Deze zaak hangt samen met de strafzaak inzake [medeverdachte] (nr. 11/03385), in welke zaak ik vandaag ook concludeer.
HR, 11-09-2012, nr. 10/04869
ECLI:NL:HR:2012:BX4475, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-09-2012
- Zaaknummer
10/04869
- Conclusie
Mr. Vegter
- LJN
BX4475
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX4475, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑09‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4475
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3369
ECLI:NL:HR:2012:BX4475, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑09‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4475
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3369, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Vindplaatsen
Conclusie 11‑09‑2012
Mr. Vegter
Partij(en)
Nr. 10/04869
Mr. Vegter
Zitting 5 juni 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]1.
1.
Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 5 november 2010 zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van een deel van de onder 6 tenlastegelegde periode (zie de bespreking van het eerste middel) en verdachte tot 45 maanden gevangenisstraf veroordeeld ter zake van:
- -
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels 1.;
- -
Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd 2.;
- -
Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, en: Medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd 3.;
- -
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven 4.;
- -
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod (5);
- -
Medeplegen van witwassen (6 impliciet subsidiair ten laste gelegd);
- -
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd (7).
2.
Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, heeft bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3.1.
Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte kennis heeft genomen van een deel van de onder 6 tenlastegelegde periode en dat de bestreden uitspraak vanwege 's Hofs eigen onbevoegd verklaring in zoverre innerlijk tegenstrijdig is.
3.2.
De klacht over de innerlijke tegenstrijdigheid treft doel. Het Hof heeft zich immers tot kennisneming van het onder 6 tenlastegelegde onbevoegd verklaard voor zover het de periode van 1 maart 2002 tot en met 20 juni 2002 betreft, omdat verdachte toen nog minderjarig was, en vervolgens heeft het Hof van het onder 6 tenlastegelegde desalniettemin bewezen verklaard dat het medeplegen van witwassen is begaan in de periode van maart 2002 tot en met 4 november 2007. Dit betreft een kennelijke misslag van het Hof die mijns inziens niet tot cassatie behoeft te leiden. De Hoge Raad kan de onder 6 bewezenverklaarde periode verbeterd lezen als betreffende de periode van 21 juni 2002 tot en met 4 november 2007 en deze verbeterde lezing tast de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aan.2. Het middel faalt.
4.1.
Het tweede middel komt op tegen 's Hofs afwijzing van getuigenverzoeken. Tegen 's Hofs toepassing van de - overigens juiste - maatstaf bij de afwijzing van de verzoeken wordt niet opgekomen. In de kern beschouwd wordt evenmin de motivering van de afwijzing aan de kaak gesteld, maar wordt enkel betoogd dat het Hof tot een andere beslissing had moeten komen, omdat de verdediging en het OM het eens waren over het belang van het (doen) horen van de getuigen.
4.2.
Het middel berust aldus op de opvatting dat het Hof gehouden is een getuigenverzoek onder die omstandigheden toe te wijzen, zodra het OM zich ter terechtzitting in het verzoek van de verdediging kan vinden. Die opvatting vindt geen steun in het recht, zodat reeds daarom het tegen de - overigens niet-onbegrijpelijke - afwijzing van de getuigenverzoeken gerichte middel faalt.
5.1.
Het derde middel klaagt dat 's Hofs afwijzing van het verzoek om een cd-rom met telefoontaps aan het dossier toe te voegen zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
5.2.
Op 4 juni 2008 is tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis namens verdachte hoger beroep ingesteld. In het dossier bevindt zich een namens verdachte door mr. M. van Stratum opgestelde appèlschriftuur van 17 juni 2008, met voor zover hier van belang - na opgave van grieven en getuigenverzoeken - de volgende inhoud:
"Tevens wordt op voorhand verzocht de beschikking te krijgen over een cd-rom met alle opgenomen telefoongesprekken, waarbij niet wordt uitgesloten dat nog gemotiveerd zal worden verzocht om vertaling door een andere tolk (voor zover niet in het Nederlands wordt gesproken)."
5.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt dienaangaande het volgende in:
"De raadsman voert het woord als volgt.
(...)
In de appelmemorie van 17 juli 2010 heb ik een verzoek gedaan om kennis te nemen van alle tapgesprekken, nu de inhoud hiervan door verschillende tolken verschillend uitgelegd kan worden. Thans verzoek ik dit geheel subsidiair opnieuw."
5.4.
Het Hof heeft dienaangaande in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:
"Verzoek toevoeging stukken aan het dossier
Het door de raadsman in de appelschriftuur gedane en ter zitting herhaalde verzoek tot toevoeging aan het dossier van een cd-rom met alle opgenomen telefoongesprekken zal het hof afwijzen omdat onvoldoende gemotiveerd door de raadsman is aangegeven waarom enig verdedigingsbelang hiermee redelijkerwijs gediend is. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de correcte weergave van die gesprekken in de zich in het dossier bevindende stukken en ziet derhalve ook geen noodzaak om aan het verzoek te voldoen.
Het verweer wordt mitsdien afgewezen."
5.5.
Het gaat hier om een verzoek om toepassing te geven aan art. 315 Sv, teneinde kennis te nemen van de gegevensdrager met behulp waarvan door de politie resultaten van feitenonderzoek zijn gegenereerd die vervolgens zijn neergelegd in een schriftelijke weergave van de getapte telefoongesprekken. De bij het beoordelen van een zodanig verzoek aan te leggen maatstaf is of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Het Hof heeft met de overweging dat de inwilliging van het verzoek niet noodzakelijk is dus de juiste maatstaf gehanteerd.
5.6.
Bij de toepassing van deze maatstaf geldt evenwel ook het volgende. Indien de verdediging de betrouwbaarheid of de rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht, behoren de door de verdediging aan te duiden stukken, voorwerpen of gegevensdragers die deze betwisting zouden kunnen ondersteunen als redelijkerwijze van belang zijnd materiaal in beginsel aan de processtukken te worden toegevoegd. Beginselen van een goede procesorde kunnen in dat geval onder omstandigheden meebrengen dat aan de verdediging de kennisneming van die gegevens niet volledig mag worden onthouden. Hierin schuilt een zekere ruimte voor de afweging van belangen van de verdediging met bijvoorbeeld opsporingsbelangen of belangen van getuigen. 3.
5.7.
In de onderhavige zaak is er mijns inziens geen sprake van dat de verdediging de betrouwbaarheid of de rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht. De stukken in samenhang bezien, was kennelijk ter terechtzitting in hoger beroep aan het verzoek beoogd ten grondslag te leggen na te gaan of de opgenomen telefoongesprekken op een juiste wijze vertaald waren, omdat verschillende tolken tot een verschillende uitleg van de gesprekken kunnen komen. Tegen de achtergrond van wat is aangevoerd, waarbij een deugdelijke fundering van het verzoek dus ontbreekt, acht ik 's Hofs oordeel dat het de noodzaak tot toewijzing van het verzoek niet is gebleken allerminst onbegrijpelijk, terwijl het Hof door het gebrek aan onderbouwing van het verzoek ook niet gehouden was tot een nadere motivering. 4.
6.1.
Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn is overschreden, omdat tussen de dag van het instellen van cassatie op 10 november 2010 en de dag van de ontvangst van het dossier ter griffie van de Hoge Raad op 15 juli 2011 meer dan acht maanden zijn verstreken.
6.2.
De gegevens waar de schriftuur van uitgaat zijn correct. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6 , eerste lid, EVRM is derhalve bij de inzending van de stukken met vijf dagen overschreden. Deze geringe overschrijding van de inzendtermijn kan niet meer met een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep worden gecompenseerd en dient mijns inziens dan ook tot een geringe strafvermindering te leiden.
7.1.
Het vijfde middel behelst de klacht dat het onder 7 bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd.
7.2.
Ten laste van verdachte is onder 7 bewezen verklaard dat:
"hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot en met 19 november 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen twee wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, in de vorm van
- -
een pistool van het merk STAR/Tanfoglio, model GT28, kaliber 6.35 mm, en
- -
een pistool van het merk FN (Fabrique National), model 1922, kaliber 7.65 mm,
en
munitie in de zin van artikel 1, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten
- -
twee kogelpatronen van het kaliber 6.35 mm, en
- -
negen kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm,
voorhanden heeft gehad."
7.3.
Geklaagd wordt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen: 1. de periode; 2.de soort patronen; 3. de bewuste en nauwe samenwerking; 4. de opzet.
7.4.
