 schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] door hem meerdere keren te slaan in zijn gezicht. Met dit handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [slachtoffer 2] en hem pijn bezorgd. Dit terwijl [slachtoffer 2] een onbekende voor verdachte was. [slachtoffer 2] woonde namelijk op het adres van een persoon waarnaar verdachte op zoek was. Verdachte heeft zich op dezelfde dag bovendien schuldig gemaakt aan vernieling van een laadpaal en deursloten van [benadeelde] . Dit is een vervelend feit dat niet alleen leidt tot financiële schade, maar ook overlast en hinder veroorzaakt voor de betrokkene.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat uit zijn strafblad blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor belaging van diezelfde [slachtoffer 1] en dat hij telkens opnieuw de gedragsaanwijzing heeft overtreden. Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte zich van de eerder opgelegde straf en de gedragsaanwijzingen niets heeft aangetrokken.
De rechtbank constateert ten aanzien van de mishandeling en de vernieling (parketnummer 02-077925-25) dat de aanvangsdatum voor het bepalen van de redelijke termijn voor de afdoening van die zaken is gestart op 6 maart 2024, omdat verdachte op die datum is gehoord door de politie. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn tot aan dit vonnis met een periode van twee maanden is overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden en hieraan geen verdere gevolgen verbinden.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over de strafbaarheid van verdachte, zal de rechtbank de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen. Verder blijkt uit de rapportages dat de psychiater en de psycholoog de kans op herhaling inschatten als hoog. Gezien dit hoge recidiverisico en de ernstige, complexe pathologie wordt geadviseerd om aan verdachte een gedwongen behandeling op te leggen. Een voorwaardelijk kader wordt niet haalbaar geacht, omdat er sprake is van een ontbrekend ziekte-besef, gebrek aan behandelmotivatie en (eerdere) afwijzing van hulpverlening en medicatie. Ook een ambulante behandeling is gelet op de ernst van de pathologie niet mogelijk. De deskundigen wijzen daarbij op de omstandigheid dat de voorgeschiedenis van verdachte wordt gekenmerkt door aanhoudend gebruik van middelen dat niet onder controle is. Een langdurige klinische en gesloten behandeling wordt noodzakelijk geacht. Ondanks dat eerdere behandelingen in het kader van een zorgmachtiging maar een tijdelijk resultaat hadden, wordt geadviseerd om de mogelijkheden van een zorgmachtiging te onderzoeken. Mocht een zorgmachtiging niet haalbaar worden geacht, dan is er volgens de deskundigen geen andere mogelijkheid dan het opleggen van tbs met verpleging van overheidswege. Dit is volgens hen nodig om het recidiverisico te verminderen.
Op de zitting heeft de [psychiater] de rapportages nader toegelicht. Volgens hem heeft verdachte een gedwongen, gesloten en klinische behandeling nodig. Het feit dat het nu beter lijkt te gaan met verdachte, komt enkel en alleen doordat er nu sprake is van een strakke en gestructureerde setting. Als die structuur wegvalt, schat de psychiater de kans op recidive op maximaal. De behandeling van verdachte zou volgens hem gerealiseerd kunnen worden in het kader van een zorgmachtiging, mits deze klinisch wordt opgestart en met forensische scherpte.
Straf en maatregel
De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan oplegging van tbs. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Volgens artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr is belaging een misdrijf waarvoor tbs kan worden opgelegd. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel, omdat sprake is van een hoog recidiverisico. Dit risico wordt ingegeven doordat verdachte lijdt aan schizofrenie waardoor hij chronisch psychotisch is en is door de deskundigen in de rapportages uiteengezet. Bovendien is aan verdachte eerder een zorgmachtiging opgelegd en zijn een deel van onderhavige feiten gepleegd tijdens de effectuering van deze zorgmachtiging (in het bijzonder de klinische opname). Een zorgmachtiging is dus niet afdoende gebleken om het recidiverisico te beperken.
Nu verdachte een langdurige klinische en gesloten behandeling nodig heeft, een voorwaardelijk kader niet haalbaar wordt geacht en het afgeven van een zorgmachtiging niet doelmatig is gebleken, is naar het oordeel van de rechtbank oplegging van tbs met verpleging van overheidswege de enige mogelijkheid die overblijft om de stoornis van verdachte te behandelen en daarmee het hoge recidiverisico te verminderen.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat niet gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar niet te boven gaan.
De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte naast een tbs met verpleging van overheidswege ook een straf moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met het feit dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte wordt toegerekend. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
Maatregel gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking
Naast de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege zal de rechtbank ook een GVM als bedoeld in artikel 38z Sr aan verdachte opleggen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De problematiek van verdachte is hardnekkig, waardoor de kans aanwezig is dat na afloop van de gemaximeerde tbs-maatregel aanvullende behandeling en begeleiding van verdachte noodzakelijk is. Met deze maatregel wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte na afloop van de gemaximeerde tbs-maatregel onder toezicht te stellen om dreigende recidive snel te kunnen signaleren en daarop tijdig te kunnen acteren.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen
De benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 7.565,20, bestaande uit € 65,20 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, voor de feiten onder de parketnummers 02-141785-24, 02-186116-24, 02-002025-25 en 02-071960-25.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade: beveiligingskosten en parkeerkosten
De rechtbank is van oordeel dat deze kosten van in totaal € 65,20 voldoende zijn onderbouwd. Deze kosten staan ook in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank acht de gevorderde schadepost dan ook volledig toewijsbaar.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat zij nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat zij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank acht, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, vergoeding van een bedrag van € 4.000,00 billijk. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal € 4.065,20) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 7 maart 2025.
De benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 15.655,14, bestaande uit € 4.655,14 aan materiële schade en € 11.000,00 aan immateriële schade, voor feit 2 onder parketnummer 02-077925-24.
Materiële schade: laadpaal en slot (€ 4.655,14) en gederfde inkomsten (€ 1.000,00)
De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van deze kosten zouden kunnen leiden, niet voldoende vast zijn komen te staan. Deze schade is dan ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade: smartengeld (€ 10.000,00)
In het kader van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek de gevallen voorschrijft die een grond geven voor een recht op schadevergoeding voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade niet als een van deze gevallen kan worden aangemerkt. Niet is gebleken dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Voor de grond ‘op andere wijze in zijn persoon aangetast zijn’ is niet aangetoond dat er sprake is van geestelijk letsel dat het meer of minder sterk psychisch onbehagen overstijgt. Deze gevolgen kunnen naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden afgeleid uit de aard en ernst van de normschending. Nu een wettelijke grondslag ontbreekt, moet de gevorderde immateriële schade worden afgewezen.
8. De wettelijke voorschriften
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-141785-24: belaging;
02-186116-24, 02-002025-25 en 02-071960-25: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;
02-077925-24 feit 1: mishandeling;
02-077925-24 feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen en/of onbruikbaar maken;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
T.a.v. parketnummer 02-141785-24, 02-186116-24, 02-002025-25 en 02-071960-25
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 4.065,20, waarvan € 65,20 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] € 4.065,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 40 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [benadeelde]
T.a.v. parketnummer 02-077925-24, feit 2
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in dat deel van de vordering dat ziet op de materiële schade ad € 4.655,14 (laadpaal en slot) en
gederfde inkomsten (€ 1.000,00)
en bepaalt dat dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- wijst het overige gedeelte van de vordering, € 10.000,00 aan immateriële schade, af;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. R. de Jong en mr. C.R.R. Loeve, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 mei 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-141785-24
hij in of omstreeks de periode van 29 februari 2024 tot en met 25 april 2024 te [plaats 2] en/of [plaats 4] , gemeente [plaats 5] , in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door door die [slachtoffer 1] veelvuldig kaarten te versturen en/of veelvuldig e-mailberichten te versturen en/of cadeau's naar het adres van die [slachtoffer 1] te sturen en/of veelvuldig te bellen en/of veelvuldig berichten op de voicemail van die [slachtoffer 1] in te spreken en/of door (meermalen) in de straat waar die [slachtoffer 1] woont langs te gaan en/of door (meermalen) contact te zoeken met een of meerdere contacten van die [slachtoffer 1]met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
02-186116-24
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 april 2024 tot en met 31 mei 2024 te [plaats 3] en/of te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 25 april 2024 gegeven door de officier van justitie te Zeeland-West-Brabant, kort weergegeven (onder meer) inhoudende dat hij, verdachte, op geen enkele wijze contact mag opnemen met [slachtoffer 1] , door
- die [slachtoffer 1] veelvuldig, in elk geval één of meerdere malen, tekstberichten te versturen en/of
- die [slachtoffer 1] meerdere malen, in elk geval één keer, brieven en/of kaarten te versturen en/of
- die [slachtoffer 1] meerdere malen, in elk geval één keer, e-mailberichten te versturen en/of
- één of meerdere malen e-mailberichten te versturen aan de moeder van voornoemde [slachtoffer 1] ;
( art 184a lid 1 Wetboek van Strafrecht )
02-002025-25
hij in of omstreeks de periode van 29 december 2024 tot en met 31 december 2024 te [plaats 2] , althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 4 december 2024, gegeven door de officier van justitie te Zeeland-West-Brabant, kort kort weergegeven (onder meer) inhoudende dat hij, verdachte, zicht niet op mag houden in de gemeente [plaats 2] en op geen enkele wijze contact mag opnemen met [slachtoffer 1] , door de buurvrouw van die [slachtoffer 1] op
voornoemde datum een brief te sturen mede gericht aan die [slachtoffer 1] ;
( art 184a lid 1 Wetboek van Strafrecht)
02-071960-25
hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 maart 2025 tot en met 8 maart 2025, te [plaats 2] en/of te [plaats 3] , in elk geval (telkens) in Nederland), opzettelijk heeft gehandeld in strijd met eengedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de (verlenging van de) gedragsaanwijzing d.d. 24 februari 2025, gegeven door de officier van justitie te Breda(arrondissementsparket Zeeland - West-Brabant), kort weergegeven (onder meer) hij, verdachte, zicht niet op mag houden in de gemeente [plaats 2] en op geen enkele wijze contact mag opnemen met [slachtoffer 1] , door (telkens) (onder meer via een ander of anderen) [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 2] 1979 te [geboorteplaats 2] ) een of meerdere brieven en/of emails en/of emailberichten te sturen;( art 184a lid 1 Wetboek van Strafrecht )
02-077925-24
Feit 1
hij op of omstreeks 6 maart 2024 te [plaats 3] , [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermaals, althans eenmaal, te slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of hoofd, althans het lichaam;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Feit 2
hij op of omstreeks 6 maart 2024 te [plaats 3] opzettelijk en wederrechtelijk een laadpaal en/of een of meerdere deursloten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )