Vgl. HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7670, waarin uit een faxbericht van de raadsman wel duidelijk bleek dat de verdachte op de hoogte was van de zitting. Vgl. in verband met de termijn voor het instellen van hoger beroep: HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2455.
HR, 28-05-2024, nr. 22/04204
ECLI:NL:HR:2024:757
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-05-2024
- Zaaknummer
22/04204
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:757, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑05‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:368
ECLI:NL:PHR:2024:368, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:757
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0111
Uitspraak 28‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. rijden onder invloed, art. 8.5 WVW 1994. Ontvankelijkheid hoger beroep, appelschriftuur bij stukken. Kon hof oordelen dat door of namens verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat verdachte mede daarom ex art. 416.2 Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard in h.b., nu hof geen acht heeft geslagen op inhoud van grievenformulier, dat zich bij stukken bevindt? Bij stukken bevindt zich een op naam van verdachte gesteld “Grievenformulier”. Dit formulier houdt in dat verdachte in h.b. komt omdat hij het niet eens is met opgelegde straf. Gelet op het voorgaande is ’s hofs oordeel dat door of namens verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat het door verdachte ingestelde h.b. mede daarom ex art. 416.2 Sv n-o wordt verklaard, niet zonder meer begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04204
Datum 28 mei 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2022, nummer 23-001985-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Wortelboer, advocaat in Heerhugowaard, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
2.2.1
Het hof heeft – bij verstek – het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroepDoor of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”
2.2.2
Bij de stukken bevindt zich een op naam van de verdachte gesteld ‘Grievenformulier’. Dit formulier houdt onder meer in:
“Om één of meer van de volgende redenen kom ik in hoger beroep:(...)Ik ben wel bij de zitting aanwezig geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en):niet eens met strafmaat.(...)StrafmaatIk heb bezwaren tegen de (hoogte van) de opgelegde straf:cliënt is het niet eens met opgelegde straf, is van mening dat veroordeling ten onrechte tot gevolg heeft dat recidiveregeling van toepassing is.”
2.3
Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep mede daarom op de voet van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, niet zonder meer begrijpelijk.
2.4
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2024.
Conclusie 09‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep, art. 416.2 Sv. Is namens verdachte schriftuur houdende grieven ingediend? Strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04204
Zitting 9 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 26 oktober 2022 (bij verstek) met toepassing van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 juli 2022.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Wortelboer, advocaat te Heerhugowaard, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3. Ik besteed eerst aandacht aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het arrest dateert van 26 oktober 2022 en namens de verdachte is eerst op 11 november 2022 beroep in cassatie ingesteld. De vraag is daarom of de in art. 432 lid 1 Sv neergelegde hoofdregel, dat cassatie binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof moet worden ingesteld, in deze zaak van toepassing is.
4. De dagvaarding in hoger beroep is niet in persoon betekend en de verdachte is niet op de terechtzitting van het hof verschenen. Uit de aan de ‘akte instellen hoger beroep’ van 25 juli 2022 gehechte brief blijkt verder dat M. Berbee, advocaat te Den Helder, namens de verdachte een bijzondere (schriftelijke) volmacht heeft verleend tot het instellen van hoger beroep. Uit een e-mail van deze advocaat aan het hof van 8 september 2022 blijkt dat de advocaat op de hoogte was van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2022. Hieruit kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat ook de verdachte van tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting.1.
5. Dit betekent dat op grond van art. 432 lid 2 Sv moet worden nagegaan of de verdachte cassatie heeft ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend was. Naast de cassatieakte van 11 november 2022 bevat het dossier geen stuk op basis waarvan is vast te stellen dat de verdachte bekend was met het arrest. De verdachte kan dus worden ontvangen in het beroep in cassatie.2.
Het middel
6. Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat er door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven zou zijn ingediend.
7. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding blijkt dat namens de verdachte op 25 juli 2022 hoger beroep is ingesteld. Bij deze stukken bevindt zich verder de eerder genoemde e-mail van M. Berbee aan de griffie van het hof van 8 september 2022 met als bijlage een ingevuld grievenformulier van 28 juli 2022. Gelet op de inhoud van dat formulier, waarin staat vermeld dat de verdachte het niet eens is met de strafmaat, is namens de verdachte wel een schriftuur houdende grieven ingediend. Daarom is de beslissing van van het hof dat de verdachte op de voet van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, niet begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.
Slotsom
8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve heb ik geen (andere) grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑04‑2024
Zie HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1015, r.o. 2.2.