Verdachte is bij hetzelfde arrest veroordeeld wegens overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994 (parketnummer 96-166378-20 feit 1 en 96-115192-19 feit 3), overtreding art. 163 lid 6 WVW 1994 (parketnummer 96-166378-20 feit 2) en overtreding van art. 9 lid 1 WVW 1994 (parketnummer 96-115192-19 feit 2) tot een gevangenisstraf van één maand. In cassatie wordt opgekomen tegen de vrijspraak voor feit 1 parketnummer 96-115192-19.
HR, 05-12-2023, nr. 22/04369
ECLI:NL:HR:2023:1699
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-12-2023
- Zaaknummer
22/04369
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1699, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑12‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:933
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:10149
ECLI:NL:PHR:2023:933, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1699
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑03‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0210
NJ 2024/53 met annotatie van W.H. Vellinga
NTS 2023/75
Uitspraak 05‑12‑2023
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. rijden onder invloed van cannabis (art. 8.5 WVW 1994). Bloedonderzoek, strikte waarborg van art. 13.1.d (oud) Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in verkeer. 1. HR geeft duiding aan rechtspraak over strikte waarborg dat bloedmonster ‘zo spoedig mogelijk’ wordt verzonden naar laboratorium. 2. Kon hof oordelen dat niet is voldaan aan voorschrift dat bloedmonsters ‘zo spoedig mogelijk’ worden bezorgd bij laboratorium a.b.i. art. 13.1.d (oud) Besluit, nu tussen datum van bloedafname en moment van bezorging van bloed bij laboratorium 8 dagen zijn verstreken, terwijl niet kan worden vastgesteld bij welke temperatuur de bloedmonsters zijn vervoerd naar laboratorium? Ad 1. Rechtspraak van HR over vraag of verzending van bloedmonster zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden, ziet met name op gevallen waarin feitenrechter bestanddeel ‘een onderzoek’ a.b.i. art. 8.5 WVW 1994 heeft bewezenverklaard en waarbij in cassatie namens verdachte wordt geklaagd over motivering van bewezenverklaring van dat bestanddeel. Uit deze rechtspraak kan worden afgeleid dat rechter in de regel, ook zonder nadere vaststellingen over wijze waarop bloedmonster direct na afname van bloed en tijdens transport naar laboratorium is bewaard, mag aannemen dat verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden als bloedmonster binnen 8 dagen na dag van bloedafname is bezorgd bij laboratorium (vgl. o.m. rechtspraak genoemd in CAG). Recente rechtspraak van HR ziet daarnaast op specifiek geval waarin (toen nog vooruitlopend op wijziging van art. 13.1.d. Besluit die met ingang van 1 juli 2022 heeft plaatsgevonden (Stb. 2022, 77)) werkwijze is gevolgd waarbij bloedmonster is bewaard en vervoerd in vriezer bij -20°C. In zo’n geval komt, bij beantwoording van vraag of verzending van bloedmonster ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden, betekenis toe aan wijze waarop bloedmonster direct na afname van bloed en tijdens transport naar laboratorium wordt bewaard en consequenties van die bewaarwijze voor frequentie waarmee verzending mogelijk is. Als rechter (aan de hand van inhoud van strafdossier of verhandelde ttz.) vaststelt dat, gelet op wijze van bewaren op politiebureau en van vervoer naar laboratorium, risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na bloedafname zo goed als afwezig is, staat enkele omstandigheid dat bloedmonster niet direct na bloedafname is vervoerd naar laboratorium, niet in de weg aan oordeel dat verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden (vgl. HR:2022:567). Dat kan met zich brengen dat ook tijdsverloop groter dan acht dagen nog als ‘zo spoedig mogelijk’ mag worden aangemerkt. In dergelijk geval, waarin dus wijze van bewaren van bloedmonster een belangrijke rol speelt, is rechter als hij tot bewezenverklaring komt, gehouden om concrete vaststellingen te doen over wijze van bewaren van bloed na afname daarvan en tijdens transport naar laboratorium (vgl. HR:2022:1853). Ad 2. Hof heeft verdachte vrijgesproken van bestanddeel ‘een onderzoek’ a.b.i. art. 8.5 WVW 1994. Hof heeft vastgesteld dat bloedmonsters op 29-1-2019 bij verdachte zijn afgenomen en dat laboratorium bloedmonsters op 6-2-2019, dus 8 (en niet, zoals abusievelijk door hof genoemd, 9) dagen na bloedafname, heeft ontvangen. Hof heeft verder overwogen dat het ervan uit gaat dat bloedmonsters direct na afname zijn bewaard bij temperatuur van -20°C maar dat niet kan worden vastgesteld bij welke temperatuur bloedmonsters zijn vervoerd naar laboratorium. In aanmerking genomen dat het aan feitenrechter is om te beoordelen of verzending van bloedmonster in concreet geval zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden, brengen ‘s hofs overwegingen niet met zich dat hof de beslissing tot vrijspraak ontoereikend heeft gemotiveerd. Enkele omstandigheid dat beschikbare gegevens over ontvangst van bloedmonsters een andere (bewijs)beslissing zouden toelaten, is daarvoor ook ontoereikend (vgl. HR:2004:AO5061). HR neemt bij zijn oordeel daarnaast in aanmerking dat uit p-v van tz. in hoger beroep niet blijkt dat OM daar uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren heeft gebracht over zo spoedig mogelijk verzonden zijn van bloedmonsters. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04369
Datum 5 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2022, nummer 21-004095-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte, M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het hof opdat de zaak opnieuw wordt afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de door het hof gegeven vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 96-115192-19 onder 1 tenlastegelegde en klaagt over het oordeel van het hof dat niet sprake is van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Het keert zich in dat verband tegen het oordeel van het hof dat de resultaten van het bloedonderzoek niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat de bloedmonsters niet ‘zo spoedig mogelijk’ zijn bezorgd bij het laboratorium als bedoeld in artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit).
2.2.1
Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 96-115192-19 onder 1 tenlastegelegd dat:
“hij, op of omstreeks 29 januari 2019, te Zwolle, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,6 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.”
2.2.2
Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van dit feit en daartoe het volgende overwogen:
“Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 96-115192-19 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vooropgesteld dient te worden dat van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994 slechts sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit, dat ertoe strekt dat buisjes met bloed na de bloedafname zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit worden gezonden. Indien bedoelde waarborg niet is nageleefd, leidt dat ertoe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd.
Op basis van het proces-verbaal rijden onder invloed van 7 maart 2019 stelt het hof vast dat de bloedmonsters op 29 januari 2019 bij verdachte zijn afgenomen.
Het hof stelt vast dat de politie het afgenomen bloed sinds 1 januari 2019 bij een temperatuur van -20°C bewaart en sinds 1 maart 2019 bij deze temperatuur transporteert. Het hof gaat er dan ook van uit dat het bloed dat op 29 januari 2019 bij verdachte is afgenomen direct na afname door de politie in een vriezer bij -20°C is bewaard. Het transport van het bloed vond echter plaats vóór 1 maart 2019 en het dossier bevat geen aanknopingspunten om vast te stellen op welke temperatuur het bloed van verdachte is vervoerd naar het laboratorium.
Uit het rapport ‘drugs in het verkeer’ van 14 februari 2019 blijkt dat de bloedmonsters op 6 februari zijn ontvangen door het laboratorium. Het tijdsverloop tussen de afname van het bloed en de aankomst van de bloedmonsters bij het laboratorium bedraagt negen dagen. Dit tijdsverloop kan naar het oordeel van het hof in onderhavig geval, nu niet kan worden vastgesteld dat het bloed van verdachte ook bij -20°C is vervoerd naar het laboratorium, niet worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d van het Besluit. Het hof oordeelt dan ook dat de betreffende waarborg niet is nageleefd.
Nu het voorschrift onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen, dient het resultaat van het verrichte bloedonderzoek van het bewijs te worden uitgesloten. Zonder ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994 kan niet worden bewezen dat de verdachte onder invloed van een hoeveelheid cannabis boven de toegestane grenswaarde een personenauto heeft bestuurd.”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging voorkomende begrip ‘onderzoek’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.3.2
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen – zoals deze luidden ten tijde van het tenlastegelegde – van belang:
- artikel 8 lid 5 WVW 1994:
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
- artikel 13 lid 1 Besluit:
“1. Bij de bloedafname (...) is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
(...)
d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.”
2.4.1
Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Deze waarborgen worden ook wel aangeduid als de strikte waarborgen.
2.4.2
Tot deze waarborgen behoort onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit, dat inhoudt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit wordt of worden gezonden. (Vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684.)
2.4.3
Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de verzending van het buisje of de buisjes met bloed – hierna ook: het bloedmonster – in het concrete geval zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden (vgl., in verband met artikel 8 lid 2, onder b, (oud) WVW 1994, HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206).
2.5.1
De rechtspraak van de Hoge Raad over de vraag of de verzending van het bloedmonster zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden, ziet met name op gevallen waarin de feitenrechter het bestanddeel ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 heeft bewezenverklaard, en waarbij in cassatie namens de verdachte wordt geklaagd over de motivering van de bewezenverklaring van dat bestanddeel. Uit deze rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de rechter in de regel, ook zonder nadere vaststellingen over de wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van het bloed en tijdens het transport naar het laboratorium is bewaard, mag aannemen dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden als het bloedmonster binnen acht dagen na de dag van de bloedafname is bezorgd bij het laboratorium (vgl. onder meer de rechtspraak genoemd in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.10).
2.5.2
Recente rechtspraak van de Hoge Raad ziet daarnaast op het specifieke geval waarin – toen nog vooruitlopend op een wijziging van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit die met ingang van 1 juli 2022 heeft plaatsgevonden (Stb. 2022, 77) – een werkwijze is gevolgd waarbij het bloedmonster is bewaard en vervoerd in een vriezer bij -20°C. In zo’n geval komt, bij de beantwoording van de vraag of de verzending van het bloedmonster ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden, betekenis toe aan de wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van het bloed en tijdens het transport naar het laboratorium wordt bewaard en de consequenties van die bewaarwijze voor de frequentie waarmee verzending mogelijk is. Als de rechter - aan de hand van de inhoud van het strafdossier of het verhandelde ter terechtzitting - vaststelt dat, gelet op de wijze van bewaren op het politiebureau en van vervoer naar het laboratorium, het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname zo goed als afwezig is, staat de enkele omstandigheid dat het bloedmonster niet direct na de bloedafname is vervoerd naar het laboratorium, niet in de weg aan het oordeel dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567.) Dat kan met zich brengen dat ook een tijdsverloop groter dan acht dagen nog als ‘zo spoedig mogelijk’ mag worden aangemerkt. In een dergelijk geval, waarin dus de wijze van bewaren van het bloedmonster een belangrijke rol speelt, is de rechter als hij tot een bewezenverklaring komt, gehouden om concrete vaststellingen te doen over de wijze van bewaren van het bloed na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium (vgl. HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853).
2.6.1
In de voorliggende zaak heeft het hof vrijgesproken van het bestanddeel ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994. De klacht van het cassatiemiddel houdt in de kern in dat het hof deze vrijspraak ontoereikend heeft gemotiveerd.
2.6.2
Het hof heeft vastgesteld dat de bloedmonsters op 29 januari 2019 bij de verdachte zijn afgenomen en dat het laboratorium de bloedmonsters op 6 februari 2019, dus acht – en niet, zoals abusievelijk door het hof genoemd, negen – dagen na de bloedafname, heeft ontvangen. Het hof heeft verder overwogen dat het ervan uit gaat dat de bloedmonsters direct na afname zijn bewaard bij een temperatuur van -20°C, maar dat niet kan worden vastgesteld bij welke temperatuur de bloedmonsters zijn vervoerd naar het laboratorium. In aanmerking genomen dat – zoals in 2.4.3 is overwogen – het aan de feitenrechter is om te beoordelen of de verzending van een bloedmonster in het concrete geval zo spoedig mogelijk heeft plaatsgevonden, brengen deze overwegingen van het hof niet met zich dat het hof de beslissing tot vrijspraak ontoereikend heeft gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat de beschikbare gegevens over de ontvangst van de bloedmonsters een andere (bewijs)beslissing zouden toelaten, is daarvoor ook ontoereikend (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061). De Hoge Raad neemt bij zijn oordeel daarnaast in aanmerking dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat het openbaar ministerie daar een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren heeft gebracht over het zo spoedig mogelijk verzonden zijn van de bloedmonsters.
2.7
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2023.
Conclusie 17‑10‑2023
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04369
Zitting 17 oktober 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft de verdachte bij arrest van 11 november 2022, voor zover in cassatie van belang, vrijgesproken van rijden onder invloed van cannabis (art. 8 lid 1 WVW 1994).1.
1.2
Het cassatieberoep is op 23 november 2022 namens het Openbaar Ministerie ingesteld. W.J.V. Spek, advocaat-generaal bij het ressortpakket, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het bloedmonster niet “zo spoedig mogelijk” is bezorgd bij het laboratorium. Daarnaast wordt de Hoge Raad verzocht een algemene vuistregel te formuleren voor de bezorgtermijn.
1.4
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat “'s Hofs oordeel dat de buisjes met het van de verdachte afgenomen bloed niet "zo spoedig mogelijk" zijn bezorgd bij het laboratorium als bedoeld in art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, van genoemd Besluit [AG: Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit)], niet toereikend is gemotiveerd. Het daarop steunende oordeel van het Hof dat er geen sprake is van "een onderzoek" zoals bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, is derhalve niet zonder meer begrijpelijk.”
2.2
De verdachte is vrijgesproken van het onder 1. onder parketnummer 96-115192-19 tenlastegelegde:
“hij, op of omstreeks 29 januari 2019, te Zwolle, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,6 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;”
2.3
Het hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 96-115192-19 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vooropgesteld dient te worden dat van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994 slechts sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd.
Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit, dat ertoe strekt dat buisjes met bloed na de bloedafname zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit worden gezonden. Indien bedoelde waarborg niet is nageleefd, leidt dat ertoe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd.
Op basis van het proces-verbaal rijden onder invloed van 7 maart 2019 stelt het hof vast dat de bloedmonsters op 29 januari 2019 bij verdachte zijn afgenomen.
Het hof stelt vast dat de politie het afgenomen bloed sinds 1 januari 2019 bij een temperatuur van -20 °C bewaart en sinds 1 maart 2019 bij deze temperatuur transporteert. Het hof gaat er dan ook van uit dat het bloed dat op 29 januari 2019 bij verdachte is afgenomen direct na afname door de politie in een vriezer bij -20 °C is bewaard. Het transport van het bloed vond echter plaats vóór 1 maart 2019 en het dossier bevat geen aanknopingspunten om vast te stellen op welke temperatuur het bloed van verdachte is vervoerd naar het laboratorium.
Uit het rapport ‘drugs in het verkeer’ van 14 februari 2019 blijkt dat de bloedmonsters op 6 februari zijn ontvangen door het laboratorium. Het tijdsverloop tussen de afname van het bloed en de aankomst van de bloedmonsters bij het laboratorium bedraagt negen dagen. Dit tijdsverloop kan naar het oordeel van het hof in onderhavig geval, nu niet kan worden vastgesteld dat het bloed van verdachte ook bij -20 °C is vervoerd naar het laboratorium, niet worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d van het Besluit. Het hof oordeelt dan ook dat de betreffende waarborg niet is nageleefd.
Nu het voorschrift onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen, dient het resultaat van het verrichte bloedonderzoek van het bewijs te worden uitgesloten. Zonder ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994 kan niet worden bewezen dat de verdachte onder invloed van een hoeveelheid cannabis boven de toegestane grenswaarde een personenauto heeft bestuurd.”
2.4
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang, zoals die luidden ten tijde van het tenlastegelegde feit:
- Artikel 8 lid 5 WVW 1994:
“5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
- Artikel 13 lid 1 (oud) Besluit:
“1. Bij de bloedafname (...) is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
a. (…)
b. (...)
c. (…)
d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk2.in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.”
2.5
Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in art. 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee dat onderzoek is omringd. Deze waarborgen zien op de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek en worden ook wel aangeduid als strikte waarborgen. Indien de rechter tot het oordeel komt dat een dergelijke waarborg niet is nageleefd, leidt dat er in beginsel toe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd.4.Op die hoofdregel is echter een uitzondering mogelijk. Indien vaststaat dat niet-naleving van een strikte waarborg niet heeft afgedaan aan het beoogde doel van dat voorschrift hoeft een dergelijk verzuim niet tot bewijsuitsluiting te leiden.5.
2.6
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567, NJ 2022/239 m.nt. W.H. Vellinga het volgende overwogen ten aanzien van het voorschrift van art. 13 lid 1 onder d (oud) Besluit:
“2.6.2. In de cassatieschriftuur wordt de vraag gesteld of, gelet op wat is gesteld over de nieuwe praktijk van bewaren en transporteren, het onder 2.5.2 genoemde voorschrift dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium wordt of worden gezonden, nog steeds moet worden gerekend tot de strikte waarborgen. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarvoor is van belang dat er (vooralsnog) geen wettelijke voorschriften bestaan met betrekking tot de wijze van opslag van een bloedmonster op het politiebureau direct na de afname van bloed en de verzending naar het laboratorium. Dat ligt overigens anders voor de opslag van een bloedmonster in het laboratorium en het transport in verband met tegenonderzoek. Daarvoor gelden de (strikte) waarborgen die zijn neergelegd in Bijlage 1 bij de Regeling.
2.6.3
De wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van bloed en tijdens het transport naar het laboratorium wordt bewaard en de consequenties van die bewaarwijze voor de frequentie waarmee verzending mogelijk is, zijn echter wel relevante omstandigheden bij de beantwoording van de vraag of de verzending van het buisje of de buisjes bloed ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. Het onder 2.5.2 genoemde voorschrift dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium wordt of worden gezonden, strekt immers ertoe dat het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname wordt geminimaliseerd. Als de rechter – aan de hand van de inhoud van het strafdossier of het verhandelde ter terechtzitting – vaststelt dat dit risico zo goed als afwezig is gelet op de wijze van bewaren op het politiebureau en van vervoer naar het laboratorium, staat de enkele omstandigheid dat het bloedmonster niet direct na de bloedafname is vervoerd naar het laboratorium, niet in de weg aan het oordeel dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden.”
2.7
Uit deze overwegingen volgt dat het voorschrift van art. 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit in deze zaak als een strikte waarborg heeft te gelden. Op het moment van bloedafname waren immers nog geen wettelijke voorschriften ingevoerd ten aanzien van opslag en verzending van bloedmonsters.6.
Bespreking van het middel
2.8
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de buisjes bloed van de verdachte niet ‘zo spoedig mogelijk’ naar het laboratorium zijn vervoerd.
2.9
Het hof heeft vastgesteld dat het tijdsverloop tussen het moment van afname van de bloedmonsters (29 januari 2019) en de aankomst daarvan bij het lab (6 februari 2019) negen dagen bedroeg. Gelet op de datum van de bloedafname is het hof ervan uitgegaan dat de (destijds) nieuwe werkwijze van de politie voor het bewaren van de bloedblokken, welke werkwijze op 1 januari 2019 is ingegaan, door de politie is gevolgd, maar dat de nieuwe werkwijze voor het transport, die in maart van dat jaar is geïntroduceerd, niet is gevolgd. Het hof heeft niet vastgesteld dat de bloedmonsters in deze zaak daadwerkelijk bij -20 °C op het politiebureau zijn bewaard. Het hof heeft dat aangenomen. Het hof heeft wel geconstateerd dat het dossier geen aanknopingspunten bevat om vast te stellen op welke temperatuur het bloedmonster is getransporteerd. Gelet hierop heeft het hof geconcludeerd dat een tijdsverloop van negen dagen niet kan worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’, “nu niet kan worden vastgesteld dat het bloed van verdachte ook bij -20 °C is vervoerd.” Hierdoor was naar het oordeel van het hof geen sprake van ‘een onderzoek’ in de zin van art. 8 lid 5 WVW 1994, hetgeen resulteerde in een vrijspraak.
2.10
De vaststelling van het hof dat de bezorgtermijn van het bloedblok negen dagen bedroeg, berust op een foutieve rekenwijze. Volgens vaste jurisprudentie wordt de dag van de bloedafname niet meegerekend bij het bepalen van de totale bezorgtermijn.7.Evenals de steller van het middel ga ik ervan uit dat het hof dit wel heeft gedaan. Als de dag van de bloedafname niet wordt meegeteld, is de bezorgtermijn in deze zaak acht dagen. Gelet op de stand van de jurisprudentie is een bezorgtermijn van acht dagen, ook zonder concrete vaststellingen over de bewaar- en transportcondities, in beginsel aan te merken als ‘zo spoedig mogelijk’ in de zin van art. 13 lid 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit.8.Zo deed de Hoge Raad een zaak af met art. 81 RO waarin het bloedmonster op 30 november was afgenomen en op 8 december was ontvangen door het laboratorium. Die bezorgtermijn van acht dagen werd aangemerkt als zo spoedig mogelijk, zonder dat dat oordeel nadere motivering van het hof behoefde.9.Meer recent liet de Hoge Raad eveneens met een aan art. 81 RO ontleende motivering een arrest in stand waarin het hof had geoordeeld dat een bezorgtermijn van acht dagen zo spoedig mogelijk was. Ook in die zaak kon de vaststelling dat een bezorgtermijn van acht dagen als ‘zo spoedig mogelijk’ dient te gelden, zonder nadere motivering de toets van cassatie doorstaan.10.De omstandigheid dat het in de twee aangehaalde zaken ging om een bewezenverklaring en in de onderhavige zaak om een vrijspraak, doet aan de waardering van de acht dagen termijn niet af.
2.11
Het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval geen sprake is van een ‘zo spoedig mogelijke’ bezorging van het bloedblok, is gebaseerd op een misrekening. Zonder die misrekening, dus uitgaande van een bezorgtermijn van 8 dagen, is het oordeel van het hof dat er geen sprake is van ‘een onderzoek’ als bedoeld in art. 8 lid 5 WVW 1994 niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft enkel geconstateerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het transport van het bloedmonster bij -20 °C heeft plaatsgevonden. Die constatering kan het oordeel dat er geen sprake is van een zo spoedige mogelijke bezorging niet dragen.
2.12
Het middel slaagt.
Voorgestelde vuistregel
2.13
Naast de besproken klacht, verzoekt de steller van het middel de Hoge Raad een nieuwe vuistregel te formuleren aan de hand waarvan de vraag kan worden beantwoord of een bloedblok ‘zo spoedig mogelijk’ naar het laboratorium is vervoerd. Voorgesteld wordt om te gaan werken met een bezorgtermijn van vijf werkdagen, waarbij de dag van de bloedafname én de dag van de bezorging niet wordt meegeteld. De steller van het middel betoogt dat de praktijk dringend behoefte heeft aan deze vuistregel, ook nu nieuwe regelgeving van kracht is voor de bezorgtermijn van bloedblokken. “Er zijn immers nog zeer veel zgn. "bloedblok"-zaken met een pleegdatum vóór 1 juli 2022, die nog niet (onherroepelijk) zijn afgedaan.” Een duidelijke rechtsregel zou rechtsongelijkheid bij de afdoening van deze zaken kunnen voorkomen, aldus de steller van het middel.
2.14
De vraag of een bloedmonster ‘zo spoedig mogelijk’ is bezorgd bij het laboratorium, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. De feitenrechter dient dit te beoordelen op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier. Een algemene vuistregel verhoudt zich slecht tot een casuïstische beoordeling.
2.15
Daar komt bij dat de wetgever de bezorgtermijn sinds 1 juli 2022 heeft gewijzigd. Sindsdien bepaalt art. 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit dat bloedmonsters ‘binnen vier weken’ bij het laboratorium moeten worden bezorgd. Aan deze wijziging van het Besluit ligt het volgende ten grondslag:
“Met een snelle verzending van de bloedmonsters werd oorspronkelijk een minimale afbraak van de bloedwaarden nagestreefd. Als gevolg van een nieuwe wijze van bewaren en transporteren [AG: het bewaren en vervoeren bij -20 °C] is dit voorschrift inmiddels achterhaald geraakt, terwijl er in de rechtspraak nog steeds vergaande conclusies worden getrokken als een verzending naar het oordeel van de rechter niet spoedig heeft plaatsgevonden.”11.
De situatie waarvoor de steller van het middel vraagt een vuistregel te formuleren, is van aflopende aard. Hoewel er nog zaken op de plank liggen die met de oude maatstaf beoordeeld dienen te worden, zal naar verloop van tijd de zaakstroom met zaken waarin getoetst moet worden of de bloedblokken ‘zo spoedig mogelijk’ zijn vervoerd, opdrogen.
2.16
De steller van het middel betoogt dat ook voor zaken met een pleegdatum na 1 juli 2022 een vuistregel nuttig kan zijn, met name in de gevallen waarin de rechter niet concreet kan vaststellen dat de regelgeving over de bewaar- en transportcondities correct zijn nageleefd. Die blik naar voren lijkt mij prematuur. De aandacht moet nu vooreerst uitgaan naar een optimale verbalisering waaruit klip en klaar blijkt op welke wijze bloedmonsters zijn bewaard en vervoerd. Mocht het dan toch nog eens mis gaan, dan is het opnieuw aan de rechter om op basis van concrete door hem vastgestelde feiten en omstandigheden op dat moment een oordeel te vellen. Het ligt niet erg voor de hand op dit moment al een vuistregel op te stellen voor nieuwe gevallen die zich eventueel zouden kunnen gaan voordoen onder een regeling die pas onlangs is gewijzigd. Laten we eerst maar eens zien in welke richting de praktijk zich gaat ontwikkelen.
2.17
Ik sluit af. Een algemene vuistregel doet afbreuk aan de casuïstische beoordeling van de bezorgtermijn als bedoeld in art. 13 lid 1 onder d (oud) Besluit. De huidige werkwijze voor het bewaren en verzenden van bloedmonsters is nog niet zo lang geleden voorzien van een daarbij passende regelgeving. De toekomst zal uitwijzen of dit praktisch werkbaar en handhaafbaar is. Ik wil mijn ogen niet sluiten voor moeilijkheden waar de praktijk nu en wellicht ook in de toekomst mee te maken heeft, maar op dit moment ligt het mijns inziens niet op de weg van de Hoge Raad om daar door middel van een vuistregel het hoofd aan te bieden.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het hof opdat de zaak opnieuw wordt afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑10‑2023
Bij Besluit van 15 februari 2022, Stb. 2022, 77 zijn met ingang van 1 juli 2022 in art. 13 lid 1 onder d Besluit de woorden ‘zo spoedig mogelijk’ vervangen door ‘binnen vier weken’.
Zie o.m. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206, NJ 2012/350, rov. 2.3.3.
HR 2 oktober 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7339, NJ 1980/37, m.nt. Th.W. van Veen, rov. 5; HR 17 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD6962, NJ 1987/152, rov. 5.2; HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7952, NJ 2008/247, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7, en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Knigge.
Deze wettelijke voorschriften zijn met ingang van 1 juli 2022 in werking getreden. Zie Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, bijlage 1, Stcrt. 2022, 16855.
Ik leid dat onder meer af uit HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853, rov 2.5 en HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1021, rov. 4.3.1.
Zie bijvoorbeeld de conclusie van AG Wortel voorafgaand aan HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:546 (art. 81 RO); HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684, rov. 2.4.2; de conclusie van AG Parideans voorafgaand aan HR 9 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:638 (art. 81 RO) en de conclusie van AG Harteveld voorafgaand aan HR 23 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:756 (art. 81 RO).
HR 23 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:756 (art. 81 RO) en de daarbij horende conclusie van AG Harteveld randnr. 3.7.
Besluit van 15 februari 2022, houdende wijziging van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers en het Besluit rijden onder invloed BES in verband met onder meer het wijzigen van de onderzoekstermijn voor bloedonderzoeken (Stb. 2022, 77, p. 9).
Beroepschrift 31‑03‑2023
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2022, waarbij het Hof het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 oktober 2020 in de strafzaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977
heeft vernietigd en — voor zover in cassatie van belang — de verdachte heeft vrijgesproken van het hem in de zaak met parketnummer 96-115192-19 onder feit 1 tenlastegelegde.
Rekwirant kan zich in zoverre met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art, 79, eerste lid, RO, meer in het bijzonder schending van art. 8, vijfde lid, WVW 1994 en art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, 's Hofs oordeel dat de buisjes met het van de verdachte afgenomen bloed niet ‘zo spoedig mogelijk’ zijn bezorgd bij het laboratorium als bedoeld in art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, van genoemd Besluit, niet toereikend is gemotiveerd. Het daarop steunende oordeel van het Hof dat er geen sprake is van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, is derhalve niet zonder meer begrijpelijk.
Toelichting
1.
Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 96-115192-19 onder feit 1 tenlastegelegd dat:
‘hij, op of omstreeks 29 januari 2019, te Zwolle, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,6 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;’
2.
Bij het thans bestreden arrest van 11 november 2022 heeft het Hof de verdachte van het aldus tenlastegelegde vrijgesproken. Het Hof heeft deze vrijspraak als volgt gemotiveerd (de twee voetnoten zijn opgenomen aan het einde van het citaat):
‘Vrijspraak van feit 1 onder parketnummer 96-115192-19
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 96-115192-19 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vooropgesteld dient te worden dat van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994 slechts sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd.
Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit, dat ertoe strekt dat buisjes met bloed na de bloedafname zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit worden gezonden. Indien bedoelde waarborg niet is nageleefd, leidt dat ertoe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd.(1)
Op basis van het proces-verbaal rijden onder invloed van 7 maart 2019 stelt het hof vast dat de bloedmonsters op 29 januari 2019 bij verdachte zijn afgenomen.
Het hof stelt vast dat de politie het afgenomen bloed sinds 1 januari 2019 bij een temperatuur van -20oC bewaart en sinds 1 maart 2019 bij deze temperatuur transporteert.(2) Het hof gaat er dan ook van uit dat het bloed dat op 29 januari 2019 bij verdachte is afgenomen direct na afname door de politie in een vriezer bij -20oC is bewaard. Het transport van het bloed vond echter plaats vóór 1 maart 2019 en het dossier bevat geen aanknopingspunten om vast te stellen op welke temperatuur het bloed van verdachte is vervoerd naar het laboratorium.
Uit het rapport ‘drugs in het verkeer’ van 14 februari 2019 blijkt dat de bloedmonsters op 6 februari zijn ontvangen door het laboratorium. Het tijdsverloop tussen de afname van het bloed en de aankomst van de bloedmonsters bij het laboratorium bedraagt negen dagen. Dit tijdsverloop kan naar het oordeel van het hof in onderhavig geval, nu niet kan worden vastgesteld dat het bloed van verdachte ook bij -20oC is vervoerd naar het laboratorium, niet worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d van het Besluit. Het hof oordeelt dan ook dat de betreffende waarborg niet is nageleefd.
Nu het voorschrift onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen, dient het resultaat van het verrichte bloedonderzoek van het bewijs te worden uitgesloten. Zonder ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994 kan niet worden bewezen dat de verdachte onder invloed van een hoeveelheid cannabis boven de toegestane grenswaarde een personenauto heeft bestuurd.
[Voetnoten:]
- (1)
Zie onder meer ECLI:NL:HR:2022:56. 1.
- (2)
Idem ECLI:NL:HR:2022:567.’
3.
De tenlastelegging is toegesneden op art. 8, vijfde lid, WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging voorkomende begrip ‘onderzoek’ is gebruikt in de betekenis die dat bestanddeel heeft in die bepaling.
4.
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen — zoals deze luidden ten tijde van de tenlastegelegde gedraging — van belang:
- (i)
WVW 1994
- —
art. 8, vijfde lid, WVW 1994:
‘Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. (…)’
- (ii)
Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit)
- —
art. 1, aanhef en onder b, Besluit:
‘In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
- b.
bloedonderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, derde lid, onder b, of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (…) dat betrekking heeft op het gebruik van alcohol of een of meer van de in artikel 2 aangewezen stoffen’.
- —
art. 2 Besluit:
‘Als stoffen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden aangewezen: amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA, MDA, cannabis, heroïne, morfine, GHB, gamma butyrolacton en 1,4-butaandiol.’
- —
art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit:
‘Bij de bloedafname (…) is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
(…)
- d.
ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.’
- —
art. 14, eerste en tweede lid, Besluit:
- ‘1.
De opsporingsambtenaar formuleert de opdracht voor de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht.
- 2.
De onderzoeker is verbonden aan een laboratorium. Als laboratorium komt alleen in aanmerking:
- a.
een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevings-laboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of van criteria die daarmee vergelijkbaar zijn, en deskundig is op het terrein van de bio-analyse, dan wel
- b.
een laboratorium dat in het buitenland is gevestigd en door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025, en deskundig is op het terrein van de bio-analyse.’
- (iii)
Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Regeling)
- —
art. 7, eerste lid, Regeling:
‘De methode voor de uitvoering van een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 1, onder b, van het Besluit voldoet aan de eisen, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling.’
- —
Bijlage 1 horende bij de Regeling:
‘De eisen aan de methode met behulp waarvan bloedonderzoek als bedoeld in artikel 1, onder b, van het Besluit wordt verricht:
- •
Zo spoedig mogelijk na ontvangst door het laboratorium worden de twee buisjes bloed bevroren bewaard of, als dat niet mogelijk is, in de koelkast. [voetnoot: Een bewaartemperatuur bij ongeveer -20oC heeft de voorkeur.] Het bloedblok wordt liggend op het grootste oppervlak in de vriezer geplaatst om de kans op breuk van de bloedhuizen te minimaliseren.
- •
In geval van een tegenonderzoek op alcohol wordt het buisje bloed gekoeld getransporteerd. In geval van een tegenonderzoek op andere stoffen, al dan niet in combinatie met tegenonderzoek op alcohol, wordt het buisje bloed op droogijs getransporteerd. (…)’
5.
De nota van toelichting bij het Besluit, zoals weergegeven in Staatsblad 2016, 529, houdt onder meer het volgende in (p. 28–29):
‘Artikel 13
Net als in artikel 14 van het oude Besluit alcoholonderzoeken was bepaald, moet volgens artikel 13, eerste lid, van dit besluit een opsporingsambtenaar bij de bloedafname aanwezig zijn. Hij dient op grond van onderdeel a van dat artikellid de gang van zaken van de bloedafname in een proces-verbaal van bevindingen vast te leggen. Voordat het bloed naar het laboratorium wordt verzonden waar het bloedonderzoek zal plaatsvinden, moet hij er voorts voor zorgen dat het afgenomen bloed administratief wordt gekoppeld aan de persoon van wie bloed is afgenomen en aan het proces-verbaal waarin de bloedafname wordt beschreven. (…)
De opsporingsambtenaar zorgt er op grond van artikel 13, eerste lid, onder c [rekwirant begrijpt: onder d], voor dat de buisjes met bloed worden verpakt in een speciale verpakking, het zogenaamde ‘bloedblok’, en dat die buisjes naar een laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, worden opgestuurd. (…)’
6.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 slechts sprake, indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Deze waarborgen worden ook wel aangeduid als de strikte waarborgen. Tot deze waarborgen behoort onder meer het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit, dat inhoudt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in art. 14, tweede lid, Besluit wordt of worden gezonden.2. De omstandigheid dat begin 2019 een nieuwe werkwijze is ingevoerd, inhoudend dat met ingang van 1 januari 2019 het afgenomen bloed tot aan het moment van transport naar het laboratorium wordt opgeslagen in een vriezer bij -20oC en dat met ingang van 1 maart 2019 ook het transport vanaf de politie naar het laboratorium plaatsvindt in een vriezer bij -20oC, heeft daarin geen verandering gebracht. De Hoge Raad acht daarvoor van belang dat er (vooralsnog) geen wettelijke voorschriften bestaan met betrekking tot de wijze van opslag van een bloedmonster op het politiebureau direct na de afname van bloed en de verzending naar het laboratorium.3.
De wijze waarop het bloedmonster direct na de bloedafname en tijdens het transport naar het laboratorium wordt bewaard, is volgens de Hoge Raad echter wel een relevante omstandigheid bij de beantwoording van de vraag of de verzending van het buisje of de buisjes met bloed ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. Het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit strekt er immers toe dat het risico op (gedeeltelijke) afbraak van stoffen na de bloedafname wordt geminimaliseerd. Als de rechter vaststelt dat dit risico gelet op de bewaar- en transportcondities zo goed als afwezig is, staat de enkele omstandigheid dat het bloedmonster niet direct na de bloedafname is vervoerd naar het laboratorium, niet in de weg aan het oordeel dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden.4. De rechter dient in een dergelijk geval wel concreet vast te stellen dat het bloedmonster is bewaard en vervoerd onder geconditioneerde omstandigheden (d.w.z. in een vriezer bij -20oC).5. Voor het doen van dergelijke concrete vaststellingen zijn het algemene schrijven van het NFI d.d. 26 maart 2021 en het generieke proces-verbaal van hoofdinspecteur Broer d.d. 3 december 2020, waarin de begin 2019 ingevoerde werkwijze in algemene zin wordt beschreven, niet toereikend. Het strafdossier zal te dien aanzien dus op de concrete zaak toegespitste informatie moeten bevatten.6. De rechter hoeft overigens alleen concrete vaststellingen te doen ten aanzien van de bewaar- en transportcondities, als hij die condities betrekt bij het oordeel of sprake is van het ‘zo spoedig mogelijk’ bezorgen van het buisje of de buisjes bloed. Indien de bezorgtermijn zo kort is dat deze op zichzelf beschouwd reeds kan gelden als ‘zo spoedig mogelijk’, zijn dergelijke concrete vaststellingen niet vereist.7.
