Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/4.3.2
4.3.2 Het Duitse recht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90807:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
De levering geschiedt op grond van §930 BGB. Ook een zekerheidsoverdracht in de vorm van §929 BGB of §931 BGB is denkbaar, maar komt in de praktijk nauwelijks voor. Zie Baur/Baur & Stürner 2009, p. 785; Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 333; Bülow 2012, nr. 1292; Staudinger/Wiegand 2017, Anhang zu §§929–931 BGB, nr. 64-71, 85; MünchKomm/Oechsler 2017, Anh. §§929–936 BGB, nr. 15. Ook moet zijn voldaan aan de Bestimmtheitsgrundsatz. Zie hierover Tweehuysen 2016, nr. 83-88.
Zie voor gevallen waarin de leverancier met een eigendomsvoorbehoud toch slechts een Absonderungsrecht heeft, hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.2.
In het Duitse recht kan de leverancier in plaats van het eigendomsvoorbehoud kiezen voor een vuistpandrecht of een zekerheidsoverdracht. Deze zekerheidsfiguren nemen rang naar het tijdstip van vestiging c.q. totstandkoming.
Evenals in het Nederlandse recht kiest de leverancier voor deze zekerheidsfiguren als het eigendomsvoorbehoud een beperking geeft of is vervallen en de leverancier een nieuw zekerheidsrecht wil verkrijgen. Gedacht kan worden aan een leverancier die zekerheid wenst op nieuwe zaken die zijn ontstaan door zaaksvorming of aan een vordering uit doorverkoop van zijn geleverde zaken. De reikwijdte van het eigendomsvoorbehoud vormt in het Duitse recht geen reden om te kiezen voor deze zekerheidsfiguren. Het eigendomsvoorbehoud is in het Duitse recht niet beperkt tot bepaalde categorieën vorderingen, anders dan in het Nederlandse recht.
In het Duitse recht is de (geanticipeerde) zekerheidsoverdracht (Sicherungsübereignung) met een levering cp een veelgebruikte figuur om zekerheid te krijgen op roerende zaken.1 Deze rechtsfiguur is in de praktijk bedacht als alternatief voor het pandrecht, evenals het eigendomsvoorbehoud. Voor zowel de leverancier als andere schuldeisers was het namelijk problematisch dat het Duitse recht slechts een vuistpandrecht kende (§1205 lid 1 BGB).2
Door middel van de Sicherungsübereignung worden zaken doorgaans door de koper met een (geanticipeerde) levering cp overgedragen aan de leverancier tot zekerheid van betaling van een schuld van de koper.3 Op deze wijze behoudt de koper de feitelijke macht over de zaak en kan hij deze gebruiken, terwijl de leverancier zekerheidseigenaar wordt. Voor de totstandkoming zijn geen extra handelingen vereist ten opzichte van het bedingen van een eigendomsvoorbehoud. Dit is een verschil met het Nederlandse recht, waar de leverancier wel vestigingsformaliteiten in acht moet nemen om een overig zekerheidsrecht (een pandrecht) te verkrijgen.
Het zekerheidsdoel van de overdracht beperkt de eigendom die de leverancier verkrijgt op drie wijzen.
Ten eerste heeft de leverancier slechts het recht om zich te verhalen op de zaak indien de koper zijn verplichtingen niet nakomt. De leverancier heeft het onmiddellijke bezit noch de gebruiksbevoegdheid van de zaak. Hij heeft de mogelijkheid om zich met voorrang op de executieopbrengst te verhalen en zo het door hem verstrekte krediet af te lossen.4
Ten tweede is zijn verhaalsrecht tijdens het faillissement van de koper beperkt, omdat hij een Absonderungsrecht ex §50 InsO heeft. De leverancier heeft het recht om met voorrang te worden voldaan uit de executieopbrengst van de zaak die zich in de failliete boedel bevindt.5 Hij kan de zaak niet buiten de failliete boedel om zelf te gelde maken. Anders dan bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud heeft hij namelijk geen Aussonderungsrecht.6
Ten derde heeft het zekerheidskarakter van de overdracht tot gevolg dat het eigendomsrecht van de leverancier wordt beperkt door het leerstuk van Übersicherung, evenals geldt voor het eigendomsvoorbehoud. Van Übersicherung is sprake als er een disproportionele verhouding bestaat tussen de realiseerbare waarde van de zekerheden en de gesecureerde vordering. De zekerheidsoverdracht heeft geen werking als de Übersicherung aanwezig of voorzienbaar is op het moment van het sluiten van de zekerheidsovereenkomst. Ontstaat de Übersicherung op een later moment, dan is de leverancier verplicht tot vrijgave van een gedeelte van het onderpand.7