Vgl. HR 16 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2463, NJ 1997, 405 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 280.
HR, 17-04-2018, nr. 16/01293
ECLI:NL:HR:2018:551
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-04-2018
- Zaaknummer
16/01293
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:551, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑04‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1611
ECLI:NL:PHR:2017:1611, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑11‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:551
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑09‑2016
- Vindplaatsen
NJ 2018/414 met annotatie van T. Kooijmans
SR-Updates.nl 2018-0154
Uitspraak 17‑04‑2018
Inhoudsindicatie
Cassatieberoep ingetrokken na tot vernietiging strekkende CAG. Belang bij cassatie? Gelet op art. 4.4.2 van het Procesreglement HR zal de HR de zaak op het bestaande beroep afdoen. De in dit arrest vermelde aanvulling van gebezigde b.m. die redengevend zijn voor de bewezenverklaring a.b.i. art. 365a.2 Sv ontbreekt bij de aan de HR gezonden stukken. Blijkens de CAG is geen aanvulling opgemaakt. Nu het Hof in strijd met art. 359.3 en 8 Sv geen b.m. heeft opgenomen houdende voor de bewezenverklaring redengevende f&o, slaagt het middel v.zv. het inhoudt dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de gebezigde b.m. kan worden afgeleid.
Partij(en)
17 april 2018
Strafkamer
nr. S 16/01293
ES/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 maart 2016, nummer 20/000122-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.P. Zwaanswijk, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Het beroep is ingetrokken nadat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van de Hoge Raad van 28 november 2017 zijn conclusie had genomen en derhalve na de aanvang van de behandeling van het beroep als bedoeld in art. 453 Sv. Gelet op art. 4.4.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden zal de Hoge Raad de zaak op het bestaande beroep afdoen.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde feit niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen en de bewezenverklaring daarom niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
2.2.
Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht."
2.3.1.
De in dit arrest vermelde aanvulling van gebezigde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring als bedoeld in artikel 365a, tweede lid, Sv ontbreekt bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken. Blijkens de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 is zo een aanvulling door het Hof niet opgemaakt.
2.3.2.
Nu het Hof in strijd met art. 359, derde en achtste lid, Sv geen bewijsmiddelen heeft opgenomen houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, slaagt het middel voor zover het inhoudt dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
2.4.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2018.
Conclusie 28‑11‑2017
Inhoudsindicatie
Cassatieberoep ingetrokken na tot vernietiging strekkende CAG. Belang bij cassatie? Gelet op art. 4.4.2 van het Procesreglement HR zal de HR de zaak op het bestaande beroep afdoen. De in dit arrest vermelde aanvulling van gebezigde b.m. die redengevend zijn voor de bewezenverklaring a.b.i. art. 365a.2 Sv ontbreekt bij de aan de HR gezonden stukken. Blijkens de CAG is geen aanvulling opgemaakt. Nu het Hof in strijd met art. 359.3 en 8 Sv geen b.m. heeft opgenomen houdende voor de bewezenverklaring redengevende f&o, slaagt het middel v.zv. het inhoudt dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de gebezigde b.m. kan worden afgeleid.
Nr. 16/01293 Zitting: 28 november 2017 | Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 2 maart 2016 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard, één en ander zoals in het arrest vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. C.P. Zwaanswijk, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het tweede middel behelst de klacht dat het bewezen verklaarde niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. Volgens de steller van het middel is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
In de bestreden uitspraak zijn geen bewijsmiddelen opgenomen. In het verkort arrest staat vermeld dat indien tegen het verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring worden opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest, die aan dat arrest zal worden gehecht. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich evenwel niet een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv (in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv) houdende de gebezigde bewijsmiddelen.
Aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is verzocht de aanvulling op het verkort arrest alsnog aan de Hoge Raad in te zenden. Namens het hof is bij e-mails van 27 oktober 2017 en 6 november 2017 aan de Hoge Raad bericht dat de aanvulling op het verkort arrest niet is achterhaald en dat is gebleken dat “de aanvulling bewijsmiddelen in bovengenoemde zaak nog dient te worden uitgewerkt”.
Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 359, derde lid, Sv moet de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan steunen op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Een verzuim leidt op grond van het bepaalde in art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid van de bestreden uitspraak.1.Over het ontbreken van die aanvulling wordt in cassatie niet geklaagd, terwijl evenmin op de voet van art. IV, derde lid, van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2013 is verzocht om toezending van de bedoelde aanvulling. Die omstandigheden laten onverlet dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Nu het hof geen bewijsmiddelen heeft opgenomen, slaagt het middel voor zover het inhoudt dat de bewezenverklaring niet uit de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij merk ik nog op dat zich in dezen niet de situatie voordoet waarbij het hof het vonnis in eerste aanleg heeft bevestigd en de inhoud van de bewijsmiddelen aan het vonnis in eerste aanleg kan worden ontleend.2.De omstandigheid dat het hof in het verkort arrest een bewijsoverweging heeft opgenomen maakt zulks evenmin anders. De bewijsoverweging behelst immers gevolgtrekkingen uit de bewijsmiddelen, zonder dat sprake is van een nauwkeurige verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Ook aan de hand daarvan kan dan ook niet worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.3.De bewezenverklaring is aldus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.4.
7. Nu het tweede middel slaagt en de bestreden uitspraak reeds om die reden niet in stand kan blijven, kunnen het eerste middel en het derde middel onbesproken blijven.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑11‑2017
Zoals in HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2917, NJ 2015/243, m.nt. Reijntjes.
HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387 en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0425, NJ 2007/388.
Vgl. HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2123 en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2560.
Beroepschrift 09‑09‑2016
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Tevens per fax: 070 ‑ 7530352
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
van mr. C.P. Zwaanswijk die verklaart door nagenoemde [verzoeker] ter zake bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd
in de zaak van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
adres: [adres] te [postcode] te [gemeente],
verzoeker tot cassatie van de te zijnen laste door het Gerechtshof Den Haag op
2 maart 2016 onder rolnummer
20/000122-15 gedane uitspraak.
Allereerst en voor zover vereist wordt opgemerkt dat ondergetekende, mr. C.P. Zwaanswijk, door zijn cliënt, de heer [verzoeker], hierna te noemen verzoeker, bepaaldelijk gevolmachtigd is, de onderhavige schriftuur in te dienen.
Middel I: Motiveringsklacht
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO. Het Hof heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde een door verzoeker aangevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt verworpen, althans is aan een standpunt van verzoeker voorbij gegaan, waarbij niet, althans onvoldoende, is gemotiveerd op welke gronden het standpunt ter zijde is gelegd.
Gezien de inhoud van het middel is naar oordeel van verzoeker voldoende uiteengezet wat de aard van de klacht is. Een en ander behoeft geen nadere uiteenzetting ten behoeve van artikel 80a lid 1 RO en 81 lid 1 RO.
Toelichting
1.
Verzoeker is door het Gerechtshof Den Bosch d.d. 2 maart 2016 (rolnummer 20-000122-15) veroordeeld voor diefstal in vereniging van accu's uit een vrachtwagen toebehorend aan [A] B.V. Daarbij is verzoeker veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken. Bijgevoegd bij deze cassatieschriftuur als productie 1 is het gewezen arrest in deze zaak.
2.
In onderdeel B.3 van het arrest van het volgende te lezen met betrekking tot de bewijsoverwegingen:
‘Uit het vorenstaande, in het bijzonder de geringe afstand tussen de plaats waar de accu's waren weggenomen, de plaats waar de accu's in de laadruimte van de auto van de vriendin van verdachte zijn aangetroffen en de plaats waar verdachte en medeverdacht [medeverdachte] zijn aangehouden, de overeenstemmende nummers en de omstandigheid dat van de weggenomen accu's en de aangetroffen accu's de bedrading was losgeknipt of afgesneden, leidt het Hof af dat de in de Volkswagen Golf aangetroffen accu's zijn weggenomen uit de vrachtwagen van [A] B.V.’
3.
Verzoeker heeft altijd ontkend en ontkent nog steeds het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd. Hij heeft ten aanzien van het bepleiten van zijn onschuld verklaart dat hij de in de auto van zijn vriendin aangetroffen accu's bij de reiniging van het industrieterrein in Den Haag voor de deur heeft weggehaald, aangezien mensen daar vaker oud afval neerzetten omdat ze er anders voor moeten betalen (p-v blz. 43).
4.
Naar oordeel van verzoeker gaat het Hof ten onrechte voorbij aan de centrale vraag bij beoordeling van het bewijs, namelijk of de in de auto van de vriendin van verzoeker aangetroffen accu's te herleiden zijn tot de bewuste vrachtwagen van [A] B.V. Daarbij is van belang of op grond van de aangetroffen nummering op de accu's kan worden vastgesteld of deze accu's toebehoren aan voornoemde vrachtwagen. Deze vraag is met name zo van belang, omdat voor het overige wat betreft de gebezigde bewijsmiddelen door het Hof gebruikt onder overwegingen B.2 en B.3 ter onderbouwing van de bewezenverklaring, slechts sprake is van indirect bewijs. Dit laatste zal nader worden uiteengezet onder middel II van deze cassatieschriftuur.
5.
Het Hof benoemd slechts over ‘de overeenstemmende nummers’, geplaatst in de context zoals reeds geciteerd onder overweging twee van deze cassatieschriftuur. Daarbij wordt in zijn geheel voorbij gegaan aan het feit dat juist omtrent deze nummering uitgebreid inhoudelijk verweer gevoerd is door verzoeker ter zitting bij het Hof. Verzoeker bracht daarbij het volgende aan, zoals ook valt te lezen in de aan het arrest aangehechte pleitnota van raadsman van verzoeker, die tijdens die zitting is voorgedragen.
6.
De Politierechter heeft na het pleidooi op de eerste zitting d.d. 2 oktober 2014 in eerste aanleg het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuige [getuige 1] teamleider magazijn Rüttchen Tilburg (Mercedes-dealer) toegewezen, aangezien volgens de Politierechter beantwoording van de centrale vraag of de aangetroffen accu's in de auto van verzoeker te herleiden zijn tot een vrachtauto van [A] noodzakelijk was voor beantwoording van de vragen zoals genoemd in artikel 350 Sv.
7.
Vervolgens is getuige [getuige 1] gehoord ter zitting d.d. 15 januari 2015. Tijdens deze zitting heeft getuige [getuige 1] verklaard en ik citeer;
‘Er zijn onderdeelnummers genoemd, geen serienummers. Het type accu geeft dat nummer aan…’
En:
‘De accu's zijn terug te leiden tot die auto,
Echter verklaart getuige [getuige 1] vervolgens op de vraag van de verdediging ‘Maar hoe kunt u zien aan dit typenummer dat het om dezelfde accu's gaat? Het typenummer is niet uniek.’
‘U geeft aan dat vast moet komen te staan dat de accu's die zijn ontvreemd exact dezelfde accu's zijn als de accu's die in de kofferbak gekomen zijn. U vraagt mij of de accu's een uniek nummer per accu hebben. Het betreft een onderdeelnummer. De accu's die zijn geplaatst zijn van dit typenummer. Zware auto's van boven de 20 ton, hebben deze accu's gemonteerd. Deze accu's betreffen accu's van Mercedes-Benz. Ik weet niet wie de producent is, maar kan het achterhalen. De sticker geeft aan dat het Mercedes-Benz onderdelen zijn.’
En als antwoord op de vraag van de verdediging hoe veel zware. vrachtauto's boven de 20 ton van Mercedes rondrijden verklaart getuige [getuige 1];
‘Alle trekkers. Ik kan er geen schatting van geven. Het zijn er legio.; Honderdtallen, misschien wel vijfhonderd of zeshonderd. Dat is een ruwe schatting.’
Daarbij heeft getuige [getuige 1] verklaard, hetgeen overigens alleen in het proces-verbaal is opgenomen als verweer van de verdediging;
‘Dat na het plaatsen van een accu met een typenummer, deze de wereld ingaat en ze er geen grip meer op hebben.’
8.
Mitsdien is verzoeker van oordeel dat zijn verklaring aannemelijk is, althans niet zonder gerede twijfel valt uit te sluiten, dat de in de auto aangetroffen accu' s niet door middel van (het onderhavige) misdrijf in bezit gekomen zijn van verzoeker. De aangetroffen accu's zijn immers niet te herleiden tot de desbetreffende vrachtwagen van [A] B.V., vanwege het specifiek ontbreken van unieke serienummers die toe te schrijven zouden zijn geweest aan de weggenomen accu's afkomstig uit de vrachtwagen toebehorend aan [A] B.V.
9.
Het voornoemde is als zodanig naar voren gebracht voor het Hof. Tevens is het ingenomen standpunt, volgens verzoeker, voldoende duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren gebracht. Derhalve is voldaan aan de vereisten die van belang zijn in het kader van het scheppen van een responsieplicht voor de rechter bij het afwijken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, zoals volgt uit uw uitspraak van 11 november 2006, ECLI:HR:2006:AU9130. Hieruit volgt dat een responsieplicht in het kader van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt tevens geldt voor bewijsverweren, wanneer door verzoeker aan voornoemde eisen is voldaan.
10.
Het Hof is echter volledig voorbij gegaan aan voornoemd uitdrukkelijk ten overstaan van het Hof uiteengezet en onderbouwd standpunt. Verzoeker vind dat de reden daartoe niet, althans onvoldoende, is gemotiveerd, daar door het Hof slechts volstaan wordt met het noemen van de overeenstemmende nummering. Hierbij wordt zelfs niet duidelijk over welke nummering het Hof spreekt, omdat diverse nummers in de bewijsoverwegingen door het Hof genoemd worden. Nogmaals wordt benadrukt dat het daarbij gaat om een essentieel onderdeel van de bewijsvraag. Met name ook omdat voor de overige gebezigde bewijsmiddelen geldt zij slechts op generlei wijze de conclusie kunnen rechtvaardigen dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht, dat verzoeker het tenlastegelegde feit heeft begaan, althans in ieder geval voldoende gerede twijfel omtrent de bewijsvraag laten bestaan, gelet op het feit dat alle gebezigde bewijsmiddelen berust op indirect bewijs. Dit zal nader worden uiteengezet onder middel II van deze cassatieschriftuur.
11.
Derhalve is de beslissing d.d. 2 maart 2016 niet met voldoende redenen omkleed, althans niet c.q. onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk en kan volgens verzoeker niet in stand blijven.
Middel II: Bewijsklacht
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO, omdat het ten laste gelegde en door het Hof bewezenverklaarde niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, althans de bewezenverklaring is niet dan wel ontoereikend gemotiveerd, terwijl door verzoeker wel een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hieromtrent is ingenomen. Derhalve is de bewezenverklaring naar de eis der wet niet met redenen omkleed.
Gezien de inhoud van het middel is naar oordeel van verzoeker voldoende uiteengezet wat de aard van de klacht is. Een en ander behoeft geen nadere uiteenzetting ten behoeve van artikel 80a lid 1 RO en 81 lid 1 RO.
Toelichting
12.
In onderdeel B.3 van het arrest van het volgende te lezen met betrekking tot de bewijsoverwegingen:
‘Uit het vorenstaande, in het bijzonder de geringe afstand tussen de plaats waar de accu's waren weggenomen, de plaats waar de accu's in de laadruimte van de auto van de vriendin van verdachte zijn aangetroffen en de plaats waar verdachte en medeverdacht [medeverdachte] zijn aangehouden, de overeenstemmende nummers en de omstandigheid dat van de weggenomen accu's en de aangetroffen accu's de bedrading was losgeknipt of afgesneden, leidt het Hof af dat de in de Volkswagen Golf aangetroffen accu's zijn weggenomen uit de vrachtwagen van [A] B.V. Hieruit blijkt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] korte tijd na de diefstal in de directe omgeving van de plaats van de diefstal in het bezit waren van de buit van deze diefstal.’
13.
De gevolgtrekking dit het Hof hier maakt (opgenomen in de laatste zin van voormeld citaat) aan de hand van de daarvoor door het hof gebezigde bewijsmiddelen, kan de verzoeker niet volgen, en wel om de navolgende gronden.
14.
Er is slechts sprake van indirect en/of steunbewijs, waarvan het Hof gebruikt maakt blijkens de bewijsoverwegingen in overwegingen B.2 en B.3 van het onderhavige arrest.
15.
Wat betreft de ‘overeenstemmende nummers’ is hiervoor al een en ander uiteengezet onder middel I van deze cassatieschriftuur. Van belang te benadrukken is dat de gevonden accu's niet zijn te herleiden tot de vrachtwagen van [A] B.V, althans dat er op grond van het aangedragen verweer van verzoeker niet zonder gerede twijfel uit te sluiten dat de accu's toebehoren aan de desbetreffende vrachtwagen van [A] B.V. Derhalve is niet, zoals door het Hof wel aangenomen, vast te stellen dat zij in het bezit waren van de buit van de diefstal.
16.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat ook de overige door het Hof gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende zijn om de bewezenverklaring te kunnen dragen. Geen van de gebezigde bewijsmiddelen koppelt verzoeker direct aan accu's toebehorend aan [A] B.V., althans laten op zijn minst voldoende gerede twijfel omtrent de bewijsvraag. Deze indirecte bewijzen zijn in ieder geval onvoldoende om te komen tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring.
17.
Het Hof stelt dat de aanwezigheid van verzoeker op het terrein van Bas Volvo Trucks bijdraagt aan de bewezenverklaring, althans dit vormt onderdeel van de gebezigde bewijsmiddelen in B.2. De bewuste vrachtwagen van [A] B.V. stond echter elders in de straat op een parkeerterrein, niet zijnde het terrein van Bas Volvo Trucks. Het Hof is er tevens vanuit gegaan dat de zwarte Golf van de vriendin van verzoeker tegenover het terrein van Bas Volvo Trucks geparkeerd stond. Ook dit is elders in de straat, en niet op het parkeerterrein waar de vrachtwagen van [A] B.V. stond. Het Hof bevestigt daarmee dat zowel de auto, als verzoeker en medeverdachte, niet op het terrein zijn waargenomen waar de vrachtwagen geparkeerd stond. Daarbij is tevens van belang dat het Hof nog overweegt, onder B.2:
‘Tussen 16 september 2014 te 18.00 uur en 17 september 2014 te 07.15 uur stond een vrachtwagen van het merk Mercedes, voorzien van kenteken [AA-00-BB], geparkeerd op een parkeerplaats tegenover het bedrijf Ruttchen Tilburg, gevestigd aan de Kraaivenstraat 12 in Tilburg. Deze vrachtwagen is eigendom van [A] B.V. Gedurende voormelde tijdspanne werden uit die vrachtwagen twee grote accu's, voorzien van een mercedessticker, weggenomen.’
18.
Hierbij geeft het Hof aan dat de accu's binnen een tijdspanne van ruim 13 uur weggehaald zijn. Dit terwijl wordt overwogen dat verzoeker en medeverdachte slechts zijn waargenomen omstreeks 00.20 uur op 17 september 2014, en niet op de locatie waar de vrachtwagen van [A] B.V stond, maar op een parkeerterrein elders in de straat. Aan deze bewijsmiddelen, die het Hof bezigt voor de bewezenverklaring, kan naar oordeel van verzoeker geen bewijskracht worden ontleend. Sterker nog, verzoeker en medeverdachten zijn elders gesignaleerd, en de ruime tijdspanne laat op zijn minst gerede twijfel bestaan omtrent de vragen, wanneer, hoe en door wie de accu's van de vrachtwagen zijn meegenomen.
19.
Daarenboven stelt het Hof tevens onder B.3 dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden gesteld dat verzoeker en medeverdachte korte tijd na de diefstal zijn aangetroffen in de directe omgeving van de diefstal en in bezit waren van de buit van deze diefstal. Deze omstandigheden zijn voor het Hof mede redengevend voor het bewijs, ‘mede vanwege de omstandigheid dat verdachte voor deze omstandigheid geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven’, ook te vinden onder overweging B.3.
20.
Verzoeker heeft echter wel degelijk een redengevende verklaring gegeven, wat al is uiteengezet onder punt 3 van deze cassatieschriftuur.
21.
Op grond van al het voorgaande kan naar oordeel van verzoeker niet worden vastgesteld dat verzoeker en medeverdachte in het bezit waren van ‘de buit van de diefstal’, zoals door het Hof wordt overwogen. Tevens acht verzoeker het onbegrijpelijk dat het Hof middels gebruik van de gebezigde bewijsmiddelen komt tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring van de tenlastegelegde diefstal.
22.
Derhalve is de beslissing d.d. 2 maart 2016 niet met voldoende redenen omkleed, althans het bewezenverklaarde niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen en/of is niet c.q. onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk en kan volgens verzoeker niet in stand blijven.
Middel III: Motiveringsklacht
23.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO. Het Hof heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde een door verzoeker aangevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt verworpen, althans is aan een standpunt van verzoeker voorbij gegaan, waarbij niet, althans onvoldoende, is gemotiveerd op welke gronden het standpunt ter zijde is gelegd.
24.
Gezien de inhoud van het middel is naar oordeel van verzoeker voldoende uiteengezet wat de aard van de klacht is. Een en ander behoeft geen nadere uiteenzetting ten behoeve van artikel 80a lid 1 RO en 81 lid 1 RO.
Toelichting
25.
Tijdens de zitting is, middels voornoemde pleitnota, een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen wat betreft de reden dat verzoeker en medeverdachte op het terrein van Volvo Trucks waren. Tevens werd uitdrukkelijk verweer gevoerd wat betreft het feit dat het onwaarschijnlijk is dat i.c. binnen 10 minuten twee vrachtwagenaccu's gestolen kunnen zijn door verzoeker (en medeverdachte). Hiertoe werd tijdens de zitting het volgende aangevoerd.
26.
Medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat hij samen met verzoeker uit de stad kwam en na 00:00 uur samen met hem is vertrokken om naar huis te gaan (p-v blz. 29). Onderweg moest [medeverdachte] plassen en is hij samen met verzoeker het Volvo-terrein op gegaan.
27.
Dit wordt bevestigd door de verklaring van aangever [aangever]. Immers hebben de collega's van aangever [aangever], naar later bleek, verzoeker en [medeverdachte], omstreeks 00.20 uur zien komen aanrijden met een auto, waarna zij over een hek klommen. De collega's van aangever [aangever] — en later ook [aangever] — hebben de twee constant via camerabeelden in de gaten gehouden, maar daarbij hebben zij niet gezien dat er accu's werden ontvreemd. Sterker nog, het is onwaarschijnlijk dat [medeverdachte] en verzoeker binnen een tijdsbestek van ongeveer 10 minuten de accu's hebben kunnen stelen, aangezien verzoeker samen met [medeverdachte] rond 00:00 uur wegging uit de stad en rond 00:20 uur werden gesignaleerd op de camerabeelden en aangever [aangever] hen vervolgens constant op beeld had (p-v blz. 9).
28.
Gelet op het feit dat aan de hand van camerabeelden en getuigenverklaringen door verzoeker een nadrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen wordt, wat zodoende allesbehalve ongegrond is, noopt dit naar oordeel van verzoeker op zijn minst tot een gemotiveerde reactie van het Hof.
29.
Het Hof overweegt slechts dat verzoeker en medeverdachte om 00:20 uur zijn waargenomen, op een andere locatie dan de plaats delict, waarbij het Hof tevens aanneemt dat de accu's in een tijdspanne van 13 uur weggehaald kunnen zijn. Hetgeen al op zijn minst gerede twijfel laat bestaan omtrent de betrokkenheid van verzoeker (en medeverdachte) bij het tenlastegelegde. Met name ook dit in ogenschouw nemende, gaat het Hof naar oordeel van verzoeker ten onrechte ongemotiveerd en in zijn geheel voorbij aan een uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van verzoeker. Terwijl dit naar oordeel van verzoeker een wezenlijk onderdeel is van de bewijsvraag.
30.
Derhalve is de beslissing d.d. 2 maart 2016 niet met voldoende redenen omkleed, althans niet c.q. onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk en kan volgens verzoeker niet in stand blijven.
Den Haag, 9 september 2016
C.P. Zwaanswijk
Advocaat