Procestaal: Duits.
HvJ EU, 23-01-2025, nr. C-518/23
ECLI:EU:C:2025:35
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
23-01-2025
- Magistraten
T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-518/23
- Roepnaam
NEW Niederrhein Energie und Wasser
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
EU-recht (V)
Energierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:35, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 23‑01‑2025
Uitspraak 23‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Oneerlijke handelspraktijken — Richtlijn 2005/29/EG — Artikel 7 — Misleidende omissies — Uitnodiging tot aankoop — Essentiële informatie — Aan de consument te verstrekken informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend — Onlineaanbod tot levering van elektriciteit — Tariefsimulator — Vermelding van een percentage waarmee de prijs voor de consument wordt verhoogd
T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-518/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 27 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 10 augustus 2023, in de procedure
Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände — Verbraucherzentrale Bundesverband e.V.
tegen
NEW Niederrhein Energie und Wasser GmbH,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Kumin (rapporteur) en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände Verbraucherzentrale Bundesverband e.V., vertegenwoordigd door P. Wassermann, Rechtsanwalt,
- —
NEW Niederrhein Energie und Wasser GmbH, vertegenwoordigd door T. Höch, Rechtsanwalt,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel, P. Ondrůšek en I. Rubene als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1 en lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände — Verbraucherzentrale Bundesverband e.V. (federale vereniging van consumentenorganisaties, Duitsland; hierna: ‘Bundesverband’) en NEW Niederrhein Energie und Wasser GmbH over vermeend misleidende reclame voor een aanbod tot levering van elektriciteit.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 6, 7, 14 en 18 van richtlijn 2005/29 luiden:
- ‘(6)
Daarom wordt de wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, bij deze richtlijn geharmoniseerd. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel beschermt deze richtlijn de consumenten tegen de gevolgen van oneerlijke handelspraktijken indien deze gevolgen substantieel zijn, maar erkent de richtlijn ook dat de gevolgen voor de consumenten in sommige gevallen verwaarloosbaar kunnen zijn. […]
- (7)
Deze richtlijn betreft handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument over transacties met betrekking tot producten. […]
[…]
- (14)
Het is wenselijk dat onder misleidende handelspraktijken die praktijken worden verstaan waarbij de consument wordt bedrogen en hem wordt belet een geïnformeerde en dus efficiënte keuze te maken, inclusief misleidende reclame. Overeenkomstig de wetten en praktijken van lidstaten met betrekking tot misleidende reclame, worden misleidende praktijken in de richtlijn onderverdeeld in misleidende handelingen en misleidende omissies. Met betrekking tot omissies wordt in deze richtlijn een beperkte hoeveelheid essentiële informatie bepaald die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen over een transactie. Deze informatie hoeft niet in alle reclame te worden vermeld, maar wel wanneer de handelaar een uitnodiging tot aankoop tot de consument richt, een begrip dat in deze richtlijn duidelijk wordt gedefinieerd. De in deze richtlijn gehanteerde aanpak van volledige harmonisatie belet niet dat de lidstaten in hun nationale wetgeving van bepaalde producten, zoals verzamelobjecten of elektrische apparaten, de hoofdkenmerken specifiëren, die in een uitnodiging tot aankoop niet mogen worden weggelaten. […]
[…]
- (18)
Alle consumenten moeten tegen oneerlijke handelspraktijken worden beschermd; het Hof van Justitie heeft het […] evenwel noodzakelijk geacht om bij uitspraken in zaken over reclamekwesties na te gaan wat de gevolgen voor een fictieve doorsneeconsument zijn. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, en om de uit hoofde van dat beginsel geboden bescherming ook effectief te kunnen toepassen, wordt in deze richtlijn het door het Hof van Justitie ontwikkelde criterium van de gemiddelde — dit wil zeggen redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende — consument als maatstaf genomen, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met maatschappelijke, culturele en taalkundige factoren, maar wordt er tevens voorzien in bepalingen die voorkomen dat wordt geprofiteerd van consumenten die bijzonder vatbaar zijn voor oneerlijke handelspraktijken. […] Het criterium van de gemiddelde consument is geen statistisch criterium. Nationale rechtbanken en autoriteiten moeten, rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, hun eigen oordeel volgen om vast te stellen wat de typische reactie van de gemiddelde consument in een bepaald geval is.’
4
Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- d)
handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten […]: iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;
[…]
- i)
uitnodiging tot aankoop: een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen;
[…]’
5
Artikel 7 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.
- 2.
Als misleidende omissie wordt voorts beschouwd een handelspraktijk die essentiële informatie als bedoeld in lid 1, rekening houdend met de in dat lid geschetste details, verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.
- 3.
Indien het voor de handelspraktijk gebruikte medium beperkingen qua ruimte of tijd meebrengt, wordt bij de beoordeling of er informatie werd weggelaten met deze beperkingen rekening gehouden, alsook met maatregelen die de handelaar genomen heeft om de informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen.
- 4.
In het geval van een uitnodiging tot aankoop wordt de volgende informatie als essentieel beschouwd, indien deze niet reeds uit de context blijkt:
[…]
- c)
de prijs, inclusief belastingen, of, als het om een soort product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat er eventueel […] extra kosten moeten worden betaald;
[…]’
Duits recht
6
Het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet inzake oneerlijke mededinging) van 3 juli 2004 (BGBl. 2010 I, blz. 254), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie van 28 mei 2022 (hierna: ‘UWG’), strekt met name tot omzetting van richtlijn 2005/29 in Duits recht.
7
§ 5a, leden 1 en 3, UWG luidt:
- ‘(1)
Oneerlijk handelt ook, eenieder die een consument of een andere marktdeelnemer misleidt door essentiële informatie weg te laten
- 1.
die de consument of andere marktdeelnemer in de gegeven omstandigheden nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, en
- 2.
waarvan het weglaten de consument of andere marktdeelnemer ertoe kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen
[…]
- (3)
Bij de beoordeling of essentiële informatie is weggelaten, moet rekening worden gehouden met:
- 1.
beperkingen qua ruimte of tijd als gevolg van het voor de handelspraktijk gekozen communicatiemedium, en
- 2.
alle maatregelen die de handelaar heeft genomen om de informatie aan de consument of andere marktdeelnemer te verstrekken via andere middelen dan het voor de handelspraktijk gekozen communicatiemedium.’
8
§ 5b, lid 1, UWG luidt:
‘Indien producten of diensten onder aanduiding van hun kenmerken en prijs worden aangeboden op een wijze die in het licht van het gebruikte communicatiemedium passend is, zodat een gemiddelde consument de transactie kan sluiten, wordt de volgende informatie als essentieel in de zin van § 5a, lid 1, beschouwd, voor zover zij niet rechtstreeks uit de context blijkt:
[…]
- 3.
de totale prijs, of, als het om een soort product of dienst gaat waarvan de prijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat er eventueel extra kosten moeten worden betaald;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9
NEW Niederrhein Energie und Wasser, een onderneming die op het gehele Duitse grondgebied actief is, levert onder meer elektriciteit aan afnemers die over elektrische accumulatieverwarmingstoestellen beschikken (hierna: ‘elektriciteit voor verwarmingsdoeleinden’). Aldus verkoopt deze onderneming aan deze afnemers met name elektriciteit die tegen een verlaagd tarief in rekening wordt gebracht tijdens de ‘daluren’ (tijdsspanne gedurende de nacht) en die bestemd is om deze toestellen van stroom te voorzien.
10
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verbruik door deze afnemers van, enerzijds, elektriciteit voor verwarmingsdoeleinden en, anderzijds, elektriciteit die voor andere doeleinden wordt gebruikt, afzonderlijk of gezamenlijk in rekening kan worden gebracht. In het laatste geval wordt gebruikgemaakt van een dubbeltariefmeter met twee telwerken die het elektriciteitsverbruik registreren, het ene tegen het verlaagde tarief tijdens de daluren en het andere tegen het volle tarief tijdens de andere uren van de dag.
11
De verwijzende rechter verduidelijkt dat de afnemers tijdens de uren waarop het verlaagde tarief van toepassing is, naast de elektriciteit voor verwarmingsdoeleinden ook elektriciteit kunnen gebruiken voor andere doeleinden, waarbij laatstgenoemd verbruik niet afzonderlijk kan worden geregistreerd. Bepaalde beheerders en exploitanten van elektriciteitsdistributienetten leggen de elektriciteitsleveranciers in die situatie een zogenoemde ‘compensatie’ (hierna: ‘compensatiehoeveelheid’) op, die overeenkomt met een facturering tegen het volle tarief van een deel van het elektriciteitsverbruik dat tegen het verlaagde tarief is geregistreerd, in de vorm van een forfaitair percentage.
12
Op haar website, www.new-energie.de, stelt NEW Niederrhein Energie und Wasser, die de door de exploitanten van elektriciteitsdistributienetten vastgestelde compensatiehoeveelheid doorberekent aan haar afnemers, een simulator voor elektriciteitstarieven ter beschikking van het publiek. Die simulator kan ook worden gebruikt door personen die elektriciteit verbruiken voor verwarmingsdoeleinden en die beschikken over een dubbeltariefmeter. De betrokkenen moeten daartoe hun postcode en de hoeveelheid elektriciteit die zij hebben verbruikt of die overeenkomt met hun behoefte uit hoofde van het verlaagde tarief respectievelijk het volle tarief, in die simulator invoeren. De simulator berekent dan een tariefaanbod dat zij kunnen aanvaarden, waardoor zij dus een contract sluiten voor de levering van elektriciteit met NEW Niederrhein Energie und Wasser.
13
Volgens het Bundesverband vormt het niet vermelden — bij gebruik van die simulator — van de aan de betrokken consument doorberekende compensatiehoeveelheid een schending van het verbod van misleidende omissie en bijgevolg van de UWG. De door de tariefsimulator weergegeven definitieve prijs is immers lager dan de werkelijke prijs, aangezien daarin geen rekening wordt gehouden met het percentage dat voor de compensatiehoeveelheid is vastgesteld.
14
Het Bundesverband heeft de bevoegde Duitse rechterlijke instanties zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verzocht om NEW Niederrhein Energie und Wasser te gelasten om met name niet langer reclame te maken voor een aanbod voor de levering van elektriciteit voor verwarmingsdoeleinden zonder dat de consument in het kader van het contractuele proces en meer bepaald, wat de wijze van facturering van deze elektriciteit betreft, uitdrukkelijk wordt meegedeeld welk percentage voor de compensatiehoeveelheid wordt vastgesteld en toegepast wanneer het verbruik van die elektriciteit en van de elektriciteit die voor andere doeleinden wordt gebruikt, gezamenlijk in rekening wordt gebracht door middel van een dubbeltariefmeter.
15
Aangezien deze rechterlijke instanties deze vorderingen hadden afgewezen, heeft het Bundesverband beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter, waarbij het opnieuw staking van die reclame vordert.
16
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in de algemene verkoopvoorwaarden van verweerster in het hoofdgeding, waarvan de betrokkene moet bevestigen kennis te hebben genomen tijdens het proces van aanvaarding op internet van het aanbod voor de levering van elektriciteit die met name voor verwarmingsdoeleinden wordt gebruikt, wordt verduidelijkt dat de exploitant van het lokale distributienet voor elektriciteit het nachttijdvak en het percentage voor de compensatiehoeveelheid vaststelt. Ook staat daarin te lezen dat dit percentage is vastgesteld op 25 % door de exploitant van het net voor het geografische gebied waaronder de zetel van verweerster in het hoofdgeding valt.
17
De verwijzende rechter is van oordeel dat reclame voor een aanbod tot levering van elektriciteit als gevolg van de terbeschikkingstelling door de leverancier van een onlinetariefsimulator een ‘uitnodiging tot aankoop’ vormt in de zin van de relevante Duitse wetgeving, die met name artikel 7, lid 4, van richtlijn 2005/29 in nationaal recht omzet.
18
Aangezien het definitieve besluit over een transactie, te weten het besluit van de consument om een overeenkomst voor de levering van elektriciteit te sluiten, zijn oorsprong vindt in het starten van het bestelproces, is de vermelding door verweerster in het hoofdgeding in haar algemene verkoopvoorwaarden van het percentage dat voor de toepasselijke compensatiehoeveelheid is vastgesteld, volgens deze rechter met name uit temporeel oogpunt niet geschikt om te voldoen aan de op haar rustende informatieplicht. In het bijzonder moet bij het gebruik van de simulator de informatie worden verstrekt over de manier waarop de in rekening gebrachte prijs wordt berekend, met vermelding van het exacte percentage compensatiehoeveelheid dat geldt voor de betrokkene. Door dit percentage in de berekening van de elektriciteitsprijs op te nemen, zouden de consumenten het aanbod van verweerster in het hoofdgeding dus kunnen vergelijken met dat van andere leveranciers.
19
Deze rechter is van oordeel dat de door het Bundesverband ingestelde stakingsvordering moet worden toegewezen indien wordt geoordeeld dat de door verweerster in het hoofdgeding krachtens artikel 7, lid 1 en lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 te verstrekken informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend, het exacte percentage compensatiehoeveelheid moet omvatten, zodat de betrokkene, die zijn elektriciteitsverbruik kent, die prijs zelfstandig kan berekenen. Een dergelijke uitlegging zou in overeenstemming zijn met het doel van deze richtlijn, die beoogt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, en zou kunnen worden afgeleid uit de regelgevende context van artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29.
20
De verwijzende rechter is van oordeel dat de consument die informatie nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen en dat het weglaten van die essentiële informatie de consument ertoe kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.
21
Voorts stelt deze rechter dat, hoewel de appelrechter heeft geoordeeld dat verweerster in het hoofdgeding niet in staat was om informatie te verstrekken over het exacte percentage compensatiehoeveelheid dat van toepassing is in het geografische gebied dat door een bepaald net wordt bestreken, aangezien exploitanten van elektriciteitsdistributienetten deze informatie slechts zelden bekendmaken, deze appelrechter niet heeft vastgesteld dat het voor verweerster in het hoofdgeding onmogelijk was om deze informatie bij die exploitanten in te winnen.
22
De verwijzende rechter merkt evenwel op dat de uitdrukking ‘de manier waarop de prijs wordt berekend’ in artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 ook aldus kan worden uitgelegd dat algemene informatieverstrekking aan de consument over de elementen die relevant zijn voor de berekening van de prijs, kan volstaan.
23
In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet de door de handelaar op grond van artikel 7, lid 1 en lid 4, onder c), van [richtlijn 2005/29] te verstrekken informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend, bij een prijsstelling naar verbruik van dien aard zijn dat de consument op basis van de informatie zelfstandig de prijs kan berekenen wanneer hij zijn verbruik kent?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
24
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat partijen in het hoofdgeding het oneens zijn over de vraag of de tariefsimulator die beschikbaar is op de internetsite van de elektriciteitsleverancier en die de betrokken consument in staat stelt om de maandelijkse prijs te berekenen die dient te worden betaald voor de elektriciteit die met name voor verwarmingsdoeleinden wordt gebruikt, de vermelding moet bevatten van het exacte percentage compensatiehoeveelheid dat de elektriciteitsleverancier op deze consument toepast, zodat de consument, die zijn elektriciteitsverbruik kent, deze prijs zelfstandig kan berekenen.
25
In die omstandigheden wenst de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vraag in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1 en lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van reclame op internet voor een aanbod tot levering van elektriciteit, de informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend het exacte percentage moet bevatten van een variabele component, zoals de compensatiehoeveelheid die door de elektriciteitsleverancier op de betrokken consument wordt toegepast, zodat deze laatste die prijs zelfstandig kan berekenen zodra hij zijn elektriciteitsverbruik kent.
26
Er dient te worden herinnerd dat artikel 7, lid 4, van richtlijn 2005/29 enkel van toepassing is op handelspraktijken die vooraf als ‘uitnodiging tot aankoop’ zijn aangemerkt, terwijl artikel 7, leden 1 tot en met 3 en lid 5, van deze richtlijn geldt voor alle handelspraktijken, met inbegrip van uitnodigingen tot aankoop (arrest van 12 mei 2011, Ving Sverige, C-122/10, EU:C:2011:299, punt 24).
27
Volgens de verwijzende rechter vormt de reclame voor een aanbod tot levering van elektriciteit door middel van een tariefsimulator die op de website van de elektriciteitsleverancier ter beschikking van de consument wordt gesteld, een ‘uitnodiging tot aankoop’ in de zin van artikel 2, onder i), van richtlijn 2005/29. Derhalve moet worden opgemerkt dat die bepaling dit begrip definieert als ‘een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen’.
28
Bovendien heeft het Hof gepreciseerd dat voor een uitnodiging tot aankoop, als bijzondere reclamevorm, een verzwaarde informatieplicht geldt krachtens artikel 7, lid 4, van richtlijn 2005/29, gelezen in samenhang met overweging 14 ervan (arrest van 12 mei 2011, Ving Sverige, C-122/10, EU:C:2011:299, punt 28).
29
Elke uitnodiging tot aankoop moet dus de in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2005/29 opgesomde essentiële informatie bevatten die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen. Deze informatie omvat overeenkomstig artikel 7, lid 4, onder c), de prijs inclusief alle belastingen of, als het om een soort product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend.
30
Uit de bewoordingen van artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 blijkt om te beginnen dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de vermelding van de eindprijs en de vermelding van de manier waarop deze prijs wordt berekend, vervolgens dat het soort product bepalend is voor de situatie waarin die prijs redelijkerwijs niet vooraf door de handelaar kan worden berekend, en ten slotte dat, wanneer de handelaar die prijs niet kan vermelden, hij moet aangeven op welke wijze deze prijs wordt berekend of, met andere woorden, de manier waarop de eindprijs wordt berekend.
31
Wanneer de eindprijs voor de levering van elektriciteit redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, aangezien deze kan afhangen van bepaalde elementen, zoals bijvoorbeeld kosten die bij een elektriciteitsleverancier ontstaan maar waarover deze geen controle heeft en die variabel zijn of, zoals de verwijzende rechter opmerkt, van de hoeveelheid elektriciteit die daadwerkelijk door de consument wordt verbruikt, valt de informatie over de toepassing van een element zoals een verhogingspercentage voor de compensatiehoeveelheid dat door de handelaar in de eindprijs wordt opgenomen, dus onder ‘de manier waarop de prijs wordt berekend’ in de zin van artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 en vormt zij als zodanig essentiële informatie die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen.
32
Bovendien wordt een uitnodiging tot aankoop, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reclame, overeenkomstig artikel 7, lid 1, van richtlijn 2005/29 als misleidend beschouwd indien zij essentiële informatie weglaat die de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen en hem er bijgevolg toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.
33
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat essentiële informatie, zoals de vermelding dat een verhogingspercentage als compensatiehoeveelheid wordt toegepast, moet worden opgenomen in een uitnodiging tot aankoop als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, wanneer de gemiddelde consument, rekening houdend met de context, die informatie nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen.
34
Er moet worden opgemerkt dat bij de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2005/29 het begrip ‘consument’ een doorslaggevende rol speelt. Deze richtlijn neemt het criterium van de gemiddelde — dit wil zeggen redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende — consument als maatstaf, waarbij rekening wordt gehouden met maatschappelijke, culturele en taalkundige factoren (arrest van 12 mei 2011, Ving Sverige, C-122/10, EU:C:2011:299, punt 22).
35
Wat het misleidende karakter van reclame betreft, moeten de nationale rechterlijke instanties dus rekening houden met de perceptie van een redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende gemiddelde consument (arrest van 12 mei 2011, Ving Sverige, C-122/10, EU:C:2011:299, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Daarbij komt dat het criterium van de ‘gemiddelde consument’ blijkens overweging 18 van richtlijn 2005/29 geen statistisch criterium is en dat nationale rechtbanken en autoriteiten hun eigen oordeel moeten volgen om vast te stellen wat de typische reactie van de gemiddelde consument in een bepaald geval is.
37
De bewoordingen van artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 schrijven de handelaar evenwel niet voor hoe hij de consument moet informeren over de manier waarop de prijs wordt berekend.
38
Bovendien is het mogelijk dat de handelaar, wegens het soort product en met name de voorwaarden voor de productie, de levering of het eindgebruik van dit product, niet in staat is vooraf en nauwkeurig te beschikken over alle componenten van de eindprijs, zodat hij de consument de manier waarop deze prijs wordt berekend niet kan meedelen op een zodanige wijze dat de betrokkene deze berekening zelf kan verrichten.
39
De mate van informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend, kan derhalve niet impliceren dat de consument op basis van die informatie in staat moet zijn om zelf die prijs te berekenen en aldus tot een definitief bedrag te komen.
40
In dit verband zij eraan herinnerd dat richtlijn 2005/29 geen specifieke voorschriften bevat met betrekking tot de mate waarin en het medium via hetwelk essentiële informatie moet worden meegedeeld (zie in die zin arrest van 8 februari 2017, Carrefour Hypermarchés, C-562/15, EU:C:2017:95, punt 37).
41
Informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend in de zin van artikel 7, lid 4, onder c), van deze richtlijn kan dus bijvoorbeeld de vorm aannemen van een bandbreedte van percentages, van een nauwkeurig percentage waarbij voorwaarden zijn verbonden aan de toepassing ervan, of van een vooraf vastgesteld percentage met vermelding dat het niveau ervan in de tijd kan variëren als gevolg van variabele elementen waarover de handelaar geen controle heeft.
42
Een dergelijke uitlegging van artikel 7, lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 wordt bevestigd door een onderzoek van de algemene opzet van artikel 7 van die richtlijn.
43
In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat overeenkomstig artikel 7, lid 2, van richtlijn 2005/29 een uitnodiging tot aankoop, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reclame, een misleidende omissie bevat met name wanneer de handelaar de informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend, verborgen houdt of deze op onduidelijke, onbegrijpelijke of dubbelzinnige wijze dan wel tardief verstrekt, en wanneer de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe wordt gebracht of kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.
44
Hieruit volgt dat de handelaar alle componenten van de berekening van de prijs moet vermelden. Evenzo moet elk van deze componenten door de handelaar op zodanige wijze worden meegedeeld dat de gemiddelde consument in staat is een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen.
45
In de tweede plaats moet overeenkomstig artikel 7, lid 1, van richtlijn 2005/29 bij de beoordeling van het misleidende karakter van de handelspraktijk met name rekening worden gehouden met de feitelijke context van deze praktijk, met alle kenmerken ervan en met de beperkingen die eigen zijn aan het gebruikte communicatiemedium. Artikel 7, lid 3, van deze richtlijn bepaalt dat bij de beoordeling of er informatie werd weggelaten, rekening wordt gehouden met de beperkingen qua ruimte en tijd van het gebruikte communicatiemedium alsook met de maatregelen die de handelaar heeft genomen om deze informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen (zie in die zin arrest van 12 mei 2011, Ving Sverige, C-122/10, EU:C:2011:299, punten 53 en 54).
46
Uit deze bepalingen volgt dat de omvang van de informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend, die door een handelaar in het kader van een uitnodiging tot aankoop moet worden verstrekt, moet worden beoordeeld in het licht van met name de feitelijke context waarin de uitnodiging tot aankoop wordt gedaan en het gebruikte communicatiemedium (zie in die zin arresten van 12 mei 2011, Ving Sverige, C-122/10, EU:C:2011:299, punt 55, en 26 oktober 2016, Canal Digital Danmark, C-611/14, EU:C:2016:800, punt 27).
