HR, 04-10-2013, nr. 12/03751
ECLI:NL:HR:2013:846
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-10-2013
- Zaaknummer
12/03751
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:846, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 04‑10‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:27, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:27, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 31‑05‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:846, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑10‑2013
Inhoudsindicatie
Onteigeningsrecht. Onteigening mede ten behoeve van winning bodembestanddelen (Titel IIC Ow). Art. 40c Ow. Eliminatieregel. Waardebepaling volgens vergelijkingsmethode en residuele methode. HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ6968, NJ 2005/151, en HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5349. Kan bij residuele methode worden aangesloten bij exploitatiebegroting van andere, met het werk vergelijkbare projecten?
Partij(en)
4 oktober 2013
Eerste Kamer
12/03751
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Infrastructuur en Milieu),
zetelende te ’s-Gravenhage,
EISER tot cassatie,
advocaten: mr. M.W. Scheltema enmr. R.T. Wiegerink,
t e g e n
ROOMS KATHOLIEKE KERK VAN DEN HEILIGEN VITUS OF DE KERKFABRIEK BERGEN WELL,gevestigd te Well, gemeente Bergen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en de Kerk.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak 98690/HA ZA 10-56 van de rechtbank Roermond van 28 april 2010 en 23 mei 2012
De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van 23 mei 2012 van de rechtbank heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de Kerk is verstek verleend.
De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaten.
De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal J.C. van Oven strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaten van de Staat hebben bij brief van 14 juni 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij Koninklijk Besluit van 29 september 2009, nr. 09.002766 (Stcrt. van 27 oktober 2009, nr. 16302) zijn twee perceelsgedeelten in de gemeente Bergen ter onteigening aangewezen. De perceelsgedeelten waren eigendom van de Kerk.
(ii) De onteigening geschiedde ten behoeve van de aanleg van de Hoogwatergeul Well-Aijen op de rechteroever van de Maas. Omdat het werk Hoogwatergeul Well-Aijen naast de aanleg van een hoogwatergeul bestaat uit de winning van vrijkomende delfstoffen (zand en grind), vond de onteigening plaats op basis van zowel titel IIa (onteigening ten behoeve van – onder andere – verbetering of verruiming van rivieren) als titel IIc (onteigening in het belang van de winning van oppervlaktedelfstoffen) van de Onteigeningswet.
(iii) De onteigende perceelsgedeelten waren onbebouwd en in gebruik als landbouwgrond (grasland en landbouwgrond).
3.2.1
In haar tussenvonnis heeft de rechtbank ten name van de Staat en ten algemenen nutte de vervroegde onteigening van de perceelsgedeelten uitgesproken. Het vonnis van vervroegde onteigening is op 4 juni 2010 ingeschreven in de openbare registers.
3.2.2
In haar eindvonnis heeft de rechtbank de door de Staat aan de Kerk verschuldigde schadeloosstelling, conform het advies van de deskundigen, vastgesteld op € 166.650,--.
3.3.1
Onderdeel 1.2 van het middel betoogt dat voor zover de rechtbank in rov. 2.14 en 2.16, in navolging van de deskundigen, ten behoeve van de waardebepaling van het onteigende de residuele methode heeft gehanteerd, zij heeft miskend dat deze methode uitsluitend kan worden toegepast op basis van de (te verwachten) exploitatiegegevens van het project waarvoor wordt onteigend, en zich niet leent voor toepassing op basis van gegevens van een ander project.
3.3.2
De onderhavige onteigening heeft betrekking op gronden waarin zich bodembestanddelen bevinden die zullen worden gewonnen bij de uitvoering van het werk waarvoor wordt onteigend. Weliswaar schrijft de eliminatieregel van art. 40c Ow voor dat bij het bepalen van de schadeloosstelling wegens verlies van een onroerende zaak geen rekening wordt gehouden met voordelen of nadelen, teweeggebracht door – onder meer – het werk waarvoor onteigend wordt, maar deze regel staat niet eraan in de weg dat bij de vaststelling van de waarde van het onteigende aan de aanwezigheid van de hiervoor bedoelde bodembestanddelen ten gunste van de onteigende meerwaarde wordt toegekend (vgl. HR 2 december 1959, NJ 1960/99). Dit uitgangspunt wordt in cassatie terecht niet bestreden.
