De inleidende opmerking in de cassatieschriftuur dat de vordering zoals gedaan door de advocaat-generaal niet is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, laat ik hier onbesproken, nu het middel daartegen niet opkomt.
HR, 11-07-2017, nr. 15/05257 P
ECLI:NL:HR:2017:1291
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-07-2017
- Zaaknummer
15/05257 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:1291, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11‑07‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:611, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:611, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑05‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1291, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑11‑2016
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑11‑2016
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2017-0339
Uitspraak 11‑07‑2017
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, hennepteelt. OM-cassatie en cassatie betrokkene. Hof heeft betalingsverplichting beperkt tot het door de Rb vastgestelde bedrag op de grond dat het OM daarmee kennelijk genoegen heeft genomen door geen rechtsmiddel aan te wenden. Met de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat "de officier van justitie heeft afgezien van het aanwenden van een rechtsmiddel" en naar "het bedrag dat door de eerste rechter is vastgesteld", heeft het Hof de vaststelling van het bedrag van de betalingsverplichting niet naar de eis der wet met redenen omkleed, mede gelet op de ontnemingsvordering in h.b. HR vernietigt en laat middelen betrokkene buiten bespreking. Samenhang met 15/05258.
Partij(en)
11 juli 2017
Strafkamer
nr. S 15/05257 P
ABG/LN
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 oktober 2015, nummer 21/002061-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.
1. Geding in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de betrokkene en het Openbaar Ministerie.
Namens de betrokkene heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Openbaar Ministerie heeft bij schriftuur een middel van cassatie voor gesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de betrokkene heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het door het Openbaar Ministerie voorgestelde middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting heeft beperkt tot het door de Rechtbank vastgestelde bedrag van € 11.700,00.
2.2.
De bestreden uitspraak houdt het volgende in:
"Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 47.354,49 (zevenenveertigduizend driehonderdvierenvijftig euro en negenenveertig cent) en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 43.527,00 (drieënveertigduizend vijfhonderdzevenentwintig euro) en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
(...)
De verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof acht als voormeld, anders dan de eerste rechter, aannemelijk dat in de kwekerij in drie kweekcycli telkens honderdvierentachtig planten werden gekweekt en komt zodoende op een aanmerkelijk hoger bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie heeft afgezien van het aanwenden van een rechtsmiddel, ondanks dat in eerste aanleg betaling van een substantieel lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd dan was gevorderd. Het openbaar ministerie nam klaarblijkelijk genoegen met de opgelegde betalingsverplichting.
Het hof ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat te stellen op hetzelfde bedrag als het bedrag dat door de eerste rechter is vastgesteld, te weten op een afgerond bedrag van € 11.700,00 (elfduizend zevenhonderd euro).
(...)
Beslissing
Het hof:
(...)
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 45.930,49 (vijfenveertigduizend negenhonderddertig euro en negenenveertig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 11.700,00 (elfduizend zevenhonderd euro)."
2.3.
Met de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat "de officier van justitie heeft afgezien van het aanwenden van een rechtsmiddel" en naar "het bedrag dat door de eerste rechter is vastgesteld", heeft het Hof de vaststelling van het bedrag van de betalingsverplichting niet naar de eis der wet met redenen omkleed, mede gelet op de ontnemingsvordering in hoger beroep zoals weergegeven onder 2.2.
2.4.
Het middel is derhalve in zoverre terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2017.
Conclusie 23‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, hennepteelt. OM-cassatie en cassatie betrokkene. Hof heeft betalingsverplichting beperkt tot het door de Rb vastgestelde bedrag op de grond dat het OM daarmee kennelijk genoegen heeft genomen door geen rechtsmiddel aan te wenden. Met de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat "de officier van justitie heeft afgezien van het aanwenden van een rechtsmiddel" en naar "het bedrag dat door de eerste rechter is vastgesteld", heeft het Hof de vaststelling van het bedrag van de betalingsverplichting niet naar de eis der wet met redenen omkleed, mede gelet op de ontnemingsvordering in h.b. HR vernietigt en laat middelen betrokkene buiten bespreking. Samenhang met 15/05258.
Nr. 15/05257 P Zitting: 23 mei 2017 | Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] |
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 30 oktober 2015 het geschatte, door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 45.930,49 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 11.700,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Er bestaat samenhang met de zaak 15/05258. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de betrokkene is door mr. M.M.R. Slaghekke het cassatieberoep ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Voorts heeft mr. J.B.H.M. Simmelink, advocaat-generaal bij voormeld hof, cassatieberoep ingesteld. De advocaat-generaal bij het ressortsparket, mr. M. van der Horst, heeft namens het Openbaar Ministerie een in drie klachten uiteenvallend middel van cassatie voorgesteld. De cassatieschriftuur is namens de betrokkene door mr. B.P. de Boer tegengesproken.
Hieronder zal ik eerst het middel van het Openbaar Ministerie bespreken.
Het middel voorgesteld door de advocaat-generaal bij het ressortsparket
6. Het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat de betalingsverplichting wordt beperkt tot € 11.700,00 om reden dat de rechtbank in eerste aanleg de betalingsverplichting op dat bedrag heeft vastgesteld en de officier van justitie daarmee klaarblijkelijk genoegen heeft genomen door niet een rechtsmiddel tegen de beslissing van de rechtbank aan te wenden.
7. Vooropgesteld dient te worden dat de rechtbank bij haar berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel (vastgesteld op € 11.700,00) is uitgegaan van driemaal een oogst van 50 planten, doch het hof van driemaal een oogst van 184 planten. Het hof komt dan ook tot een aanmerkelijk hoger bedrag aan netto verkregen voordeel, en wel op de volgende wijze:
“ De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
(…)
Daarmee kan het totale netto wederrechtelijk verkregen voordeel van drie oogsten van elk honderdvierentachtig planten in deze ruimtes aldus worden vastgesteld:
Bruto voordeel € 52.480,00
Onkosten € 6.549,51 –
Netto voordeel € 45.930,49
Beslissing op draagkrachtverweer
De advocaat van veroordeelde heeft ter zitting aangevoerd dat het hof de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting op nihil dient te stellen, althans dient te matigen, gelet op de geringe draagkracht van de veroordeelde.
Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad kan in een ontnemingszaak de draagkracht van de veroordeelde alleen dan met succes aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.
Het hof verwerpt het draagkrachtverweer, omdat niet kan worden gezegd dat nu reeds vaststaat dat de veroordeelde op dit moment in het geheel geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof acht als voormeld, anders dan de eerste rechter, aannemelijk dat in de kwekerij in drie kweekcycli telkens honderdvierentachtig planten werden gekweekt en komt zodoende op een aanmerkelijk hoger bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie heeft afgezien van het aanwenden van een rechtsmiddel, ondanks dat in eerste aanleg betaling van een substantieel lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd dan was gevorderd. Het openbaar ministerie nam klaarblijkelijk genoegen met de opgelegde betalingsverplichting.
Het hof ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat te stellen op hetzelfde bedrag als het bedrag dat door de eerste rechter is vastgesteld, te weten op een afgerond bedrag van € 11.700,00 (elfduizend zevenhonderd euro).”
8. De eerste klacht van het middel luidt dat de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de uitspraak van de rechtbank geen grondslag vindt in het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en aldaar kennelijk in het geheel niet aan de orde is gesteld. De tweede klacht houdt in dat de veronderstelling dat het Openbaar Ministerie genoegen nam met de door de rechtbank opgelegde betalingsverplichting en om die reden door de rechter gebruikgemaakt kan worden van diens matigingsbevoegdheid, van een verkeerde rechtsopvatting getuigt, nu – gelet op de wetsgeschiedenis en de rechtspraktijk – de matigingsbevoegdheid betrekking moet hebben op een feit dat of omstandigheid die de verdachte of veroordeelde betreft. Volgens de derde klacht is het bestreden oordeel van het hof niet begrijpelijk, omdat de enkele omstandigheid dat de officier van justitie niet in hoger beroep is gekomen niet de conclusie rechtvaardigt dat de officier van justitie genoegen neemt met de beslissing van de eerste rechter; er kunnen namelijk ook andere redenen ten grondslag liggen aan het uitblijven van hoger beroep, bijvoorbeeld in het kader van de opportuniteit.
9. De belangrijkste rechtskwestie in deze zaak is dat het hof de verplichting tot betaling niet heeft gesteld op het door hem zelf vastgestelde bedrag aan netto wederrechtelijk verkregen voordeel (€ 45.930,49), maar op het(zelfde) bedrag waartoe de rechtbank op grond van haar berekening is gekomen (€ 11.700,00), enkel omdat het Openbaar Ministerie volgens het hof om de door hem genoemde reden met dat bedrag klaarblijkelijk genoegen nam.
10. De redenering van het hof verbaasde mij. Aan de steller van het middel kan allereerst worden toegegeven dat de overweging van het hof dat het Openbaar Ministerie zich zou hebben neergelegd bij de omvang van de in eerste aanleg opgelegde betalingsverplichting inderdaad niet kan worden afgeleid uit het feit dat het Openbaar Ministerie niet ook hoger beroep heeft aangetekend. Bovendien staat de overweging dat het Openbaar Ministerie klaarblijkelijk genoegen nam met de opgelegde betalingsverplichting op gespannen voet met een eerdere passage in het arrest onder het hoofd “Vordering”:
“De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 47.354,49 (zevenenveertigduizend driehonderdvierenvijftig euro en negenenveertig cent) en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 43.527,00 (drieënveertigduizend vijfhonderdzevenentwintig euro) en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.”1.
Reeds om die reden is de beslissing van het hof niet (zonder meer) begrijpelijk. Bovendien kan ik mij voorstellen dat de steller van het middel zich ook overigens niet gelukkig toont met een dergelijke overweging; het zou bijna betekenen dat het Openbaar Ministerie in gevallen als de onderhavige er goed aan doet om, indien de betrokkene hoger beroep aantekent, daarin steevast mee te gaan.
11. Voorts stellen de drie klachten op principiële gronden de matigingsbevoegdheid die de rechter in ontnemingszaken toekomt en de reikwijdte daarvan aan de orde. Gaat deze in het vijfde lid (voorheen vierde lid) van art. 36e Sr geregelde bevoegdheid zó ver dat het door het hof vastgestelde voordeel van ongeveer € 46.000,- ‘zo maar’ – op een grond die geen betrekking heeft op de betrokkene of diens persoonlijke omstandigheden – kan worden teruggebracht tot bijna een kwart daarvan? Bij de beantwoording van die vraag dient dan nog in het achterhoofd te worden gehouden dat het hof anders dan de rechtbank is uitgegaan van drie kweekcycli van 184 planten (in plaats van 50 planten) én dat het hof het draagkrachtverweer van de betrokkene heeft verworpen.
12. Voor mijn conclusie voorafgaand aan HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860, NJ 2014/363 m.nt. Borgers heb ik de wetsgeschiedenis van art. 36e Sr geraadpleegd om te bezien of de relevante Kamerstukken richtinggevende beschouwingen over de matigingsbevoegdheid bevatten. Dat bleek nauwelijks het geval. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van de Wet van 8 mei 2003 “tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel” wordt in dat verband slechts gewezen op de mogelijkheid om bij de matigingsbevoegdheid de beperkte draagkracht te betrekken.2.Dat de memorie van toelichting de draagkracht in zoveel woorden noemt, wil niet zeggen dat de matigingsbevoegdheid daartoe beperkt is. Voor een dergelijke stringente uitleg is in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunt te vinden. Aldus ook de Hoge Raad in voormeld arrest:
“2.3. Het middel bevat ten eerste de klacht dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bevoegdheid van de rechter op grond van art. 36e, vijfde lid, Sr het bedrag dat de betrokkene aan de Staat dient te betalen lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel. Aan deze klacht ligt ten grondslag de opvatting dat die bevoegdheid van de rechter "enkel in relatie tot beperkte draagkracht kan worden toegepast". Deze opvatting vindt geen steun in de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 36e, vijfde lid, Sr en is derhalve onjuist, zodat de klacht faalt.”
13. De wetgever heeft echter in het midden gelaten voor welke andere gevallen dan de beperkte draagkracht de matigingsbevoegdheid is bedoeld.3.Wat de rechtspraak van de Hoge Raad betreft, kan ik hier slechts het eerder genoemde arrest van 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860, NJ 2014/363 m.nt. Borgers aanhalen. Dit arrest betreft een ontnemingsprocedure die tegen de betrokkene was aangevangen als vervolg op een door een klokkenluider geopenbaarde bouwfraudezaak. Het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel werd door het hof vastgesteld op € 25.000,-, maar “om redenen als door de raadsman in de door hem ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen en overgelegde pleitnota uiteengezet” achtte het hof termen aanwezig om geen betalingsverplichting op te leggen. Die redenen waren gelegen in, kort gezegd, de disciplinaire maatregelen die aan de betrokkene waren opgelegd en de financiële gevolgen voor de betrokkene (€ 300.000,- aan gederfd inkomen, spaarloon, pensioen en advocatenkosten), de overschrijding van de redelijke termijn en het (lange) tijdsverloop van maar liefst 19 jaar gerekend vanaf de pleegdatum. Tegen die beslissing werd in cassatie door het Openbaar Ministerie met rechts- en motiveringsklachten opgekomen. Het middel was echter tevergeefs voorgesteld, wat het onderhavige onderdeel betreft omdat de motivering van het oordeel van het hof aan de daaraan, op grond van art. 359, vijfde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv en art. 511e Sv, gestelde eisen voldeed, terwijl voorts dat oordeel gelet op hetgeen door de raadsman was aangevoerd niet onbegrijpelijk was.
14. Terug naar het middel. Ik stel voorop dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf of maatregel binnen de grenzen van de wet en ook in de waardering van de factoren die hij in dat verband van belang acht.4.Dat neemt echter niet weg dat in het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel als algemeen uitgangspunt ligt besloten dat het bij de bepaling van het ontnemingsvoordeel gaat om het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.5.Aan dit uitgangspunt zitten twee kanten. Enerzijds mag de betrokkene door het opleggen van de ontnemingsmaatregel niet in zijn financiële positie benadeeld worden. Het is immers de bedoeling van de wetgever dat door oplegging van de ontnemingsmaatregel de rechtmatige toestand in geldelijke zin wordt hersteld, doordat de betrokkene wordt ontnomen wat hem rechtens niet toekomt.6.Maar dit betekent tevens en anderzijds dat de betrokkene er ook niet beter van mag worden, anders zou misdaad lonen. Bij de vraag of er ruimte voor matiging is, dient de feitenrechter het rechts- en tegelijkertijd reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet uit het oog te verliezen; in zoverre is zijn speelveld beperkt.
15. Gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel en in aanmerking genomen dat geen van de hiervoor genoemde factoren dan wel een andere deugdelijke factor die de betrokkene of diens persoonlijke omstandigheden betreft aan de matiging ten grondslag is gelegd – het draagkrachtverweer is (terecht) door het hof verworpen –, meen ik dat de uitspraak van het hof niet in stand kan blijven. Zelfs als zou in het onderhavige geval moeten worden aangenomen (qoud non) dat het Openbaar Ministerie heeft berust in de door de politierechter berekende betalingsverplichting, dan nog kan dit mijns inziens geen legitieme grond voor matiging opleveren vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel zoals hiervoor uiteengezet.7.
16. In het verlengde van het voorgaande – met name de vaststelling dat de enkele omstandigheid dat het Openbaar Ministerie geen appel heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, de matiging van het door het hof vastgestelde totale netto wederrechtelijk verkregen voordeel (€ 45.930,49) niet kan rechtvaardigen – acht ik de beslissing van het hof ook niet begrijpelijk omdat de rechtbank tot het bedrag van € 11.700,00 is gekomen aan de hand van een berekening waarbij zij in vergelijking met het hof is uitgegaan van een veel kleinere hoeveelheid geoogste wietplanten, te weten 50 planten per oogst, zulks terwijl het hof dit aantal uitdrukkelijk niet heeft overgenomen en heeft geoordeeld dat telkens sprake was van 184 planten.
