Met inbegrip van de voorliggende zaak betreft dit de zaken met de rolnummers: 20/01841, 20/01843 P, 20/01869 P, 20/01870, 20/01873, 20/01871 P, 20/01876.
HR, 30-11-2021, nr. 20/01873
ECLI:NL:HR:2021:1801
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-11-2021
- Zaaknummer
20/01873
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1801, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 30‑11‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:959
ECLI:NL:PHR:2021:959, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑10‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1801
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑02‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0361
Uitspraak 30‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Verkopen en aanwezig hebben van hennep, meermalen gepleegd (art. 3.B en 3.C Opiumwet), diefstal stroom d.m.v. verbreking (art. 311.1 Sr) en medeplegen valsheid in geschrift m.b.t. inkomensverklaring bij hypotheekaanvraag (art. 225.1 Sr). 1. Bewijsklacht medeplegen vervalsen inkomensverklaring en opzettelijk daarvan gebruik maken. 2. Is totale strafoplegging (12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met taakstraf) in 3 gelijktijdig maar niet gevoegd behandelde zaken in strijd met (ratio van) art. 9.4 Sr? 3. Ambtshalve cassatie in verband met partiële verjaring verkopen en aanwezig hebben van hennep? Ad 1. HR: Middel slaagt op redenen vermeld in CAG. CAG: Hof heeft t.a.v. rol verdachte slechts vastgesteld dat hij blanco formulieren heeft ondertekend. Uit b.m. kan niet volgen dat hij de formulieren in strijd met de waarheid heeft ingevuld of dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en de persoon die de inkomensverklaring heeft ingevuld en daarbij een onjuist inkomen heeft vermeld. Ad 2. Opvatting dat het ‘beperkte cumulatieverbod - mede gelet op de ratio van art. 9.4 Sr - ook van toepassing is op (veroordelingen in) zaken die gelijktijdig, maar niet gevoegd zijn behandeld’ vindt geen steun in het recht. De beperkende regel van art. 9.4 Sr (op grond waarvan een taakstraf kan worden gecombineerd met ten hoogste 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis) geldt bij meerdere strafbare feiten alleen als die feiten hetzij bij 1 dagvaarding zijn tlgd. hetzij bij verschillende dagvaardingen zijn tlgd. maar ex art. 285 Sv ttz. zijn gevoegd. Ad 3. HR ambtshalve: HR merkt n.a.v. CAG op dat verdachte onvoldoende belang heeft bij ambtshalve beoordeling van de verjaring van dit feit. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. tlgd. valsheid in geschrift en strafoplegging en terugwijzing. Samenhang met 20/01841, 20/01843 P, 20/01869 P, 20/01870, 20/01871 P en 20/01876. CAG: anders t.a.v. verjaring (ambtshalve cassatie).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01873
Datum 30 november 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juni 2020, nummer 21-001259-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen:
- met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde, voor zover het feiten betreft die zijn begaan na 17 februari 2009 en uiterlijk op de dag gelegen twaalf jaren vóór de dag waarop de Hoge Raad uitspraak doet,
- met betrekking tot het onder 6 primair tenlastegelegde feit en
- de strafoplegging,
en tot:
- niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde, voor zover het feiten betreft die zijn begaan na 17 februari 2009 en uiterlijk op de dag gelegen twaalf jaren vóór de dag waarop de Hoge Raad uitspraak doet,
- terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak met betrekking tot het onder 6 primair ten laste gelegde feit en de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw berecht en afgedaan kan worden,
- en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het onder 6 bewezenverklaarde medeplegen van het vervalsen van een inkomensverklaring en het opzettelijk daarvan gebruik maken niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 19 tot en met 22 en 24.
3. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de strafoplegging in strijd is met (de ratio van) artikel 9 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) omdat aan de verdachte in drie gelijktijdig behandelde, maar niet gevoegde zaken in totaal twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd in combinatie met een taakstraf.
3.2
De verdachte is in deze zaak in hoger beroep veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarbij heeft het hof onder meer artikel 63 Sr als toepasselijk wettelijk voorschrift vermeld. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2020 heeft het hof deze strafzaak gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met twee andere strafzaken tegen de verdachte. Die zaken zijn ook in cassatie aanhangig en ook daarin zal de Hoge Raad vandaag uitspraak doen. In de zaak 20/01870, ECLI:NL:HR:2021:1796, is de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden. In de zaak 20/01876, ECLI:NL:HR:2021:1794, is de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk. Het hof heeft in de drie zaken op dezelfde dag uitspraak gedaan.
3.3
Artikel 9 lid 4 Sr luidt:
“In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”
3.4
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat het “beperkte cumulatieverbod – mede gelet op de ratio van artikel 9 lid 4 Sr – ook van toepassing is op (veroordelingen in) zaken die gelijktijdig, maar niet gevoegd zijn behandeld”. Die opvatting vindt geen steun in het recht. De beperkende regel van artikel 9 lid 4 Sr geldt in geval van meerdere strafbare feiten alleen als die feiten hetzij bij één dagvaarding zijn tenlastegelegd, hetzij bij verschillende dagvaardingen zijn tenlastegelegd, maar op grond van artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting zijn gevoegd.
3.5
Het cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De beoordeling door de Hoge Raad van het eerste cassatiemiddel, het tweede cassatiemiddel en het derde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.1
Aan de verdachte is onder 4 tenlastegelegd dat:
“hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 november 2012 in de gemeente [plaats] en/althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, (in een perceel/pand aan de [d-straat] , Grow shop " [A] ") (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/althans/in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, (terwijl dit gepleegde feit (telkens) (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 509 hennepplanten/hennepstekken, althans meer dan 200 hennepplanten).”
5.2
Het hof heeft daarvan het onder 4 impliciet cumulatief subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, te weten dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 13 november 2012 in de gemeente [plaats] , (in een perceel/pand aan de [d-straat] , Grow shop " [A] ") telkens opzettelijk heeft verkocht en opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
5.3
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 35 tot en met 40 merkt de Hoge Raad op dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij een ambtshalve beoordeling van de verjaring van het onder 4 tenlastegelegde feit. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat:- slechts een beperkt deel van de onder 4 impliciet cumulatief subsidiair tenlastegelegde feiten in aanmerking zou kunnen komen voor verjaring voor zover het gaat om de periode van 18 februari 2009 tot en met 30 november 2009, terwijl de bewijsvoering met betrekking tot het onder 4 bewezenverklaarde overwegend betrekking heeft op gedragingen die in 2012 zijn verricht, en- de verdachte in deze zaak is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en 240 uren taakstraf wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, 3. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 6 primair “medeplegen van valsheid in geschrift”, zodat een partiële verjaring voor feit 4 geen wezenlijke invloed op de strafoplegging zou hebben.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 6 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2021.
Conclusie 12‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Opzettelijk telen hennep (art. 3.B Opiumwet), diefstal van elektriciteit t.b.v. de hennepkwekerij (art. 311.5 Sr), opzettelijk verkopen en aanwezig hebben van hennep in growshop (art. 3.C en 3.B Opiumwet) en medeplegen hypotheekfraude (art. 225 Sr). Middelen, o.m. m.b.t 1. bewezenverklaring medeplegen valsheid in geschrift en 2. strafoplegging. Ad 1: Mede in het licht van door verdediging gevoerde verweer dat hypotheekadviseur dit feit zelfstandig heeft gepleegd, is bewezenverklaring van medeplegen hypotheekfraude ontoereikend gemotiveerd. Slagende bewijsklacht. Ad 2: Is strafoplegging in strijd met (de ratio) van art. 9.4 Sr? Hof heeft strafzaak tegen verdachte gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met twee andere strafzaken tegen verdachte. Getuigt strafoplegging, door de drie zaken wel gelijktijdig maar niet gevoegd te behandelen en op dezelfde dag in alle drie de strafzaken in zijn totaliteit – naast de taakstraf voor de duur van 240 uren – twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, van een onjuiste rechtsopvatting? Falende klacht. AG gaat ambtshalve in op (partiële) verjaring van feit 4 (opzettelijk verkopen en aanwezig hebben van hennep in growshop). Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing en tot n-o OvJ m.b.t. feit 4 v.zv. het feiten betreft die zijn begaan na 17 februari 2009 en uiterlijk op de dag gelegen twaalf jaren vóór de dag waarop HR uitspraak doet. Samenhang met 20/01841, 20/01843 P, 20/01869 P, 20/01870, 20/01871 P en 20/01876.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01873
Zitting 12 oktober 2021
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
Het cassatieberoep
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 17 juni 2020 de verdachte wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, 3. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 6 primair “medeplegen van valsheid in geschrift” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, opgelegd, zulks met aftrek van voorarrest.
2. De zaak hangt samen verschillende andere aanhangige straf- en ontnemingszaken tegen de verdachte alsmede met de straf- en ontnemingszaak tegen de medeverdachte.1.In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Ten laste van de verdachte is onder meer bewezen verklaard dat hij in een schuur achter een woning gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats] opzettelijk hennep heeft geteeld (feit 1) en in de woning een aanzienlijke hoeveelheid (gedroogde) hennep(planten) aanwezig heeft gehad (feit 2). Daarnaast is bewezen verklaard dat de verdachte een hoeveelheid elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij heeft weggenomen (feit 3). Tot slot is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift (feit 6 primair).
5. Het eerste, tweede, derde en vierde middel klagen dat de respectievelijk onder 1, 2, 3 en 6 primair bewezen verklaarde feiten niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Het vijfde middel klaagt over de strafoplegging. De eerste drie middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Het eerste, tweede en derde middel
6. De middelen klagen dat de bewezenverklaring van de onder 1 (opzettelijk telen van hennep), 2 (opzettelijk aanwezig hebben van hennep) en 3 (diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij) ten laste gelegde feiten niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verdachte de woning aan de [c-straat 1] te [plaats] in de bewezen verklaarde periode aan een derde had verhuurd.
7. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1, 2 en 3 bewezen verklaard dat:
“1. hij de periode van 31 juli 2011 tot en met 12 november 2012 in de gemeente [plaats] (telkens) opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt (in een pand aan de [c-straat 1] ) een groot aantal hennepplanten en delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2. hij op 13 november 2012, in de gemeente [plaats] (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in/op een perceel aan de [c-straat 1] ) een (grote) hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 6,7 kilogram hennep en ongeveer 189 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 6.700 gram (gedroogde) hennep.
3. hij in de periode van 31 juli 2011 tot en met 13 november 2012 in de gemeente [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in een pand aan de [c-straat 1] ) heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit/energie, toebehorende aan Liander NV, waarbij verdachte de weg te nemen hoeveelheid elektriciteit/energie onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.”
8. De bewezenverklaring van het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, nummer 2012150577 (pagina’s 468 t/m 472), in de wettelijke vorm opgemaakt op 16 april 2013 door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:
Inleiding:
Door medewerkers van de recherche van de politie Apeldoorn wordt een onderzoek ingesteld ter zake overtreding van de Opiumwet contra de verdachte genaamd:
Naam | : [verdachte] |
Voornamen | : [verdachte] |
Geboren | : [geboortedatum] 1967 |
Onderzoek:
[verdachte] is eigenaar van een growshop genaamd [A] , gevestigd [d-straat 1] te [plaats] . Voornoemde growshop staat ingeschreven sinds 1 januari 2006 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als [A] . Het betreft een eenmanszaak.
[verdachte] is woonachtig op het adres [e-straat 1] te [plaats] samen met zijn partner [medeverdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983. Volgens informatie uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) wonen zij daar samen sinds 31 juli 2011 met een minderjarig kind.
[verdachte] is eigenaar van perceel [c-straat 1] te [plaats] . Volgens informatie uit het GBA is deze woning niet bewoond.
Deze woning is volgens de gemeente Apeldoorn voor het laatst bewoond geweest tot 31 juli 2011 door [verdachte] en zijn partner [medeverdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, en dochter.
Aantreffen hennepkwekerijen & drogerijen:
Op 13 november 2012 vond er een doorzoeking plaats in een woning gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats] . Dit betrof een onbewoonde vrijstaande koopwoning op naam van de verdachte [verdachte] .
Tijdens de doorzoeking werd er door de collega’s van de recherche van de politie Apeldoorn een inwerking zijnde hennepkwekerij aangetroffen in de schuur achter de woning. Tevens werd er in een van de slaapkamers van deze woning op de eerste verdieping een kleine drogerij aangetroffen waar henneptoppen en afval van henneptoppen lagen te drogen.
Vrijstaande woning
In de vrijstaande woning, perceel [c-straat 1] te [plaats] , op de eerste verdieping zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , op een van de slaapkamers aan de voorzijde van deze woning henneptoppen liggen. Deze henneptoppen lagen te drogen op witte droogrekken. In de andere slaapkamer aan de voorzijde op de eerste verdieping lag restafval van henneptoppen te drogen.
Vrijstaande garage
In de vrijstaande garage achter de woning, behorende bij perceel [c-straat 1] te [plaats] trof ik, verbalisant [verbalisant 1] , een inwerking zijnde hennepkwekerij en een zojuist geknipte hennepkwekerij aan. In zag dat de garage uit twee verdiepingen bestond met daarboven nog een vliering. Op de eerste verdieping van de garage werd een kweekruimte aangetroffen die in werking was. In deze ruimte stonden 189 planten die zo goed als oogstrijp waren.
De medewerker van energiemaatschappij Liander die ter plaatse was gekomen, liet mij in de meterkast zien dat de stroom op illegale wijze was afgenomen.
Henneptoppen
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb de henneptoppen en het hennepafval van de geknipte henneptoppen gewogen op een geijkte weegschaal bij de afdeling Technische en Forensische Opsporing van de Regionale Eenheid Oost-Nederland. De henneptoppen hadden een totaal gewicht van 6,7 kilogram.
2. Het proces-verbaal Narcotic Identification Test (Hennep), nummer 2012150577 (pagina’s 473 t/m 474), in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 november 2012 door [verbalisant 1] , voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 13 november 2012 werden door mij, verbalisant, taakaccenthouder verdovende middelen team Zuid Apeldoorn en bevoegd tot het testen van verdovende middelen, de in het perceel [c-straat 1] te [plaats] , aangetroffen stoffen, op voorgeschreven wijze middels de MMC Narcotic Identification Test getest.
De planten herkende ik aan de verschijningsvorm en aan de geur als zijnde hennepplanten en resten daarvan.
Uit de test van de planten, volgens MMC Narcotic Identification Test, waarbij gebruik werd gemaakt van het testbuisje ten behoeve van het testen van cannabis, bleek dat de planten kennelijk THC bevatten. Met de aanwezigheid van THC werd aangetoond dat het bij de aangetroffen planten om hennep ging.
Hennep staat vermeld op Lijst II onderdeel B, behorende bij de Opiumwet.
3. Het proces-verbaal Opiumwet, nummer PL0660 2012150577-29 (pagina’s 482,t/m 483), in de wettelijke vorm opgemaakt op 15 november 2012 door [verbalisant 2] , inspecteur, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 15 november 2012 werden door mij, verbalisant, regionaal coördinator hennep en verdovende middelen en bevoegd tot het testen van verdovende middelen, de in het perceel [c-straat 1] te [plaats] , aangetroffen stoffen, op voorgeschreven wijze middels de MMC Narcotic Identification Test getest.
De plantendelen herkende ik aan de verschijningsvorm en aan de geur als zijnde hennepplanten.
Uit de test van de plantendelen, volgens MMC Narcotic Identification Test, waarbij gebruik werd gemaakt van het testbuisje ten behoeve van het testen van cannabis, bleek dat de plantendelen kennelijk THC bevatten. Met de aanwezigheid van THC werd aangetoond dat het bij de aangetroffen planten om hennep ging.
Hennep staat vermeld op Lijst II onderdeel B, behorende bij de Opiumwet.
Deze partij was inbeslaggenomen tijdens een onderzoek ingevolge de Opiumwet op het adres [c-straat 1] te [plaats] .
Verdachte | |
Achternaam | : [verdachte] |
Voornamen | : [verdachte] |
Geboren | : [geboortedatum] 1967 |
Omschrijving
De aangeboden partij bestond uit:
- 351,12 gram (netto) gedroogde plantendelen.
4. Het proces-verbaal Sporenonderzoek, nummer PL0660 2012150577-10 (pagina’s 495 t/m 497), in de wettelijke vorm opgemaakt op 15 november 2012 door [verbalisant 3] , buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 13 november 2012 werd door mij, verbalisant, als forensisch onderzoeker op verzoek van Regio Noord- en Oost-Gelderland een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een handel e.d. softdrugs.
Onderzoekslocatie
Het onderzoek is verricht in en rond perceel [c-straat 1] te [plaats] .
Onderzoek plaats delict
Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen. Door mij werd tijdens de huiszoeking die daar plaats had een sporenonderzoek ingesteld. Dit sporenonderzoek werd verricht naar aanleiding van het aantreffen van een hennepkwekerij en van hennep dat lag te drogen.
[c-straat 1] te [plaats] was een vrijstaande woning die was voorzien van rolluiken. De woning werd gezien de inrichting waarschijnlijk niet bewoond. Achter deze woning was een tweede ‘woning’ aanwezig. Dit was een garage waarboven eventueel gewoond kon worden.
In deze tweede ‘woning’ werd een hennepkwekerij aangetroffen die bestond uit twee kweekruimtes. In dit bijgebouw zag ik een vijftal sporen die voor dna-onderzoek in aanmerking kwamen. Deze stelde ik veilig.
Veiliggestelde sporen/sporendragers
De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
Biologische sporen | |
Spoor | : 21175 |
SIN | : AAEH3056NL |
Soort | : speeksel |
Bijzonderheden | : Uit kwekerij, gang beg. grond, [c-straat 1] |
Tijdstip veiligstellen | : 13/1 1/2012 om 09.00 uur |
Plaats veiligstellen | : Drinkrand colablikje, stond in raamkozijn, bijgeb. |
5. Een deskundigenrapport, zaaknummer 2012.12.10.052/A (pagina’s 516 t/m 517) met bijlage (p. 515), opgemaakt door ing. [betrokkene 2] , werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag , gesloten en getekend op 19 december 2012, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Gegevens sporenmateriaal | |
Identiteitszegel | AAEH3056NL |
Stuk van overtuiging | een bemonstering |
Kenmerk aanvrager | PL0600-2012150577 |
Aan de bemonstering AAEH3056NL#01 is DNA-onderzoek verricht. Van het DNA in het sporenmateriaal AAEH3056NL#01 is een DNA-profiel verkregen dat op 18 december 2012 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is tot op heden één match gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerd onder DNA-profielcluster 23142. Het DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel AAEH3056NL#01, uit DNA-profielcluster 23142, kan afkomstig zijn van [verdachte] .
De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt per spoor aangegeven in de bijlage.
Bijlage | DNA-profielcluster 23142 |
NFI-zaaknummer | 2012.12.10.052 |
NFI-batchnummer | HVC-12-721 |
Omschrijving onderzoeksmateriaal | een bemonstering |
DNA-identiteitszegel | AAEH3056NL#01 |
Kenmerk aanvrager | PL0600-2012150577 |
Soort DNA-profiel | enkelvoudig DNA-profiel |
Matchkans DNA-profiel | kleiner dan één op één miljard |
6. Het proces-verbaal van aangifte, nummer 2012162529-1 (pagina’s 438 t/m 440), in de wettelijke vorm opgemaakt op 29 november 2011 door [verbalisant 4] , verbalisant, inhoudende - zakelijk weergegeven - als aangifte van [betrokkene 3]:
Pleegplaats | : [plaats] |
Adres | : [c-straat 1] |
Incident | : Diefstal energie |
Aangever | |
Bedrijf | : Liander N.V. |
Benadeelde | |
Naam | : Liander N.V. |
Namens Liander N.V. ben ik, [betrokkene 3] , in dienstbetrekking als administratief medewerker bij Liander N.V., afdeling Energiefraude, uit hoofde van mijn functie bevoegd om van bovenstaand feit aangifte te doen bij de politie.
Liander N.V. transporteert en distribueert energie naar particulieren en bedrijven, waaronder naar de contractant van bovengenoemd perceel. Liander N.V. heeft vanaf 30 november 2007 met een persoon/bedrijf genaamd [verdachte] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar bovengenoemd perceel.
Op verzoek van Liander N.V. is in samenwerking met de politie te Apeldoorn op 13 november 2012 door fraudespecialis (M07) van Liander N.V., een onderzoek ingesteld naar de aansluiting, waaronder de meetinrichting die eigendom is van Liander N.V. en die zich bevindt in bovengenoemd perceel.
Bij dit onderzoek is het volgende geconstateerd. De fraudespecialis (M07) constateerde op 13 november 2012 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:
De eerder genoemde fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken, deze waren niet meer aanwezig. Nadat hij het deksel van de aansluitkast had verwijderd, zag hij dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale 3 fase elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze illegale aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd.
Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 60.437 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage.
Niemand had het recht of de toestemming van Liander N.V. om het zegel te verbreken of wijziging in de bedrading aan te brengen. Niemand is gerechtigd, de elektra, zijnde eigendom van Liander N.V. op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen.
7. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0620 2012150577-37 (pagina’s 524 t/m 525), in de wettelijke vorm opgemaakt op 20 november 2012 door [verbalisant 5] , brigadier van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 4]:
Op 18 november 2012 hoorde ik als getuige:
Achternaam | : [betrokkene 4] |
Voornamen | : [betrokkene 4] |
De getuige verklaarde:
Wie woont op het adres [c-straat 1] en wat is uw relatie met de bewoner(s)?
Hij heet [verdachte] . Zijn achternaam weet ik niet. Ook woont er volgens mij een vrouw met een kind. [verdachte] heeft een kale kop en daarop een hanenkam.
Wanneer is de gebruiker van de [c-straat 1] aanwezig?
[verdachte] en die vrouw zijn ongeveer een halfjaar geleden verhuisd naar de [plaats] . [verdachte] kwam nog wel alle dagen bij/in het huis.”
9. Het hof heeft in het bestreden arrest daarnaast het volgende overwogen:
“Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”
10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 november 2018 kan worden afgeleid dat de verdachte aldaar onder meer het volgende heeft verklaard ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten:
“Wij wilden weg uit het huis aan de [c-straat 1] , omdat ons gezin niet aan de buurt kon wennen. Daarom lieten wij ons inschrijven bij de woningbouwvereniging. In juni 2011 kregen wij een nieuw huis dat wij zeven of acht maanden lang hebben verbouwd. Al die tijd woonden we nog aan de [c-straat ] . In april of mei 2012 zijn wij overgegaan naar het adres [e-straat 1] . Mijn zoon [betrokkene 5] was al eerder bij zijn vriendin in [plaats] gaan wonen. Ik heb het huis aan de [c-straat ] niet te koop gezet.
In juni 2012 hebben we nog een feestje gehad, een barbecue tijdens het EK (opmerking griffier: per e-mail zijn tijdens de zitting door de raadsman schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd van [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [medeverdachte] , [betrokkene 12] , [betrokkene 9] , [betrokkene 10] en [betrokkene 11] en deze zijn vervolgens gevoegd in het dossier). De schuur was toen leeg. Op dat feestje leerde ik [betrokkene 9] kennen. Hij was bevriend met mijn dochter en wilde het huis huren. In eerste instantie wilde ik het huis te koop zetten, maar er werd mij geadviseerd daarmee te wachten. Om de kosten te drukken heb ik het huis toen verhuurd aan [betrokkene 9] . U houdt mij voor dat er uit het dossier weinig van die verhuur blijkt. Ik heb bewust geen verhuurcontract opgesteld, omdat ik daar dan aan vast zou zitten. Ik weet niet meer wat [betrokkene 9] aan huur betaalde.
Ik heb niets met de aangetroffen hennepplantage te maken. Ik wist dat [betrokkene 9] ergens mee bezig was, maar niet dat het bij mij thuis speelde. Als ik hennep had willen kweken, had ik het net zo goed zelf kunnen doen. Daar had ik hem niet voor nodig. Als ik wist waar hij mee bezig was, zou ik ook een huurcontract hebben opgesteld.
U houdt mij voor dat buurtbewoners in de ten laste gelegde periode een man met een hanenkam en een blonde vrouw bij het huis zagen. Ik parkeerde mijn auto bij het huis als ik naar de zonnebank of naar de stad ging. Ik ga geen drie euro per uur betalen om te parkeren als ik honderd meter van de stad woon. Het huis bleef van mij en [betrokkene 9] had geen auto. Bovendien konden er drie auto’s staan.
U houdt mij voor dat er geen bed in het huis in aangetroffen. Het bed is meegegaan naar het nieuwe huis. [betrokkene 9] zou zelf voor meubels zorgen. Ik wist niet wat hij in mijn woning deed. Ik heb niets met de kwekerij te maken gehad en er dus ook niets aan verdiend. Ook met de diefstal van stroom heb ik niets te maken. Ik heb niet meteen over [betrokkene 9] verklaard, omdat ik niet wist wat er aan de hand was. Er werd mij van alles voorgehouden. Ik kon het niet geloven, want [betrokkene 9] was een vriend van mijn dochter. Ik wilde het eerst zelf zien. Toen ik vrij kwam ben ik daarom naar de [c-straat ] gereden en heb ik de plantage gezien. Ik wist verder niets van [betrokkene 9] . Het was een nette jongen.”
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2020 houdt, voor zover voor de bespreking van de middelen relevant, het volgende in:
“De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
Ik heb het proces-verbaal van de vorige zitting gelezen. U, voorzitter, vraagt mij of er iets in staat vermeld wat niet goed is weergegeven. Nee. U, voorzitter, houdt mij voor dat de woning aan de [c-straat 1] destijds van mij was. Ja, inmiddels niet meer. De woning is vier jaar geleden verkocht.
U houdt mij voor dat ik de vorige zitting hier een verklaring over heb afgelegd en dat ik heb aangegeven dat ik niet wist dat daar een hennepkwekerij zat en dat door de politie [betrokkene 9] is gehoord. Er is daar toen een heel buurtonderzoek gehouden. De vorige keer heb ik de verklaringen meegenomen van de mensen die bij ons het EK hadden gekeken tijdens een barbecue en dat waren acht verklaringen. De verklaringen zouden allemaal hetzelfde zijn, maar ik heb aan die mensen gevraagd of zij tijdens de barbecue een hennepkwekerij in de schuur hebben gezien, waar iedereen doorheen moest om bij het toilet te komen. Daarom lijken die verklaringen misschien op elkaar.
U houdt mij voor dat er op de tenlastelegging ook nog andere feiten staan, te weten de diefstal van stroom, het verkopen van hennep vanuit de growshop die ik toen had, een gewoonte maken van witwassen en valsheid in geschrifte.
(…) Met de stroom heb ik niets te maken. Waarom zou ik iemand anders daarvoor inhuren? Die [betrokkene 9] is in Duitsland gepakt voor hetzelfde feit. U vraagt mij of ik ook over legale inkomsten beschikte. De growshop had geen pinautomaat. Dan staan de mensen ook geregistreerd. Het is allemaal contant gegaan.
De raadsman voert het woord tot verdediging. Daarbij heeft de raadsman – zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:
Er dient gekeken te worden naar het antwoord op de vraag of er sprake is van voldoende wettig bewijs en als dat er is, dan dient de vraag gesteld te worden of daar de overtuiging uit kan worden gehaald dat het daadwerkelijk is zoals het lijkt op basis van het wettige bewijs.
Naar mijn mening is er wel voldoende bewijs, maar ontbreekt de overtuiging.
Op de [c-straat ] is niets gevonden van [betrokkene 9] en ik kan daar eigenlijk weinig meer over zeggen. Mijn cliënt heeft aangegeven dat het klopt dat hij bij de woning kan zijn gezien, omdat het zijn huis was en hij bezig was met de verkoop. Hij wilde daar weg en hij parkeerde daar ook zijn auto. Hij heeft ook aangegeven dat hij een barbecue heeft gehouden op de dag van de voetbalwedstrijd en dat iedereen in de schuur is geweest en dat zij kunnen verklaren dat er toen niets zat. In die zaak wordt ook verwezen naar de modus operandi, namelijk dat het steeds zou gaan om drie plantjes per boodschappenkrat. Ook ten aanzien van de diefstal van de stroom is er wel wettig bewijs, maar stelt mijn cliënt daar tegenover dat het niet zo is. Ik kan daar verder weinig tegenover zetten.”
12. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte de hennep zelf heeft geteeld noch dat hij degene was die de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij heeft weggenomen. Evenmin blijkt dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van hennepplanten en henneptoppen in de woning. Gelet op het door de verdediging gevoerde verweer dat (ook) anderen bij de hennepteelt waren betrokken, had het hof zijn oordeel dat het de verdachte is geweest die de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, nader moeten motiveren. Tot slot kan uit de bewijsvoering niet worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die de verzegeling van de meterkast heeft verbroken en een illegale elektriciteitsaansluiting ‘buiten de meter om’ heeft gemaakt, aldus de steller van het middel.
De onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten (opzettelijk telen en aanwezig hebben van hennep)
13. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat in de schuur achter de woning aan de [c-straat 1] te [plaats] een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Tevens werd in de woning een kleine drogerij aangetroffen waar henneptoppen en afval van henneptoppen lagen te drogen.De verdachte was in de ten laste gelegde periode de eigenaar van het perceel en heeft de woning tot 31 juli 2011 bewoond. Daarna is de woning niet meer bewoond geweest. Verder kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat in de hennepkwekerij een colablikje is aangetroffen met daarop celmateriaal waarvan mag worden aangenomen dat het van de verdachte afkomstig is. Tot slot blijkt uit de bewijsmiddelen dat een getuige de verdachte na zijn verhuizing nog dagelijks in/bij de woning heeft gezien.
14. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden heeft het hof kunnen afleiden dat het de verdachte zelf is geweest die de hennepkwekerij heeft ingericht en heeft geëxploiteerd en derhalve degene is geweest die opzettelijk hennep heeft geteeld en opzettelijk henneptoppen aanwezig heeft gehad.2.In de bewijsvoering van het hof ligt tevens als zijn oordeel besloten dat het hof de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij de woning aan een derde had verhuurd, niet aannemelijk heeft geacht. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte bij de politie, waar hij veelvuldig is gehoord,3.niet heeft verklaard dat hij de woning had verhuurd. Ook overigens heeft de verdachte zijn stelling dat hij de woning had verhuurd op geen enkele wijze onderbouwd. Van het hof kan niet worden verlangd dat het uitgebreid motiveert waarom het voorbijgaat aan niet nader onderbouwde stellingen van de verdachte. In zoverre faalt het middel.
Het onder 3 bewezen verklaarde feit (diefstal elektriciteit)
15. In het algemeen is voor het bewijs van het plegen of medeplegen van diefstal van elektriciteit ten behoeve van een hennepkwekerij onvoldoende dat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte betrokken is geweest bij de hennepteelt.4.Diefstal door middel van verbreking vergt in dit geval dat de stroom voor de hennepkwekerij buiten de elektriciteitsmeter om werd verkregen door de zegels van de hoofdaansluitkast te verbreken. Het enkele tot stand brengen van een dergelijke illegale aansluiting levert echter nog niet het wegnemen van elektriciteit op. Het delictsbestanddeel ‘wegnemen van elektriciteit’ vereist stroomverbruik door het gebruikmaken van apparaten of installaties die zijn aangesloten op het elektriciteitsnetwerk.5.Mijn voormalig ambtgenoot Knigge merkte in zijn conclusie voorafgaand aan HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390, op dat indien als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte de desbetreffende hennepkwekerij in zijn eentje heeft opgezet en gerund, daaruit kan worden afgeleid dat hij ook degene is geweest die de elektriciteit heeft gestolen.6.
16. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen en dat de elektriciteitsmeter was gemanipuleerd door de zegels van de hoofdaansluitkast te verbreken. Nu gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat het de verdachte is geweest die de hennepkwekerij heeft ingericht en (in z’n eentje) heeft geëxploiteerd, mocht het hof daaruit tevens afleiden dat hij ook degene is geweest die de elektriciteit ten behoeve van die hennepkwekerij heeft weggenomen.
17. Het eerste, tweede en derde middel falen.
Het vierde middel
18. Het vierde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 6 primair ten laste gelegde feit, kort gezegd het medeplegen van hypotheekfraude, niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de hypotheekadviseur dit feit zelfstandig heeft gepleegd.
19. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 6 primair bewezen verklaard dat:
“hij op 24 september 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een (bij [B] Hypotheken in gebruik zijnde) (pensioen)inkomensverklaring - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, en opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste (pensioen)inkomensverklaring - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, immers hebben verdachte en zijn mededader valselijk op die (pensioen)inkomensverklaring vermeld of doen of laten vermelden dat verdachtes jaarinkomen euro 60.000,-zou bedragen, en bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte en zijn mededader die valse/vervalste (pensioen)inkomensverklaring heeft gevoegd of laten voegen bij een aanvraag/offerte voor een hypothecaire geldlening bij die [B] Hypotheken, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”
20. De bewezenverklaring van het onder 6 primair ten laste gelegde steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“16. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland, zittingsplaat Zutphen, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
Ik heb eerst op de [c-straat 1] te [plaats] gewoond. Eerder had ik ook een hanenkam.
Ik kreeg blanco formulieren van [betrokkene 13] en heb die ondertekend. Door het invullen van die € 60.000,- heeft [betrokkene 13] zwaar gefraudeerd.
17. Het stamproces-verbaal witwasonderzoek, nummer PL0620 /2012150577 (pagina’s 605 t/m 640), in de wettelijke vorm opgemaakt op 24 april 2013 door [verbalisant 6] , inspecteur van politie, en [verbalisant 7] , brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:
Hypotheekfraude - [c-straat 1] te [plaats]
Uit raadpleging van het kadaster is gebleken dat de verdachte [verdachte] eigenaar is van onroerend goed, te weten perceel [c-straat 1] te [plaats] .
Bij navraag hypotheekverstrekker [C] BV gevestigd te [plaats] is er een resterende hypotheekschuld op voornoemd onroerend goed, perceel [c-straat 1] te [plaats] voor een bedrag van 277.000 euro. Datum aanvraag van de hypotheek betrof 17 september 2007 bij [B] hypotheken, gevestigd te [plaats] . Hypotheekadviseur betrof [betrokkene 13] te [plaats] van [D] Hypotheken gevestigd te [plaats] .
Volgens kadastrale gegevens en de koopovereenkomst blijkt dat voornoemde woning is gekocht voor een bedrag van 305.000 euro. Uit de geleverde stukken van [C] komt verder een inkomensverklaring van de verdachte [verdachte] naar voren welke is gebruikt bij de aanvraag van de hypotheek op bovengenoemd onroerend goed, perceel [c-straat 1] te [plaats] .
Inkomensverklaring
Uit de geleverde stukken van [C] blijkt dat er een (pensioen)inkomensverklaring is opgemaakt en is ondertekend door verdachte [verdachte] . Deze (pensioen)inkomensverklaring is ingevuld en ondertekend op 24 september 2007 door verdachte [verdachte] en [betrokkene 13] als hypotheekadviseur ( [D] Hypotheken) waarbij een jaarinkomen is opgegeven van 60.000 euro.
Hypothecaire geldlening
Op basis van de hypotheekaanvraag en de inkomensverklaring heeft [B] BV een hypothecaire geldlening verleend aan de verdachte [verdachte] . Het passeren van de hypotheekakte heeft plaatsgevonden op 9 november 2007 waar de verdachte [verdachte] bij aanwezig was.
18. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering (pagina’s 1234-1239), te weten een Aanvraag Hypothecaire Geldlening, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :
[B] Hypotheken | ||
Aanvraag Hypothecaire Geldlening | ||
Adviseur: | [betrokkene 13] | |
Cliëntgegevens | ||
Personalia | ||
Naam | [verdachte] | |
Geboortedatum | [geboortedatum] 67 | |
Inkomen | |
Aanvang dienstverband | € 60.000,00 |
Handtekening
[verdachte]
Datum
24-09-2007
19. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering (pagina’s 1258-1259), te weten een (Pensioen) Inkomensverklaring, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – :
(Pensioen) Inkomensverklaring | |
Wij, de hypotheekgever(s) [verdachte] | |
Zijn voornemens om de volgende hypothecaire lening aan te gaan: | |
Naam geldverstrekker | : [B] Hypotheken |
Onderpandadres | : [c-straat 2] [plaats] |
Hierbij verklaren wij, de hypotheekgever(s), dat het (gezamenlijke) | |
jaarinkomen bedraagt en wel met de volgende verdeling: | |
Naam leningnemer 1 : [verdachte] | Inkomen: EUR 60.000 |
Deze inkomens zijn opgebouwd uit: | Leningnemer 1 |
- vast en bestendig inkomen uit onderneming | x |
(gemiddelde van de laatste driejaar. Indien laatste | |
jaar lager is dan het gemiddelde dan laatste | |
jaarinkomen aanhouden) | |
Naam hypotheekgever 1: [verdachte] | Handtekening hypotheekgever 1 |
Naam adviseur: [betrokkene 13] | Handtekening hypotheekadviseur |
Datum ondertekening: 24-09-2007 |
20. Het proces-verbaal aanvraag vordering verstrekking historische gegevens met bijlage, nummer 2012150577 (pagina’s 1121 t/m 1123 en de bijlage op pagina 1124), in de wettelijke vorm opgemaakt op 6 november 2012 door [verbalisant 7] , brigadier van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:
Doel aanvraag
Door het vaststellen van de inkomsten en uitgaven, bankrekeningnummers en alle andere relevante gegevens van de verdachte/persoon, zal het de vermogenspositie van de verdachte/persoon in kaart brengen.
In bedoeld opsporingsonderzoek contra:
De verdachte | |
Voornamen | : [verdachte] |
Achternaam | : [verdachte] |
Geboortedatum | : [geboortedatum] 1967 |
Verzoek tot vordering gegevensverstrekking
In het belang van het onderzoek verzoek ik de officier van justitie op grond van artikel 126nd, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering schriftelijk te vorderen dat door de Belastingdienst alle fiscale gegevens en/of inlichtingen over de periode 1 oktober 2007 tot heden in relatie tot de genoemde (rechts)personen die bij deze dienst aanwezig zijn hetzij mondeling hetzij schriftelijk of op andere wijze van de persoon aan hem/haar worden verstrekt.
Bijlage | |
Entiteit: | [verdachte] |
Fiscaal belang IB (in euro’s) | |
Jaar vastgest. Belast. Ink. | |
2007 | 12.825 |
2006 | 18.157” |
21. In het bestreden arrest heeft het hof, naast de onder 9 geciteerde overweging, geen nadere motivering opgenomen van de bewezenverklaring van het onder 6 primair ten laste gelegde feit.
22. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2020 blijkt dat de raadsman van de verdachte aldaar omtrent het onder 6 ten laste gelegde feit het volgende heeft aangevoerd:
“Wat betreft de aangevraagde hypotheek merk ik op dat als mijn cliënt zegt dat hij blanco heeft getekend en dat de rest later is ingevuld, ik u moet zeggen dat dit mij niet vreemd voorkomt bij deze [betrokkene 13] . Beroepshalve ben ik hem in meerdere zaken tegengekomen waar het ging om fraude, hypotheekfraude en leasefraude. Dit is een figuur uit [plaats] die wel bekend stond als iemand die een hoop kon regelen voor andere mensen en dit is wel de manier waarop hij werkte. In deze zaak is het niet handig geweest van mijn cliënt om het zo te doen, maar ik zie niet dat er sprake is van het medeplegen in de zin van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van valsheid in geschrifte.
Ik verzoek het hof dan ook om mijn cliënt vrij te spreken van het onder 6 ten laste gelegde.”
23. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat het hof de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij van zijn hypotheekadviseur blanco formulieren kreeg die hij heeft ondertekend, tot het bewijs heeft gebezigd (bewijsmiddel 16). Die verklaring impliceert dat niet de verdachte, maar zijn adviseur degene is geweest die de (blanco ondertekende) inkomensverklaring heeft vervalst door een onjuist inkomen in te vullen. Uit de bewijsvoering kan dan ook niet worden afgeleid dat de verdachte wist van die valsheid dan wel opzet had op het gebruik van het valse document ten behoeve van de hypotheekaanvraag, aldus de steller van het middel.
24. Hierover het volgende. Blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van de rol van de verdachte slechts vastgesteld dat de verdachte blanco formulieren heeft ondertekend. Uit de bewijsmiddelen kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte die formulieren vervolgens ook in strijd met de waarheid heeft ingevuld dan wel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en de persoon die de (pensioen)inkomensverklaring heeft ingevuld en daarbij een onjuist jaarinkomen op die verklaring heeft vermeld. Zo volgt uit de bewijsmiddelen niet dat de verdachte (enige) bemoeienis heeft gehad met het invullen van de (pensioen)inkomensverklaring of dat hij opzettelijk onjuiste gegevens omtrent zijn jaarinkomen aan zijn hypotheekadviseur heeft verstrekt. Mede in het licht van hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, is de bewezenverklaring van het hof daarom ontoereikend gemotiveerd.
25. Het vierde middel slaagt.
Het vijfde middel
26. Het vijfde middel behelst de klacht dat de strafoplegging in strijd is met (de ratio van) artikel 9 lid 4 Sr.
27. Het hof heeft de onderhavige strafzaak met parketnummer 21-001259-17 gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met (onder meer) de, eveneens bij de Hoge Raad aanhangige, strafzaken tegen de verdachte met de parketnummers 21-000847-17 en 21-005948-19. Bij drie afzonderlijke arresten van 17 juni 2020 heeft het hof aan de verdachte de volgende straffen opgelegd:
(i) een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren (de zaak met parketnummer 21-001259-17);
(ii) een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden (in de zaak met parketnummer 21-000847-17);
(iii) een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk (in de zaak met parketnummer 21-005948-19).
28. Ik stel voorop dat ook in gevallen als het onderhavige, waarin tegen een verdachte op dezelfde dag door dezelfde rechter(s) uitspraak wordt gedaan in zaken die gelijktijdig doch niet gevoegd zijn behandeld, artikel 63 Sr van toepassing is.7.Dit brengt met zich dat de samenloopbepalingen van de artikelen 57-62 Sr van toepassing zijn. Uit de arresten van het hof kan worden afgeleid dat het hof de zaken heeft afgedaan met inachtneming van het bepaalde in artikel 63 Sr. Daarover wordt in cassatie ook niet geklaagd.
29. Volgens de steller van het middel moet de strafoplegging in alle drie de strafzaken echter wel in strijd worden geacht met (de ratio van) artikel 9 lid 4 Sr. Daartoe betoogt de steller van het middel dat het hof ervoor heeft gekozen de drie afzonderlijke strafzaken wel gelijktijdig maar niet gevoegd te behandelen terwijl voeging wel mogelijk of zelfs aangewezen was. Indien de zaken gevoegd behandeld zouden zijn, zou artikel 9 lid 4 Sr wel van toepassing zijn geweest. Door de drie zaken wel gelijktijdig maar niet gevoegd te behandelen en op dezelfde dag in alle drie de strafzaken in zijn totaliteit – naast de taakstraf voor de duur van 240 uren – twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, getuigt de strafoplegging (in alle strafzaken) van een onjuiste rechtsopvatting.
30. Artikel 9 lid 4 Sr luidt als volgt:
“In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”
31. Alvorens ik inga op de specifieke vraag die de steller van het middel opwerpt, ga ik eerst kort in op de mogelijkheid voor de rechter om een combinatie van hoofdstraffen op te leggen. Lange tijd kende het Wetboek van Strafrecht een cumulatieverbod van hoofdstraffen. Alleen in gevallen waarin de wet dit uitdrukkelijk bepaalde, kon een hoofdstraf tezamen met een andere hoofdstraf worden opgelegd. De wetgever heeft de rechter echter geleidelijk steeds meer ruimte geboden sancties cumulatief op te leggen. Zo kreeg de rechter bij wet van 21 december 1994, Stb 1995, 32, met ingang van 27 januari 1995 de bevoegdheid om bij veroordeling tot gevangenisstraf of hechtenis een geldboete op te leggen. De Wet taakstraffen van 7 september 2000, Stb 2000, 365, heeft de rechter daarnaast de (beperkte) mogelijkheid gegeven een taakstraf naast een gevangenisstraf of hechtenis, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel niet meer dan zes maanden bedraagt, op te leggen. De wetgever wilde de rechter hiermee vooral de mogelijkheid geven om reeds ondergane voorlopige hechtenis te verdisconteren in de strafoplegging. Hierdoor kon het voorarrest in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, zonder dat daarna de ruimte verloren ging voor de oplegging van een taakstraf.8.
32. Zoals gezegd werpt de steller van het middel de vraag op of de beperkende regel van artikel 9 lid 4 Sr ook van toepassing is in zaken die gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld zijn. Voor zover ik heb kunnen nagaan is deze vraag in de rechtspraak van de Hoge Raad nog niet eerder aan de orde geweest. Een vergelijking zou echter kunnen worden gemaakt met de begrenzing van de straftoemetingsvrijheid van de politierechter, zoals bepaald in artikel 369 lid 1 Sv. Artikel 369 lid 1 Sv bepaalt dat de politierechter niet bevoegd is tot oplegging van een gevangenisstraf van meer dan een jaar. De beperkende regel van artikel 369 lid 1 Sv geldt eveneens in geval van samenloop van strafbare feiten, echter alleen indien aan de verdachte bij gelijktijdige en gevoegde berechting van meerdere strafbare feiten één gevangenisstraf wordt opgelegd. Bij ongelijktijdige berechting van strafbare feiten waarop ingevolge artikel 63 Sr de samenloopbepalingen van de artikelen 57-62 Sr van toepassing zijn, geldt deze beperkende regel niet.9.In die gevallen kan ook een straf worden opgelegd die de in artikel 369 lid 1 Sv genoemde grens overschrijdt.
33. Ik wil ook wijzen op HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5990. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat het uitgangspunt dat aan de verdachte niet de ISD-maatregel in combinatie met een straf kan worden opgelegd, alleen geldt wanneer de verdachte voor meerdere strafbare feiten tegelijkertijd wordt berecht. Dit uitgangspunt geldt echter niet wanneer de verdachte voor meerdere strafbare feiten ongelijktijdig wordt berecht waar gelijktijdige berechting mogelijk was. Volgens de Hoge Raad is artikel 63 Sr niet van toepassing bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf na een eerder opgelegde ISD-maatregel.10.Artikel 63 Sr heeft immers alleen het oog op de samenloopbepalingen van de artikelen 55 tot en met 62 Sr. Ook dit arrest vormt een aanwijzing dat de wettelijke beperking van cumulatie van straffen bij (hetzij ongelijktijdige, hetzij gelijktijdige, doch) niet-gevoegde berechting uitsluitend voortvloeit uit de samenloopbepalingen van de artikelen 55 tot en met 62 Sr die in dat geval over de band van artikel 63 Sr van overeenkomstige toepassing zijn.
34. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Alhoewel de wetgever slechts een beperkte combinatie van vrijheidsstraf en taakstraf mogelijk heeft willen maken, brengt de door mij aangehaalde jurisprudentie mij tot het oordeel dat de beperkende regel van artikel 9 lid 4 Sr slechts geldt bij gelijktijdige en gevoegde berechting van meerdere strafbare feiten en niet, zoals in de onderhavige zaak, bij gelijktijdige doch niet-gevoegde berechting van meerdere strafbare feiten. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
Ambtshalve opmerking met betrekking tot de verjaring van feit 4
35. Ambtshalve vraagt de verjaring van het recht tot strafvervolging ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde feit de aandacht.
36. Feit 4 (het opzettelijk verkopen en aanwezig hebben van hennep) betreft een delict waarop ingevolge artikel 3 onder B en C in samenhang met artikel 11 van de Opiumwet een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren is gesteld. Ingevolge artikel 70 lid 1 onder 2° Sr vervalt het recht tot strafvervolging voor dit feit door verjaring in zes jaren. Op grond van artikel 71 Sr vangt de verjaringstermijn aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Elke daad van vervolging stuit de verjaring en doet een nieuwe verjaringstermijn aanvangen, met dien verstande dat ingevolge artikel 72 lid 2 Sr het recht tot strafvervolging ten aanzien van dit feit sowieso vervalt indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn, dus na twaalf jaar.
37. Gelet op de kwalificatie van het delict – “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”11.– heeft het hof de tenlastelegging opgevat als ‘impliciet cumulatief’ en niet als de tenlastelegging van één (voortdurend) delict. Het hof is er kennelijk van uitgegaan dat de verdachte in de bewezen verklaarde periode telkens, op verschillende tijdstippen, verscheidene hoeveelheden hennep heeft verkocht en aanwezig heeft gehad. Er is dus volgens het hof sprake van verschillende, op zichzelf staande strafbare handelingen van de verdachte die niettemin in één tenlastelegging (i.e. impliciet cumulatief) zijn opgenomen. Deze uitleg van de tenlastelegging door het hof is niet in strijd met haar bewoordingen en ook overigens allerminst onbegrijpelijk. Deze uitleg moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd.
38. Dit brengt met zich dat het recht tot strafvervolging ter zake van deze in het ten laste gelegde onder 4 opgenomen feiten ten tijde van het nemen van deze conclusie partieel is verjaard en wel voor zover de feiten zijn gepleegd meer dan twaalf jaar vóór het nemen van deze conclusie. Het betreft feiten begaan in de periode van 1 januari 2009 tot en met 12 oktober 2009.
39. De cassatieschriftuur is ingediend op 17 februari 2021. De schriftuur bevat geen klacht over de verjaring van het onder 4 bewezen verklaarde. In zijn arrest van 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475 m.nt. Vellinga, oordeelde de Hoge Raad dat hij – in geval van verjaring – alleen ambtshalve zal ingrijpen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen het moment van de indiening van de schriftuur en het moment van de uitspraak van het arrest van de Hoge Raad. De gedachte hierachter is, zo begrijp ik, dat in een cassatieschriftuur kan worden geklaagd over een – op het moment van indienen van die schriftuur – reeds vervulde verjaring, doch niet over een verjaring die op het moment van indienen nog zal moeten intreden. Indien in de cassatieschriftuur een klacht over een reeds vervulde verjaring achterwege blijft, neemt de Hoge Raad kennelijk aan dat de verzoeker tot cassatie meent geen belang te hebben bij een klacht over het intreden van verjaring.
40. Alhoewel de onder 4 impliciet cumulatief ten laste gelegde feiten op 17 februari 2021, de dag van indiening van de cassatieschriftuur, al partieel waren verjaard, wordt – zoals gezegd – in cassatie niet geklaagd over de verjaring. Toch meen ik dat de Hoge Raad hier ambtshalve dient in te grijpen, namelijk voor zover de verjaring is voltooid ná indiening van de cassatieschriftuur.12.Voor zover de verjaringstermijn is aangevangen na 17 februari 2009 en de dag gelegen twaalf jaar vóór de dag waarop de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, dient dit in zoverre te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de officier van justitie in de strafvervolging van de verdachte.
Slotsom
41. De eerste drie middelen falen en kunnen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het vierde middel slaagt. Het vijfde middel faalt. Overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
42. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen:
- met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde, voor zover het feiten betreft die zijn begaan na 17 februari 2009 en uiterlijk op de dag gelegen twaalf jaren vóór de dag waarop de Hoge Raad uitspraak doet,
- met betrekking tot het onder 6 primair ten laste gelegde feit en
- de strafoplegging,
en tot:
- niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde, voor zover het feiten betreft die zijn begaan na 17 februari 2009 en uiterlijk op de dag gelegen twaalf jaren vóór de dag waarop de Hoge Raad uitspraak doet,
- terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak met betrekking tot het onder 6 primair ten laste gelegde feit en de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw berecht en afgedaan kan worden,
- en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑10‑2021
Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1553; HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2574; HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2534; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2340, en HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:48. Indien de feitelijke vaststellingen van het hof erop duiden dat ook anderen dan de verdachte bij het feit betrokken zijn geweest, vereist het oordeel van het hof dat de verdachte die feiten niettemin zelf pleegde doorgaans wel onderbouwing. Vgl. ook de (tot verwerping strekkende) conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee d.d. 29 augustus 2017 voorafgaand aan HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2534 (art. 81 RO). Die situatie doet zich echter hier niet voor. Zie ook N. Seijlhouwer-Visser, ‘De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand’, NTS 2020, nr. 5, p. 350-351.
Vgl. het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, d.d. 7 maart 2017, p. 9. Daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte in totaal elfmaal door de politie is verhoord over de ten laste gelegde feiten.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511; HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390; HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:3218.
Vgl. mijn voormalig ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voorafgaand aan HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390 (ECLI:NL:PHR:2018:8), alsmede voorafgaand aan HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:42 (ECLI:NL:PHR:2018:1223). Zie ook HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3361, en HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511.
Vgl. HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9143; HR 19 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8367; HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8324, NJ 2008/68 m.nt. Mevis; HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7583.
Zie E.J. Hofstee in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J. Machielse (red.), Wetboek van Strafrecht - Noyon, Langemeijer, Remmelink, Deventer: Wolters Kluwer (losbladig commentaar), art. 9 Sr, aant. 7 (elektronische versie, bijgewerkt t/m 11 augustus 2018), en P.M. Schuyt in Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer 2020 (elektronische versie, bijgewerkt t/m 1 februari 2021). Zie ook Kamerstukken II 1997/98, 26114, nr. 3, p. 10.
HR 8 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8335, NJ 2004/414.
Vgl. ook F.C.W. de Graaf & M.J. Borgers, Meervoudige aansprakelijkstelling: een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren. ‘s-Gravenhage: Boom Juridisch 2018, p. 206.
Onderstreping mijnerzijds.
Ook in geval van een impliciet cumulatieve tenlastelegging grijpt de Hoge Raad ambtshalve in voor zover over de verjaring in cassatie niet kon worden geklaagd, derhalve voor zover het feit verjaart tussen de indiening van de schriftuur en de beslissing in cassatie. Vgl. HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:838, NJ 2020/272 m.nt. Vellinga.
Beroepschrift 17‑02‑2021
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE VIJF MIDDELEN VAN CASSATIE
van: mr. N. van Schaik
inzake:
de heer [requirant], geboren d.d. [geboortedatum] 1967, requirant van cassatie van het te zijnen laste door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zp. Arnhem, op 17 juni 2020, onder parketnummer 21-001259-17 , gewezen arrest.
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 359 jo. artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het onder .1 bewezenverklaarde — voor zover inhoudende dat requirant hennep heeft geteeld in de woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats] — niet uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Die bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans is zij in zoverre — mede gelet op het verdedigingsstandpunt ter zake (kort gezegd: dat requirant de woning in de bewezenverklaarde periode aan een derde had verhuurd) — onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 359 jo. artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het onder .2 bewezenverklaarde — voor zover inhoudende dat requirant in de woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats] opzettelijk 6,7 kilogram hennep en 189 hennepplanten aanwezig heeft gehad — niet uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Die bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans is zij in zoverre — mede gelet op het verdedigingsstandpunt ter zake (kort gezegd: dat requirant de woning in de bewezenverklaarde periode aan een derde had verhuurd) — onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 359 jo. artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het onder .3 bewezenverklaarde — voor zover inhoudende dat requirant ten behoeve van de kwekerij in de woning aan [a-straat 01] te [a-plaats] door middel van verbreking elektriciteit heeft gestolen — niet uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Die bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans is zij in zoverre — mede gelet op het verdedigingsstandpunt ter zake (kort gezegd: dat requirant de woning in de bewezenverklaarde periode aan een derde had verhuurd) — onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
De middelen I, II en III lenen zich voor een gezamenlijke toelichting.
2.
Requirant wordt in de onderhavige zaak onder meer vervolgd wegens:
- —
het telen van hennep in de woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats] (feit I);
- —
het opzettelijk aanwezig hebben van 6,7 kilogram hennep en 189 hennepplanten in diezelfde woning (feit 2)
- —
diefstal van stroom door middel van verbreking ten behoeve van de bedoelde hennepkwekerij (feit 3);
3.
Ter zitting in hoger beroep heeft requirant het volgende verklaard over zijn betrokkenheid bij deze feiten:
‘De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter:
Feit I, 2 en 3
Wij wilden weg uit het huis aan de [b-straat 02], omdat ons gezin niet aan de buurt kon wennen. Daarom lieten wij ons inschrijven bij de woningbouwvereniging. In juni 2011 kregen wij een nieuw huis dat wij zeven of acht maanden lang hebben verbouwd. Al die tijd woonden we nog aan de [a-straat]. In april of mei 2012 zijn wij overgegaan naar het adres [d-straat 04]. Mijn zoon [betrokkene 3] was al eerder bij zijn vriendin in [e-plaats] gaan wonen. Ik heb het huis aan de [a-straat] niet te koop gezet.
In juni 2012 hebben we nog een feestje gehad, een barbecue tijdens het EK (opmerking griffier: per e-mail zijn tijdens de zitting door de raadsman schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd van [naam 3], [naam 4], [naam 5], [betrokkene 1], [naam 6], [betrokkene 2], [naam 7] en [naam 8] en deze zijn vervolgens gevoegd in het dossier). De schuur was toen leeg. Op dat feestje leerde ik [betrokkene 2] kennen. Hij was bevriend met mijn dochter en wilde het huis huren. In eerste instantie wilde ik het huis te koop zetten, maar er werd mij geadviseerd daarmee te wachten. Om de kosten te drukken heb ik het huis toen verhuurd aan [betrokkene 2]. U houdt mij voor dat er uit het dossier weinig van die verhuur blijkt Ik heb bewust geen verhuurcontract opgesteld, omdat ik daar dan aan vast zou zitten. Ik weet niet meer wat [betrokkene 2] aan huur betaalde.
Ik heb niets met de aangetroffen hennepplantage te maken. Ik wist dat [betrokkene 2] ergens mee bezig was, maar niet dat het bij mij thuis speelde. Als ik hennep had willen kweken, had ik het net zo goed zelf kunnen doen. Daar had ik hem niet voor nodig. Als ik wist waar hij mee bezig was, zou ik ook een huurcontract hebben opgesteld.
U houdt mij voor dat buurtbewoners in de ten laste gelegde periode een man met een hanenkam en een blonde vrouw bij het huis zagen. Ik parkeerde mijn auto bij het huis als ik naar de zonnebank of naar de stad ging. Ik ga geen drie euro per uur betalen om te parkeren als ik honderd meter van de stad woon. Het huis bleef van mij en [betrokkene 2] had geen auto. Bovendien konden er drie auto's staan. U houdt mij voor dat er geen bed in het huis in aangetroffen. Het bed is meegegaan naar het nieuwe huis. [betrokkene 2]zou zelf voor meubels zorgen. Ik wist niet wat hij in mijn woning deed. Ik heb niets met de kwekerij te maken gehad en er dus ook niets aan verdiend. Ook met de diefstal van stroom heb ik niets te maken.
