HR, 24-06-2011, nr. 10/02867
ECLI:NL:HR:2011:BP9992
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
24-06-2011
- Zaaknummer
10/02867
- Conclusie
Mr. J. Spier
- LJN
BP9992
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BP9992, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 24‑06‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP9992
ECLI:NL:PHR:2011:BP9992, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑03‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP9992
- Vindplaatsen
Uitspraak 24‑06‑2011
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Verbintenissenrecht. Koop woning. Agrarische bestemming woning. Dwaling?
24 juni 2011
Eerste Kamer
10/02867
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. A.Th.P.A. Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 230265/HA ZA 04-3487 van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 oktober 2005;
b. de arresten in de zaak 105.003.979/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 november 2007 (tussenarrest) en 1 juni 2010 (eindarrest).
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.421,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 juni 2011.
Conclusie 25‑03‑2011
Mr. J. Spier
Partij(en)
Verkorte Conclusie inzake
[Eiser 1]
[Eiseres 2]
tegen
[Verweerder 1]
[Verweerster 2]
1.
In cassatie is tijdig opgekomen tegen de arresten van het Hof 's‑Gravenhage van 1 november 2007 en 1 juni 2010.
2.
De onderdelen 1.2 (1.1 behelst geen klacht) — 1.6 van het eerste middel voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat zij niet aangeven waar de daarin genoemde stellingen in feitelijke aanleg zijn betrokken.
3.
Onderdeel 1.7 is onbegrijpelijk omdat niet valt in te zien hoe het Hof in zijn tussenarrest rekening kon houden met een posterieure verklaring. Dat trekt onderdeel 1.8 mee in zijn val.
4.
Onderdeel 1.9 mislukt reeds omdat [eiser] zelf de kans heeft gehad om de daarin genoemde vragen aan de getuige te stellen wat hij blijkbaar heeft nagelaten.
5.
Op dit alles ketst de voortbouwende klacht van onderdeel 1.10 eveneens af.
6.
Middel II mislukt. Dat spreekt voor zich.
7.
De onderdelen 3.1 – 3.4 van het derde middel behelzen, naar ik begrijp, klachten die voortbouwen op het eerste middel. Zij delen daarom hun lot.
8.
Voor zover onderdeel 3.5 al begrijpelijk is en [eiser] niet opbreekt dat geen beroep wordt gedaan op een vindplaats in de dingtalen waar hij aandacht voor dit punt heeft gevraagd, mislukt het omdat het niet voorbij gaat aan 's Hofs redengeving.
9.
Onderdeel 3.6 is onbegrijpelijk voor zover het iets bedoelt toe te voegen aan de eerdere klachten en mislukt als het een herhaling van zetten is.
10.
Onderdeel 3.7 behelst een voortbouwende klacht die eveneens faalt.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal