Verwezen wordt naar de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zoals deze luiden na de Wet van 25 januari 2023, houdende wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de technische eenmaking van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Wet technische eenmaking Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), Stb. 2023/41, in werking getreden op 1 mei 2023, Stb. 2023/97. Tot 1 mei 2023 was een en ander geregeld in artikel 30c Rv (zoals dat gold voor digitaal procederen).
HR, 16-02-2024, nr. 23/04174
ECLI:NL:HR:2024:245
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-02-2024
- Zaaknummer
23/04174
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:245, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑02‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:120
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:1746
ECLI:NL:PHR:2024:120, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:245
- Vindplaatsen
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0025
Uitspraak 16‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Procesinleiding niet getekend door advocaat bij Hoge Raad.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04174
Datum 16 februari 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoekster],
wonende op een geheim adres,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: verzoekster,
tegen
JEUGDBESCHERMING REGIO AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken C/15/330898 / FA RK 22-3745 en C/15/332608 / FA RK 22/4674 van de rechtbank Noord-Holland van 15 februari 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.323.851/01 van het gerechtshof Amsterdam van 18 juli 2023.
Verzoekster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot niet-ontvankelijkheid van verzoekster in haar cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De door verzoekster langs elektronische weg ingediende procesinleiding voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, nu deze niet is getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kon worden hersteld door dezelfde procesinleiding met inachtneming van de vereisten van de art. 397 lid 1 en 426a lid 1 Rv opnieuw in te dienen. Verzoekster heeft evenwel geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het verzuim binnen twee weken te herstellen. Dit brengt mee dat zij in haar beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 16 februari 2024.
Conclusie 12‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Cassatieberoep ingesteld zonder cassatieadvocaat. Niet-ontvankelijk.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04174
Zitting 12 januari 2024
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[verzoekster]
(hierna: verzoekster)
tegen
Jeugdbescherming Regio Amsterdam
1. Procesverloop
1.1
Verzoekster heeft op 18 oktober 2023 in (het voor belastingzaken bestemde gedeelte van) het webportaal van de Hoge Raad een procesinleiding ingediend. Hierin verzoekt zij de Hoge Raad om de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 18 juli 2023, die is gewezen onder nr. 200.323.851/01, te vernietigen. In deze beschikking heeft het hof, kort gezegd, het verzoek van verzoekster om haar te herstellen in het gezag over haar [dochter], afgewezen.
1.2
De waarnemend griffier van de Hoge Raad heeft bij brief van 20 oktober 2023 aan verzoekster bericht dat haar cassatierekest niet is ingediend zoals voorgeschreven in art. 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), te weten door indiening van een procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad door een cassatieadvocaat. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen binnen twee weken na ontvangst van het cassatieverzoek, welke termijn zou aflopen op 1 november 2021. De waarnemend griffier heeft verzoekster erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de partij die zonder procesvertegenwoordiging door een cassatieadvocaat beroep in cassatie instelt, in dat beroep niet ontvankelijk wordt verklaard. Binnen de daarvoor gestelde termijn is de procesinleiding niet alsnog door een cassatieadvocaat ingediend. Ook is verzoekster erop gewezen dat een griffierecht verschuldigd zou zijn. Het griffierecht is voldaan.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Uitgangspunt is dat een cassatieberoep in een burgerlijke zaak alleen kan worden ingesteld met tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad. In een verzoekprocedure, zoals deze procedure, moet het beroep in cassatie worden ingesteld bij een procesinleiding, die wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad en wordt ingediend op de wijze bedoeld in artikel 397 (zie artikel 426a lid 1 Rv).1.Uit artikel 397 lid 1 Rv volgt dat de procesinleiding en overige stukken langs elektronische weg moeten worden ingediend bij de Hoge Raad (zoals gezegd, door tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad).Indien hieraan niet is voldaan, stelt de Hoge Raad de desbetreffende partij in de gelegenheid dit verzuim te herstellen binnen een door de Hoge Raad te bepalen termijn. Maakt verzoekster van deze gelegenheid geen gebruik, dan verklaart de Hoge Raad haar niet ontvankelijk in haar beroep in cassatie (zie hiervoor artikel 397 lid 4 Rv).2.Indien de procesinleiding niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, en dit verzuim niet tijdig is hersteld, volgt dus niet-ontvankelijkheid. Voor de hersteltermijn hanteert de Hoge Raad volgens vaste rechtspraak een termijn van twee weken.3.
2.2
Verzoekster heeft haar cassatieberoep niet ingesteld op de door de wet voorgeschreven wijze. Het cassatieberoep is niet ingesteld door indiening van een procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad door een advocaat bij de Hoge Raad. Verzoekster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om dit verzuim binnen de daarvoor geboden termijn te herstellen. Op deze grond dient verzoekster niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.4.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van verzoekster in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑01‑2024
Zie voor verzoekprocedures bijvoorbeeld HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:125; HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:558; HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:822. Zie voor vorderingsprocedures bijvoorbeeld HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:308; HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:892 (te raadplegen op www.rechtspraak.nl).
Ik merk ten overvloede op dat verzoekster aan art. 6 EVRM geen recht kan ontlenen op een inhoudelijke behandeling door de Hoge Raad van haar klachten in de door haar ingediende en niet door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende procesinleiding. Zie hiervoor de conclusie van A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2022:902, onder 3.7.