17. Het middel slaagt.
De middelen voorgesteld namens de betrokkene
18. Het eerste middel klaagt erover dat het hof ten onrechte, althans niet (voldoende) begrijpelijk heeft gerespondeerd op het door de raadsvrouw in hoger beroep gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van een bepaalde nota vanwege het niet naleven van de verbaliseringsplicht als bedoeld in art. 152 Sv en de daarmee gepaard gaande schending van beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces.
19. Het middel miskent dat het genoemde verweer – dat primair strekt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en subsidiair tot bewijsuitsluiting – is gevoerd in de hoofdzaak en daar ook thuishoort (en niet in de ondernemingsprocedure). Dat volgens de steller van het middel de betrokkene zich op het standpunt stelt dat het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting in de hoofdzaak niet op begrijpelijke wijze is verworpen door het hof, maakt dat niet anders.8.
20. Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
21. Dit middel is terecht voorgesteld, nu tussen het instellen van het cassatieberoep van de betrokkene en de datum waarop het dossier is binnengekomen bij de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verstreken.9.
22. Aangezien het middel van het Openbaar Ministerie mijns inziens slaagt, meen ik dat dat de rechter die zich opnieuw in hoger beroep over de onderhavige zaak moet buigen met de schending van de redelijke termijn rekening kan houden.
23. Het namens het Openbaar Ministerie voorgestelde middel en het tweede namens de betrokkene voorgestelde middel slagen. Indien de Hoge Raad mij daarin kan volgen, behoeft het eerste namens de betrokkene voorgestelde middel geen bespreking.
24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑05‑2017
In de parlementaire stukken, zoals de memorie van toelichting, behorende bij de Wet van 10 december 1992 “tot verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere vermogenssancties” (Stb. 1993, 11; i.w.tr. 1 maart 1993) heb ik omtrent het onderhavige onderwerp niets relevants gevonden.
In dezelfde zin Schalken in zijn annotatie onder HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0440, NJ 1997/404. J.M. Nelen, V. Sabee, R.F. Kouwenbergh en R. Aidala, Het vermogen te ontnemen. Evaluatie van de ontnemingswetgeving: eindrapport, Den Haag: WODC 1998, p. 174 schrijven: “De wetgever heeft de rechter in artikel 36e lid 4 Sr tegelijkertijd de ruimte gegeven om het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het door hem berekende voordeel. Daarbij is niet nader geëxpliciteerd welke factoren of overwegingen de rechter tot een dergelijke matiging zouden kunnen brengen.” Vgl. ook M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2001, p. 103: “Hieruit volgt dat de rechter de bevoegdheid heeft om van het opleggen van een ontnemingsmaatregel af te zien, al blijkt niet uit wet en wetsgeschiedenis in welke gevallen de rechter de oplegging achterwege moet laten”.
Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer:Wolters Kluwer 2015, p. 310. Zie toegespitst op de ontnemingsmaatregel: J.L. van der Neut, ‘Het materiële ontnemingsrecht’, in: M.S. Groenhuijsen, J.L. van der Neut en J. Simmelink, Ontneming van voordeel in het strafrecht, Deventer: Gouda Quint 1997, p. 62.
Zie onder meer HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242 en HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721, NJ 2005/133 en HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:587.
MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 7 e.v.
Het is ook om die reden dat de ontnemingsrechter niet gebonden is aan de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie.
Daartegen keert zich een van de middelen In de samenhangende hoofdzaak. Zie de conclusie die ik in dat verband heb genomen.
Dit middel is niet voorgesteld in de hoofdzaak namens de verdachte.
Beroepschrift 21‑11‑2016
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 18 oktober 2016
Geacht College,
Ondergetekende,
mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Van der Helstplein 3, Cleerdin & Hamer Advocaten, (Postbus 51143, 1007 EC), die in deze zaak bijzonderlijk gevolmachtigd is door rekwirant in cassatie:
de heer [rekwirant],
geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1986,
wonende op het adres [adres] te [woonplaats],
heeft hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenbeslissingen van het Gerechtshof te Leeuwarden, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 21/002061-15.
In deze zaak heeft het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 30 oktober 2015 aan rekwirant ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd een bedrag van € 11.700,- te betalen aan de Staat.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermeld arrest is tijdig, te weten op 11 november 2015, ingesteld door mr. M.M.R. Slaghekke, advocaat te Amsterdam.
Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan:
I. Schending van art. 36e Sr en/of de artt. 350, 358, 359, 359a, 365a, 415, 511e, 511f en/of 511g Sv en/of art. 6 EVRM. althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten onrechte en (onder meer) in strijd met art. 359a Sv niet, althans niet (voldoende) begrijpelijk, gerespondeerd op het door de raadsvrouw van rekwirant in hoger beroep gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van (onder meer) een nota van 123tuintechniek d.d. 20 oktober 2012 vanwege — kort samengevat — het niet-naleven van de verbaliseringsplicht zoals die is neergelegd in art. 152 Sv en de daarmee gepaard gaande schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces.
Toelichting
Blijkens de in hoger beroep overgelegde pleitnotities1. heeft de raadsvrouw van rekwirant in hoger beroep ter terechtzitting op 16 oktober 2015 onder meer — en voor zover hier van belang — aangevoerd:
‘Ontneming
Indien uw Hof het voorgaande passeert geldt het volgende.
De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 11.741,40. Dit is gebaseerd op de factuur van 123tuintechniek van 20 oktober 2012 waarop staat dat er onder andere een totaal van 156 potten en 200 slangetjes zijn besteld. Het is mede hierom dat de rechtbank het aannemelijk acht dat er meerdere keren is geoogst. Daarnaast put de rechtbank uit de verklaring van cliënt van 18 juli 2013, inhoudende dat de stroomvoorziening voor de kwekerij ‘vorig jaar’ al was aangesloten. Tot slot put de rechtbank uit de in de woning en tuin aangetroffen situatie en goederen, zonder een beschrijving hiervan op te nemen in het vonnis.
De rechtbank meent daarom dat er voldoende aanwijzingen zijn voor een exploitatie gedurende een langere periode dan enkele weken. Zij gaat ‘gelet op het vorenstaande’ uit van drie maal een oogst.
Cliënt heeft bezwaar tegen deze vaststelling en de onderbouwing hiervan. Zoals hij al eerder heeft aangegeven is er geen oogst geweest en heeft hij zich van de stekken ontdaan voordat er überhaupt sprake was van een oogst.
Geen oogst
Uw hof kan zich voorstellen dat het moeilijk te bewijzen is dat je iets niet hebt gedaan. Ondanks dat het standpunt van cliënt is dat hij geen enkele oogst heeft gehad, kan hij niet anders dan in dit kader eventuele aanknopingspunten in het dossier voor wat betreft de vermeende periode van oogsten proberen te ontkrachten.
Daartoe wordt het volgende aangevoerd:
- 1.
Herkomst, rechtmatigheid en inhoud van Nota van 123tuintechniek is onduidelijk. Hiervoor is al aangevoerd dat deze nota (net als de andere in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel genoemde documenten) dient te worden uitgesloten van het bewijs.
(…)
Het is aldus niet aannemelijk en niet met wettige bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat cliënt eerdere oogsten heeft gehad dan wel enig voordeel hieruit heeft gehad. Ik verzoek u de vordering dan ook af te wijzen, subsidiair bij de schatting daarvan rekening te houden met het hieronder staande.’
Met de verwijzing naar hetgeen hiervoor is aangevoerd met betrekking tot het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting ten aanzien van de nota van 123tuintechniek wordt gedoeld op hetgeen (ook) in het kader van de strafzaak is aangevoerd met betrekking tot (de herkomst en verkrijging) van onder meer die nota. Dat verweer is in de pleitnota d.d. 16 oktober 2015 als volgt verwoord:
‘Het oordeel van de rechtbank is gegrond op de bekennende verklaring van cliënt afgelegd tijdens de zitting van 6 maart dit jaar en op het p-v van aantreffen hennepkwekerij.
Over het dossier (en in het bijzonder over het hierboven genoemde p-v) en de verklaring van cliënt wenst de verdediging enige opmerkingen te maken.
Verbalisanten hebben de woning van cliënt op 18 juli 2013 binnengetreden. In het p-v van binnentreden (p. 98) staat dat dit krachten machtiging van [naam 1] is gedaan. Deze machtiging is getoond aan cliënt. De machtiging die in het dossier zit (p. 100) is er echter aan van [naam 2]. Dit is opmerkelijk. Nu cliënt blijkens de stukken ook toestemming heeft gegeven binnen te komen is hier geen juridische consequentie aan te verbinden, maar in het kader van het volgende is het wel opvallend.
Ook voor wat betreft de aangetroffen en voorgehouden documenten klopt de vastlegging in het dossier namelijk niet. En dat heeft wel degelijk consequenties voor de bewijsvoering.
Om te beginnen is in het p-v van aantreffen hennepkwekerij (p. 1 e.v.) gerelateerd dat in ruimte E een kartonnen doos is aangetroffen met als geadresseerde dhr. [naam 3]. Tevens zijn er op de het dressoir in die ruimte een tweetal poststukken gevonden met als geadresseerde cliënt met twee andere verschillende adressen in [a-plaats] (zie p. 3). Dat dit de enige drie poststukken danwel correspondentie stukken zijn die in de woning zijn aangetroffen, blijkt ook uit de fotoset in het dossier. Voor ruimte E zij verwezen naar p. 43 e.v. Op p. 44 is de aangetroffen doos te zien op p. 48 het dressoir met de poststukken en op p. 56 en 57 de poststukken zelf. Meer is er aan correspondentie / mail in de woning dus niet gevonden!
Cliënt is de 18e juli en ook de 19e juli over de strafzaak gehoord. De 18e is hij om 14.29 uur gehoord, dus ruim nadat de zoeking voorbij was en er duidelijkheid was omtrent de daar aangetroffen voorwerpen en documenten. Opvallend is dan dat hij die dag niet is bevraagd over de tijdens de zoeking aangetroffen doos of de enveloppen met zijn naam er op of eventuele andere documenten.
De volgende dag, 19 juli, is cliënt wederom gehoord. De verbalisanten tonen hem dan vrijwel direct een factuur van 123tuintechniek d.d. 20 oktober 2012 (te vinden op p. 72 van het dossier) en stellen hem daar allerlei vragen over waarop cliënt antwoord geeft. Ook wordt hem een factuur getoond van materialen ten behoeve van de inrichting van een kwekerij d.d. 14 april 2013 (zie p. 94) en ook daar worden vragen over gesteld. Die factuur zit niet in het dossier. Niet valt te controleren wat er dus op die laatste factuur staat. Voor beide facturen geldt in ieder geval ook dat het niet duidelijk is waar ze vandaan komen en of ze wel rechtmatig zijn verkregen. Een ding staat hierbij op grond van het p-v aantreffen hennepkwekerij wel vast: ze zijn niet afkomstig uit de woning van cliënt!
De factuur van 20 oktober 2012 is gehecht aan het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat pas op 26 maart 2014 is opgemaakt. Ook in het rapport is niet vermeld waar de factuur vandaan komt. In dat rapport wordt wat betreft de ontnemingsperiode opgemerkt (p. 62 e.v.) dat er vanaf 8 december 2012 een berekening wordt gemaakt met de start van de kwekerij in verband met het aantreffen van ‘aankoopbonnen’. Op welke bonnen hier gedoeld wordt en waar deze zijn aangetroffen is niet vermeld. Op p. 66 wordt in het rapport onder het kopje ‘schriftelijke bescheiden’ vervolgens nog wel opgemerkt dat er naast de factuur van 20 oktober 2012 ook een factuur van 123tuintechniek voorhanden is van 8 december 2012. Of dit dan de andere bon is waarover op p. 62 wordt gerelateerd of dat er nog andere bonnen voorhanden zijn bij de politie wordt niet duidelijk. De bon 8 december van 123tuintechniek is opgenomen op p. 77. Het is niet duidelijk waar deze bon vandaan komt en hoe ze is verkregen. Achter de bon van 20 oktober 2012 (p. 73) zit een mail van 19 oktober die lijkt te zien op de bon van de 20e waar de naam van cliënt voorkomt. Ook hier kan weer de vraag worden gesteld: waar komt deze mail vandaan en hoe heeft de politie deze verkregen?
Hetzelfde geldt voor de aan het rapport gehechte verkooporder van 22 oktober 2012 (p. 76) en de mail van 7 december 2012 (p. 78).
Blijkbaar heeft de politie deze stukken voorhanden gehad maar is er niet geverbaliseerd waar ze vandaan komen en hoe ze zijn verkregen. Door het verbaal op te stellen zoals is gedaan, lijkt het alsof ze uit de woning van cliënt komen, maar dat is — zoals hierboven is aangetoond — niet zo. Wel is cliënt over twee van deze stukken bevraagd, zijn de stukken aan het dossier gevoegd en zijn ze door de rechtbank besproken met cliënt en gebruikt als bewijsmateriaal.
Nu niet vast staat waar deze stukken vandaan komen en of ze rechtmatig zijn verkregen terwijl cliënt hier wel over is bevraagd en heeft verklaard, is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen cliënt ter zake het aan hem tenlastegelegde feit. Er is immers niet voldaan aan de verbaliseringsplicht van art. 152 Sv.
De verbaliseringsplicht van art. 152 Sv is van groot belang. Als gevolg van hetgeen is bepaald in art. 152 (en ook art. 153) Sv maken opsporingsambtenaren op ambtseed proces-verbaal op van door hen opgespoorde strafbare feiten of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of ondervonden. Zij doen dat onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. In hun proces-verbaal dienen te worden gerelateerd de feiten en omstandigheden die redelijkerwijs van belang zijn voor de OvJ bij diens beslissing om al dan niet te vervolgen en voor de rechter voor al diens beslissingen waaraan dat p-v (mede) ten grondslag ligt. Het is hierom van het allergrootste belang dat een p-v een juiste weergave is van al hetgeen door de opsporingsambtenaren bij de opsporing is waargenomen of ondervonden. Art 152 Sv vormt de schakel in de dossiervorming in strafzaken. Door deze plicht te schenden kan achteraf (ook door uw Hof) niet worden vastgesteld waar (in dit geval) stukken vandaan komen en of ze rechtmatig zijn verkregen. De rechterlijke controle op de opsporing wordt hierdoor gefrustreerd. Dit levert een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde op. Cliënt is door de niet-naleving in zijn recht op een eerlijk proces. Het verzuim is aldus om twee redenen zeer ernstig. Het nadeel dat hiermee is veroorzaakt is enorm groot.
Dat de met opsporing belaste ambtenaren doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van cliënt hebben gehandeld, waardoor aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan, blijkt uit het feit dat ook elders in het dossier onjuiste vermeldingen zijn gedaan (bv. met betrekking tot de afgegeven machtiging) maar ook doordat men door de huidige vastlegging in het dossier heeft doen willen lijken alsof de documenten uit de woning van cliënt afkomstig zijn.
Dit vormverzuim kan niet meer kan worden hersteld. Cliënt is reeds door de verbalisanten en door de rechtbank geconfronteerd met de documenten en heeft hierover verklaard. Nu de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken en er door het verzuim geen sprake meer is van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet, dient het Openbaar Ministerie als enige juiste sanctie ex art. 359a Sv niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair dienen de resultaten van het onderzoek, voor zover het gaat over de hier genoemde documenten en de verklaring van verdachte hierover, ex art. 359 Sv te worden uitgesloten van bewijs.’
Kort samengevat komt het erop neer dat de raadsvrouw van rekwirant in hoger beroep zich namens rekwirant op het standpunt stelde dat ten aanzien van de factuur van 123tuintechniek d.d. 20 oktober 2012 (te vinden op p. 72 van het dossier) en de e-mail van 19 oktober 2012, zoals die in het dossier achter die factuur zit, niet blijkt waar die factuur en e-mail vandaan komen en hoe de politie deze heeft verkregen. Dat geldt ook ten aanzien van de in het dossier genoemde facturen van 8 december 2012 en 14 april 2013 en een aan het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel gehechte verkooporder van 22 oktober 2012 en een e-mail van 7 december 2012. Met betrekking tot de herkomst van die stukken en de wijze van verkrijging (door de politie) is niet voldaan aan de verbaliseringsplicht van art. 152 Sv, zo is in hoger beroep van de zijde van de verdediging betoogd. Daardoor is (ook) niet na te gaan of deze stukken rechtmatig zijn verkregen, terwijl rekwirant wel over deze stukken is bevraagd en daarover heeft verklaard. Betoogd is dat daardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen rekwirant ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit. In dat kader is gewezen op het grote belang dat gediend wordt met de eerdergenoemde verbaliseringsplicht en is onder meer aangegeven dat door het niet naleven daarvan de rechterlijke controle op de opsporing wordt gefrustreerd. Dat levert een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde op en rekwirant is daardoor getroffen in zijn recht op een eerlijk proces. Daarbij heeft de raadsvrouw van rekwirant zich ook op het standpunt gesteld dat de met opsporing belaste ambtenaren doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van rekwirant hebben gehandeld, waardoor aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan, ook doordat de politie het door de huidige vastlegging in het dossier (of het gebrek daaraan, BdB) heeft willen doen voorkomen alsof de documenten uit de woning van rekwirant afkomstig waren. Dit alles leidde tot de (primaire) conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijke diende te worden verklaard. Subsidiair is bepleit dat de genoemde documenten en de verklaring van rekwirant daarover dienden te worden uitgesloten van het bewijs.
Dit verweer, dat naar het oordeel van rekwirant voldoet aan de daaraan op grond van HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 te stellen eisen, is een verweer waarop het Hof blijkens art. 359a lid 3 Sv en het zojuist genoemde arrest een (begrijpelijk) gemotiveerde beslissing moest nemen. Het subsidiaire verweer is onmiskenbaar ook gevoerd in het kader van de ontnemingsvordering/ ontnemingsprocedure. Anders dan in de strafzaak heeft het Hof — blijkens de overwegingen ter motivering van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel — de nota ten aanzien waarvan op de genoemde gronden bewijsuitsluiting werd bepleit wél voor het bewijs gebruikt. Het Hof heeft echter nagelaten in het arrest (in de ontnemingszaak) uitdrukkelijk, laat staan op een (voldoende) begrijpelijke wijze te responderen op dat verweer, terwijl het Hof daartoe wel was gehouden.2.
Voor zover uw College mocht oordelen dat voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja hoe, het Hof heeft gereageerd op het hier aan de orde zijnde verweer relevant is dat het Hof in het verkort arrest in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak wel heeft gerespondeerd op het hier aan de orde zijnde verweer, stelt rekwirant zich op het standpunt dat in dat geval vastgesteld dient te worden dat het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting niet op begrijpelijke wijze is verworpen.
Blijkens het arrest van het Hof d.d. 30 oktober 2015 in de strafzaak heeft het Hof immers als volgt gereageerd op het hier aan de orde zijnde verweer:3.
‘Nadat op 18 juli 2013 in de woning van verdachte, die met diens toestemming is betreden, een ontmantelde hennepkwekerij was aangetroffen, is verdachte aangehouden. In verschillende processen-verbaal heeft de politie aangegeven welke goederen in welke ruimte in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Verdachte is enkele uren na zijn aanhouding verhoord. Bij die gelegenheid heeft hij, nog voordat hij was geconfronteerd met enig stuk, verklaard dat hij de hennepkwekerij zelf heeft ingericht, dat hij de materialen voor kwekerij zelf heeft gekocht bij 123tuintechniek, dat hij daar verschillende keren materialen heeft besteld en dat hij de materialen zelf heeft betaald. Bij gelegenheid van zijn volgende verhoor, waartoe hij op 19 juli 2013 was ontboden, is verdachte onder meer geconfronteerd met een factuur van 123tuintechniek van 20 oktober 2012. Verdachte heeft vervolgens een verklaring afgelegd over de hem getoonde stukken. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte op vragen van de voorzitter verklaard dat hij in zijn woning aan [a-straat 01] te [a-plaats], in de gemeente [a-gemeente], een hennepkwekerij had ingericht, dat hij in de periode van 1 tot en met 16 juli 2013 vijftig hennepplanen in deze kwekerij had staan en dat hij deze planten gedurende enige tijd zelf heeft verzorgd. Het hof is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verdachte door deze gang van zaken niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wordt daarom verworpen, evenals het op bewijsuitsluiting toegespitste verweer.’
In de kern heeft het Hof het hier aan de orde zijnde verweer verworpen, omdat ‘de verdachte door deze gang van zaken niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad’. Naar het oordeel van rekwirant kan de hiervoor weergegeven verwerping van genoemd verweer en de motivering daarvan niet worden beschouwd als voldoende begrijpelijk gemotiveerde beslissing op dat verweer.
Rekwirant acht deze overweging(en) (volstrekt) onbegrijpelijk, in het bijzonder gezien het volgende.
Art. 152 Sv schrijft voor dat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing, zoals thans gedefinieerd in art. 132a Sv, is verricht of bevonden. Redelijke uitleg van die bepaling in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen brengt het volgende mee. Het staat de in die bepaling genoemde opsporingsambtenaren slechts dan vrij het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.
Ingeval het opmaken van een proces-verbaal achterwege blijft, zal evenwel dienen te worden voorzien in een zodanige verslaglegging van de desbetreffende verrichtingen en bevindingen, dat doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van de rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording omtrent dat onderdeel van het opsporingsonderzoek.
Belangen van derden en/of van het opsporingsonderzoek vormen op zichzelf onvoldoende grond om het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten. Aan die belangen kan immers door de wijze waarop de desbetreffende verrichtingen en bevindingen in dat proces-verbaal worden gerelateerd, voldoende worden tegemoetgekomen.
De wet verbindt geen rechtsgevolgen aan de niet-naleving van art. 152 Sv. Het staat derhalve ter beoordeling van de rechter of en zo ja in hoeverre aan de omstandigheid dat het opmaken van proces-verbaal achterwege is gebleven dan wel niet ten spoedigste is geschied, enig rechtsgevolg dient te worden verbonden.4.
Nu het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet is gevoerd in het kader van de ontnemingszaak, beperkt rekwirant zich in cassatie tot de klacht dat het Hof naar aanleiding van het hier aan de orde zijnde verweer diende te onderzoeken of er sprake was van onherstelbare vormverzuimen begaan in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv, en zo ja, of (indien de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken) dat diende te leiden tot bewijsuitsluiting van de eerdergenoemde stukken, waaronder de voor het bewijs gebruikte factuur van 20 oktober 2012. Het Hof heeft echter van een dergelijk onderzoek geen dan wel onvoldoende blijk gegeven. De enkele overweging dat ‘de verdachte door deze gang van zaken niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad’ is daartoe niet voldoende, althans doet geen recht aan het namens rekwirant gevoerde verweer, althans kan niet worden beschouwd als een voldoende begrijpelijke motivering ter verwerping van dat verweer.
In dat verband verdient opmerking dat het Hof hetgeen door de verdediging is gesteld, ook en met name voor zover is gesteld dat voor wat betreft de door de verdediging in de pleitnotities genoemde facturen en e-mails als het gaat om waar die stukken vandaan komen en hoe die politie die heeft verkregen niet is voldaan aan de verbaliseringsplicht van art. 152 Sv, (volledig) in het midden heeft gelaten, zodat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat de herkomst en wijze van verkrijging van die stukken niet is geverbaliseerd. Mede gelet op hetgeen hiervoor is gezegd over hetgeen de in art. 152 Sv neergelegde verbaliseringsplicht inhoudt, moet naar het oordeel van rekwirant worden geconcludeerd dat er, zoals door de verdediging in hoger beroep werd betoogd, inderdaad sprake is van het niet naleven van art. 152 Sv, aangezien de opsporingsambtenaren die zich met het onderzoek in deze zaak hebben beziggehouden kennelijk niet ten spoedigste proces-verbaal hebben opgemaakt van al hetgeen door hen tot opsporing is verricht of is bevonden.
Voorts is van belang dat het voorschrift van art. 152 Sv door de Hoge Raad uitdrukkelijk in verband wordt gebracht met de aan een eerlijk proces te stellen eisen. Mede daarom kan naar het oordeel van rekwirant — ook in het licht van HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 — niet worden gezegd dat de niet naleving van art. 152 Sv in dit geval hoe dan ook niet, laat staan nooit, kan leiden tot de conclusie dat sprake is van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting noopt.5.
