HR (Parket), 08-11-2011, nr. 11/01356
ECLI:NL:PHR:2012:BU4000
- Instantie
Hoge Raad (Parket)
- Datum
08-11-2011
- Zaaknummer
11/01356
- Conclusie
Mr. Vellinga
- LJN
BU4000
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BU4000, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑11‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU4000
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO1553
Conclusie 08‑11‑2011
Mr. Vellinga
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof te 's‑Gravenhage heeft — behoudens ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan — bij arrest van 25 oktober 2010, onder aanvulling van gronden ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1], bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Dordrecht — voor zover aan zijn oordeel onderworpen — waarbij verdachte wegens ‘1. Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ is veroordeeld, het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en de motivering daarvan vernietigd en verdachte de straf opgelegd van vijf jaren en negen maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 7.157,85 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Voor het toegewezen bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/01356, 11/01054 en 11/01358. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3.
Namens verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4.
Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
5.
Deze conclusie strekt ertoe dat verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG