Ontleend aan rov. 2 van het arrest van het Hof 's‑Gravenhage van 5 september 2007 en in rov. 1.1–1.10 van het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank 's‑Gravenhage van 25 augustus 2006, waarvan ook het Hof blijkens rov. 1 van zijn arrest is uitgegaan.
HR, 10-04-2009, nr. 07/13121
ECLI:NL:HR:2009:BH1197
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
10-04-2009
- Zaaknummer
07/13121
- Conclusie
Mr. J. Spier
- LJN
BH1197
- Roepnaam
Noorlander/Ligtvoet
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BH1197, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 10‑04‑2009; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BH1197
ECLI:NL:PHR:2009:BH1197, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑01‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BH1197
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑10‑2007
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑04‑2009
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad, strijdigheid met de maatschappelijke zorgvuldigheid, onbegrijpelijk oordeel.
10 april 2009
Eerste kamer
07/13121
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P.J. Arentshorst,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2]
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Eiseres tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en verweerders gezamenlijk als [verweerder].
1. Het geding in feitelijk instanties
[Verweerder] heeft bij exploot van 30 juni 2006 [eiseres] gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank
's-Gravenhage en in kort geding - na wijziging van eis - gevorderd, kort gezegd, [eiseres] te veroordelen te gehengen en te gedogen dat [verweerder] haar mest blijft deponeren op het terrein van de manege.
[Eiseres] heeft de vordering bestreden.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 25 augustus 2006 [eiseres] veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van het vonnis te gehengen en te gedogen dat [verweerder] zich op elk tijdstip van de week ongehinderd kan bewegen van haar perceel tot het mestdepot van de manege teneinde haar mest daar op de gebruikelijke wijze te deponeren.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 5 september 2007 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerder] woont aan de [a-straat 1] te [woonplaats].
(ii) De vader van [eiseres] is directeur en enig aandeelhouder van [A] B.V. die op het aangrezende perceel [a-straat 2] een manege heeft geëxploiteerd.
(iii) In 1990 heeft [verweerder] met de toenmalige eigenaar van het aangrenzende perceel de afspraak gemaakt dat zij de mest van haar eigen paarden over de weg van de manege naar het mestdepot van de manege mocht vervoeren om daar haar mest te storten (circa drie kruiwagens per week). [Verweerder] is, ook nadat [betrokkene 1] en [A] eigenaar waren geworden van genoemde percelen, mest blijven storten op het mestdepot van de manege.
(iv) In 1996 is [A] begonnen met de exploitatie van de manege.
(v) Op 6 september 1996 heeft [verweerder], op verzoek van [A] en [betrokkene 1], die het desbetreffende stukje land wilden gebruiken om de oprit van hun perceel te vergroten, aan [A] om niet een stuk grond (ter grootte van 12 centiare) overgedragen.
(vi) [Eiseres] heeft sinds 1 oktober 1996 de dagelijkse leiding over de manege.
(vii) Vanaf medio 1999 hebben [betrokkene 1] en [A] bezwaar gemaakt tegen het deponeren van de mest op het mestdepot van de manege; zij hebben hierover verschillende kort gedingprocedures gevoerd.
(viii) Sinds 12 december 2002 treedt [eiseres] op als gevolmachtigde van de manege.
(ix) In een bodemprocedure tussen [verweerder] enerzijds en [A] en [betrokkene 1] anderzijds heeft de rechtbank 's-Gravenhage bij tussenvonnis van 29 juni 2005 overwogen:
"Vast staat dat [verweerder] c.s. in 1990 een persoonlijk recht is toegekend om hun mest op het mestdepot van de manege te deponeren. Dat recht is na verandering van eigenaar van het perceel niet gewijzigd. Ook [A] heeft immers aanvankelijk toegestaan dat [verweerder] c.s. hun mest op het mestdepot deponeerden."
(x) Bij eindvonnis van 15 februari 2006 heeft deze rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaard dat [A] moet gedogen dat [verweerder] op haar terrein mest blijft deponeren. Voorts wordt overwogen dat de (hiervoor onder (v) genoemde) overdracht aan [A] geschiedde onder de voorwaarde dat [verweerder] in de toekomst gebruik mocht blijven maken van het mestdepot van de manege.
(xi) Met ingang van 1 april 2006 heeft [A] (de onderneming van) de manege overgedragen aan [eiseres].
(xii) Begin april 2006 heeft [eiseres] voor [verweerder] het mestdepot afgesloten en heeft zij haar de toegang tot het terrein ontzegd.
3.2 De voorzieningenrechter in de rechtbank heeft [eiseres] geboden te gehengen en gedogen dat [verweerder] op de gebruikelijke wijze de mest op het mestdepot blijft deponeren. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
3.3 Bij zijn oordeel nam het hof (in rov. 3) tot uitgangspunt dat:
- tussen [verweerder] en [eiseres] contractueel geen band bestaat welke [eiseres] verplicht het op 15 februari 2006 gewezen vonnis jegens [verweerder] na te komen;
- dat [A] en [betrokkene 1] niet gehouden waren hun eventueel bestaande contractuele verplichting jegens [verweerder] over te dragen, zodat zij in zoverre niet kunnen zijn tekortgeschoten, en [eiseres] in zoverre niet onrechtmatig heeft kunnen handelen door gebruik te maken van dergelijk tekortschieten;
- dat voorts geen sprake is van verplichtingen van [eiseres] tegenover [verweerder] op grond van een kwalitatieve verbintenis als bedoeld in artikel 6:252 BW.
3.4 Niettemin deelde het hof (in rov. 4) de opvatting van de voorzieningenrechter dat [eiseres] verplicht is om [verweerder] tot het mestdepot toe te laten en onrechtmatig heeft gehandeld door die toegang onmogelijk te maken. Het nam daarbij de navolgende omstandigheden in aanmerking:
(1) [eiseres] was al jaren op de hoogte van het reilen en zeilen in de manege en was er uiteraard mee bekend dat [verweerder] wekelijks gebruik maakte van het mestdepot.
(2) [eiseres] was, als dochter van de directeur van [A], op de hoogte van het slepende conflict met [verweerder] en de oorzaak daarvan.
(3) [eiseres] wist tevens dat de rechter meer dan eens, en recent nog ten gronde, had geoordeeld dat haar vader het mestdepot door [verweerder] moest dulden.
Het hof oordeelde dat [eiseres] in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid handelde door eenzijdig - en vooruitlopend op een voor [A] en haar (alsnog) gunstige uitspraak - de toegang af te sluiten.
Het moge zo zijn, aldus het hof, dat een koper in het algemeen niet aan een obligatoire verbintenis tussen de verkoper en een derde gebonden is, de bijzondere omstandigheden van dit geval - met name de bedoelde wetenschap van [eiseres] - maken dat anders.
3.5 Terecht klaagt onderdeel 16 over de motivering van dit oordeel. De door het hof bedoelde bijzondere omstandigheden, kort gezegd dat [eiseres] op de hoogte was van het conflict van haar vader en [A] met [verweerder] en de rechterlijke uitspraken die inhielden dat [betrokkene 1] en [A] het gebruik door [verweerder] van het mestdepot op het perceel van [A] moesten dulden, zijn onvoldoende voor de gevolgtrekking dat [eiseres] in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid handelde door, nadat zij de eigendom van dat perceel had verkregen, het mestdepot af te sluiten en aan [verweerder] de toegang tot haar terrein te ontzeggen. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 september 2007;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 465,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 april 2009.
Conclusie 23‑01‑2009
Mr. J. Spier
Partij(en)
Conclusie Inzake
[Eiseres]
tegen
- 1.
[Verweerder 1];
- 2.
[Verweerster 2]
(hierna zowel afzonderlijk als gezamenlijk aan te duiden als: [verweerder])
Inleiding
Het onderhavige cassatieberoep is, in de bewoordingen van mr Mok, geschikt voor de art. 81 RO-guillotine.
1. Feiten1.
1.1
[Verweerder] woont aan de [a-straat 1] te [woonplaats].
1.2
De vader van [eiseres] is directeur enig aandeelhouder van [A] B.V. die op het perceel [a-straat 2] een manege heeft geëxploiteerd.
1.3
In 1990 heeft [verweerder] met een voormalig eigenaar van de aangrenzende percelen de afspraak gemaakt dat zij de mest van haar eigen paarden over de weg van de manege naar het mestdepot van de manege mocht vervoeren om daar haar mest te storten (circa drie kruiwagens per week). [Verweerder] is, ook nadat [betrokkene 1] en [A] eigenaar waren geworden van genoemde percelen, mest blijven storten op het mestdepot van de manege.
1.4
In 1996 is [A] begonnen met de exploitatie van de manege.
1.5
Op 6 september 1996 heeft [verweerder], op verzoek van [A] en [betrokkene 1], die het desbetreffende stukje land wilden aanwenden om de oprit van hun perceel te vergroten, aan [A] om niet een stuk grond (ter grootte van 12 centiare) overgedragen.
1.6
[Eiseres] heeft sinds 1 oktober 1996 de dagelijkse leiding over de manege.
1.7
Vanaf medio 1999 hebben [betrokkene 1] en [A] bezwaar gemaakt tegen het deponeren van de mest op het mestdepot van de manege; zij hebben hierover verschillende kort geding-procedures gevoerd.
1.8
Sinds 12 december 2002 treedt [eiseres] op als gevolmachtigde van de manege.
1.9
In een bodemprocedure tussen [verweerder] enerzijds en [A] en [betrokkene 1] anderzijds heeft de Rechtbank 's‑Gravenhage bij tussenvonnis van 29 juni 2005 overwogen:
‘Vast staat dat [verweerder] c.s. in 1990 een persoonlijk recht is toegekend om hun mest op het mestdepot van de manege te deponeren. Dat recht is na verandering van eigenaar van het perceel niet gewijzigd. Ook [A] heeft immers aanvankelijk toegestaan dat [verweerder] c.s. hun mest op het mestdepot deponeerden.’
1.10
Bij eindvonnis van 15 februari 2006 heeft de Rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaard dat [A] moet gedogen dat [verweerder] op haar terrein mest blijft deponeren. Voorts wordt overwogen dat de (onder 1.5 genoemde) overdracht aan [A] geschiedde onder de voorwaarde dat [verweerder] in de toekomst gebruik mocht blijven maken van het mestdepot van de manege.
1.11
Met ingang van 1 april 2006 heeft [A] (de onderneming van) de manege overgedragen aan [eiseres].
1.12
Begin april 2006 heeft [eiseres] voor [verweerder] het mestdepot afgesloten en heeft zij hem de toegang tot het terrein ontzegd.
2. Procesverloop
2.1
[Verweerder] heeft [eiseres] op 30 juni 2006 gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de Rechtbank 's Gravenhage en, na wijziging van eis, gevorderd [eiseres] te veroordelen — kort gezegd — te gedogen dat [verweerder] haar mest blijft deponeren op het terrein van de manege. Deze vordering is in essentie gebaseerd op de onder 1 vermelde feiten en omstandigheden.
2.2
[Eiseres] heeft — naar de kern genomen — aangevoerd dat het van meet af aan de bedoeling is geweest (in het kader van ‘estateplanning’ — d.i. vermijding van successierechten —) de manage aan haar over te dragen. Zij zou niet van een verplichting om [verweerder] mest te laten storten op de hoogte zijn geweest. Zij betwist onrechtmatig te handelen.
2.3
In haar vonnis van 25 augustus 2006 heeft de Rechtbank geoordeeld dat (aannemelijk is dat) [eiseres] op de hoogte was van de met [A] gemaakte afspraken omtrent het deponeren van de mest; immers had [verweerder] sinds oktober 1996 de dagelijkse leiding van de manage en heeft zij het depot wekelijks waargenomen (rov. 3.3 en 3.4). [verweerder] wordt veroordeeld ‘om binnen drie dagen na betekening van het vonnis te gehengen en te gedogen’ dat [verweerder] zich op elk tijdstip van de week ongehinderd kan bewegen van haar perceel tot het mestdepot van de manege teneinde haar mest daar op de gebruikelijke wijze te deponeren.
2.4
[Eiseres] is in hoger beroep gekomen. [Verweerder] heeft het beroep bestreden.
2.5
Bij arrest van 5 september 2007 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd, overwegend:
‘2.
(…) Het is het Hof ambtshalve bekend dat laatstelijk bij in kort geding gewezen vonnis van 20 december 2004 (…) en bij in de bodemzaak gewezen vonnissen van 29 juni 2005 en 15 februari 2006 (…) [verweerder] in het bestaande conflict aldus in het gelijk is gesteld, dat het [A] en de vader van [eiseres] op straffe van een dwangsom geboden is te dulden dat [verweerder] zijn mest op het terrein van de manege deponeert.
(…)
3.
Met de grieven beoogt [eiseres] te bereiken dat het hof het geschil in volle omvang beoordeelt en de voorzieningen alsnog weigert. Wat dit laatste betreft tevergeefs.
Vooropgesteld wordt dat uit de stellingen genoegzaam kan worden afgeleid dat tussen [verweerder] en [eiseres] contractueel geen band bestaat welke [eiseres] verplicht het op 15 februari 2006 gewezen vonnis jegens [verweerder] na te komen. [A] en [betrokkene 1] waren niet gehouden hun eventueel bestaande contractuele verplichting jegens [verweerder] over te dragen en zijn dus in zoverre niet tekort geschoten. Daarom doet zich niet de situatie voor dat [eiseres] gebruik maakt van wanprestatie, zodat zij op die grondslag niet onrechtmatig kan handelen.
Tussen partijen staat voorts niet ter discussie dat, zoals ook in eerste aanleg is geoordeeld, van verplichtingen van [eiseres] tegenover [verweerder] op grond van een kwalitatieve verbintenis als bedoeld in artikel 6:252 BW geen sprake is. (…)
Desondanks mocht de voorzieningenrechter in het midden laten of [A] wanprestatie heeft gepleegd, omdat hij op andere gronden heeft geoordeeld dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld.
4.
De rechter in eerste aanleg heeft geconcludeerd dat [eiseres] verplicht was om [verweerder] tot het mestdepot toe te laten en onrechtmatig heeft gehandeld door die toegang onmogelijk te maken. Het hof deelt deze opvatting. Daarvoor neemt het de in het vonnis genoemde omstandigheden van het geval in aanmerking: [eiseres] was al jaren op de hoogte van het reilen en zeilen in de manege en was er uiteraard mee bekend dat [verweerder] wekelijks gebruik maakte van het mestdepot. In hoger beroep is niet langer betwist dat [eiseres] op de hoogte was, als dochter van de directeur van [A], van het slepende conflict met [verweerder] en de oorzaak daarvan. Zij wist tevens dat de rechter meer dan eens, en recent nog ten gronde, had geoordeeld dat haar vader het mestdepot door [verweerder] moest dulden. Onder die omstandigheden kan zij zich er niet achter verschuilen dat bij de overdracht geen melding is gemaakt van enige — overigens volgens [A] niet overeengekomen — verplichting om [verweerder] toe te laten. Zij handelde in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid om eenzijdig en — vooruitlopend op een voor [A] en haar (alsnog) gunstige uitspraak — de toegang af te sluiten. Het moge zo zijn dat een koper in het algemeen niet aan een obligatoire verbintenis tussen de verkoper en een derde gebonden is, de bijzondere omstandigheden van dit geval — met name bedoelde wetenschap van [eiseres] — maken dat anders, de bespiegelingen van [eiseres] in de toelichting op grief I ten spijt. Deze grief is daarom ongegrond.
Hieruit volgt tevens dat verdere bespreking van grief II niet meer nodig is en die grief eveneens faalt.’.
2.7
[Eiseres] heeft tijdig beroep in cassatie doen bezorgen. Tegen [verweerder] is verstek verleend. [Eiseres] heeft haar standpunten schriftelijk toegelicht.
3. Afdoening van het middel
3.1
Het middel richt zich blijkens onderdeel 2 tegen (de slotzin van) rov. 3 en tegen rov. 4 van het bestreden arrest. De onderdelen 1, 2, 3, 4 en 5 behelzen geen (begrijpelijke) klachten.
3.2
Voor zover onderdeel 6 al begrijpelijk is, ontbeert het feitelijke grondslag. Immers heeft het Hof het onrechtmatige niet gezocht in het profiteren van wanprestatie.
3.3
Ook onderdeeel 7 mist feitelijke grondslag nu het Hof wél heeft aangegeven waarom [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld. Dat oordeel is, anders dan [eiseres] lijkt te menen, niet alleen gebaseerd op haar — in eerste aanleg in strijd met de waarheidsplicht trouwens nog ontkende — wetenschap. Ook de onderdelen 8–10 lopen daarop stuk.
3.4
De onderdelen 11 en 12 mislukken op twee zelfstandige gronden:
- a.
een rechtsoordeel kan niet met vrucht met een motiveringsklacht worden bestreden;
- b.
de geciteerde passage is slechts een onderdeel van 's Hofs motivering.
3.5
Met voorbijgaan aan de taalfouten: onderdeel 13 is onbegrijpelijk. 15 februari 2006 ligt toch, zou ik denken, vóór april 2006.
3.6
Onderdeel 14, dat moeilijk valt te doorgronden, lijkt te berusten op een cirkelredenering: 's Hofs gedachtegang is onjuist omdat er geen verplichting bestond. Een dergelijke bestrijding van 's Hofs oordeel voldoet evenwel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.
3.7
Ook onderdeel 15 mislukt. Immers berust het op een miskenning van 's Hofs gedachtegang. Deze komt erop neer dat het om de in rov. 3.4 genoemde omstandigheden, ook los van enige contractuele verplichting, onrechtmatig is om het deponeren van mest te verhinderen.
3.8
Voor zover onderdeel 16 een zelfstandige klacht bedoelt te vertolken, voldoet deze niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.
3.9.1
Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Uit de vaststaande feiten valt op te maken dat [verweerder] in 1996 op hun verzoek om niet een stukje grond aan [A] en [betrokkene 1] heeft overgedragen. Het ligt voor de hand aan te nemen — zoals ook de Haagse Rechtbank heeft gedaan; zie onder 1.10 — dat er een relatie bestond tussen deze gratis overdracht en de bestaande bereidheid van [A]/[betrokkene 1] [verweerder] toe te staan om wekelijks een betrekkelijk bescheiden hoeveelheid mest te deponeren op hun terrein. Dat is door [verweerder] ook gesteld2. en niet weersproken.3. Bij die stand van zaken dringt zich een zekere parallel op met HR 23 juni 2006, NJ 2006, 353.
3.9.2
Ik spreek met opzet van een parallel, want de feiten in de onderhavige zaak zijn nog sprekender ten nadele van [eiseres] dan die in de zo-even genoemde zaak ten nadele van de Staat. Daarbij moet worden bedacht dat, naar zij zelf heeft aangevoerd, van meet af aan de bedoeling is geweest om de manege aan haar over te dragen; zie onder 2.2. Bovendien voerde zij vrijwel van stonde af aan de scepter over de manege; zie onder 1.6. Tegen die achtergrond bezien, zou minstgenomen onbevredigend zijn om [verweerder] enkel als gevolg van de overdracht te versteken van het recht mest te storten.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑01‑2009
Beroepschrift 29‑10‑2007
Heden, de [negenentwintigste oktober] tweeduizendzeven, ten verzoeke van [requirante], wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats kiezende te Leiden aan de Haagweg 5, ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. P.J. Arentshorst van RWV De Ruijter de Wildt & De Vroom Advocaten, die in deze zaak door haar tot advocaat wordt gesteld teneinde haar in na te melden rechtsgeding als zodanig te vertegenwoordigen;
heb ik,
[Suzanne Catharine ter Kuile als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van Jurjen Remko van Dijk. als gerechtsdeurwaarder gevestigd te Leiden en aldaar kantoorhoudende aan de Boommarkt 3a;]
AANGEZEGD AAN:
- 1.
[gerequireerde 1], wonende te [woonplaats], en
- 2.
[gerequireerde 2], wonende te [woonplaats],
beiden laatstelijk woonplaats gekozen hebbende ten kantore van hun procureur in hoger beroep mr. E.C. van Lent aan diens kantoor te (2332 AA ) Leiden aan de Vondellaan 51, aldaar aan het kantoor van de procureur mijn exploot doende en voor ieder van genoemden afschrift dezes latende aan:
[Mw …, aldaar werkzaam]
dat mijn requirante beroep in cassatie instelt tegen het tussen mijn requirante als appellante en gerequireerden als geïntimeerden op 5 september 2007 onder rolnummer C06-1140 gewezen arrest van het Gerechtshof 's‑Gravenhage;
MEEGEDEELD:
dat indien gedaagde in cassatie op de eerste of op een door de rechter nader bepaalde roldatum verzuimt een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden te stellen, die als zodanig als vertegenwoordiger in rechte zal optreden, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, de rechter verstek tegen hem zal verlenen en de vordering inhoudelijk zal behandelen;
dat, indien er meer gedaagden in cassatie zijn en tenminste één van hen in het geding is verschenen, dan wordt, indien ten aanzien van de niet verschenen gedaagden in cassatie de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, tegen deze verstek verleend en tussen de eiser in cassatie en de verschenen gedaagden in cassatie voort geprocedeerd. Tussen alle partijen wordt één uitspraak gewezen die als een uitspraak op tegenspraak wordt beschouwd.
Vervolgens heb ik, deurwaarder, op datum, ten verzoeke van, met woonplaatskeuze en aanwijzing van een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden als gemeld, mijn exploit doende, sprekende met en afschrift latende gerequireerden voornoemd
GEDAGVAARD:
om op vrijdag, de drieentwintigste (23e) november tweeduizendzeven, des voormiddags te 10.00 uur niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden te verschijnen op de terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, Eerste Enkelvoudige Kamer voor de behandeling van Burgerlijke Zaken, alsdan gehouden wordende in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage;
TENEINDE:
alsdan en aldaar namens mijn requirante te horen eis doen tegen gerequireerden en concluderen als volgt:
Middel I:
1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming nietigheid meebrengt doordat het Hof in haar arrest d.d. 5 september 2007 heeft overwogen en op grond daarvan heeft beslist zoals daarin is weergegeven, zulks ten onrechte op een of meer van de navolgende, zonodig in onderling verband en samenhang in aanmerking nemende redenen:
2.
Ten onrechte, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd heeft het Hof in rechtsoverwegingen 3 en 4 van het bestreden arrest overwogen:
r.o. 3:
‘(…) Desondanks mocht de voorzieningenrechter in het midden laten of [A] wanprestatie heeft gepleegd, omdat hij op andere gronden heeft geoordeeld dat [requirante] onrechtmatig heeft gehandeld.’
r.o. 4:
‘De rechter in eerste aanleg heeft geconcludeerd dat [requirante] verplicht was om [gerequireerde] tot het mestdepot toe te laten en onrechtmatig heeft gehandeld door die toegang onmogelijk te maken. Het Hof deelt deze opvatting. Daarvoor neemt het de in het vonnis genoemde omstandigheden van het geval in aanmerking:
[requirante] was al jaren op de hoogte van het reilen en zeilen in de manege en was er uiteraard mee bekend dat [gerequireerde] wekelijks gebruik maakte van het mestdepot. In hoger beroep is niet langer betwist dat [requirante] op de hoogte was, als dochter van de directeur van [A], van het slepende conflict met [gerequireerde] en de oorzaak daarvan. Zij wist tevens dat de rechter meer dan eens, en recent nog ten gronde, had geoordeeld dat haar vader het mestdepot door [gerequireerde] moest dulden. Onder die omstandigheden kan zij zich er niet achter verschuilen dat bij de overdracht geen melding is gemaakt van enige — overigens volgens [A] niet overeengekomen — verplichting om [gerequireerde] toe te laten. Zij handelde in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid om eenzijdig en — vooruitlopend op een voor [A] en haar (alsnog) gunstige uitspraak — de toegang af te sluiten. Het moge zo zijn dat een koper in het algemeen niet aan een obligatoire verbintenis tussen de verkoper en een derde gebonden is, de bijzondere omstandigheden van dit geval — met name bedoelde wetenschap van [requirante] — maken dat anders, de bespiegelingen van [requirante] in de toelichting op grief I ten spijt. Deze grief is daarom ongegrond.
Hieruit volgt dat tevens dat verdere bespreking van grief II niet meer nodig is en die grief eveneens faalt.’
3.
Deze gedachtegang van het Hof is niet begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, zeker nu het Hof eerder in rechtsoverweging 3 heeft overwogen dat:
- a)
tussen [gerequireerde] en [requirante] geen contractuele band bestaat welke [requirante] verplicht het op 15 februari 2006 gewezen vonnis jegens [gerequireerde] na te komen;
- b)
[A] en [betrokkene 1] niet gehouden waren hun eventueel bestaande contractuele verplichting jegens [gerequireerde] over te dragen en zij dus in zoverre niet zijn tekort geschoten;
- c)
zich niet de situatie voordoet dat [requirante] gebruik maakt van wanprestatie, zodat zij op die grondslag niet onrechtmatig kan handelen;
- d)
er geen sprake is van een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 BW van [requirante] tegenover [gerequireerde].
4.
Vaststaat derhalve dat [requirante] geen gebruik maakt van c.q. profiteert van de wanprestatie van [A].
5.
De grondslag van de vordering van [gerequireerde] is dat [requirante] onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens [gerequireerde] door te profiteren van de wanprestatie van [A]. [requirante] zou om die reden hebben gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt (vide onder 25 bij inleidende dagvaarding). Die grondslag van zijn vordering heeft [gerequireerde] in appèl gehandhaafd.
6.
Zoals volgt uit hetgeen het Hof in rechtsoverweging 3 van het bestreden arrest heeft overwogen, vervalt die grondslag aan de vordering van [gerequireerde]. Het Hof heeft dit echter miskent. [requirante] heeft immers
- a)
niet geprofiteerd van de wanprestatie van [A],
- b)
aldus niet gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt en
- c)
derhalve niet onrechtmatig gehandeld.
7.
Het Hof heeft nagelaten te overwegen op welke grond [requirante] [gerequireerde] de toegang tot het mestdepot niet mag weigeren. De wetenschap bij [requirante] van het feit dat [A] moest gehengen en gedogen dat [gerequireerde] gebruik mocht maken van het mestdepot, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat [requirante] [gerequireerde] de toegang tot het mestdepot niet mag weigeren. Een contractuele verbintenis bestaat niet tussen partijen, er is tevens geen sprake van een kwalitatieve verplichting voor [requirante] en [requirante] profiteert niet van wanprestatie van [A].
8.
Uw Raad heeft reeds in zijn arrest van 11 november 1937, 1096 (Kolynos) beslist dat het bewust gebruik maken (profiteren) van de omstandigheid dat andere personen zich aan hun (contractuele) verplichtingen jegens een derde onttrekken in beginsel jegens die derde niet onrechtmatig is. Slechts bijkomende omstandigheden kunnen dit anders doen zijn.
9.
In latere arresten heeft uw Raad dit bevestigd, vide onder meer: HR 12 januari 1962, NJ 1962, 246 (Nibeja/Grundig); HR 17 november 1967, NJ 1968, 42 (Pos-Van den Bos); HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760 (Curacao/Boye); HR 10 november 1995, NJ 1996, 270 (Luttikhuizen/Van Mourik); HR 26 januari 2007, NJ 2007, 78.
10.
Het Hof gaat eraan voorbij dat bijkomende omstandigheden het handelen van [requirante] in casu slechts onrechtmatig kunnen doen zijn indien sprake is van het profiteren door [requirante] van wanprestatie van [A]. Nu het Hof niet heeft vastgesteld dat sprake is van wanprestatie van [A], kunnen derhalve nimmer bijkomende omstandigheden het handelen van [requirante] alsnog onrechtmatig doen zijn, ook niet langs de weg van de maatschappelijke betamelijkheid.
11.
Ten onrechte, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd heeft het Hof in rechtsoverweging 4 van het bestreden arrest overwogen:
‘(…) Zij handelde in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid om eenzijdig en — vooruitlopend op een voor [A] en haar (alsnog) gunstige uitspraak — de toegang af te sluiten. (…)’
12.
Deze overweging is onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. Indien het Hof heeft bedoeld te zeggen dat — los gezien van de vraag of er wel of geen sprake is van wanprestatie van [A]-[requirante] in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid heeft gehandeld door eenzijdig en — vooruitlopend op een voor [A] en haar (alsnog) gunstige uitspraak — de toegang af te sluiten, dan is die overweging in strijd met de vaststaande feiten.
13.
Ten tijde van het afsluiten van het mestdepot door [requirante] (april 2006) was er in het geheel geen procedure aanhangig tussen [gerequireerde] en respectievelijk [A] en/of [requirante]. De kort geding dagvaarding dateert eerst van 30 juni 2006; de uitspraak in de bodemprocedure tussen [A] en [gerequireerde] dateert van 15 februari 2006.
Het Hof heeft aldus de vaststaande feiten miskent en onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze zij de rechtsregel van de maatschappelijke betamelijkheid heeft toegepast.
14.
Nu bovendien vaststaat dat [requirante] niet gehouden was om een mogelijke verplichting van [A] jegens [gerequireerde] over te nemen, is ook om die reden zonder nadere motivering onbegrijpelijk de overweging van het Hof dat [requirante] heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt.
15.
Het Hof neemt — ten onrechte — als uitgangspunt voor haar beslissing de omstandigheden
- a)
dat [requirante] al jaren bekend was met het reilen en zeilen van de manege,
- b)
dat [gerequireerde] wekelijks gebruik maakte van het mestdepot en
- c)
dat [A] moest dulden dat [gerequireerde] van het mestdepot gebruik maakte.
Het Hof overweegt dat onder die omstandigheden [requirante] zich er niet achter kan verschuilen dat bij de overdracht geen melding is gemaakt van enige — overigens volgens [A] niet overeengekomen — verplichting om [gerequireerde] toe te laten. Deze overweging van het Hof strookt echter niet met haar eerdere overweging dat [A] niet gehouden was een eventueel bestaande contractuele verplichting jegens [gerequireerde] over te dragen aan [requirante]. [requirante] was derhalve niet gehouden een verplichting over te nemen.
16.
Deze door het Hof genoemde omstandigheden kunnen dan ook afzonderlijk en in onderling verband bezien zonder nadere motivering niet leiden tot het oordeel dat [requirante] jegens [gerequireerde] een ongeschreven norm die in het maatschappelijk verkeer betaamt overschrijdt en aldus onrechtmatig handelt. Daarbij heeft het Hof bovendien verzuimd te overwegen op welke grond [requirante] [gerequireerde] de toegang tot het mestdepot niet mocht weigeren.
*****
MITSDIEN:
het de Hoge Raad moge behagen bij arrest:
Op grond van het aangevoerde middel te vernietigen het arrest waartegen het cassatieberoep zich richt met een zodanige beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens.
De kosten dezes zijn € [ 70,85 + € 13,46 = € 84,51.]
[Verzoek(st)er kan op grond ven de Wet Omzetbelasting 1968 de hem/haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet verrek deurwaarder Ondergetekende verklaart de kosten van dit exploot/proces-verbaal dientengevolge te hebben verhoogd met het geldende BTW-tarief]