Nu de reactie van het Hof (zoals weergegeven in het verkort arrest in de strafzaak) op het hier aan de orde zijnde verweer niet kan worden beschouwd als een rechtens juiste en/of voldoende begrijpelijke reactie op het verweer, kan het arrest van het Hof hoe dan ook niet in stand blijven.6.
II. Schending van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR. althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
In het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR geschonden, daar sinds het instellen van het beroep in cassatie op 11 november 2015 en de behandeling in cassatie zoveel tijd is verstreken, dat de berechting niet meer heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Dat dient te leiden tot vermindering van de door het Hof opgelegde betalingsverplichting.
Toelichting
Op 11 november 2015 is namens rekwirant beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 30 oktober 2015. Eerst op 23 september 2016 zijn de stukken bij uw Raad binnengekomen.
Nu tussen het tijdstip waarop het beroep in cassatie is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen meer dan 10 maanden zijn verstreken, waarbij niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop in deze zaak zouden kunnen rechtvaardigen, moet naar de mening van rekwirant worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM (vgl. Hoge Raad 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358). Dat dient volgens vast rechtspraak van uw College te leiden tot vermindering van de eerdergenoemde betalingsverplichting.7.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals op 30 oktober 2015 gewezen door het Gerechtshof te Leeuwarden te vernietigen en de zaak te verwijzen naar een ander Hof, althans een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigde,
mr. B.P. de Boer
Amsterdam, 21 november 2016
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 21‑11‑2016
Zie pp. 1–3.
Zie daarvoor onder meer HR 8 november 2011, LJN BR1106 en BR1105; HR 28 juni 2011, LJN BQ0047 en HR 25 mei 2010, LJN BL7666
Zie p. 2.
Zie HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169 met annotatie van T.M. Schalken.
Zie in dit kader ook de opmerkingen van de verdediging: door de niet naleving van art. 152 Sv kan in casu niet worden nagegaan hoe de politie de genoemde stukken heeft verkregen en of die verkrijging mogelijk op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Bekendheid met de bron en/of de wijze van verkrijging zou uiteraard ook iets kunnen zeggen over de betrouwbaarheid en/of bewijswaarde van die stukken.
Zie voor min of meer recente voorbeelden van zaken waarin de Hoge Raad oordeelde dat kort gezegd vormverzuimen niet op voldoende begrijpelijke wijze waren verworpen door het Hof onder meer HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1365, NJ 2014/399; HR 17 januari 2012, LJN BT1783 en HR 23 november 2010, LJN BN9187, NJ 2010/641.
Gelet op HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, r.o. 3.6.2 en 3.6.3 ligt een vermindering met 5% van dat bedrag in de rede.
Beroepschrift 03‑11‑2016
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 30 oktober 2015, waarbij het Gerechtshof een beslissing van de Rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2015 op de vordering ingevolge artikel 36 e van het Wetboek van Strafrechter in de zaak tegen de verdachte
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986
heeft vernietigd en het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat heeft vastgesteld op 45.930,49 Euro en aan de veroordeelde de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van 11.700,-- Euro.
Rekwirant kan zich met deze beslissing, in het bijzonder de motivering daarvan, niet verenigen.
Aan het middel voorafgaande opmerking
1.
Rekwirant heeft het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof op 1 november 2016 van de griffier van de Hoge Raad ontvangen. Een daarvan gemaakte lichtdruk wordt aan deze schriftuur gehecht. Uit dit proces-verbaal, dat blijkens de aanhef is opgemaakt in de ontnemingszaak, blijkt niet dat de Advocaat-generaal zich heeft uitgelaten over de ontnemingsvordering, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit ook niet het geval is geweest. Dit heeft nietigheid tot gevolg (vgl.: HR 5 april 1983, NJ 1983,446 en HR 12 juni 1984, NJ 1985, 116).
2.
Het belang van het voorschrift van artikel 311, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 511d, eerste lid, van dit Wetboek ook in ontnemingszaken geldt, is dat het requisitoir van de Officier van Justitie of Advocaat-generaal, uitmondend in een vordering, een belangrijk onderdeel is van het contradictoir en openbare strafproces (vgl. Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2014/15.20, p. 709). Niet alleen de verdachte of, zoals in een ontnemingszaak het geval kan zijn: een verdachte of veroordeelde, diens raadsman, maar ook de pers of ander belangstellend publiek heeft er recht op en belang bij van het Openbaar Ministerie in de rechtszaal te vernemen wat zijn standpunt is met betrekking tot de strafzaak en, zoals te dezen, een ontnemingszaak.
3.
Het Openbaar Ministerie , dat ook heeft te waken voor de naleving van voorschriften die essentieel zijn voor het beginsel dat strafrechtspraak in beginsel in het openbaar zal dienen plaatsvinden, zal echter niet een middel van cassatie tegen dit vormverzuim formuleren. Immers, uit het bestreden arrest volgt ook wat de vordering van de Advocaat-generaal in de ontnemingszaak is geweest. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie ook ten behoeve van de rechtspraktijk een belang bij een beoordeling van de drie klachten, die deel uitmaken van het cassatiemiddel.
Rekwirant heeft de eer aan de Hoge Raad der Nederlanden voor te leggen als:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen als bedoeld in artikel 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, aangezien 's Hofs oordeel dat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld moet worden op 45.930,69 euro1., maar dat de betalingsverplichting wordt beperkt tot 11.700,-- euro om reden dat de Rechtbank in eerste aanleg de betalingsverplichting ook heeft vastgesteld op 11.700 Euro en de Officier van Justitie door niet een rechtsmiddel tegen de beslissing van de Rechtbank aan te wenden klaarblijkelijk genoegen heeft genomen met laatstgenoemd bedrag,
- (a)
niet voortspruit uit en geen grondslag vindt in het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep,
- (b)
berust op een onjuiste rechtsopvatting, dan wel
- (c)
zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
Toelichting op de eerste klacht
1.
Het Hof heeft het bedrag van het wederrechtelijk door betrokkene netto genoten voordeel vastgesteld op 45.930,49 Euro. Dit wordt door rekwirant in cassatie niet bestreden.
2.
Het Hof heeft in zijn arrest in het hoofdstuk ‘De verplichting tot betaling aan de Staat’ overwogen:
‘Het hof acht (…) anders dan de eerste rechter, aannemelijk dat in de kwekerij in drie kweekcycli telkens honderdvierentachtig planten werden gekweekt en komt zodoende op een aanmerkelijk hoger bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel’.
De officier van justitie heeft afgezien van het aanwenden van een rechtsmiddel, ondanks dat in eerste aanleg betaling van een substantieel lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd dan was gevorderd. Het openbaar ministerie nam klaarblijkelijk genoegen met de opgelegde betalingsverplichting.
Het hof ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat te stellen op hetzelfde bedrag als het bedrag dat door de eerste rechter is vastgesteld, te weten op een afgrond bedrag van 11.700,-- Euro.’
3.1
Rekwirant heeft het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van de griffier van de Hoge Raad ontvangen. Een daarvan gemaakte lichtdruk wordt aan deze schriftuur gehecht.
3.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2015 kan niet volgen dat door het Hof aan de Advocaat-generaal is gevraagd naar de reden waarom door de Officier van Justitie geen rechtsmiddel tegen de uitspraak van de Rechtbank is aangewend en dat door de Advocaat-generaal daarop is geantwoord. Uit het proces-verbaal blijkt evenmin dat de Advocaat-generaal ambtshalve mededelingen heeft gedaan of anderszins verantwoording heeft afgelegd over het niet instellen van hoger beroep door de Officier van Justitie. Ook de raadsvrouw van de verdachte heeft blijkens de door haar overgelegde pleitnota niet iets aangevoerd dat aanleiding zou kunnen geven tot de bij het Hof klaarblijkelijk levende veronderstelling dat de Officier van Justitie zich heeft kunnen vinden in de beslissing van de Rechtbank en om die reden geen rechtsmiddel tegen die beslissing heeft willen aanwenden.
4.
De vaststelling van het Hof dat het Openbaar Ministerie klaarblijkelijk genoegen nam met de door de Rechtbank opgelegde betalingsverplichting en 's Hofs daarop gebaseerde beslissing de betalingsverplichting te beperken tot hetzelfde bedrag dat door de Rechtbank is bepaald, vindt mitsdien geen grondslag in het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en is aldaar kennelijk in het geheel niet aan de orde gesteld of geweest. Het Openbaar Ministerie, (of de verdediging) is aldus ook niet in staat geweest een standpunt te bepalen en het Openbaar Ministerie wordt in de uitspraak van het Hof bij verrassing geconfronteerd met op de terechtzitting niet ter sprake gekomen en in het nadeel van het Openbaar Ministerie uitgelegde gegevens. Aangezien het Hof mitsdien niet heeft beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting dient dit te leiden tot nietigheid van zijn beslissing (vgl.HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8156 en HR 7 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9352).
Toelichting op de tweede klacht
5.
Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de vordering van het Openbaar Ministerie in:
‘De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op 47.354,49 euro (zevenenveertigduizend driehonderdvierenvijftig euro en negenenveertig cent) en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op 43.527,00 (drieënveertigduizend vijfhonderdzevenentwintig euro) en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
6.
Het Hof heeft in zijn arrest onder het kopje ‘De verplichting tot betaling aan de Staat’ overwogen:
‘Het hof acht (…) anders dan de eerste rechter, aannemelijk dat in de kwekerij in drie kweekcycli telkens honderdvierentachtig planten werden gekweekt en komt zodoende op een aanmerkelijk hoger bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel’.
De officier van justitie heeft afgezien van het aanwenden van een rechtsmiddel, ondanks dat in eerste aanleg betaling van een substantieel lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd dan was gevorderd. Het openbaar ministerie nam klaarblijkelijk genoegen met de opgelegde betalingsverplichting.
Het hof ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat te stellen op hetzelfde bedrag als het bedrag dat door de eerste rechter is vastgesteld, te weten op een afgrond bedrag van 11.700,-- Euro.’
7.1
De aan de rechter toekomende matigingsbevoegdheid is bij de ‘Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming’ van 31 maart 2011 (Stb.171) in die zin gewijzigd dat de matigingsbevoegdheid thans is verwoord in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
7.2
In de aan 's Hogen Raads arrest van 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860 voorafgaande conclusie van de Advocaat-generaal Hofstee is de volledige wetgeschiedenis weergegeven van het vijfde lid van artikel 36 e van het Wetboek van Strafrecht. Deze luidt:
‘5.4. De bevoegdheid van de rechter tot matiging van het te betalen bedrag
In het voorliggende wetsvoorstel wordt de matigingsbevoegdheid van de rechter op nieuwe leest geschoeid. Veel van de ontnemingsrechtspraak is gewijd aan de kwestie van de draagkracht van de veroordeelde en de wijze waarop de rechter in dit verband de matigingsbevoegdheid van artikel 36e, vierde lid, laatste volzin Sr toepast. De Hoge Raad heeft bij zijn beslissing van 10 november 1998 (JOW 1999/6) geoordeeld dat de gegevens omtrent de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde van belang kunnen zijn voor de vaststelling door de rechter van het door de veroordeelde te betalen bedrag. De rechter dient in het geval dat aannemelijk is dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge art. 36e, vierde lid, laatste volzin. De reden daarvoor is door de Hoge Raad genoemd in zijn beslissing van 7 mei 1996 (NJ 1997, 404). In die beslissing memoreert de Hoge Raad eerst de matigingsmogelijkheden.
In de eerste plaats is dat de bevoegdheid van de rechter overeenkomstig artikel 36e, vierde lid, laatste volzin, het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel. Voorts geeft artikel 577b, tweede lid,
Sv de rechter, nadat de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd, de bevoegdheid het bedrag en de vervangende hechtenis te verminderen of kwijt te schelden. De beperking daarbij is evenwel dat die bevoegdheid alleen mag worden gehanteerd op grond van omstandigheden die zich na de uitspraak hebben voorgedaan, of die ten tijde daarvan niet, of niet volledig, aan de rechter bekend waren (artikel 577b, vierde lid).
In artikel 558, derde lid, is verder bepaald dat ter zake van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gratie kan worden verzocht en verleend. Eveneens van invloed op de betalingsverplichting is het bij artikel 561, derde lid, bepaalde, dat het openbaar ministerie uitstel van betaling kan verlenen. Dit artikel is op grond van artikel 577b, eerste lid, van overeenkomstige toepassing is. Dat betekent dat het openbaar ministerie daarbij niet aan de termijn van het immers niet van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 561, vierde lid, is gebonden. De Hoge Raad overweegt dan: ‘Dit samenstel van bepalingen schept enerzijds waarborgen om te voorkomen dat een veroordeelde die geen of onvoldoende draagkracht heeft of zal hebben, zonder meer wordt verplicht tot het ondergaan van vervangende hechtenis, doch beperkt anderzijds de mogelijkheid na oplegging van de maatregel nog rekening te houden met omstandigheden die de draagkracht beïnvloeden en die ten tijde van de oplegging van de maatregel de rechter reeds voldoende bekend waren.’
Hier wijst de Hoge Raad terecht op een knelpunt. De regeling biedt de rechter nu te weinig ruimte om achteraf, in de fase van de executie correcties aan te brengen. Daarom dient in het geval dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, de rechter gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het is redelijk dat de rechter op een ter zake van de draagkracht uitdrukkelijk voorgedragen, met argumenten ondersteund, verweer een uitdrukkelijk en gemotiveerd antwoord geeft.
De rechter dient zich dus volgens de huidige rechtspraak voorafgaande aan de executiefase al een beeld van de draagkracht te vormen en anticiperend te oordelen op de financiële positie van de veroordeelde achteraf. Naar mijn opvatting komt voor de executie aan de financiële positie van de veroordeelde eveneens aanzienlijk gewicht toe. Voorgesteld wordt, in het licht van het voorgaande, om enerzijds artikel 577b, vierde lid, Sv te laten vervallen en om anderzijds artikel 36e, vierde lid, Sr aan te vullen. Daardoor is de bevoegdheid tot matiging in de executiefase niet langer beperkt tot de omstandigheden die zich na de uitspraak hebben voorgedaan, of die ten tijde daarvan niet, of niet volledig, aan de rechter bekend waren.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 36e, vierde lid, is beoogd bij het oordeel over de draagkracht van betrokkene niet op de omstandigheden vooruit te lopen. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat de betrokkene een eventueel op te leggen bedrag in de toekomst niet zal kunnen betalen, zou de rechter, om later dubbel werk te voorkomen, gebruik kunnen maken van zijn matigingsbevoegdheid. Uit het oogpunt van proceseconomie heeft het in een dergelijk geval geen zin de rechter achteraf nogmaals te laten constateren hetgeen hij vooraf al kon voorzien. Daarvoor is wel nodig dat de betrokkene een beroep doet op afwezigheid van draagkracht. Hij zal voorts alles aan moeten voeren hetgeen van belang kan zijn om zijn beroep op matiging te ondersteunen. Dit is ook redelijk, omdat betrokkene immers het beste op de hoogte is van de hem betreffende omstandigheden die hem voor matiging in aanmerking brengen. Voorts is dit redelijk, omdat de matiging ten faveure van de betrokkene geschiedt. Voor uitzonderlijke gevallen (bij voorbeeld als de betrokkene heeft afgezien van rechtsbijstand of als hij geen enkel inzicht in zijn financiële situatie heeft) is opgenomen dat de rechter ambtshalve of op vordering van de officier van justitie van zijn matigingsbevoegdheid gebruik kan maken. Voordeel voor de staat is dat dit de kosten en de moeite bespaart van verder onderzoek naar de financiële positie van de veroordeelde.
Uitdrukkelijke bedoeling van de accentverschuiving in de matigingsbevoegdheid van de rechter in verband met de draagkracht naar de executiefase is het ontlasten van het openbaar ministerie op het punt van het verzamelen van gegevens over betalingsonmacht van de veroordeelde. Het zal steeds de veroordeelde tot het betalen van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijn, die aannemelijk moet maken dat hij niet in staat is aan de hem opgelegde verplichting tot betaling van dat geldbedrag te voldoen, en dat dus niets slechts sprake is van betalingsonwil. Daarbij is het ten aanzien van degene van wie bij rechterlijk vonnis is vastgesteld dat hij voordeel heeft verkregen, niet vanzelfsprekend dat hij later — om nog niet eerder naar voren gebrachte redenen — niet aan zijn verplichting tot betaling zal kunnen voldoen. Bij het aantonen dat het om betalingsonmacht en niet om betalingsonwil gaat, kan dit punt niet buiten beschouwing blijven. Vanuit deze optiek is toegevoegd dat het verzoek gemotiveerd moet worden gedaan.
Uit het voorgaande volgt dat niet zonder meer tot codificatie van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad is overgegaan. De rechter zal zich eerst een oordeel moeten vormen over de gegrondheid van het verzoek tot matiging c.q. het beroep op betalingsonmacht, voordat hij komt tot de vaststelling van de hoogte van het te betalen bedrag. Niet in alle gevallen waarin een beroep op verminderde draagkracht wordt gedaan, zal de rechter zo'n beroep moeten honoreren. Daarom is dit onderdeel als een bevoegdheid en niet als een aanwijzing geformuleerd.
Tenslotte wijs ik er nog eens op dat het succes van de ontnemingsmaatregel in belangrijke mate ervan afhangt of ter waarde van het verkregen voordeel conservatoir beslag is gelegd. De onderzoeksinspanningen dienen daarop gericht te zijn. De middelen daarvoor staan nu reeds ter beschikking. In het bijzonder is daarbij te denken aan de mogelijkheden die het strafrechtelijk financieel onderzoek biedt. In dit verband kan gewezen worden op hetgeen hierover al in de memorie van toelichting bij artikel 126 van de huidige regeling werd opgemerkt, namelijk dat de inzet van het strafrechtelijk financieel onderzoek het verzamelen van gegevens is op grond waarvan de ontnemingsmaatregel inhoud kan worden gegeven (kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, blz. 32). Dat betekent dat het onderzoek niet alleen gericht is op gegevens die van belang zijn voor de bepaling van (de omvang van) het voordeel. Met het oog op de ontneming kan eveneens onderzoek verricht worden naar gegevens die dienstig zijn voor de executie van de betaalverplichting, zoals naar gegevens die inhouden waar vermogensbestanddelen van de bij de ontneming betrokkene zich bevinden.’
7.3
De Hoge Raad heeft in het genoemde arrest van 8 april 2014 geoordeeld dat de opvatting dat die (matigings)bevoegdheid van de rechter ‘enkel in relatie tot beperkte draagkracht kan worden toegepast’, geen steun vindt in de tekst en wetsgeschiedenis van art. 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
7.4.1
Het Hof heeft het netto bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op 45.930,49 euro, maar het door betrokkene aan de Staat te betalen bedrag gematigd tot 11.700,00 euro. Het Hof matigt het door betrokkene te betalen bedrag omdat door de Officier van Justitie niet een rechtsmiddel is aangewend tegen de beslissing van de eerste rechter, ook al is de verplichting tot een substantieel lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd dan was gevorderd.
7.4.2
Rekwirant stelt zich op het standpunt dat de wetsgeschiedenis en ook de rechtspraktijk steun biedt aan de stelling dat de matigingsbevoegdheid betrekking moet hebben op enig de verdachte of veroordeelde betreffend feit of omstandigheid. Indien dit juist is, getuigt 's Hofs oordeel dat kan worden volstaan met het bedrag van 11.700,00 euro, omdat het Openbaar Ministerie klaarblijkelijk genoegen nam met deze door de Rechtbank opgelegde betalingsverplichting mitsdien van een verkeerde rechtsopvatting.
7.4.3
Rekwirant wijst in dit verband op HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3200, NJ 2002, 124) waarin de Hoge Raad heeft overwogen:
‘Opmerking verdient nog dat voorzover in de bestreden uitspraak als oordeel van het Hof besloten mocht liggen dat de rechter ter zake van de betalingsverplichting als bedoeld in artikel 36 e Sr geen hoger bedrag mag vaststellen dan door het openbaar ministerie is gevorderd, dat oordeel onjuist is, aangezien geen rechtsregel zich daartegen verzet.’
3.4.4
In HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9673, NS 2003,4 had het Hof het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van fl. 259.792,34. Nu de advocaat-generaal een bedrag van fl. 153.692,66 had gevorderd, besliste het Hof dat het niet boven dat bedrag zal uitgaan. De Hoge Raad overwoog:
‘Aan 's Hofs beslissing ligt klaarblijkelijk de opvatting ten grondslag dat de rechter ter zake van de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36 e Sr geen hoger bedrag mag vaststellen dan door het openbaar ministerie is gevorderd.’
Deze opvatting is onjuist (vgl. HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 124)
3.4.5
Rekwirant leidt uit deze twee geciteerde arresten af dat de rechter nimmer gebonden is aan de hoogte van de vordering van het Openbaar Ministerie en de betalingsverplichting op een lager of hoger bedrag kan vaststellen. Die vaststelling is derhalve evenmin afhankelijk van het al of niet door de Officier van Justitie aanwenden van een rechtsmiddel tegen een in eerste aanleg gegeven beslissing, waarin de rechter fors is afgeweken van de vordering van de Officier van Justitie.
Artikel 36 e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vereist slechts dat een vordering is gedaan. Ook in dit opzicht getuigt 's Hofs oordeel van een verkeerde rechtsopvatting.
Toelichting op de derde klacht
8.1
Rekwirant is van mening dat in de enkele omstandigheid dat de Officier van Justitie niet in hoger beroep is gekomen niet — ook niet klaarblijkelijk of kennelijk — besloten ligt dat de Officier van Justitie genoegen heeft genomen met de hoogte van de door de eerste rechter opgelegde betalingsverplichting. Ook in de omstandigheid dat de Officier van Justitie betaling van een substantieel hoger bedrag aan ontneming van wederrechtelijk verkregen heeft gevorderd dan door de eerste rechter is bepaald ligt niet besloten dat de Officier van Justitie met de beslissing van de eerste rechter genoegen heeft genomen.
4.2
De Officier van Justitie kan het, bijvoorbeeld, niet opportuun achten om hoger beroep in te stellen, zelfs al kan hij zich met de door de Rechtbank gegeven beslissing niet verenigen.
4.3
In hoger beroep vindt een nieuw onderzoek plaats naar de omvang van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel. Er kunnennieuwe berekeningsmethodes worden toegepast, nieuwe gegevens in geding worden gebracht of getuigen worden gehoord die een veel rooskleuriger beeld van het door de veroordeelde verkregen voordeel schetsen. Het Hof schat, na de Advocaat-generaal en de verdediging te hebben gehoord, de hoogte van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel en bepaalt welke bedrag door betrokkene aan de Staat dient te worden betaald. Het Hof wordt daarbij door geen enkele rechtsregel gebonden aan de hoogte van de vordering van het Openbaar Ministerie. Evenmin is voor de hoogte van de betalingsverplichting bepalend of de Officier van Justitie al of niet heeft berust in de hoogte van de door de eerste rechter opgelegde betalingsverplichting. Daarbij moet nog in aanmerking worden genomen dat de Advocaat-generaal in hoger beroep een bedrag heeft gevorderd dat de hoogte van de vordering van de Officier van Justitie in eerste aanleg dicht benadert. In die vordering is tot uitdrukking gebracht dat het Openbaar Ministerie zich niet verenigt met de in eerste aanleg opgelegde betalingsverplichting.
4.4
Requirant is op grond van het vorenstaande van mening dat het oordeel van het Hof dat ‘het openbaar ministerie klaarblijkelijk genoegen (nam) met de opgelegde betalingsverplichting’ — indien de Hoge Raad van oordeel mocht zijn dat dit reden kan zijn voor toepassing van de matigingsbevoegdheid en van een juiste rechtsopvatting getuigt — in het licht van het vorenstaande zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk.
Indien (een van de) cassatiemiddel(len) of een onderdeel daarvan doel mocht treffen, dan zal het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 oktober 2015 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook het arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, [3] november 2016
Mr M. van der Horst, advocaat-generaal Ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑11‑2016
Overigens, op pagina 2 van zijn arrest heeft het Hof overwogen dat het aan de hand van wettige bewijsmiddelen de schatting ontleent van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 43.838,49 Euro. Waar het verschil in bestaat is rekwirant niet geheel duidelijk geworden.