7.
In het thans bestreden arrest heeft het Hof vastgesteld dat op dinsdag 29 januari 2019 bloed is afgenomen van de verdachte en dat de bloedmonsters op woensdag 6 februari 2019 zijn ontvangen door het laboratorium. Indien de dag van de bloedafname niet wordt meegerekend, omvat de bezorgtermijn in het onderhavige geval dus 8 dagen.8. Dit tijdsverloop kan naar het oordeel van het Hof niet worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit. Het Hof heeft in dit verband enerzijds overwogen dat het ervan uitgaat dat het bloed dat op 29 januari 2019 bij verdachte is afgenomen direct na de afname door de politie in een vriezer bij -20oC is bewaard. Anderzijds heeft het Hof overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat het bloed van verdachte ook bij -20oC is vervoerd naar het laboratorium, nu het transport van het bloed heeft plaatsgevonden vóór 1 maart 2019. Deze laatste omstandigheid acht het Hof beslissend voor het oordeel dat de waarborg van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit niet is nageleefd.
Rekwirant merkt te dezen allereerst op dat het Hof er weliswaar van is uitgegaan dat het bloed dat op 29 januari 2019 bij verdachte is afgenomen direct na de afname door de politie in een vriezer bij -20oC is bewaard, maar dat het Hof geen ‘concrete vaststellingen’ heeft gedaan waaruit volgt dat in de onderhavige zaak daadwerkelijk de nieuwe werkwijze is toegepast. Een blik over de papieren muur leert dat het proces-verbaal ‘rijden onder invloed’ van 7 maart 2019 in dit verband niet meer inhoudt dan dat de verbalisant zich ervan heeft vergewist dat ‘de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer verzonden zijn’ naar het laboratorium (zie dossierpagina 3). Op basis van deze informatie kan niet concreet worden vastgesteld dat de bloedmonsters direct na de bloedafname daadwerkelijk in de vriezer zijn geplaatst.9. 's Hofs oordeel dat ervan kan worden uitgegaan dat dit wel het geval is geweest, is dus ontoereikend gemotiveerd.10.
8.
In cassatie rijst daarmee de vraag of de bezorgtermijn van 8 dagen als waarvan in deze zaak sprake is op zichzelf beschouwd — dus zonder dat daarbij de bewaar- en transportcondities worden betrokken — kan worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’ in de zin van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit. Rekwirant is van mening dat dit het geval is en voert daartoe het volgende aan.
9.
De Hoge Raad heeft tot op heden nog geen duidelijke vuistregel geformuleerd ten aanzien van de vraag welke uiterste bezorgtermijn nog kan gelden als ‘zo spoedig mogelijk’, indien de bewaar- en transportcondities buiten beschouwing worden gelaten. De Hoge Raad beoordeelt van geval tot geval of de bezorgtermijn kan worden geaccepteerd of dat deze te lang is. Deze benadering sluit aan bij de rechtspraak die is gewezen onder het regime van het tot 1 juli 2017 geldende Besluit alcoholonderzoeken (Stb. 1987, 432) en — nog eerder — het Bloedproefbesluit ( Stb. 1974, 596). Onder vigeur van deze Besluiten luidde de norm dat het afgenomen bloedmonster ‘zonder uitstel’ moest worden toegezonden aan het laboratorium dat met het onderzoek daarvan was belast.11. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad was het aan de feitenrechter om te beoordelen of het bloedmonster inderdaad zonder uitstel was verzonden, terwijl zijn oordeel dienaangaande wegens de verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard in cassatie slechts in beperkte mate kon worden getoetst.12.
Met het huidige cassatieberoep verzoekt rekwirant de Hoge Raad deze jurisprudentie te verlaten en — mede in het belang van de rechtsgelijkheid — een voor de praktijk eenvoudig te hanteren vuistregel te formuleren. Naar de mening van rekwirant kan hierbij aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het Gerechtshof Den Haag. Dit Hof heeft op 26 augustus 2021 en 24 mei 2022 twee themazittingen gehouden waarop uitsluitend zgn. ‘bloedblok’-zaken zijn behandeld. Uit enkele van de arresten die het Hof naar aanleiding van deze themazittingen heeft gewezen, kan als regel worden afgeleid dat aan het ‘zo spoedig mogelijk’-vereiste is voldaan, indien het bloedmonster bij het laboratorium is bezorgd binnen een termijn van ten hoogste 5 werkdagen, de dag van de bloedafname en de dag van de bezorging bij het laboratorium niet meegerekend.13.
10.
Zoals hierna zal blijken, is deze vuistregel goed verenigbaar met de rechtspraak die de Hoge Raad tot dusverre heeft gewezen met betrekking tot art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit. Daarnaast sluit deze vuistregel ook goed aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van het voorheen geldende vereiste van toezending ‘zonder uitstel’. Volgens rekwirant is deze laatste rechtspraak nog steeds relevant te achten. De begrippen ‘zonder uitstel’ en ‘zo spoedig mogelijk’ zijn taalkundig immers nauw aan elkaar verwant14., terwijl uit de nota van toelichting bij het huidige Besluit15. niet blijkt dat de wetgever met de invoering van het ‘zo spoedig mogelijk’-vereiste een strikter of ander criterium heeft willen invoeren dan tot dan toe gold. In onderstaand overzicht heeft rekwirant daarom mede de rechtspraak die is gewezen onder het regime van het Besluit alcoholonderzoeken en het Bloedproefbesluit betrokken. Het overzicht is gerangschikt op de (oplopende) duur van de bezorgtermijn.
- —
HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853(6 dagen):
In deze zaak bedroeg de bezorgtermijn 6 dagen (wo 27 juni — di 3 juli 2018). Het Hof oordeelde dat dit tijdsverloop kon worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit. De Hoge Raad achtte dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daaraan deed volgens de Hoge Raad niet af dat het Hof niet had vastgesteld op welke dag de politie de bloedmonsters had verzonden naar het NFI.16.
- —
HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1863(7 dagen):
In deze zaak bedroeg de bezorgtermijn 7 dagen (do 15 juni — do 22 juni 2017). Het Hof oordeelde dat dit tijdsverloop — mede in aanmerking genomen de tijd die met het transportproces gemoeid moet zijn geweest — niet zo omvangrijk was dat niet meer in redelijkheid kon worden gezegd dat verzending zonder uitstel had plaatsgevonden. Het Hof hield het er daarom voor dat de verzending van de bloedmonsters wel zonder uitstel had plaatsgevonden. De Hoge Raad verwierp het door de verdachte ingestelde cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.
- —
HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54617.(8 dagen):
In deze zaak bedroeg de bezorgtermijn 8 dagen (ma 30 november — di 8 december 2009). Volgens AG Wortel getuigde het oordeel van het Hof dat het bloedmonster zonder uitstel was verzonden niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde dit geen nadere motivering. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de aan art. 81 RO ontleende motivering.18. Rekwirant merkt op dat de bezorgtermijn van 8 dagen in deze zaak in totaal 5 werkdagen omvatte, de dag van de bloedafname en de dag van de bezorging bij het laboratorium niet meegerekend.
- —
HR 27 maart 1990, NJ 1991/42(8 dagen):
In deze zaak bedroeg de bezorgtermijn ook 8 dagen (ma 22 december — di 30 december 1986). Het Hof overwoog dat het geen aanleiding zag om over te gaan tot vrijspraak, omdat niet aannemelijk was dat de politie het bloedmonster pas na de kerstdagen had verzonden. Gelet op de toen naderende kerstdagen was het volgens het Hof veeleer aannemelijk dat gezien het grote aanbod van poststukken in die dagen, vertraging in de postbezorging was opgetreden. In cassatie overwoog de Hoge Raad dat het Hof het verweer van de raadsman had verworpen op gronden welke deze verwerping konden dragen, niet onbegrijpelijk waren en als van feitelijke aard in cassatie niet verder konden worden getoetst. Aangezien de kerstdagen in 1986 op donderdag en vrijdag vielen, omvatte de bezorgtermijn van 8 dagen in deze zaak in totaal 3 werkdagen, indien de dag van de bloedafname en de dag van de bezorging bij het laboratorium buiten beschouwing worden gelaten.
- —
HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1365, NJ 2022/326(9 dagen):
In deze zaak bedroeg de bezorgtermijn 9 dagen (za 17 november — ma 26 november 2018). Het Hof oordeelde dat er door de duur van 9 dagen tussen het versturen en ontvangen van de bloedmonsters bij het NFI sprake was van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Aangezien de verdediging niet gemotiveerd uiteen had gezet of en zo ja, welk nadeel de verdachte door dit vormverzuim had ondervonden, volstond het Hof met de constatering van het vormverzuim. De Hoge Raad casseerde en overwoog dat het kennelijke oordeel van het Hof dat art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit niet een strikte waarborg is en dat art. 359a Sv het toetsingskader vormt voor de beantwoording van de vraag of aan een verzuim ten aanzien van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg, onjuist is. De Hoge Raad liet zich dus niet uit over de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel dat het tijdsverloop van 9 dagen niet kon worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’.19. Vanwege de tussenliggende weekenddagen gold in deze zaak dat de bezorgtermijn in totaal 5 werkdagen omvatte, de dag van de bloedafname en de dag van de bezorging bij het laboratorium niet meegerekend.
- —
HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW 6206, NJ 2012/350(11 dagen):
In deze zaak bedroeg de bezorgtermijn 11 dagen. De in het arrest van de Hoge Raad weergegeven bewezenverklaring van het Hof vermeldt als pleegdatum 30 maart 2008. Rekwirant gaat er daarom vanuit dat het bij de bedoelde bezorgtermijn ging om de periode zondag 30 maart — donderdag 10 april 2008. Deze periode omvat in totaal 8 werkdagen, de dag van de bloedafname en de dag van de bezorging bij het laboratorium niet meegerekend. Het Hof verwierp het verweer van de raadsman dat de resultaten van het bloedonderzoek niet mochten meewerken aan het bewijs. In cassatie overwoog de Hoge Raad dat het kennelijke oordeel van het Hof dat het afgenomen bloedmonster zonder uitstel was toegezonden aan het laboratorium dat met het onderzoek daarvan was belast, zonder nadering motivering, die ontbrak, niet begrijpelijk was.
11.
Naar de mening van rekwirant is de ontwikkeling in de rechtspraak van de Hoge Raad inmiddels zo ver gevorderd, dat er onvoldoende aanleiding bestaat om nog vast te houden aan de casuïstische benadering. De praktijk worstelt ook ernstig met de ‘zo spoedig mogelijk’-termijn en heeft (dringend) behoefte aan een richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad. Volgens rekwirant biedt de genoemde rechtspraak van het Gerechtshof Den Haag een genuanceerde maatstaf waarmee een goede balans wordt gevonden tussen de verschillende belangen. Aan de ene kant wordt met een termijn van 5 werkdagen (de dag van de bloedafname en de dag van de bezorging bij het laboratorium niet meegerekend) voldoende recht gedaan aan het belang van een voortvarende bezorging van het bloedmonster, mede tegen de achtergrond van de strekking van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit. Aan de andere kant wordt met deze termijn ook tegemoet gekomen aan het feit dat tussen de verzending en ontvangst van het bloedmonster noodzakelijkerwijs enig tijdsverloop ligt en dat dit tijdsverloop langer kan zijn wanneer weekenddagen of nationale feestdagen onderdeel uitmaken van die periode, aangezien dan, naar als van algemene bekendheid mag worden aangenomen, doorgaans niet, of minder, gewerkt wordt door (sommige) (post)vervoerders.20.
12.
In het thans bestreden arrest heeft het Hof vastgesteld dat het bloed van de verdachte is afgenomen op dinsdag 29 januari 2019 en dat de bloedmonsters op woensdag 6 februari 2019 zijn ontvangen door het laboratorium. Daarmee bedraagt de bezorgtermijn in deze zaak — zoals gezegd — 8 dagen. Indien de dag van de bloedafname en de dag van de bezorging bij het laboratorium buiten beschouwing worden gelaten, vallen binnen deze bezorgtermijn in totaal 5 werkdagen. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is betoogd met betrekking tot de aan de rechtspraak van het Gerechtshof Den Haag ontleende vuistregel, had het Hof naar de mening van rekwirant nader moeten motiveren waarom een bezorgtermijn van 8 dagen in dit geval niet kan worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit. Nu deze nadere motivering ontbreekt, is 's Hofs oordeel dat er geen sprake is van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 96-115192-19 onder feit 1 tenlastegelegde, niet zonder meer begrijpelijk.
Ook indien de Hoge Raad voornoemde vuistregel niet zou aanvaarden, geldt dat 's Hofs oordeel dat de bezorgtermijn in dit geval in het licht van het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit te lang is geweest, niet toereikend is gemotiveerd. In de casus die ten grondslag lag aan het in punt 10 besproken HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:546 bedroeg de bezorgtermijn — net als in de onderhavige zaak — ook 8 dagen (en 5 werkdagen). In die zaak ging het om de periode maandag t/m dinsdag een week later. In de onderhavige zaak gaat het om de periode dinsdag t/m woensdag een week later. Relevante (feitelijke) verschillen tussen beide zaken zijn er niet. In de zaak uit 2014 verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte met toepassing van art. 81 RO.21. Ook in het licht van dit eerdere arrest van de Hoge Raad behoeft het oordeel van het Hof dat de bezorgtermijn in de onderhavige zaak niet in overeenstemming is met het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit, in de visie van rekwirant dus nadere motivering.
13.
Met betrekking tot het belang van dit cassatieberoep en de daarin opgeworpen kwestie merkt rekwirant nog het volgende op.
Met ingang van 1 juli 2022 is art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit gewijzigd. De zinsnede ‘zo spoedig mogelijk’ is vervangen door ‘binnen vier weken’. Uit de nota van toelichting blijkt dat de achtergrond van deze wijziging is gelegen in de veranderde werkwijze bij de politie sinds begin 2019. Doordat bloedmonsters thans onder geconditioneerde omstandigheden (d.w.z. in een vriezer bij -20oC) worden bewaard en vervoerd, is het risico op afbraak van eventueel in het bloed aanwezige stoffen tot 6 maanden na de bloedafname zo goed als afwezig. Hierdoor heeft het loutere tijdsverloop geen significante invloed op de betrouwbaarheid van de bloedmonsters en (dus) op de juistheid van het bloedonderzoek.22. In het nieuwe derde lid van art. 13 Besluit is voorts een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de omstandigheden waaronder de buisjes of het buisje met bloed worden of wordt bewaard en vervoerd. Ter uitvoering van deze delegatiebepaling is met ingang van 1 juli 2022 de eerste bullet in Bijlage 1 bij de Regeling gewijzigd. Deze bullet schrijft thans voor dat de opsporingsambtenaar de buisjes of het buisje met bloed in het verzegelde bloedblok in de vriezer plaatst, en wel liggend op het grootste oppervlak om de kans op breuk van de bloedbuizen te minimaliseren. Ook schrijft deze bullet nu voor dat het bloedblok bevroren wordt getransporteerd naar het laboratorium. Volgens de toelichting moeten deze nieuwe voorschriften worden gerekend tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het bloedonderzoek is omringd, terwijl het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, Besluit door deze wijziging van de Regeling zijn karakter van strikte waarborg heeft verloren.23.
Door voornoemde wijziging van art. 13 Besluit en Bijlage 1 bij de Regeling lijken de problemen die de praktijk ervaart met de uitleg van het ‘zo spoedig mogelijk’-vereiste op het eerste gezicht van aflopende aard. Dit laat echter onverlet dat de praktijk nog steeds erg gebaat zou zijn bij een richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad. Er zijn immers nog zeer veel zgn. ‘bloedblok’-zaken met een pleegdatum vóór 1 juli 2022, die nog niet (onherroepelijk) zijn afgedaan.24. Om rechtsongelijkheid bij de afdoening van deze zaken te voorkomen, met name in die gevallen waarin de bezorgtermijn tussen de 8 en 10 dagen ligt (en er geen concrete vaststellingen gedaan kunnen worden ten aanzien van de bewaar- en transportcondities), zou een duidelijke uitspraak van de Hoge Raad dus zeer gewenst zijn.
Daarbij komt dat een dergelijke uitspraak mogelijk ook van belang zou kunnen zijn voor ‘bloedblok’-zaken met een pleegdatum op of na 1 juli 2022. Hoewel het standaard art. 8 WVW 1994 proces-verbaal is aangepast en daarin thans de zinsnede is opgenomen dat de verbalisant de buisjes met bloed ‘overeenkomstig de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer in de daartoe bestemde vriezer [heeft] geplaatst, liggend op het grootste oppervlak’, zijn er wellicht toch gevallen denkbaar waarin de rechter niet concreet kan vaststellen dat de wijze waarop het bloedmonster is bewaard en vervoerd (in alle opzichten) voldoet aan de strikte waarborgen die sinds 1 juli 2022 in de eerste bullet van Bijlage 1 bij de Regeling zijn opgenomen. In een dergelijk geval rijst de vraag of deze omstandigheid onmiddellijk dient te leiden tot de conclusie dat er geen sprake is van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 en dat vrijspraak moet volgen, of dat hierover toch genuanceerder moet worden gedacht. Naar de mening van rekwirant zou vrijspraak in het geschetste geval achterwege moeten blijven, indien de bezorgtermijn (zeer) kort is geweest. Daarbij valt in het bijzonder te denken aan de situatie waarin de bezorging bij het laboratorium kan worden gekwalificeerd als ‘zo spoedig mogelijk’ in de hiervoor besproken zin. In een dergelijk geval is het risico op (gedeeltelijke) afbraak van stoffen in het bloed minimaal en rechtvaardigt het enkele feit dat niet concreet kan worden vastgesteld dat de strikte waarborgen van de eerste bullet in Bijlage 1 bij de Regeling (volledig) zijn nageleefd, volgens rekwirant niet de conclusie dat er geen sprake is van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 en dat vrijspraak moet volgen. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad om zich — zo nodig in een overweging ten overvloede — ook over deze kwestie uit te laten, zodat ook in zoverre duidelijkheid ontstaat voor de rechtspraktijk en een (vrijwel zekere) toekomstige cassatieprocedure op dit punt kan worden voorkomen.
Indien het cassatiemiddel of een onderdeel daarvan doel treft, zal het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2022 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 31 maart 2023
mr. W.J.V. Spek
advocaat-generaal bij het ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 31‑03‑2023
Opmerking rekwirant: waarschijnlijk is bedoeld: ECLI:NL:HR:2022:567.
Vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684 en HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1365, NJ 2022/326.
Vgl. HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567, NJ 2022/239, rov. 2.6.1 en 2.6.2. Met ingang van 1 juli 2022 zijn deze wettelijke voorschriften er overigens wel gekomen (vgl. Stcrt. 2022, 16855). Rekwirant komt daar in punt 13 van deze schriftuur nog op terug.
Vgl. HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567, NJ 2022/239, rov. 2.6.3.
Vgl. HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:568, rov. 2.5.
Vgl. HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1857, rov. 2.5.
Vgl. HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853, rov. 2.6 en HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1857, rov. 2.4.2.
Het Hof rekent de dag van de bloedafname kennelijk wel mee en komt daarom uit op een bezorgtermijn van 9 dagen.
Vgl. HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1857, in het bijzonder rov. 2.2.2, bewijsmiddel 1.
Over dit oordeel klaagt het middel niet. Wel is deze tussenstap nodig om uit te komen bij de kwestie die rekwirant in de onderhavige zaak aan de orde wil stellen (zie hierna).
Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW 6206, NJ 2012/350, rov. 2.3.2; HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011: BR 3043, NJ 2011/486, rov. 2.3.2 en HR 14 maart 1978, NJ 1978/385.
Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW 6206, NJ 2012/350, rov. 2.3.2; HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011: BR 3043, NJ 2011/486, rov. 2.3.2 en HR 27 maart 1990, NJ 1991/42.
Zie Gerechtshof Den Haag 9 september 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1799 (zo/ma → 8 dagen → 5 werkdagen = op tijd); ECLI:NL:GHDHA:2021:1707 (za/ma → 9 dagen → 5 werkdagen = op tijd) en ECLI:NL:GHDHA:2021:1708 (za/di → 10 dagen → 6 werkdagen = te lang), alsmede Gerechtshof Den Haag 7 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1277 (vr/ma → 10 dagen → 5 werkdagen = op tijd).
Vgl. de conclusie van AG Biegman-Hartogh voor HR 24 juni 1980, NJ 1980/624, die de term ‘zonder uitstel’ uitlegt als: zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is.
Zie Stb. 2016, 529, p. 28–30.
De Hoge Raad heeft ook reeds zijn fiat gegeven aan een bezorgtermijn van 5 dagen en een bezorgtermijn van 4 dagen. Zie resp. HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:992 (HR: art. 81 RO) en HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:273 (HR: art. 81 RO).
Dit arrest is niet gepubliceerd. Rekwirant heeft het arrest en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Wortel opgevraagd bij de strafgriffie van de Hoge Raad.
Hierbij sluit naadloos aan de zeer recente conclusie van AG Harteveld van 28 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:243 (zo/ma in september 2018 → 8 dagen). De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte te verwerpen met toepassing van art. 81 RO. De Hoge Raad zal naar verwachting op 23 mei a.s. arrest wijzen in deze zaak (S 21/02946).
Zie in zeer vergelijkbare zin: HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:568 (za/ma → 9 dagen) en HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011: BR 3043, NJ 2011/486 (za/ma → 9 dagen rond de kerst).
Vgl. in deze zin: conclusie AG Hofstee voor HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:992, punt 11 (HR: art. 81 RO).
Vgl. in dit verband ook de in voetnoot 18 reeds genoemde conclusie van AG Harteveld van 28 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:243 (zo/ma in september 2018 → 8 dagen → 5 werkdagen).
Zie Stb. 2022, 77, p. 9–10.
Zie Stcrt. 2022, 16855, p. 5.
Het overgrote deel van de ‘bloedblok’-zaken wordt — al dan niet buitengerechtelijk — afgedaan door het Parket CVOM in Utrecht. Uit een door dit Parket aan rekwirant verstrekt overzicht blijkt dat het alleen binnen de zaaksstroom van dit Parket al gaat om — conservatief geschat — ten minste enkele duizenden zaken.