3.3.3
Bij het bepalen van de waarde van het onteigende is de onteigeningsrechter vrij die methode van waardering te kiezen die naar zijn oordeel voor de waardevaststelling het meest geschikt is (vgl. HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ6968, NJ 2005/151, en HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5349). Het stond de rechtbank derhalve vrij om, in navolging van de deskundigen, de waarde van de bodembestanddelen te bepalen met behulp van een combinatie van de vergelijkingsmethode – dat wil zeggen: een berekening door vergelijking met andere (vergelijkbare) grondverwervingstransacties – en de residuele methode – dat wil zeggen: een berekening op basis van de winningsexploitatie van het onderhavige project. Een en ander wordt in cassatie evenmin bestreden.
3.3.4
Bij toepassing van de residuele methode staat het de onteigeningsrechter vrij om aansluiting te zoeken bij de exploitatiebegroting die de onteigenaar voor de winning van de bodembestanddelen heeft opgesteld. Ontbreekt een dergelijke exploitatiebegroting voor het werk waarvoor wordt onteigend – zoals hier het geval is – dan staat niets eraan in de weg dat gebruik wordt gemaakt van exploitatiegegevens van met het werk vergelijkbare projecten. Voor zover de deskundigen en de rechtbank toepassing hebben gegeven aan de residuele methode, mochten zij dan ook gebruik maken van de exploitatiegegevens met betrekking tot een volgens hen vergelijkbaar project, het project Bosscherveld. Hierop stuiten de klachten van onderdeel 1.2 af.
3.4
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Kerk begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, M.A. Loth, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 4 oktober 2013.
Conclusie 31‑05‑2013
Inhoudsindicatie
Onteigeningsrecht. Onteigening mede ten behoeve van winning bodembestanddelen (Titel IIC Ow). Art. 40c Ow. Eliminatieregel. Waardebepaling volgens vergelijkingsmethode en residuele methode. HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ6968, NJ 2005/151, en HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5349. Kan bij residuele methode worden aangesloten bij exploitatiebegroting van andere, met het werk vergelijkbare projecten?
Partij(en)
12/03751
mr. J.C. van Oven
Zitting 31 mei 2013
CONCLUSIE inzake:
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu)
eiser in cassatie
(mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink)
tegen
Rooms Katholieke Kerk van den Heiligen Vitus of de Kerkfabriek Bergen Well
gedaagde in cassatie
niet verschenen
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis waarin na vervroegde onteigening van grond in de gemeente Bergen (Limburg) de schadeloosstelling is vastgesteld. In geschil is nog de “werkelijke waarde” van het onteigende. De zaak verschilt voor zover in cassatie relevant niet met de bij Uw Raad aanhangige zaken met nrs 12/03746 (Staat/[A], waarin mr. Duijsens verweer voert) en 12/03754 (Staat/[…] c.s., waarin mr. Sluysmans verweer voert). Een enigszins samenhangende zaak is voorts de bij Uw Raad aanhangige zaak 12/03796 ([A]/Staat, gericht tegen hetzelfde vonnis als het cassatieberoep van de Staat nr 12/03746). Het gaat steeds om onteigeningsprocedures ten behoeve van hetzelfde project. In alle zaken heeft de rechtbank Roermond de waarde van de onteigende grond vastgesteld op de agrarische waarde met een toeslag van € 5,50 per m2 wegens bij het werk waarvoor onteigend wordt winbare bodembestanddelen (zand en grind). De Staat meent dat de rechtbank bij de vaststelling van de toeslag de residuele methode ten onrechte, althans verkeerd, heeft toegepast. De Staat voert voorts klachten aan met betrekking tot de toegepaste indexatie met behulp van het algemeen prijspeil en het passeren van stellingen van de Staat met betrekking tot verschillen tussen het onderhavige project en een volgens de deskundigen vergelijkbaar project.