De bewijsmiddelen houden kort samengevat het volgende in:
- -
in de kapsalon [A] te Ridderkerk worden op 19 november 2007 door opsporingsambtenaren twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen gezien (bewijsmiddel 22);
- -
verdachte is eigenaar geweest van [A] (bewijsmiddel 1);
- -
de als bewijsmiddelen 23 en 24 gebezigde processen-verbaal behelzen als relaas van een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar dat twee wapens en munitie op 19 november 2007 "in Ridderkerk" zijn aangetroffen en in beslag genomen en dat het bij nader onderzoek bleek te gaan om wapens en kaliber van het merk, kaliber en categorie overeenkomstig de bewezenverklaarde gegevens;
- -
een verklaring van [betrokkene 1] van 29 november 2007 dat [verdachte] (verdachte) in het bezit was van een vuurwapen en deze heeft laten zien (bewijsmiddel 25);
- -
en een als bewijsmiddel 26 gebezigde verklaring van [medeverdachte] van 17 november 2007 die als volgt luidt:
"[Verdachte] kwam ongeveer drie weken geleden naar de kapperszaak om de wapens te verstoppen. [Verdachte] had de vuurwapens al eerder in de kapperszaak verstopt. Dat heeft mijn ex-man gezien."
- -
met aan dit 26ste bewijsmiddel als opmerking van het hof toegevoegd:
"met de raadsman acht het hof aannemelijk dat die wapens eigendom waren van die ex-man".
7.5.
In onderling verband en samenhang beschouwd, acht ik het onder 7 bewezenverklaarde ontoereikend gemotiveerd. De gebezigde bewijsmiddelen zijn in ieder geval niet toereikend voor het bewijs van de pleegperiode, de soort patronen en de bewuste en nauwe samenwerking. Uit de bewijsmiddelen 23 en 24 kan zelfs niet volgen dat het daarin gerelateerde een nader onderzoek betreft ten aanzien van de wapens die in de kapperszaak [A] in Ridderkerk zijn aangetroffen.
7.6.
In de toelichting op het middel wordt ook nog geklaagd dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is, omdat het medeplegen wel bewezen is verklaard, maar het onder 7 bewezenverklaarde niet dienovereenkomstig is gekwalificeerd. Voor zover dit als te bespreken subklacht kan worden aangemerkt, snijdt ook deze hout. Verbetering van de kwalificatie verandert niets aan de aard en ernst van de in het geheel te beschouwen bewezenverklaring, zodat ik uw Raad in zoverre in overweging zou kunnen geven de kwalificatie van het onder 7 bewezenverklaarde verbeterd te lezen inclusief het bewezenverklaarde medeplegen, zodat het middel in zoverre niet tot cassatie behoeft te leiden. Indien uw Raad evenwel met mij van oordeel is dat de bewijsklacht slaagt, kan het middel in zoverre onbesproken blijven.
8.
Het eerste, het tweede en het derde middel zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vijfde middel slaagt en dient tot vernietiging ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde en de strafoplegging te leiden en in dat geval behoeft het vierde - eveneens terecht voorgestelde - middel geen bespreking.
9.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
10.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 7 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑09‑2012
Deze zaak hangt samen met de strafzaak inzake [medeverdachte] (nr. 11/03385), in welke zaak ik vandaag ook concludeer.
Vgl. HR 21 april 2009, LJN BH0568 t.a.v. het vierde middel (pleegmaand november moet september zijn, HR in zoverre 81 RO); HR 20 juni 2006, LJN AW2535 (ambtshalve; feit deels verjaard).
Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Aben in HR 25 mei 2010, LJN BK7021 (HR 81 RO), waarin tevens wordt verwezen naar: HR 7 mei 1996, LJN AB9820, NJ 1996, 687, m.nt. Schalken (Dev Sol); HR 21 januari 1997, LJN ZD0618, NJ 1997, 321; HR 21 oktober 1997, LJN ZD0832, NJ 1998, 133, m.nt. 't Hart (video-opnames); HR 3 maart 1998, LJN ZD0958, NJ 1998, 856 (beelden politieverhoor); HR 16 november 1999, LJN ZD4213; HR 20 juni 2000, LJN AA6245, NJ 2000, 502 (CTC-stukken); HR 22 januari 2008, LJN BA7648, NJ 2008, 406, m.nt. Borgers (inzake de ontnemingsprocedure).
Vgl. de conclusie van toenmalig advocaat-generaal Bleichrodt bij HR 22 september 2009, LJN BJ8249 (niet gepubliceerd; HR in zoverre 81 RO).
Vgl. HR 21 april 2009, LJN BH0568 t.a.v. het vierde middel (pleegmaand november moet september zijn, HR in zoverre 81 RO); HR 20 juni 2006, LJN AW2535 (ambtshalve; feit deels verjaard).
Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Aben in HR 25 mei 2010, LJN BK7021 (HR 81 RO), waarin tevens wordt verwezen naar: HR 7 mei 1996, LJN AB9820, NJ 1996, 687, m.nt. Schalken (Dev Sol); HR 21 januari 1997, LJN ZD0618, NJ 1997, 321; HR 21 oktober 1997, LJN ZD0832, NJ 1998, 133, m.nt. 't Hart (video-opnames); HR 3 maart 1998, LJN ZD0958, NJ 1998, 856 (beelden politieverhoor); HR 16 november 1999, LJN ZD4213; HR 20 juni 2000, LJN AA6245, NJ 2000, 502 (CTC-stukken); HR 22 januari 2008, LJN BA7648, NJ 2008, 406, m.nt. Borgers (inzake de ontnemingsprocedure).
Vgl. de conclusie van toenmalig advocaat-generaal Bleichrodt bij HR 22 september 2009, LJN BJ8249 (niet gepubliceerd; HR in zoverre 81 RO).
Uitspraak 11‑09‑2012
Inhoudsindicatie
Slagende bewijsklacht medeplegen voorhanden hebben van wapens en kogelpatronen.
Partij(en)
11 september 2012
Strafkamer
nr. S 10/04869
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 november 2010, nummer 22/002955-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 7 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.
1.2.
De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het vijfde middel
3.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 7 ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 19 november 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, twee, wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet, in de vorm van
- -
een pistool van het merk STAR/Tanfoglio, model GT28, kaliber 6.35 mm, en
- -
een pistool van het merk FN (Fabrique National), model 1922, kaliber 7.65 mm,
en
munitie in de zin van artikel 1, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten
- -
twee kogelpatronen van het kaliber 6.35 mm, en
- -
negen kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm,
voorhanden heeft gehad."
3.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1.
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 mei 2008 verklaard - zakelijk weergegeven -:
(...) Ik ben eigenaar geweest van [A].
(...)
- 22.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2007 van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007391586-3, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:
als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Op 19 november 2007 zag ik in de kapsalon '[A]' te Ridderkerk een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Tevens zag ik nog een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.
- 23.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2007 van de politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode 0711201615.OIG, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:
als relaas van de opsporingsambtenaar:
Op 19 november 2007 heb ik in Ridderkerk twee vuurwapens aangetroffen en in beslag genomen. Op 20 november 2007 heb ik onderzoek uitgevoerd naar de op 19 november 2007 aangetroffen en in beslag [genomen] vuurwapens. Eén vuurwapen [is] heeft merkaanduiding STAR waarvan mij ambtshalve bekend is dat het merk van dit pistool Tanfoglio model GT28 is. Het kaliber is 6.35 mm. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1° van de Wet Wapens en Munitie.
Voorts zijn bij het vuurwapen kogelpatronen van het kaliber 6.35 mm, munitie in de zin van artikel 1 onder 4° gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie in beslag genomen.
- 24.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2007 van de politie Rotterdam-Rijnmond, documentcode 0711201615.OIG, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:
als relaas van deze opsporingsambtenaar:
Op 19 november 2007 heb ik in Ridderkerk twee vuurwapens aangetroffen en in beslag genomen. Op 20 november 2007 heb ik onderzoek uitgevoerd naar de op 19 november 2007 aangetroffen en in beslag [genomen] vuurwapens. Eén vuurwapen is van het merk FN (Fabrique National), model 1922; kaliber 7.65 mm. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1° van de Wet Wapens en Munitie.
Voorts zijn bij het vuurwapen kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm, munitie in de zin van artikel 1 onder 4° gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie in beslag genomen.
- 25.
Het proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 29 november 2007, nr. 2007374347-10, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:
als de op 29 november 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
[Verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) was in het bezit van een vuurwapen; hij heeft mij deze laten zien.
- 26.
Het proces-verbaal, d.d. 17 november 2007, van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007391586-7, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer - zakelijk weergegeven:
als de op 17 november 2007 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [medeverdachte]:
[Verdachte] kwam ongeveer drie weken geleden naar de kapperszaak om de wapens te verstoppen. [Verdachte] had de vuurwapens al eerder in de kapperszaak verstopt. Dat heeft mijn ex-man gezien.
(opmerking van het hof: met de raadsman acht het hof aannemelijk dat die wapens eigendom waren van die ex-man)."
3.3.
Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte te Ridderkerk in de bewezenverklaarde periode de in de bewijsmiddelen onder 23 en 24 bedoelde wapens en kogelpatronen tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad. De bewezenverklaring is dan ook ontoereikend gemotiveerd.
3.4.
Het middel slaagt.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 7 tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 11 september 2012.