HR, 11-07-2025, nr. 20/00162
ECLI:NL:HR:2025:1142
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-07-2025
- Zaaknummer
20/00162
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1142, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2019:3695
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1223
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1221
ECLI:NL:PHR:2020:1221, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑12‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1142
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025071118
FutD 2025-1412
NLF 2025/1504
Douanerechtspraak 2025/132
NLF 2021/0422
DouaneUpdate 2021-0091
FutD 2021-0316
Viditax (FutD) 2021012909
Uitspraak 11‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Proceskosten; vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn; art. 29f AWR; intrekking cassatieberoep door de Staatssecretaris van Financiën.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/00162
Datum 11 juli 2025
ARREST
op een door [X] B.V. (hierna: belanghebbende) gedaan verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure en een verzoek als bedoeld in artikel 29f, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
1. De loop van het geding in cassatie tot dusver
1.1
De Minister van Financiën, vertegenwoordigd door [P], heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 november 2019, nr. BK-19/002771., betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de accijns en in de voorraadheffing, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 31 december 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
1.3
Bij brief van 13 februari 2023 heeft de griffier van de Hoge Raad partijen bericht dat de behandeling van de zaak niet kan worden afgerond voordat het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoord heeft gegeven op de door de Hoge Raad bij arrest van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:187, gestelde prejudiciële vragen.Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 13 maart 2025, Alsen, C-137/23, ECLI:EU:C:2025:179 (hierna: het arrest Alsen), die vragen beantwoord.
1.4
Belanghebbende heeft bij brief van 28 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het arrest Alsen. Zij heeft daarbij verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
1.5
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij brief van 16 april 2025, door de Hoge Raad ontvangen op 17 april 2025, schriftelijk gereageerd op het arrest Alsen en daarbij het beroep in cassatie ingetrokken.
1.6
Bij brief van 9 mei 2025 heeft belanghebbende, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris bij afzonderlijke uitspraak – met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 Awb – te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het beroep in cassatie.
1.7
De Staatssecretaris heeft naar aanleiding van het hiervoor in 1.6 bedoelde verzoek een verweerschrift ingediend. Hij concludeert dat aan belanghebbende een vergoeding van de in cassatie gemaakte proceskosten toekomt, berekend overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht.Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.De Staatssecretaris heeft daarop schriftelijk gereageerd.
1.8
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor in 1.4 bedoelde verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure en te kennen gegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
2.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade. De Hoge Raad zal beoordelen – in zoverre naar analogie van artikel 29f, lid 1, AWR – of belanghebbende voor het toekennen van zo’n vergoeding in aanmerking komt.
2.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 17 januari 2020. De periode van de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie is ten einde gekomen toen belanghebbende ervan in kennis is gesteld dat de Staatsecretaris het beroep in cassatie heeft ingetrokken.3.
2.3
Bij de beoordeling van de vraag of en zo ja, hoe lang de redelijke termijn in de cassatieprocedure is overschreden, blijft buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie. Dit geldt zowel voor zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld als voor zaken die zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, indien het afwachten van die beslissing redelijk is.4.
2.4.1
In deze zaak hield het afwachten van de hiervoor in 1.3 bedoelde prejudiciële beslissing verband met de beoordeling van het voorgestelde cassatiemiddel. De tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van die prejudiciële beslissing (25 maanden) moet daarom buiten beschouwing blijven bij de beoordeling of en zo ja, in hoeverre, de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden. Dit betekent dat de redelijke termijn wat de cassatieprocedure betreft met meer dan 12 maanden, maar niet meer dan 18 maanden, is overschreden.
2.4.2
Wat betreft de naheffingsaanslagen en de beschikking inzake belastingrente komt belanghebbende daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.
2.4.3
Aangezien uit het beroepschrift in cassatie niet het tegendeel blijkt, moet het cassatieberoep van de Minister op grond van artikel 24a, lid 2, AWR, in samenhang gelezen met artikel 28, lid 6, AWR, worden geacht mede te zijn gericht geweest tegen de beslissing van het Hof om de boetebeschikking te vernietigen.Vanwege de omstandigheid dat die vernietiging door de intrekking van het beroep in cassatie in stand blijft, geldt wat betreft die boetebeschikking dat compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet kan worden verleend door vermindering van die boete. Aangezien de boete meer dan € 1.000 bedroeg en belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, kan compensatie voor deze verdragsschending worden verleend in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de naheffingsaanslagen en de beschikking inzake belastingrente, dus van € 1.500.5.
3. Beoordeling van het verzoek om veroordeling in de proceskosten
3.1
De Hoge Raad ziet, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, aanleiding voor vergoeding van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken.
3.2
Bij de berekening van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure gaat de Hoge Raad van het volgende uit:(i) twee proceshandelingen (verweerschrift in cassatie en schriftelijke reactie op het arrest Alsen) en daarmee 4 punten,(ii) gelet op de omstandigheid dat de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd, factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak in cassatie, en(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (€ 907).Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 5.442.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, in totaal vastgesteld op € 3.000, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 5.442 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2020:1221, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2020:1223.
