HR, 20-01-2026, nr. 25/01182
ECLI:NL:HR:2026:74
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-01-2026
- Zaaknummer
25/01182
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:74, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑01‑2026; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2025:1790
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Dood door schuld in uitoefening van beroep (art. 307.1 jo. 309 Sr) door 2021 en 2022 in Noord-Nederland als eigenaar en schipper van een tot charterschip omgebouwd zeilschip onvoldoende te controleren of giek van dat schip nog in deugdelijke staat verkeerde en na te laten tuigage van dat schip tijdig te laten keuren, waardoor tijdens zeiltocht van scholieren de giek van schip is gebroken en terecht is gekomen op hoofd van 12-jarig meisje, dat ter plekke is overleden. HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01182
Datum 20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2025, nummer 21-006046-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem een schriftuur ingediend.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.