47
De verwijzende rechter merkt op dat noch vaststaat noch duidelijk is dat het voor de betrokken handelspraktijk gebruikte communicatiemedium, te weten een op de website van verweerster in het hoofdgeding beschikbare tariefsimulator, beperkingen qua ruimte of tijd meebrengt.
48
Om de omvang te bepalen van de informatie die de handelaar dient te verstrekken over de manier waarop de prijs wordt berekend, moet de verwijzende rechter evenwel rekening houden met de feitelijke context van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reclame.
49
In dit verband betoogt verweerster in het hoofdgeding, hetgeen niet aan het Hof staat om na te gaan, dat zij redelijkerwijs niet in staat is om in haar reclame het exacte percentage met betrekking tot de compensatiehoeveelheid aan te geven. Zo stelt zij dat de op het Duitse grondgebied gevestigde beheerders van elektriciteitsdistributienetten soms verschillende en in de loop van de tijd wisselende percentages hanteren, zodat zij, indien zij de consumenten in real time het exacte bedrag van een dergelijk percentage zou moeten meedelen, deze beheerders dagelijks zou moeten raadplegen over elke eventuele wijziging van dat element. Volgens verweerster in het hoofdgeding zou een dergelijke handelwijze buitensporige middelen vereisen.
50
Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de reclame waarin de door de tariefsimulator gegenereerde tariefvoorstellen worden weergegeven, een link bevat naar de door verweerster in het hoofdgeding toegepaste algemene verkoopvoorwaarden. In dit document wijst laatstgenoemde de consument erop dat de exploitant van het lokale net het nachttijdvak vaststelt waarin het verlaagde tarief wordt toegepast, alsmede het percentage voor de compensatiehoeveelheid, en dat dit percentage door de exploitant van het lokale net is vastgesteld op 25 % voor het geografische gebied waarin haar zetel is gevestigd.
51
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat in de feitelijke context van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uitnodiging tot aankoop, onder voorbehoud van door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, niet kan worden geoordeeld dat deze uitnodiging een ‘misleidende omissie’ in de zin van artikel 7, leden 1 en 4, van richtlijn 2005/29 bevat, voor zover de link naar de algemene verkoopvoorwaarden, waarin vermeldingen zijn opgenomen over het percentage dat voor de compensatiehoeveelheid is vastgesteld, zichtbaar wordt weergegeven en de aanvaarding van het aanbod door de consument technisch afhankelijk is van diens bevestiging dat hij kennis heeft genomen van die voorwaarden, waardoor kan worden gewaarborgd dat deze consument een geïnformeerd besluit over een transactie neemt.
52
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1 en lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat in het geval van een uitnodiging tot aankoop door middel van een online commerciële communicatie de informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend, niet noodzakelijkerwijs het exacte percentage hoeft te bevatten van een variabele component, zoals de compensatiehoeveelheid die door de elektriciteitsleverancier op de betrokken consument wordt toegepast, zodat laatstgenoemde die prijs zelfstandig kan berekenen wanneer hij zijn elektriciteitsverbruik kent, mits in die communicatie wordt aangegeven dat een dergelijk percentage in principe van toepassing is, samen met een mogelijke orde van grootte en de factoren die daarop van invloed zijn, zodat de gemiddelde consument een geïnformeerd besluit over een transactie kan nemen.
Kosten
53
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 1 en lid 4, onder c), van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’)
moet aldus worden uitgelegd dat
in het geval van een uitnodiging tot aankoop door middel van een online commerciële communicatie de informatie over de manier waarop de prijs wordt berekend, niet noodzakelijkerwijs het exacte percentage hoeft te bevatten van een variabele component, zoals de compensatiehoeveelheid die door de elektriciteitsleverancier op de betrokken consument wordt toegepast, zodat laatstgenoemde die prijs zelfstandig kan berekenen wanneer hij zijn elektriciteitsverbruik kent, mits in die communicatie wordt aangegeven dat een dergelijk percentage in principe van toepassing is, samen met een mogelijke orde van grootte en de factoren die daarop van invloed zijn, zodat de gemiddelde consument een geïnformeerd besluit over een transactie kan nemen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑01‑2025