Ik heb niet meteen over [betrokkene 2] verklaard, omdat ik niet wist wat er aan de hand was. Er werd mij van alles voorgehouden. Ik kon het niet geloven, want [betrokkene 2] was een vriend van mijn dochter. Ik wilde het eerst zelf zien. Toen ik vrij kwam ben ik daarom naar de [a-straat] gereden en heb ik de plantage gezien. Ik wist verder niets van [betrokkene 2]. Het was een nette jongen.’ 1.
(…)
‘De verdachte verklaart — zakelijk weergegeven — als volgt:
Ik heb het proces-verbaal van de vorige zitting gelezen.
U, voorzitter, vraagt mij of er iets in staat vermeld wat niet goed is weergegeven.
Nee.
U, voorzitter, houdt mij voor dat de woning aan de [a-straat 01] destijds van mij was.
Ja, inmiddels niet meer. De woning is vier jaar geleden verkocht.
U houdt mij voor dat ik de vorige zitting hier een verklaring over heb afgelegd en dat ik heb aangegeven dat ik niet wist dat daar een hennepkwekerij zat en dat door de politie [betrokkene 2] is gehoord.
Er is daar toen een heel buurtonderzoek gehouden.
De vorige keer heb ik de verklaringen meegenomen van de mensen die bij ons het EK hadden gekeken tijdens een barbecue en dat waren acht verklaringen. De verklaringen zouden allemaal hetzelfde zijn, maar ik heb aan die mensen gevraagd of zij tijdens de barbecue een hennepkwekerij in de schuur hebben gezien, waar iedereen doorheen moest om bij het toilet te komen. Daarom lijken die verklaringen misschien op elkaar.
U houdt mij voor dat er op de tenlastelegging ook nog andere feiten staan, te weten de diefstal van stroom, het verkopen van hennep vanuit de growshop die ik toen had, een gewoonte maken van witwassen en valsheid in geschrifte.
Als je Niels [naam 2] gaat googelen dan zie je dat hij bekend staat als fraudeur. Met de stroom heb ik niets te maken. Waarom zou ik iemand anders daarvoor inhuren?
Die [betrokkene 2] is in Duitsland gepakt voor hetzelfde feit.
U vraagt mij of ik ook over legale inkomsten beschikte.
De growshop had geen pinautomaat. Dan staan de mensen ook geregistreerd. Het is allemaal contant gegaan.’2.
4.
Onder verwijzing naar deze verklaring(en) heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het ten aanzien van deze feiten ontbreekt aan overtuigend bewijs. De logische consequentie van dat standpunt is dat requirant zou moeten worden vrijgesproken.
5.
Het Hof heeft de verdediging daarin niet gevolgd. De feiten 1, 2 en 3 zijn bewezenverklaard. Aan die bewezenverklaring(en) is de volgende bewijsvoering ten grondslag gelegd:
‘Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.’3.
(…)
Door het hof gebezigde bewijsmiddelen, waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts worden gebezigd voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft:
- 1.
Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, nummer 201215077 (pagina's 468 t/m 472), in de wettelijke vorm opgemaakt op 16 april 2013 door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, inhoudende — zakelijk weergegeven — als relaas van voornoemde verbalisant:
Inleiding:
Door medewerkers van de recherche van de politie [a-plaats] wordt een onderzoek ingesteld ter zake overtreding van de Opiumwet contra de verdachte genaamd:
Naam :[requirant]
Voornamen :[requirant]
Geboren :[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967
Onderzoek
[requirant] is eigenaar van een growshop genaamd [A], gevestigd [c-straat 03] te [a-plaats]. Voornoemde growshop staat ingeschreven sinds I januari 2006 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als [A]. Het betreft een eenmanszaak.
[requirant] is woonachtig op het adres [d-straat 04] te [a-plaats] samen met zijn partner [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.
Volgens informatie uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) wonen zij daar samen sinds [geboortedatum] 2011 met een minderjarig kind.
[requirant] is eigenaar van perceel [a-straat 01] te [a-plaats]. Volgens informatie uit het GBA is deze woning niet bewoond.
Deze woning is volgens de gemeente [a-plaats] voor het laatst bewoond geweest tot [geboortedatum] 2011 door [requirant] en zijn partner [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, en dochter.
Aantreffen hennepkwekerijen & drogerijen:
Op 13 november 2012 vond er een doorzoeking plaats in een woning gelegen aan de [a-straat 01] te [a-plaats]. Dit betrof een onbewoonde vrijstaande koopwoning op naam van de verdachte [requirant]. Tijdens de doorzoeking werd er door de collega's van de recherche van de politie [a-plaats] een inwerking zijnde hennepkwekerij aangetroffen in de schuur achter de woning. Tevens werd er in een van de slaapkamers van deze woning op de eerste verdieping een kleine drogerij aangetroffen waar henneptoppen en afval van henneptoppen lagen te drogen.
Vrijstaande woning
In de vrijstaande woning, perceel [a-straat 01] te [a-plaats], op de eerste verdieping zag ik, verbalisant [verbalisant 1], op een van de slaapkamers aan de voorzijde van deze woning henneptoppen liggen. Deze henneptoppen lagen te drogen op witte droogrekken. In de andere slaapkamer aan de voorzijde op de eerste verdieping lag restafval van henneptoppen te drogen.
Vrijstaande garage
In de vrijstaande garage achter de woning, behorende bij perceel [a-straat 01] te [a-plaats] trof ik, verbalisant [verbalisant 1], een inwerkingzijnde hennepkwekerij en een zojuist geknipte hennepkwekerij aan. In zag dat de garage uit twee verdiepingen bestond met daarboven nog een vliering. Op de eerste verdieping van de garage werd een kweekruimte aangetroffen die in werking was. In deze ruimte stonden 189 planten die zo goed als oogstrijp waren.
De medewerker van energiemaatschappij Liander die ter plaatse was gekomen, liet mij in de meterkast zien dat de stroom op illegale wijze was afgenomen.
Henneptoppen
Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb de henneptoppen en het hennepafval van de geknipte henneptoppen gewogen op een geijkte weegschaal bij de afdeling Technische en Forensische Opsporing van de Regionale Eenheid Oost-Nederland. De henneptoppen hadden een totaal gewicht van 6,7 kilogram.
- 2.
Het proces-verbaal Narcotic Identification Test (Hennep), nummer 2012150577 (pagina's 473 t/m 474), in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 november 2012 door [verbalisant 1], voornoemd, inhoudende — zakelijk weergegeven — als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 13 november 2012 werden door mij, verbalisant, taakaccenthouder verdovende middelen team Zuid [a-plaats] en bevoegd tot het testen van verdovende middelen, de in het perceel [a-straat 01] te [a-plaats], aangetroffen stoffen, op voorgeschreven wijze middels de MMC Narcotic Identifcation Test getest.
De planten herkende ik aan de verschijningsvorm en aan de geur als zijnde hennepplanten en resten daarvan.
Uit de test van de planten, volgens de MMC Narcotic Identification Test, waarbij gebruik werd gemaakt van het testbuisje ten behoeve van het testen van cannabis, bleek dat de planten kennelijk THC bevatten. Met de aanwezigheid van THC werd aangetoond dat het bij de aangetroffen planten om hennep ging.
Hennep staat vermeld op Lijst II onderdeel B, behorende bij de Opiumwet.
- 3.
Het proces-verbaal Opiumwet, nummer PL0660 2012150577-29 (pagina's 482 t/m 483), in de wettelijke vorm opgemaakt op 15 november 2012 door [verbalisant 2], inspecteur, inhoudende — zakelijk weergegeven — als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 15 november 2012 werden door mij, verbalisant, regionaal coördinator hennep en verdovende middelen en bevoegd tot het testen van verdovende middelen, de in het perceel [a-straat 01] te [a-plaats], aangetroffen stoffen, op voorgeschreven wijze middels de MMC Narcotic Identification Test getest.
De plantendelen herkende ik aan de verschijningsvorm en aan de geur als zijnde hennepplanten.
Uit de test van de plantendelen, volgens MMC Narcotic Identification Test, waarbij gebruik werd gemaakt van het testbuisje ten behoeve van het testen van cannabis, bleek dat de plantendelen kennelijk THC bevatten. Met de aanwezigheid van THC werd aangetoond dat het bij de aangetroffen planten om hennep ging.
Hennep staat vermeld op Lijst II onderdeel B, behorende bij de Opiumwet.
Deze partij was inbeslaggenomen tijdens een onderzoek ingevolge de Opiumwet op het adres [a-straat 01] te [a-plaats].
Verdachte
Achternaam :[requirant]
Voornamen :[requirant]
Geboren :[geboortedatum] 1967
Omschrijving
De aangeboden partij bestond uit:
- —
351,12 gram (netto) gedroogde plantendelen.
- 4.
Het proces-verbaal Sporenonderzoek, nummer PL0660 2012150577-10 (pagina's 195 t/m 497), in de wettelijke vorm opgemaakt op 15 november 2012 door [verbalisant 3], buitengewoon opsporingsambtenaar, inhoudende — zakelijk weergegeven — als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 13 november 2012 werd door mij, verbalisant, als forensisch onderzoeker op verzoek van Regio Noord- en Oost-Gelderland een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een handel e.d. softdrugs.
Onderzoekslocatie
Het onderzoek is verricht in en rond perceel [a-straat 01] te [a-plaats].
Onderzoek plaats delict
Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen. Door mij werd tijdens de huiszoeking die daar plaats had een sporenonderzoek ingesteld. Dit sporenonderzoek werd verricht naar aanleiding van het aantreffen van een hennepkwekerij en van hennep dat lag te drogen.
[a-straat 01] te [a-plaats] was een vrijstaande woning die was voorzien van rolluiken. De woning werd gezien de inrichting waarschijnlijk niet bewoond. Achter deze woning was een tweede ‘woning’ aanwezig. Dit was een garage waarboven eventueel gewoond kon worden.
In deze tweede ‘woning’ werd een hennepkwekerij aangetroffen die bestond uit twee kweekruimtes. In dit bijgebouw zag ik een vijftal sporen die voor dna-onderzoek in aanmerking kwamen. Deze stelde ik veilig.
Veiliggestelde sporen/sporendragers
De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
Biologische sporen Spoor :21175
SIN :AAEH3056NL
Soort :speeksel
Bijzonderheden :Uit kwekerij, gang beg. grond, mariastr 74
Tijdstip veiligstellen :13/11/2012 om 9:00 uur
Plaats veiligstellen :Drinkrand colablikje, stond in raamkozijn,
bijgeb.
- 5.
Een deskundigenrapport, zaaknummer 2012.12.10.052/A (pagina's 516 t/m 5/7) met bijlage (p. 515), opgemaakt door ing. [deskundige 1], werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 19 december 2012, voor zover — zakelijk weergegeven — inhoudende:
Gegevens sporenmateriaal
Identiteitszegel AAEH3056NL
Stuk van overtuiging een bemonstering
Kenmerk aanvrager PL0600-2012150577
Aan de bemonstering AAEH3056NL#01 is DNA-onderzoek verricht. Van het DNA in het sporenmateriaal AAEH3056NL#01 is een DNA-profiel verkregen dat op 18 december 2012 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is tot op heden één match gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerd onder DNA-profielcluster 23142.
Het DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel AAEH3056NL#01, uit DNA-profielcluster 23142, kan afkomstig zijn van [requirant]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt per spoor aangegeven in de bijlage.
Bijlage DNA-profielcluster 23142
NFI-zaaknummer 2012.12.10.052
NFI-batchnummer HVC-12-721
Omschrijving onderzoeksmateriaal een bemonstering
DNA-identiteitszegel AAEH3056NL#01
Kenmerk aanvrager PL0600-2012150577
Soort DNA-profiel enkelvoudig DNA-profiel
Matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard
- 6.
Het proces-verbaal van aangifte, nummer 2012162529-1 (pagina's 438 t/m 440), in de wettelijke vorm opgemaakt op 29 november 2011 door [verbalisant 4], verbalisant, inhoudende — zakelijk weergegeven — als aangifte van [aangever]:
Pleegplaats :[a-plaats]
Adres :[a-straat 01]
Incident : Diefstal energie
Aangever
Bedrijf : Liander N.V.
Benadeelde
Naam :Liander N.V.
Namens Liander N.V. ben ik, [aangever], in dienstbetrekking als administratief medewerker bij Liander N.V., afdeling Energiefraude, uit hoofde van mijn functie bevoegd om van bovenstaand feit aangifte te doen bij de politie.
Liander N.V. transporteert en distribueert energie naar particulieren en bedrijven, waaronder naar de contractant van bovengenoemd perceel. Liander N.V. heeft vanaf 30 november 2007 met een persoon/bedrijf genaamd [requirant] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar bovengenoemd perceel.
Bij dit onderzoek is het volgende geconstateerd. De fraudespecialis (M07) constateerde op 13 november 2012 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:
De eerder genoemde fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken, deze waren niet meer aanwezig.
Nadat hij het deksel van de aansluitkost had verwijderd, zag hij dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale 3 fase elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze illegale aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit.
Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd.
Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door Liander N.V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 60.437 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage.
Niemand had het recht of de toestemming van Liander N.V. om het zegel te verbreken of wijziging in de bedrading aan te brengen. Niemand is gerechtigd, de elektra, zijnde eigendom van Liander N.V. op deze wijze weg te nemen zich toe te eigenen.
- 7.
Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0620 2012150577-37 (pagina's 524 t/m 525), in de wettelijke vorm opgemaakt op 20 november 2012 door T.F. Eilander, brigadier van politie, inhoudende — zakelijk weergegeven — als verklaring van [getuige 01]:
Op 18 november 2012 hoorde ik als getuige:
Achternaam :[getuige 01]
Voornamen :[getuige 1]
De getuige verklaarde:
Wie woont op het adres [a-straat 01] en wat is uw relatie met de bewoner(s)?
Hij heet [requirant]. Zijn achternaam weet ik niet. Ook woont er volgens mij een vrouw met een kind. [requirant] heeft een kale kop en daarop een hanenkam.
Wanneer de gebruiker van de [a-straat 01] aanwezig?
[requirant] en die vrouw zijn ongeveer een half jaar geleden verhuisd naar de [naam 1]. [requirant] kwam nog wel alle dagen bij/in het huis.
(…)’4.
6.
Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat requirant in de tenlastegelegde periode eigenaar was van de woning aan [a-straat] in [a-plaats], dat in die woning op 13 november 2012 een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen en dat ten behoeve van deze kwekerij de elektriciteit illegaal werd afgenomen. Tevens blijkt hieruit dat er in de woning 6,7 kilogram hennep en 189 hennepplanten aanwezig waren.
7.
Uit de bewijsvoering kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat requirant deze feiten heeft gepleegd.
8.
In dat verband stel ik voorop dat door het Hof niet bewezen verklaard is dat requirant de hennepteelt, het ‘bezit’ van hennep en de diefstal van stroom tezamen en in vereniging met één of meer anderen heeft gepleegd. Als sprake is van ‘medeplegen’, behoeft niet bewezen te worden dat de verdachte zelf alle delictsbestanddelen heeft vervuld. In casu moet dat dus wel.
9.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt niet zonder meer dat requirant de hennep (zelf) heeft geteeld noch dat hij degene was die ten behoeve van deze teelt gebruik maakte van ‘afgetapte’ stroom. Evenmin blijkt hieruit dat requirant wist van de aanwezigheid van de hennepplanten- en toppen. Daarbij neem ik in aanmerking dat requirant heeft aangevoerd dat hij de woning in de tenlastegelegde periode verhuurde aan [betrokkene 2]. Dat laatste is van belang, omdat uit jurisprudentie van Uw Raad volgt dat het Hof een nadere onderbouwing van de bewezenverklaring moet geven als de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd dat (ook) anderen bij de hennepteelt betrokken waren, terwijl deze betrokkenheid niet blijkt uit de feitelijke vaststellingen van het Hof en het Hof dat scenario dus — al dan niet expliciet — als onaannemelijk terzijde heeft geschoven.5. Deze jurisprudentie van Uw Raad wijst volgens Aben uit dat de bewijslast in dit verband niet mag worden omgedraaid.6. De aldus vereiste onderbouwing ontbreekt in het arrest.
10.
De bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans is zij in zoverre — mede gelet op het verdedigingsstandpunt ter zake (kort gezegd: dat requirant de woning in de bewezenverklaarde periode aan een derde had verhuurd) — onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
11.
Ten aanzien van het onder .3 bewezenverklaarde merk voorts nog op dat bewezen is verklaard dat requirant de diefstal heeft gepleegd door middel van verbreking. Om die reden dient bewezen te worden dat het requirant is geweest die de verzegeling van de meterkast heeft verbroken en een illegale 3 fase elektriciteitsaansluiting buiten de elektriciteitsmeter om heeft gemaakt (bewijsmiddel 6). Ook het door requirant plegen van deze (strafverzwarende) omstandigheid kan niet uit de gebezigde bewijsvoering worden afgeleid.
Middel IV
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 359 jo. artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat het onder .6 bewezenverklaarde — voor zover inhoudende dat requirant, tezamen en in vereniging met een ander, een inkomensverklaring heeft vervalst en daarvan gebruik heeft gemaakt — niet uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Die bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans is zij in zoverre — mede gelet op het verdedigingsstandpunt ter zake (kort gezegd: dat de hypotheekadviseur dit feit zelfstandig heeft gepleegd) — onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Requirant wordt onder .6 primair vervolgd voor, kort gezegd, het medeplegen van hypotheekfraude. Requirant zou — zo begrijp ik: samen met zijn hypotheekadviseur — een inkomensverklaring hebben vervalst en die verklaring hebben gebruikt in het kader van een hypotheekaanvraag.
2.
Deze beschuldiging wordt door requirant ontkent. In hoger beroep heeft zijn raadsman dan ook vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd:
‘Wat betreft de aangevraagde hypotheek merk ik op dat als mijn cliënt zegt dat hij blanco heeft getekend en dat de rest later is ingevuld, ik u moet zeggen dat dit mij niet vreemd voorkomt bij deze [naam 2]. Beroepshalve ben ik hem in meerdere zaken tegengekomen waar het ging om fraude, hypotheekfraude en leasefraude. Dit is een figuur uit [b-plaats] die wel bekend stond als iemand die een hoop kon regelen voor andere mensen en dit is wel de manier waarop hij werkte. In deze zaak is het niet handig geweest van mijn cliënt om het zo te doen, maar ik zie niet dat er sprake is van het medeplegen in de zin van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van valsheid in geschrifte. Ik verzoek het hof dan ook om mijn cliënt vrij te spreken van het onder 6 ten laste gelegde’.7.
3.
Desondanks heeft het Hof requirant voor dit feit veroordeeld. In het arrest is hierover als volgt beslist en overwogen:
‘Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen
(…)
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen
(…)
Bewezenverklaring
6.
primair
hij op of omstreeks 24 september 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een (bij GMAC Hypotheken in gebruik zijnde) (pensioen)inkomensverklaring — zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen — valselijk heeft opgemaakt of vervalst, en opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste (pensioen)inkomensverklaring — zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen — als ware dat geschrift echt en onvervalst, immers
heeft/hebben verdachte en zijn mededader(s) valselijk op die (pensioen)inkomensverklaring vermeld en doen of laten vermelden dat verdachtes jaarinkomen euro 60.000,- zou bedragen, en bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte en zijn mededader die valse/vervalste (pensioen)inkomensverklaring heeft gevoegd of laten voegen bij een aanvraag/offerte voor een hypothecaire geldlening bij die GMAC Hypotheken, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken…’8.
4.
Aan de bewezenverklaring van feit 6 liggen de volgende bewijsmiddelen ten grondslag:
- ‘16.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland, zittingsplaat Zutphen, voor zover inhóudende — zakelijk weergegeven — als verklaring van verdachte:
Ik heb eerst op de [a-straat 01] te [a-plaats] gewoond. Eerder had ik ook een hanenkam. Ik kreeg blanco formulieren van [naam 2] en heb die ondertekend. Door het invullen van die € 60.000,- heeft [naam 2] zwaar gefraudeerd.
- 17.
Het stamproces-verbaal witwasonderzoek, nummer PL0620 12012150577 (pagina's 605 t/m 640), in de wettelijke vorm opgemaakt op 24 april 2013 door [verbalisant 5], inspecteur van politie, en [verbalisant 6], brigadier van politie, voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven -als relaas van voornoemde verbalisanten:
Hypotheekfraude — [a-straat 01] te [a-plaats] Uit raadpleging van het kadaster is gebleken dat de verdachte [requirant] eigenaar is van onroerend goed, te weten perceel [a-straat 01] te [a-plaats].
Bij navraag hypotheekverstrekker CMIS Nederland BV gevestigd te Den Haag is er een resterende hypotheekschuld op voornoemd onroerend goed, perceel [a-straat 01] te [a-plaats] voor een bedrag van 277.000 euro. Datum aanvraag van de hypotheek betrof 17 september 2007 bij GMAC hypotheken, gevestigd te Den Haag. Hypotheekadviseur betrof de heer [naam 2] te [b-plaats] van [B] gevestigd te [b-plaats].
Volgens kadastrale gegevens en de koopovereenkomst blijkt dat voornoemde woning is gekocht voor een bedrag van 305.000 euro. Uit de geleverde stukken van CMIS komt verder een inkomensverklaring van de verdachte [requirant] naar voren welke is gebruikt bij de aanvraag van de hypotheek op bovengenoemd onroerend goed, perceel [a-straat 01] te [a-plaats].
Inkomensverklaring
Uit de geleverde stukken van CMIS blijkt dat er een (pensioen)inkomensverklaring is opgemaakt en is ondertekend door verdachte [requirant]. Deze (pensioen)inkomensverklaring is ingevuld en ondertekend op 24 september 2007 door verdachte [requirant] en [naam 2] als hypotheekadviseur ([B]) waarbij een jaarinkomen is opgegeven van 60.000 euro.
Hypothecaire geldlening
Op basis van de hypotheekaanvraag en de inkomensverklaring heeft GMAC Nederland BV een hypothecaire geldlening verleend aan de verdachte [requirant]. Het passeren van de hypotheekakte heeft plaatsgevonden op 9 november 2007 waar de verdachte [requirant] bij aanwezig was.
- 18.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5o van het Wetboek van Strafvordering (pagina's 1234–1239), te weten een Aanvraag Hypothecaire Geldlening, voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven
GMAC Hypotheken
Aanvraag Hypothecaire Geldlening
Adviseur: Dhr. [naam 2]
Cliëntgegevens Personalia Naam Dhr. [requirant]
Geboortedatum [geboortedatum]-67
Inkomen
Aanvang dienstverband € 60.000,00
Handtekening [requirant]
Datum 24-09-2007
- 19.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering (pagina's 1258–1259), te weten een (Pensioen) Inkomensverklaring, voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven
(Pensioen) Inkomensverklaring Wij, de hypotheekgever(s) [requirant] Zijn voornemens om de volgende hypothecaire lening aan te gaan:
Naam geldverstrekker
GMAC Hypotheken
Onderpandadres: [a-straat 01] [a-plaats]
Hierbij verklaren wij, de hypotheekgever(s), dat het (gezamenlijke) jaarinkomen bedraagt en wel met de volgende verdeling:
Naam leningnemer I : [requirant]
Inkomen: EUR 60.000
Deze inkomens zijn opgebouwd uit:
- —
vast en bestendig inkomen uit onderneming (gemiddelde van de laatste driejaar. Indien laatste jaar lager is dan het gemiddelde dan laatste jaarinkomen aanhouden) Naam hypotheekgever I:
[requirant]
Handtekening hypotheekgever I
Naam adviseur: [naam 2] Handtekening hypotheekadviseur Leningnemer I X
Datum ondertekening: 24-09-2007
- 20.
Het proces-verbaal aanvraag vordering verstrekking historische gegevens met bijlage, nummer 2012150577 (pagina's 1121 t/m 1123 en de bijlage op pagina 1124), in de wettelijke vorm opgemaakt op 6 november 2012 door [verbalisant 6], brigadier van politie, inhoudende — zakelijk weergegeven — als relaas van voornoemde verbalisant:
Doel aanvraag
Door het vaststellen van de inkomsten en uitgaven, bankrekeningnummers en alle andere relevante gegevens van de verdachte/persoon, zal het de vermogenspositie van de verdachte/persoon in kaart brengen.
In bedoeld opsporingsonderzoek contra:
De verdachte
Voornamen: [requirant]
Achternaam: [requirant]
Geboortedatum : [geboortedatum] 1967
Verzoek tot vordering gegevensverstrekking In het belang van het onderzoek verzoek ik de officier van justitie op grond van artikel 126nd, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering schriftelijk te vorderen dat door de Belastingdienst alle fiscale gegevens en/of inlichtingen over de periode 1 oktober 2007 tot heden in relatie tot de genoemde (rechts)personen die bij deze dienst aanwezig zijn hetzij mondeling hetzij schriftelijk of op andere wijze van de persoon aan hem/haar worden verstrekt.
Bijlage
Entiteit: [requirant]
Fiscaalbelang IB (in euro's)
Jaar vastgest. belast, ink.
2007 12.825
2006 157’9.
5.
De aldus gebezigde bewijsvoering kan de bewezenverklaring van feit 6 primair niet dragen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is het oordeel van het Hof dat requirant dit feit (tezamen en in vereniging met een ander) heeft gepleegd, niet begrijpelijk.
6.
Bewijsmiddel .16 houdt immers in — als verklaring van requirant — dat hij van zijn hypotheekadviseur blanco formulieren kreeg die hij heeft ondertekend: ‘Door het invullen van die € 60.000,- heeft [naam 2] [de adviseur — NvS] zwaar gefraudeerd’, aldus requirant. De door requirant geschetste gang van zaken impliceert dat niet hij, maar zijn adviseur degene is geweest die de (blanco ondertekende) inkomensverklaring heeft vervalst door daar een onjuist inkomen op in te vullen.10. Het Hof heeft die gang van zaken kennelijk aannemelijk geacht, anders was deze verklaring immers niet voor het bewijs gebezigd.
7.
Dat requirant wist van die valsheid c.q. opzet had op het gebruik van het valse document ten behoeve van zijn hypotheekaanvraag (iets wat de verdediging heeft betwist), kan uit de gebezigde bewijsvoering niet worden afgeleid. Het onder .6 bewezenverklaarde is dan ook op zijn minst ontoereikend gemotiveerd, reden waarom het bestreden arrest in zoverre niet in stand blijven.
Middel V
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en/of artikel 412 Sv en/of artikel 359 jo. artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering (Sv),
doordat de strafoplegging van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, nu aan requirant in drie gelijktijdige behandelde, maar onder het regime van — formeel — niet gevoegde zaken is opgelegd:
- (i)
een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren (21-001259-17),
- (ii)
een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden (21-000847-17); en
- (iii)
een gevangenisstraf voor duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk (21-005948-19),
welke combinatie van straffen in strijd met (de ratio van) artikel 9 lid 4 Sr.
Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Gelijktijdig met de onderhavige zaak zijn nog twee andere strafzaken tegen requirant door het Hof behandeld. Ook die zaken zijn in cassatie bij Uw Raad aanhangig.11. In alle zaken afzonderlijk is het tot de volgende strafoplegging gekomen:
- —
een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren (21-001259-17),
- —
een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden (21-000847-17); en
- —
een gevangenisstraf voor duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk (21-005948-19),
2.
In totaal is aan requirant dus — naast de taakstraf voor de duur van 240 uur — twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. De vraag die met het onderhavige middel wordt opgeworpen is of deze strafoplegging in strijd moet worden geacht met (de ratio van) artikel 9 lid 4 Sr.
3.
Bij de beantwoording van die vraag stel ik voorop dat bij wet van 21 december 1994, Stb. 1995, 32 (i.w.tr. op 27 januari 1995) de cumulatie van straffen mogelijk is geworden. Het tot dan toe bestaande cumulatieverbod is opgeheven om de armslag voor de rechter bij de straftoemeting te vergroten.
4.
Uit paragraaf 2 van de Memorie van Toelichting bij het voorstel dat tot genoemde wet leidde — een paragraaf die titel draagt: ‘Van verbod tot beperkte cumulatie van hoofdstraffen’ — blijkt evenwel dat de wetgever geen onbegrensde cumulatie voor ogen heeft gehad.12. Dit komt tot uitdrukking in (het huidige) artikel 9 lid 4 Sr, dat immers voorschrijft dat de rechter alleen dan de combinatie van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf kan opleggen, indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf ten hoogste zes maanden bedraagt.
5.
Deze mogelijkheid is ingevoerd om de rechter meer armslag te geven in gevallen dat verdachte voorlopige hechtenis heeft ondergaan. In die gevallen bleef soms maar beperkt ruimte voor een taakstraf in verband met de verplichte aftrek van het voorarrest. De bedoeling van de wetgever is om de combinatie van vrijheidsstraf en taakstraf vooral te reserveren voor gevallen waarin de vrijheidsstraf dient om de voorlopige hechtenis te compenseren.13.
6.
De vraag is hier of dat beperkte cumulatieverbod — mede gelet op de ratio van artikel 9 lid 4 Sr — ook van toepassing is op (veroordelingen in) zaken die gelijktijdig, maar niet gevoegd zijn behandeld. Voor een bevestigend antwoord op die vraag valt mijns inziens wel wat te zeggen.
7.
Daarbij neem ik eerst in aanmerking dat de rechter (in hoger beroep) de wettelijke mogelijkheid heeft om gevoegd kennis te nemen van strafbare feiten die op dezelfde terechtzitting worden aangebracht en die door dezelfde persoon zijn begaan. Het criterium om dat te doen is ‘het belang van het onderzoek’ (artikel 259 jo. 412 lid 4 Sv).
Bij de invulling van dat criterium spelen uiteraard de voor de hand liggende ‘efficiencyargumenten’ een rol (getuigen hoeven slechts een keer te worden gehoord; er kan met één proces-verbaal van de zitting worden volstaan), maar ‘het belang van het onderzoek’ kan ook bezien worden vanuit de positie van de verdachte: het is in zijn belang niet onnodig bij herhaling aan een strafvervolging te worden onderworpen. Voeging strekt in zoverre tot oplegging van één straf voor meer feiten. En de oplegging van één straf brengt uiteraard de wettelijke (cumulatie)beperking van artikel 9 lid 4 Sr met zich mee.
8.
Het Hof heeft ervoor gekozen om in casu de drie afzonderlijke zaken niet (ambtshalve) te voegen, waar dat echter wel mogelijk of zelfs — gelet op het voorgaande — aangewezen was. Het kan dan natuurlijk niet zo zijn dat de hiervoor bedoelde beperking wél zou had gegolden indien de drie zaken gevoegd behandeld zouden zijn, doch nu bij gelijktijdige behandeling maar onder het regime van — formeel — niet gevoegde zaken, deze beperking kan worden omzeild.14. Daartegen verzet (de ratio van) artikel 9 lid 4 Sr zich. Ik stel mij om die reden op het standpunt dat het oordeel van het Hof dat de strafoplegging in de drie gelijktijdig berechte zaken (telkens) van een onjuiste rechtsopvatting getuigt ten aanzien van artikel 9 lid 4 Sr, nu in zijn totaliteit beschouwd aan requirant — naast de taakstraf voor de duur van 240 uur — twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.
9.
In het licht van het voorgaande merk ik overigens nog op dat de onderhavige casus verschilt van de casus die ten grondslag lag aan HR 28 november 2006, NJ 2008/68, m.nt. Mevis. In die zaak was de verdachte door het Hof op dezelfde dag zowel veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren als tot een taakstraf voor de duur van 120 uren. Daarop werd de rechtsvraag opgeworpen of het maximum aantal uren taakstraf ex 22c lid 2 Sr (240 uren) niet óók gold in geval van meerdaadse samenloop. Nee, antwoordde Uw Raad, nu de wet in geval van samenloop niet voorziet in een nadere maximering van de taakstrafduur (r.o. 4.6). Die ‘nadere maximering’ is in de onderhavige zaak echter wél aanwezig, namelijk gelegen in (de bedoeling van de wetgever bij) artikel 9 lid 4 Sr, dat een cumulatieverbod inhoudt.
10.
Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Catharijnesingel 70 (3511 GM), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Utrecht, 17 februari 2021
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑02‑2021
Proces-verbaal van de zitting in hoger beroep d.d. 20 november 2018, p. 2.
Proces-verbaal van de zitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2020, p. 2.
Arrest Hof, p.5.
Aanvulling bewijsmiddelen, p. 1–6.
HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6448; HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:189, en HR 30 oktober 2018, NJ 2019/121 m.nt. Kooijmans; HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:42
Zie zijn conclusie vóór HR 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:41 (ECLI:NL:PHR:2020:1064, ov. 9).
Proces-verbaal zitting hoger beroep d.d. 3 juni 2020, p. 4.
Arrest Hof, p. 5–6.
Aanvulling bewijsmiddelen, p. 10–12.
Zie in dit verband ook de volledige verklaring van requirant ter zitting in eerste aanleg: ‘Voor het verkrijgen van een hypotheek heb ik nooit € 60.000,- ingevuld op een formulier. Ik kreeg blanco formulieren van [naam 2] en heb die ondertekend. Door het invullen van die € 60.000,- heeft [naam 2] zwaar gefraudeerd. Ik had van hem verwacht dat hij zijn werk goed zou doen. Ik hoefde dat huis aan de [a-straat 01] te [a-plaats] niet persé te hebben. U houdt mij voor dat op mijn belastingpapieren als inkomen een bedrag van circa € 14.000,- staat en u vraagt mij of ik met dit inkomen een hypotheek kan krijgen. Ik weet mijn inkomen niet. Wat ik verkoop is wat ik verdien. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik € 150,- per dag en ongeveer € 2.000,- per maand verdiende. Dat klopt niet. Ik kan niet zeggen dat ik € 150,- per dag verdien. Ik heb meestal wel ongeveer € 150,- aan kasgeld. In een growshop begin je niets met € 150,-. Gemiddeld haalde ik € 3.000,- à € 4.000,- per maand uit mijn bedrijf. Voor mijn woning moest ik € 1.400,- per maand betalen. Wat het aflossingspercentage is, weet ik niet. Ik weet niets van boekhouden.’ (Proces-verbaal van de zitting van de rechtbank d.d. 27 februari 2015.)
Naast de onderhavige zaak met kenmerk 20/1873, zijn dat de zaken met kenmerken 20/1870 en 20/1876.
Kamerstukken II, 1993/1994, 23 681, nr. 3, p. 2.
Tekst & Commentaar Strafrecht, Hoofd-/bijkomende straffen bij: Wetboek van Strafrecht, Artikel 9 [Hoofd- en bijkomende straffen], aant. 4 onder c.
Vergelijk Mevis in (.10) van zijn noot onder HR 28 november 2006, NJ 2008/68.