Vgl. HR 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128, rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3.
Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.7.1.
Vgl. HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216, en HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.3.1.
Conclusie 31‑12‑2020
Inhoudsindicatie
A-G Ettema heeft conclusie genomen in vijf accijnszaken, waaronder deze. Alle zaken spelen tegen de achtergrond dat van de belanghebbenden accijns is nageheven omdat bij hen partijen minerale olie zijn aangetroffen op hun schip. In een gemeenschappelijke bijlage onderzoekt zij hoe in het kader van artikel 2(1) b van de Wet op de accijns (WA) de bewijslast tussen partijen moet worden verdeeld en welke rol herkomstbescheiden daarbij spelen. In het bijzonder spelen in deze zaak de vragen of de inspecteur onderzoek had moeten verrichten naar de door belanghebbende overgelegde bunkerbonnen respectievelijk dat dat niet nodig was omdat de aangetroffen olie niet de voorgeschreven minimale hoeveelheid herkenningsmiddel bevat. Daarnaast speelt de vraag of de Inspecteur heeft gesteld dat voorafgaand aan het tijdstip dat de belanghebbende de gasolie voorhanden kreeg al een belastbaar feit is ontstaan en over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. A-G Ettema komt tot de slotsom dat het Hof de bewijslast juist heeft verdeeld. Het middel faalt ook voor het overige, omdat de Inspecteur niet heeft gesteld dat eerder een belastbaar feit is ontstaan en over het goed geen accijns is geheven.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/00162
Datum 31 december 2020
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Accijns / 1 mei 2015 – 31 mei 2015
Nr. Gerechtshof BK-19/00277
Nr. Rechtbank SGR 18/5971
CONCLUSIE
C.M. Ettema
in de zaak van
de staatssecretaris van Financiën
tegen
[X] B.V.
1. Overzicht
Vooraf
1.1
Van belanghebbende is accijns nageheven omdat partijen fiscaal gemerkte gasolie zijn aangetroffen in zogeheten bunkertanks van zijn schip. Belanghebbende gebruikt de olie voor de aandrijving van zijn schip. De minerale olie is hem geleverd met toepassing van de bunkervrijstelling van artikel 66(1) Wet op de accijns (WA).1.Van recente leveringen van gasolie heeft belanghebbende facturen getoond. Naar aanleiding van een douanecontrole heeft de Inspecteur vastgesteld dat alleen de olie die is aangetroffen in de bunkertank aan de voorzijde van het schip het voorgeschreven gehalte van het herkenningsmiddel bevat. De naheffingsaanslag is aan belanghebbende opgelegd op de grond dat hij de minerale olie in de andere bunkertanks voorhanden heeft gehad als bedoeld artikel 2(1)aanhef en b WA. Die bepaling verstaat onder uitslag tot verbruik het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.
1.2
In de gemeenschappelijke bijlage bij deze zaak en vier andere zaken onderzoek ik hoe in het kader van artikel 2(1) b WA de bewijslast tussen partijen moet worden verdeeld en welke rol herkomstbescheiden daarbij spelen. In deze conclusie beperk ik mij tot de bijzonderheden van deze specifieke zaak.
De feiten en het procesverloop (voor zover relevant in cassatie)
1.3
Op 30 mei 2015 heeft aan boord van de tanklichter “[A]” een douanecontrole plaatsgevonden. De controleurs hebben vastgesteld dat 37.010 liter gasolie aanwezig was in de vier bunkertanks van het schip. Uit de bunkertanks genomen monsters hebben zij voor onderzoek naar het Douanelaboratorium gestuurd. Uit dezelfde tanks zijn ook contra- monsters genomen, die verzegeld aan boord zijn achtergelaten. Tijdens de controle heeft de schipper aan de controleurs een bunkerbon overhandigd die vermeldt dat het schip op 15 mei 2015 4.545 liter gasolie bij een bunkerstation heeft gebunkerd.
1.4
Bij brieven van 24 juni 2015 heeft het Douanelaboratorium bekendgemaakt dat alle monsters een rode kleur hebben en dat de bunkertank aan de voorzijde van het schip het voorgeschreven gehalte van het herkenningsmiddel Solvent Yellow bevat en dat het zwavelgehalte niet hoger is dan het toegestane gehalte. De monsters van de tanks aan bak- en stuurboordzijde van het achterschip bevatten niet in voldoende mate het voorgeschreven gehalte Solvent Yellow en een te hoog zwavelgehalte.2.De gemeten gehaltes zijn Solvent Yellow 4,4, 4,5 en 4,9 gram per 1000 liter en zwavel 16, 15 en 13 milligram per kilogram.
1.5
Naar aanleiding van het onderzoek van het Douanelaboratorium heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht de herkomstbescheiden van de aangetroffen gasolie over te leggen. Belanghebbende heeft bunkerbonnen overgelegd van januari tot en met mei 2015 afkomstig van drie verschillende bunkerstations. Op alle tankbonnen wordt de geleverde gasolie omschreven als “Diesel ULS 2011 (excl. Accijns)” dan wel “EN590”.
