Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/13.6:13.6 Conclusie en rechtsvergelijking
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/13.6
13.6 Conclusie en rechtsvergelijking
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90816:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 13, paragraaf 13.2.1 en 13.3.1.
Zie bijv. Verheul 2018, p. 406-409.
Hoofdstuk 13, paragraaf 13.4.1 en 13.5.1.
Hoofdstuk 13, paragraaf 13.2.1 en 13.3.1.
Hoofdstuk 13, paragraaf 13.4.1.
Hoofdstuk 13, paragraaf 13.5.1.
Hoofdstuk 13, paragraaf 13.3.1.
Hoofdstuk 13, paragraaf 13.2.2 en 13.3.2.
Hoofdstuk 13, paragraaf 13.5.2. Vgl. hoofdstuk 13, paragraaf 13.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vier rechtsstelsels kan de leverancier op verschillende wijzen bewerkstelligen dat de financier het risico van niet-betaling van de koopprijsvordering door de koper overneemt van de leverancier.
De wijze die in elk rechtsstelsel terugkomt is de cessie van de koopprijsvordering op de koper aan de financier. Het risico van niet-betaling van de vordering komt op de financier te rusten. De leverancier ontvangt een koopprijs voor de gecedeerde vordering, waardoor de leverancier economisch gezien wordt voldaan. Deze betaling is niet de voldoening van de schuld van de koper, want dit zou leiden tot het tenietgaan van de vordering.
Om de vordering en de daarvoor gevestigde zekerheid in één hand te krijgen, dient de leverancier in het Nederlandse en Duitse recht een extra handeling te verrichten. De voorbehouden eigendom moet overgedragen worden, want deze gaat niet van rechtswege mee over.1 Dit is dogmatisch te verklaren.2 Eigendom is geen afhankelijk of nevenrecht van de vordering tot zekerheid waarvan het strekt. Echter, de voorbehouden eigendom dient tot zekerheid van betaling van de koopprijs en is in zoverre wel verbonden aan de vordering en in zijn voortbestaan zelfs afhankelijk van het bestaan de vordering. Wordt de vordering namelijk volledig voldaan en houdt deze op te bestaan, dan komt de eigendom volledig bij de koper te rusten en vervalt het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde van de leverancier. Vanuit deze meer functionele benadering is het eigendomsvoorbehoud een zekerheidsrecht dat in zijn functie vergelijkbaar is met een pandrecht en hierom ook dezelfde gevolgen dient te hebben.
Deze functionele benadering ligt ten grondslag aan het Belgische zekerhedenrecht en heeft tot gevolg dat de voorbehouden eigendom bij een cessie van de koopprijsvordering automatisch mee overgaat. In het Amerikaanse recht gaat de purchase-money security interest ook als afhankelijk recht mee over met de vordering bij cessie. Anders dan in het Belgische recht is de purchase-money security interest een beperkt zekerheidsrecht en geen voorbehouden eigendom. De functionele benadering in Article 9 UCC brengt namelijk mee dat de voorbehouden eigendom wordt ‘omgezet’ in een beperkt zekerheidsrecht.3
Voor de leverancier hoeft de afzonderlijke overdracht van de voorwaardelijke eigendom in het Duitse en Nederlandse recht geen obstakel te zijn, want deze kan eenvoudig plaatsvinden. Problematisch is wel dat de financier met de overdracht van de vordering en voorbehouden eigendom niet tevens de bevoegdheid verkrijgt om het eigendomsvoorbehoud uit te oefenen. De financier wordt namelijk geen partij bij de koopovereenkomst tussen de leverancier en de koper en verkrijgt niet de bevoegdheid om de koopovereenkomst te ontbinden. Hij is hiervoor afhankelijk van de medewerking van de leverancier.4
Dit probleem speelt niet slechts in het Nederlandse en Duitse recht, maar ook in het Belgische recht. Voor het Belgische recht is dit opvallend. Op grond van de functionele benadering die ten grondslag ligt aan de Pandwet zou de financier zowel bij een pandrecht als eigendomsvoorbehoud zoveel als mogelijk hetzelfde behandeld moeten worden. Hij zou dus in beide gevallen de executiebevoegdheid moeten verkrijgen. Op dit punt laat het Belgische recht echter zien dat de functionele benadering niet geheel wordt ingevoerd en voor het eigendomsvoorbehoud een aantal uitzonderingen gelden, waaronder dat het eigendomsvoorbehoud wordt uitgeoefend door middel van ontbinding en revindicatie.5 In het Amerikaanse recht speelt dit probleem niet. Op grond van de functionele benadering kan de leverancier zich niet de eigendom voorbehouden, maar dient hij een beperkt zekerheidsrecht te vestigen en te voltooien. Dit zekerheidsrecht wordt uitgeoefend door middel van executie. Deze executiebevoegdheid is verbonden aan het zekerheidsrecht en rust bij de zekerheidsnemer.6
In het Duitse recht wordt in de recente literatuur aangenomen dat het ontbindingsrecht afzonderlijk kan worden overgedragen. Op deze wijze kan de financier alsnog het recht verkrijgen om het eigendomsvoorbehoud uit te oefenen.7 In het Nederlandse en Belgische recht lijkt dit niet mogelijk, omdat volgens de heersende leer het ontbindingsrecht niet zelfstandig kan worden overgedragen. Partijen kunnen dit ondervangen door middel van een volmacht.
Het niet kunnen verkrijgen van de ontbindingsbevoegdheid kan een reden zijn voor de financier om niet te kiezen voor cessie, maar voor contractsoverneming. In het Nederlandse en Duitse recht geldt daarbij opnieuw dat de voorbehouden eigendom afzonderlijk overgedragen moet worden.8
Tot slot kent het Amerikaanse recht een bijzonder type onderpand: chattel paper. De overdracht van dit goed aan de financier leidt tot gevolgen die vergelijkbaar zijn met een cessie van de vordering in Article 9 UCC. De financier verkrijgt zowel de vordering als de daarvoor gevestigde zekerheid. Het chattel paper kan ook bezwaard worden met een zekerheidsrecht ten gunste van de financier. De financier kan zich voor het aan de leverancier verstrekte krediet zowel verhalen door inning van de koopprijsvordering van de leverancier op de koper als door het zekerheidsrecht dat strekt tot zekerheid van de koopprijsvordering uit te winnen. De financier bevindt zich dan in een rechtspositie die vergelijkbaar is met de situatie in het arrest ABN AMRO/Marellin het Nederlandse recht, mits tot zekerheid van betaling van de koopprijsvordering een pandrecht en geen eigendomsvoorbehoud is bedongen.9