Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.3.3.3
6.3.3.3 De executoriale titel
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS584056:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Oudelaar 2003, p. 6.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4889, JOR 2013/126 m.nt. A. Steneker,NJ 2013/123 (Rabobank/Donselaar), r.o. 3.7.
In deze zin over de executoriale kracht van de notariële akte: Nauta 1937, p. 277-278 en Jongbloed 2017, p. 7. In andere zin: De Bruijn/Kraan 2012, p. 33.
Voor de totstandkoming van pand en hypotheek is wilsovereenstemming vereist. De wet kent vervolgens de bevoegdheid tot parate executie toe. Vgl. hierover Van der Kwaak 1990, p. 40-44.
Zie voor een uitgebreidere lijst van executoriale titels Jongbloed 2016, p. 3 en Stein & Westenberg 2016.
Steneker 2013, p. 444.
Jongbloed 2009, p. 611, Groeneveld-Tijssens 2015b, p. 214, Asser Procesrecht/ Van Schaick 2 2016/64, Krzemi/ski 2016, p. 5, Jongbloed 2017, p. 1-2, annotatie Jongbloed onder HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1061, AA 2017, p. 825, Klaassen, Meijer & Snijders 2017/41, Jongbloed 2018, p. 305 en 323, Hugenholtz/Heemskerk & Teuben 2018/242.
In deze zin ook: Molengraaff 1905, p. 225-226 en Molengraaff 1914, p. 208 voetnoot 1.
HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3299, NJ 2016/425 m.nt. Th.M. de Boer en A.I.M. van Mierlo, JOR 2016/24, m.nt. A. Steneker (Promneftstroy/ Yukos), r.o. 3.5.6 en 3.5.7 (laatste regel).
Vgl. HR 26 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0646, NJ 1993/449 m.nt. H.J. Snijders (Rabobank/Visser) en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4889,NJ 2013/123 m.nt. H.J. Snijders, JOR 2013/126 m.nt. A. Stekener (Rabobank/ Donselaar).
Vgl. Hof Amsterdam 16 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9062.
Van der Feltz II, p. 187-188.
Het gehomologeerde akkoord levert wel een executoriale titel op, maar doet de vorderingen niet bindend jegens de schuldenaar vaststaan, zie HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4483, NJ 2005/362 m.nt. P. van Schilfgaarde (UPC/Movieco), r.o. 3.5.
Zie over die onzekerheid Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/64.
Zie over de veroordeling om te dulden (op basis van art. 3:296 lid 1) in plaats van de vordering tot een negatieve verklaring voor recht (op basis van art. 3:302 BW): Groeneveld-Tijssens 2015a/60. Groeneveld-Tijssens brengt de veroordeling om te dulden in verband met art. 3:296 lid 1 BW, waarin is bepaald dat men kan worden veroordeeld om na te laten. Daarmee lijkt zij aan te nemen dat ‘dulden’ hetzelfde is als ‘nalaten’.
Zie over dit arrest par. 6.4.4.
Annotatie van A.I.M. van Mierlo, nr. 7 in NJ 2016/425 onder HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3299.
In het preadvies voor de Broederschap der Notarissen uit 1937 merkt Grosheide naar aanleiding van een enquÊte, die hij hield onder notarissen, op p. 231-232 op, dat: “blijkbaar executie van grossen van notarieele acten in de practijk slechts betrekkelijk weinig voorkomt.” Zie Grosheide 1937, p. 231- 232. Ik beschik niet over data om deze uitspraak in de huidige tijd te kunnen toetsen.
Vgl. Oudelaar 2003, p. 10 en Stein & Westenberg 2016 met verwijzingen naar rechtspraak.
Vgl. Jongbloed 2009, p. 615.
Mijnssen & Van Mierlo 2018/1.10.
Het hebben van een retentierecht veronderstelt overigens, dat de schuldeiser een vordering op zijn schuldenaar heeft; zie par. 3.3.4, maar de uitsplitsing maakt inzichtelijk dat in ieder geval de vordering waarvoor de retentor beslag legt ook uit de executoriale titel moet blijken.
Zie verder par. 6.2.3.
Zie verder par. 6.3.3.2 over art. 435 lid 2 en 3 Rv.
Zie bijvoorbeeld HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2749, NJ 1999/ 130, r.o. 3.2. Het dwangbevel van de fiscus tegen de man, kon worden gebruikt als executoriale titel voor verhaal op de huwelijksgoederengemeenschap.
279. De executoriale titel bepaalt en begrenst het recht van de schuldeiser en diens bevoegdheden om zijn recht met behulp van executoriaal beslag te verwerkelijken. Bij beslag op goederen van de schuldenaar zelf, spreekt het voor zich dat de schuldeiser een titel tegen zijn schuldenaar moet verkrijgen. Bij beslag op het goed van een derde, is dit minder evident. De beoogd beslagene is nu juist niet de schuldenaar, maar de verhaalsaansprakelijke derde. Dit uiteenlopen van schuld en verhaalsaansprakelijkheid roept de vraag op, wat de inhoud van de executoriale titel moet zijn om te kunnen dienen als basis voor verhaal op het goed van de derde.
Ratio
280. Een executoriale titel dient ter effectuering van een recht van een schuldeiser, zonder medewerking van de schuldenaar. Het woord ‘titel’ duidt in dit verband op een schriftelijk stuk dat dient tot bewijs van het in de titel neergelegde. De wetgever heeft volgens Oudelaar alleen die schriftelijke stukken als executoriale titel willen bestempelen, die voldoende zekerheid geven dat het daarin vervatte recht daadwerkelijk bestaat.1 Het gaat bij de executie tegen de wil van de geëxecuteerde om bevoegdheden van de deurwaarder met een “verstrekkend en ingrijpend karakter”, zoals de Hoge Raad het in het arrest Rabobank/Donselaar verwoordt.2 Bij de tenuitvoerlegging van de executoriale titel kan de schuldeiser zo nodig de dwangmiddelen gebruiken die de overheid ter beschikking heeft.
Bij iedere executoriale titel is een bepaalde instantie betrokken die uit kracht van de wet bevoegd is de authenticiteit van de inhoud van de akte vast te stellen. De betrokkenheid van deze bij de wet aangewezen derde geeft de zekerheid van het bestaan van het recht en legitimeert het dwingende karakter van de executoriale titel.3 Zonder betrokkenheid van de bevoegde derde, kunnen twee partijen niet afspreken dat een tussen hen geldende afspraak, neergelegd in een onderhandse akte, een executoriale titel vormt.4 De totstandkoming van een executoriale titel vereist bovendien steeds (een zekere vorm van) betrokkenheid van beide (voor de executie relevante) partijen.
Soorten executoriale titels
281. In art. 430 Rv is neergelegd welke akten als executoriale titel ten uitvoer kunnen worden gelegd. Volgens art. 430 Rv kunnen de grossen van vonnissen, van beschikkingen van de Nederlandse rechter, van authentieke akten en van andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken, als executoriale titel gelden. Een paar voorbeelden van ‘andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken’ die dit kunnen illustreren zijn: een proces-verbaal van een verificatievergadering (art. 196 Fw), een dwangbevel van de fiscus (art. 12 jo. art. 14Iw), een proces-verbaal van een schikking (art. 30m Rv, art. 87 lid 3 Rv) en een arbitraal vonnis waarvoor verlof tot tenuitvoerlegging is verleend (art. 1062 Rv).5
282. De voor het onderwerp van executoriaal verhaalsbeslag meest voorkomende categorie executoriale titels zijn de grossen van vonnissen.6 In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat alleen veroordelende (ook wel: condemnatoire) vonnissen kunnen dienen als een executoriale titel.7 De reden die wordt gegeven is dat in declaratoire of constitutieve uitspraken geen sprake is van een veroordeling tot het verrichten van een prestatie, zodat zo een uitspraak zich niet leent voor tenuitvoerlegging. In mijn ogen is bijstelling van deze zienswijze verdedigbaar. Niet alleen veroordelende, maar ook declaratoire vonnissen kunnen – onder omstandigheden – vatbaar zijn voor executie. Het gaat erom dat uit het vonnis voldoende duidelijk een aanspraak van de schuldeiser blijkt.8 Ten eerste oordeelde de Hoge Raad expliciet dat een verklaring voor recht ook een executoriale titel kan opleveren.9 Bovendien is bij verschillende andere soorten executoriale titels ook geen sprake van een veroordeling van een partij, maar alleen van een gezaghebbende vaststelling. Het niet-condemnatoire karakter staat bijvoorbeeld bij een hypotheekakte die wordt gebruikt voor beslagexecutie door de (voormalig) hypotheekhouder niet aan de kwalificatie als executoriale titel in de weg.10 Hetzelfde geldt voor een notariële akte van schulderkenning; ook deze kan dienen als executoriale titel.11 Hetzelfde geldt voor een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de homologatie van een surseanceakkoord: dit levert ingevolge art. 274 Fw – samen met een uittreksel van het proces-verbaal van de verificatievergadering – een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel op jegens de schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.12 Ook het gehomologeerde surseanceakkoord heeft geen veroordelend karakter.13 Gelet op het gebrek aan veroordelend karakter van veel andere gebruikelijke executoriale titels, zie ik niet in waarom het (zuiver) declaratoire karakter er bij een vonnis (of beschikking) wel aan in de weg zou moeten staan aan dat de uitspraak een executoriale titel oplevert. Het ligt evenmin voor de hand om vonnissen anders te behandelen dan andersoortige schriftelijke stukken die de wet aanmerkt als executoriale titel. Uit art. 430 Rv is bovendien niet af te leiden dat alleen veroordelende vonnissen een executoriale titel kunnen opleveren. Deze ruime benadering van executoriale titels biedt mogelijkheden om bijvoorbeeld een notariële akte van schulderkenning of een vonnis waarin het retentierecht (en de derdenwerking) wordt vastgesteld (ook zonder een veroordeling van de schuldenaar tot betaling in te houden) te gebruiken als executoriale titel voor verhaal op de goederen van de derde.
Maar ook als men – met de heersende leer – het declaratoire vonnis per definitie ongeschikt acht voor tenuitvoerlegging, kan er met het oog op het verhaal op goederen van derden een mouw aan de in te stellen vordering worden gepast. Bij verhaal op het goed van een derde, gaat het erom dat de derde moet dulden dat zijn goed wordt uitgewonnen voor de schuld van een ander. Wil een partij de onzekerheid die kleeft aan een verklaring voor recht omzeilen,14 dan kan zij haar vordering zo inkleden, dat de derde wordt veroordeeld om verhaal op zijn zaak door de retentor te dulden.15 Het gegeven dat in zijn algemeenheid alleen veroordelende vonnissen geschikt worden geacht voor tenuitvoerlegging, is de reden dat Van Mierlo in zijn noot onder het Yukos-arrest uit 201516 schrijft dat het petitum zo moet worden ingericht dat niet alleen een verklaring voor recht wordt gevorderd, maar ook een veroordeling van de gedaagde om de executie te dulden.17 Het enkele hierop aanpassen van het petitum is misschien niet ‘teveel gevraagd’ voor de retentor.
In paragraaf 6.3.3.4 ga ik uitsluitend in op het vonnis als executoriale titel. Ik neem aan dat executie in de meeste gevallen met behulp van een (veroordelend) vonnis zal geschieden.18 Hetgeen ik in het vervolg schrijf over het vonnis geldt mijns inziens ook voor andere titels. Anders dan bij een vonnis dat men via de rechter verkrijgt, is de eventuele betrokkenheid van de derde bij de verschillende andere soorten titels wel minder vastomlijnd. Waar Rechtsvordering verschillende mogelijkheden kent om een derde in het proces te betrekken, zijn er (uiteraard) geen duidelijke regels voor het betrekken van een derde bij een notariële schulderkenning. Indien nodig, kan hiervoor mijns inziens wel aansluiting worden gevonden bij de verschillende voorzieningen in Rechtsvordering.
Eisen aan de executoriale titel
283. In algemene zin geldt dat een executoriale titel ‘voldoende bepaald’ moet zijn, om voor tenuitvoerlegging geschikt te zijn. In het arrest Rabobank/Donselaar oordeelt de Hoge Raad dat de vordering van de beslaglegger met voldoende bepaaldheid in de titel moet zijn omschreven. Ik zou denken dat deze eis van voldoende bepaaldheid niet alleen geldt voor de vordering van de beslaglegger, maar ook voor de overige onderdelen van de executoriale titel.19 De eis van voldoende bepaaldheid is in de eerste plaats een waarborg voor de beslagene. De ingrijpende gevolgen van een executoriaal beslag zijn alleen gerechtvaardigd, wanneer deze daadwerkelijk zijn vastgesteld door een derde die daartoe aan de wet de bevoegdheid ontleent en ze voldoende duidelijk uit de titel blijken. In de tweede plaats zorgt het feit dat een executoriale titel ‘voldoende bepaald’ moet zijn ervoor dat een deurwaarder, die het beslag feitelijk legt, voldoende geïnstrueerd is.20 Voor het beslag dat een retentor legt op de zaak van een derde brengt de eis van voldoende bepaaldheid naar mijn mening het volgende mee. Om geschikt te zijn als executoriale titel voor beslag op het goed van een derde is vereist dat twee elementen uit de titel blijken:21
De vordering van de retentor; en
het verhaalsrecht van de retentor.
284. Ad a) Het is vanzelfsprekend dat de vordering van de beslaglegger uit de executoriale titel moet blijken.22 De vordering moet op het moment van beslaglegging opeisbaar zijn en niet gebonden aan een opschortende voorwaarde.2324
285. Ad b) In het geval van beslag door de retentor op de zaak van een derde, heeft het verhaalsrecht niet betrekking op de schuldenaar, maar op de derde.25 De derdenwerking van het retentierecht biedt de schuldeiser de materieelrechtelijke basis voor verhaal op het goed van de derde. Het retentierecht en de derdenwerking ervan zijn in mijn ogen beide een onmisbaar onderdeel van de executiebevoegdheid jegens de derde en moeten daarom als zodanig uit de executoriale titel blijken. Dat is ook waar art. 435 lid 3 Rv van uit gaat, wanneer de retentor (aanvankelijk) niet wist dat de teruggehouden zaak van een ander was: hij heeft dan in eerste instantie een ‘gewone’ titel tegen zijn schuldenaar verkregen. Wanneer de derde zich bij de deurwaarder verzet is ook een executoriale titel tegen de derde vereist.26 In het normale geval van beslag op de zaak van de schuldenaar zelf, blijkt uit de wet (art. 3:276 BW) al dat de schuldeiser zich op alle goederen van zijn schuldenaar mag verhalen. Vanwege deze ruimst mogelijke omschrijving van het verhaalsobject in art. 3:276 BW, is een nadere bepaling van de verhaalbaarheid op de goederen van de schuldenaar niet vereist. Iets vergelijkbaars is te zien bij het bodembeslag van de fiscus op grond van art. 22 lid 3 Iw: daarvoor volstaat een dwangbevel (= executoriale titel) tegen de schuldenaar. Dat komt doordat de wet zélf de fiscus het recht toekent om zich te verhalen op alle bodemzaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, ongeacht van wie deze zijn. Ook het huwelijksvermogensrecht bevat als gezegd een derdenverhaalsrecht. Wanneer vaststaat dat een schuldenaar in gemeenschap van goederen getrouwd is, kan de privéschuldeiser zich krachtens art. 1:96 BW ook verhalen op de huwelijksgemeenschap. Het verhaalsrecht op goederen van derden is in deze gevallen al wettelijk vastgelegd. Omdat (de omvang van) het verhaalsrecht volgt uit de wet, hoeft dit niet expliciet uit de titel te blijken.27 Het verhaalsrecht op goederen van derden van de retentor bestaat daarentegen alleen, wanneer het retentierecht ten eerste bestaat, en ten tweede derdenwerking heeft. Daarom is het nodig dat uit de executoriale titel dit bijzondere verhaalsrecht blijkt dat bestaat uit deze twee samenstellende onderdelen. Een vergelijkbare omschrijving van de specifieke bepaaldheid van de verhaalsbevoegdheid van de beslaglegger zien we bij executoriaal beslag tot afgifte of levering: de titel moet dan ingevolge art. 491 lid 2 Rv bepalen aan wie de afgifte moet plaatsvinden. De deurwaarder neemt de bedoelde zaak in beslag en geeft deze aan de bedoelde persoon af. Uit de titel zelf blijkt het recht en de beoogde ontvanger. Bij het beslag op het goed van een derde, zal ook het specifieke recht dat de verhaalsbevoegdheid toestaat, moeten blijken.