1. Pocesverloop
1.1
Bij vonnis van 28 april 2010 heeft de rechtbank Roermond ten name van de Staat en ten algemenen nutte de vervroegde onteigening uitgesproken van:
- een gedeelte ter grootte van 00.12.40 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen (L), sectie S nummer [001], groot 00.67.70 ha;
- het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen (L), sectie S nummer [002], groot 01.54.25ha.
De onteigening vond plaats op de voet van art. 72a en 72c Ow en is geschied ten behoeve van de aanleg van de Hoogwatergeul Well-Aijen op de rechteroever van de Maas tussen de kernen van Well en Aijen, vanaf het punt ongeveer 500 meter ten zuiden van de invaart naar de plas ’t Leuken (Maaskilometer 134.575) tot de Aijense Beek (Maaskilometer 138.180), met bijkomende werken, in de gemeente Bergen (L), ten algemenen nutte en ten name van de Staat (Ministerie van Verkeer en Waterstaat).
1.2
Het vonnis van vervroegde onteigening is op 4 juni 2010 ingeschreven in de openbare registers.
1.3
De onteigening heeft plaatsgevonden op basis van zowel titel IIa (onteigening ten behoeve van – onder andere – verbetering of verruiming van rivieren) als titel IIc (onteigening in het belang van de winning van oppervlaktedelfstoffen) van de Onteigeningswet. Het werk, Hoogwatergeul Well-Aijen, bestaat naast aanleg van een hoogwatergeul uit de winning van vrijkomende delfstoffen (zand en grind). De onteigende gronden waren op de peildatum onbebouwd en in gebruik als landbouwgrond (grasland en landbouwgrond).
1.4
Het advies van de reeds eerder door de rechtbank bij beschikkingen van 6 en 20 januari 2010 op de voet van art. 54a Ow benoemde deskundigen is op 8 september 2011 bij de rechtbank binnengekomen. In hun advies taxeren de deskundigen de voor vergoeding in aanmerking komende werkelijke waarde van de onteigende gronden op € 166.650.
1.5
Bij vonnis als bedoeld in art. 54t Ow van 23 mei 2012 heeft de rechtbank de door de Staat aan de Kerk verschuldigde schadeloosstelling, conform het advies van de deskundigen, vastgesteld op € 166.650,00.
1.6
Bij akte van 1 juni 2012 heeft de Staat (tijdig)1.cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van 23 mei 2012. De akte waaruit blijkt dat hij cassatieberoep heeft ingesteld heeft de Staat bij exploot van 13 juli 2012 (tijdig)2.aan de Kerk laten betekenen met dagvaarding in cassatie. Tegen de Kerk is verstek verleend. De Staat heeft de zaak schriftelijk toegelicht.
2. Bespreking van de cassatieklachten.
De onderdelen 1-4 van het middel betreffen klachten met betrekking tot de door de rechtbank in het voetspoor van de deskundigen aan het onteigende toegekende werkelijke waarde van € 10 per m2. De Staat heeft identieke klachten aangevoerd in de onderdelen 1-4 van het middel dat hij heeft voorgesteld in de bij Uw Raad aanhangige zaak met nr 12/03754 (Staat/[…] c.s.), waarin het eveneens gaat om een schadeloosstelling wegens onteigening van landbouwgrond ten behoeve van de aanleg van de Hoogwatergeul Well-Aijen, en waarin de rechtbank te Roermond aan die andere landbouwgronden (voor zover in onverpachte staat) eveneens een werkelijke waarde van € 10 per m2 heeft toegekend. In de conclusie die ik vandaag in de laatstgenoemde zaak neem, heb ik uiteengezet waarom die klachten naar mijn mening niet tot cassatie kunnen leiden. Temeer waar in de onderhavige zaak de onteigende partij in cassatie niet is verschenen, meen ik dat ik mijn conclusie tot verwerping van het beroep in de onderhavige zaak kan motiveren door te verwijzen naar de nrs 3.1-3.3 en 4.1-4.35 van mijn conclusie in de zaak Staat/[…] c.s. Met uitzondering van noot 19 bij die conclusie geldt al hetgeen daar is gezegd, mutatis mutandis, ook voor de onderhavige zaak.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Waarnemend Advocaat-Generaal