NJ 2026/29
Overheidsprivaatrecht. Uitleveringsrecht. Kort geding. Taakverdeling uitleveringsrechter, minister en burgerlijke rechter; uitlevering (dreigende) schending fundamentele rechten?
HR 25-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:592, m.nt. N. Keijzer
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 april 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff, M. Kuijer, A.E.B. ter Heide, F. Posthumus
- Zaaknummer
24/00465
- Conclusie
A-G mr. G. Snijders
- Noot
N. Keijzer
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD43586:1
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Uitlevering en overlevering
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Internationaal strafrecht (V)
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:592, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:92, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑01‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑02‑2024
- Wetingang
Essentie
Overheidsprivaatrecht. Uitleveringsrecht. Kort geding. Taakverdeling uitleveringsrechter, minister en burgerlijke rechter; uitlevering (dreigende) schending fundamentele rechten?
Samenvatting
De taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister betekent dat de opgeëiste persoon die bij de minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten en omstandigheden of ander bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.