1.6
De Inspecteur heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat belanghebbende de herkomst van de in de bunkertanks aan bak- en stuurboordzijde van het achterschip aanwezige gasolie niet heeft aangetoond. Hij stelt dat sprake is van het voorhanden hebben buiten een accijnsschorsingsregeling van een hoeveelheid onveraccijnsde gasolie van 35.210 liter en heeft in verband daarmee aan belanghebbende, de eigenaar van het schip, over het tijdvak 1 mei tot en met 31 mei 2015 een naheffingsaanslag van € 16.973 aan accijns van minerale oliën en € 281 voorraadheffing opgelegd3.en bij beschikkingen een verzuimboete van € 1.725 opgelegd en € 53 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.7
De rechtbank Den Haag4.(de Rechtbank)oordeelt dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden die ingevolge artikel 66 WA worden gesteld. Belanghebbende heeft niet de herkomst van de aangetroffen olie aangetoond en evenmin dat reeds accijns is geheven. Dat belanghebbende mogelijk niet wist dat de aanwezige gasolie niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing was betrokken, leidt de Rechtbank niet tot een ander oordeel.
1.8
Het gerechtshof Den Haag5.(het Hof) heeft belanghebbende in het gelijk gesteld. Het Hof stelt voorop dat het ter beoordeling van het voorhanden hebben als bedoeld in de WA in dit geval van belang is of met betrekking tot de olie die bij belanghebbende is aangetroffen al een belastbaar feit is ontstaan en de olie niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing is betrokken en dat die een situatie afhankelijk is van het handelen van andere personen dan belanghebbende. Omdat de Inspecteur geen onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de olie en niet heeft gesteld dat de olie niet overeenkomstig de WA in de heffing is betrokken, moet naar het oordeel van het Hof ervan worden uitgegaan dat de olie wel in de heffing is betrokken op het moment dat belanghebbende de olie voorhanden kreeg. Het Hof vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, de uitspraak van de Rechtbank, de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking belastingrente.
Het geding in cassatie
1.9
De Staatssecretaris stelt het volgende middel voor:
“Schending van het recht, met name van artikel la, derde lid en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns (hierna: Wet) in samenhang met artikelen 19, 20 en 34, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns en artikel 13, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling accijns en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de herkomst van de gecontroleerde olie niet heeft onderzocht en niet heeft gesteld dat de olie niet overeenkomstig de Wet in de heffing is betrokken, de grond onder de opgelegde naheffingsaanslag komt te ontvallen, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen. Met betrekking tot de bewijslastverdeling heeft het Hof -met dit oordeel- een verkeerde maatstaf toegepast.”
Mocht het Hof de bewijslast wel juist hebben verdeeld, dan volgt uit de toelichting op het middel dat ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur niet heeft gesteld dat de olie niet overeenkomstig de WA in de heffing is betrokken, niet voldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is.
1.10
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.11
De Staatssecretaris heeft afgezien van het indienen van een conclusie van repliek.
2. Beoordeling van het middel
2.1
Op de gronden als vermeld in de gemeenschappelijke bijlage concludeer ik dat ‘s Hof oordeel uitgaat van een juiste rechtsopvatting omtrent de verdeling van de bewijslast. Het middel faalt in zoverre.
2.2
Het middel faalt ook voor het overige. Uit de stukken blijkt niet dat de Inspecteur heeft gesteld dat voorafgaand aan het tijdstip dat de belanghebbende de gasolie voorhanden kreeg al een belastbaar feit is ontstaan en over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Dat volgt ook niet uit de passage die de Staatssecretaris citeert in de motivering van het beroepschrift in cassatie.
2.3
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren met verwijzing naar artikel 81(1) RO.
2.4
Mocht de Hoge Raad anders oordelen, dan rijst nog de vraag of voor toepassing van artikel 51(1)b WA is vereist dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de goederen voorhanden worden gehouden buiten een accijnsschorsingsregeling zonder dat de verschuldigde accijns is geheven. Ik verwijs voor dit aspect naar onderdeel 1.3 van de gemeenschappelijke bijlage.
3. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑12‑2020
De in deze conclusie genoemde wetteksten zijn geldend in 2015, tenzij anders vermeld.
Als herkenningsmiddel wordt, blijkens artikel 13(2) Uitvoeringsregeling accijns, aan gasolie toegevoegd per 1.000 liter, ten minste 6 gram en niet meer dan 9 gram Solvent Yellow.
Voor een hoeveelheid van 35.210 liter gasolie.
Rechtbank Den Haag 2 april 2019, nr. SGR 18/5971 (ECLI:NL:RBDHA:2019:2986).
Hof Den Haag 29 november 2019, nr. BK-19/00277, ECLI:NL:GHDHA:2019:3695, NLF 2020/0494 m.nt. Hollebeek.